← België

Arrest 191723 - Tucht (openbaar ambt) - 23/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.723 Rolnummer: A. 125943/IX-3466 Zaak: Arrest 191723 - Tucht (openbaar ambt) - 23/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-01 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-29 23:32 Fiche Arrest nr 191.723 van 23 maart 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.723 van 23 maart 2009 in de zaak A. 125.943/IX-

  1. In zake : Jean-Pierre STRICK, die woonplaats kiest bij advocaat P. VAN EECKHAUT, kantoor houdende te GENT, Recolettenlei 41 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale politie DGS/DSJ, kantoor houdende te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jean-Pierre STRICK op 23 augustus 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 20 augustus 2002 waarbij hem de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd; Gelet op het arrest nr. 181.092 van 17 maart 2008 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met een verder onderzoek van de zaak; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij en de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 30 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 februari 2009; IX-3466-1/23 Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. VAN PUYENBROECK die, loco advocaat P. VAN EECKHAUT, verschijnt voor de verzoeker, en van adviseur E. VAN ROSSEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  3. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker commissaris van politie bij de federale politie. 1.
  4. Met een nota van 22 februari 2002 adieert de directeur-generaal van de algemene directie gerechtelijke politie (de gewone tuchtoverheid van de verzoeker) de minister van Binnenlandse Zaken (de hogere tuchtoverheid van de verzoeker) met betrekking tot een lastens de verzoeker samengesteld tuchtdossier, gebaseerd enerzijds op een gerechtelijk dossier dat op 18 december 2001 werd geseponeerd, en anderzijds op het feit dat de verzoeker in mei 2001 tijdens de dienst twee halve dagen zou hebben besteed aan activiteiten die tot de privé-sfeer behoren. De directeur-generaal is van oordeel dat de verzoeker een zware tuchtstraf moet worden opgelegd. 1.
  5. De minister van Binnenlandse Zaken stelt op 22 februari 2002 een inleidend verslag op, waarin hij zijn voornemen kenbaar maakt om de verzoeker het ontslag van ambtswege op te leggen. IX-3466-2/23 Dit verslag wordt op 11 maart 2002 ter kennis van de verzoeker gebracht. In het verslag worden de volgende zes feiten aan de verzoeker ten laste gelegd: “[Feit 1:] Op 1 juni 1987 bevond CP Baum zich samen met een deskundige in een parfumerie waar het gebrand had. Hij had een tip gekregen dat het hier een opzettelijke brandstichting betrof. Omdat de opzettelijke brandstichting quasi niet te bewijzen was besloot uw collega de man aan te pakken voor oplichting van de verzekering omdat hij een schade had opgegeven die niet in overeen- stemming was met de werkelijk geleden schade. Wetende dat u in de omgeving belast was met een huiszoeking en dat u vergezeld was van een nieuw lid bij de dienst, die in het raam van zijn opleiding best met zoveel mogelijk verschillende misdrijven geconfronteerd werd, vroeg hij u na de afwerking van uw opdracht langs te komen in de parfumerie. Toen u daar aankwam was uw collega bezig met de inventarisatie van de stock. U nam, in gezelschap van de nieuwe collega, vier à vijf flesjes parfum en stak die op zak terwijl u aan uw nieuwe collega zegde dat hij daar niet moest op letten, dat hij er zelf ook enkele mocht meenemen, dat het geen kwaad kon en dat die flesjes toch zouden vernietigd worden. Uw nieuwe collega nam daarop ook één of twee flesjes parfum mee. U was ter plaatse met geen enkele opdracht belast. [Feit 2:] Op 18 maart 1994 werd de NV Paris failliet verklaard. In deze zaak werden op 21 maart 1994 vier computers, vier schermen, vier klavieren en een laserprinter in beslag genomen. Al dit materiaal werd meegenomen naar de burelen met het oog op verder onderzoek. Deze zaken werden nooit ter griffie neergelegd. Alle materiaal, met uitzondering van de laserprinter, was van geringe waarde. Op het bureel liet u de laserprinter uittesten door uw medewerker. Enige tijd nadien nam u die mee naar huis. In mei 1996 contacteerde u de curator. U deelde hem mee dat u een persoon kende die deze quasi waardeloze zaken onderhands wilde kopen. De curator had het materiaal niet gezien en was dan ook niet op de hoogte van de werkelijke waarde ervan. De koper in kwestie was uw moeder. U lichtte de curator niet in over die familieband. Uzelf dong af op de vraagprijs van 5000 BEF en uiteindelijk werd alles samen verkocht voor 2000 BEF + 420 BEF BTW. U stelde zelf het ontvangstbewijs op waarbij de curator verklaarde bovenvermeld materiaal van de gerechtelijke politie in ontvangst genomen te hebben. In werkelijkheid heeft de curator het computermateriaal nooit ontvangen. Op dat ontvangstbewijs vermeldde u voor alle stukken, met uitzondering van de laserprinter, merk, type en serienummer. U vermeldde evenmin dat het een laserprinter betrof en u beperkte de omschrijving ervan tot ‘printer van het merk Canon’. In het gerechtelijk dossier werden nochtans alle gegevens met betrekking tot deze printer aangetroffen. Het ging om Canon laserprinter nummer L10161, type LBP, serienummer CTG
  6. Uit een enquête van Testaankoop, gepubliceerd in oktober 1992, blijkt dat de aankoopwaarde van dergelijk toestel op dat ogenblik tussen de 47.179 en 57.500 BEF lag. IX-3466-3/23 De persoon bij wie het toestel op 21 maart 1994 in beslag werd genomen verklaarde dat het een heel modern en recent aangekocht toestel betrof. In de loop van het gerechtelijk onderzoek weigerde u ter zake met de curator geconfronteerd te worden. [Feit 3:] In de loop van de maand april 1997 nam u in het raam van een onderzoek naar valsmunterij 364 valse biljetten van 100 US dollar in beslag. U behield vier biljetten voor uzelf. Deze biljetten werden begin 1998 nog gezien in een lade van uw bureau. In uw proces-verbaal en op de bijgevoegde inventaris maakte u bedrieglijk melding van de inbeslagname van 360 biljetten van 100 US dollar. U verklaarde deze biljetten op een ongekend tijdstip te hebben versnipperd. [Feit 4:] Op 1 januari 1998 werd een diefstal gepleegd bij een juwelier te Zele. Op 3 januari 1998 trof u bij een plaatsbezoek een achtergelaten sporttas aan waarin zich nog een aantal juwelen bevonden. U gaf die juwelen terug aan de juwelier zonder het opmaken van een inventaris. Uit de diverse verklaringen terzake blijkt dat er grote twijfel blijft bestaan over de hoeveelheid door u aangetroffen juwelen. Uzelf spreekt van twee handenvol terwijl de juwelier spreekt over twee oorringen. Aan uw medewerker zegde u na de overhandiging van de juwelen aan de benadeelde: ‘Gerrit, je bent een dikke dommerik geweest! Had je gezwegen, je vrouw en de mijne hadden allebei een hoop mooie juweeltjes gehad.’ [Feit 5:] Op 27 december 1999 voerde de gerechtelijke politie van Hasselt een huiszoeking uit in een cannabisplantage te Sint-Niklaas. U leverde daarbij, samen met een vijftal andere mensen van de gerechtelijke politie Aalst, bijstand. Nadat u vernam dat de aangetroffen afgeknipte wortelstokken van de cannabis opnieuw konden schieten besliste u een bak met zes dergelijke wortelstokken mee te nemen. De cannabisplanten waren bevestigd op een soort glaswol. U plaatste die, samen met een ter plaatse aangetroffen zak potgrond, in uw dienstwagen. Aan de collega's van Hasselt zegde u dat ze hun proces- verbaal maar moesten aanpassen. Als enige aanwezige officier had u moreel gezag over de andere aanwezige politiemensen. U nam de planten en de potgrond mee naar huis. U weigerde in de loop van het gerechtelijk onderzoek geconfronteerd te worden met een lid van de gerechtelijke politie die bezwarende verklaringen voor uw persoon heeft afgelegd. [Feit 6:] U heeft zich ingeschreven voor een cursus Beveiligingsadviseur georgani- seerd door het Centrum voor vorming van zelfstandigen en KMO Zuid-Oost-Vlaanderen. Deze opleiding had niets te maken met uw beroep of functie. In het raam van die opleiding werd u opgedragen een beveiligingsadvies voor een bepaald gebouw op te stellen. Met het oog op de uitvoering van die taak in het raam van uw opleiding heeft u minstens twee maal het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis te Aalst bezocht gedurende de namiddag. U schreef u in het dienstschrijfboek in op 7 mei 2001 van 13.00 tot 17.00 uur en op 9 mei IX-3466-4/23 2001 van 13.30 tot 17.00 uur met de vermelding ‘dossier ASZ’ niettegenstaan- de u daar niet met opdracht belast was.” 1.
  7. Op 9 april 2002 dient de verzoeker een verweerschrift in en op 18 april 2002 wordt hij gehoord door een door de hogere tuchtoverheid aangewezen hoofdcommissaris van politie. 1.
  8. Met brieven van 22 april 2002 vraagt de minister van Binnenland- se Zaken aan de procureur des Konings te Dendermonde en aan de minister van Justitie advies over de voorgestelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege. Met een brief van 25 april 2002 antwoordt de minister van Justitie dat hij zijn “eensluidend advies” verleent aangaande de voorgestelde zware tuchtstraf. De procureur des Konings te Dendermonde adviseert, eveneens op 25 april 2002, de verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. 1.
  9. Op 30 april 2002 beslist de minister van Binnenlandse Zaken de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege voor te stellen. Deze beslissing wordt aan de verzoeker ter kennis gebracht op 3 mei
  10. 1.
  11. Op 10 mei 2002 dient de verzoeker bij de tuchtraad een verzoek in tot heroverweging van de voorgestelde tuchtstraf. 1.
  12. Op de hoorzitting van de tuchtraad van 4 juli 2002 brengt de inspecteur-generaal van de federale en de lokale politie advies uit over verzoekers tuchtzaak. Nadat hij zijn standpunt heeft uiteengezet dat de proceduretermijnen niet werden gerespecteerd, waaruit hij besluit dat de hogere tuchtoverheid geacht moet worden af te zien van tuchtvervolging, stelt hij -in ondergeschikte orde- dat de verzoeker een ontslag van ambtswege zou moeten worden opgelegd. 1.
  13. Op 31 juli 2002 spreekt ook de tuchtraad zijn advies uit. In tegenstelling tot de inspecteur-generaal meent de tuchtraad dat de proceduretermij- nen wél werden gerespecteerd. Hij adviseert met meerderheid van stemmen de verzoeker het ontslag van ambtswege op te leggen. IX-3466-5/23 1.
  14. Op 20 augustus 2002 beslist de minister van Binnenlandse Zaken om de verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IX-3466-6/23 Ten gronde 2.
  15. De verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van de motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur, alsook de schending van de rechten van verdediging. Hij argumenteert dat het advies van de minister van Justitie gebrekkig is gemotiveerd is en dat hierdoor ook de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken, die steunt op het advies van de minister van Justitie, door een motiveringsgebrek is aangetast. Het advies van de minister van Justitie is volgens de verzoeker gebrekkig gemotiveerd, omdat het enige stuk van het tuchtdossier waarop de minister zich heeft gesteund, het voorstel tot het opleggen van de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege is dat hem werd toegezonden. Noch het tuchtdossier, noch het verweerschrift van de verzoeker werden door de minister doorgenomen, zodat de minister zich onmogelijk een correct beeld van verzoekers tuchtzaak heeft kunnen vormen. De verzoeker wijst voorts op het zwaarwichtige karakter van het advies van de minister van Justitie. Wanneer deze minister een afwijkend advies verleent, kan de hogere tuchtoverheid krachtens artikel 24, eerste lid, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiedien- sten (hierna: de Politietuchtwet), geen ontslag van ambtswege of afzetting als tuchtstraf meer opleggen. Tegen het standpunt van de tuchtraad in zijn advies van 31 juli 2002 dat het voorstel tot het opleggen van een zware tuchtstraf alle nuttige gegevens bevatte op grond waarvan de adviserende overheden hebben gemeend met kennis van zaken te kunnen oordelen, dat in het voorstel van zware tuchtstraf melding werd gemaakt van verzoekers middelen van verdediging en dat de adviserende overheden geen bijkomende gegevens hebben opgevraagd, voert de verzoeker aan dat een vergelijking tussen het geformuleerde voorstel van zware tuchtstraf enerzijds en zijn verweerschrift anderzijds aantoont dat zijn middelen slechts bijzonder summier werden samengevat, dat geen melding werd gemaakt van zijn familiale toestand en het verloop van zijn carrière en dat evenmin een lijst werd opgenomen van de personen die hij wilde laten getuigen. IX-3466-7/23 2.
  16. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid van het middel op. Zij laat gelden dat het middel gericht is tegen het eensluidend advies van de minister van Justitie, maar dat de verzoeker dit advies niet heeft aangevochten bij de Raad van State. Vermits voor de verzoeker de termijn om het advies van de minister van Justitie aan te vechten is verstreken, is dit advies ten aanzien van hem definitief geworden en heeft hij er geen belang meer bij in zijn verzoekschrift de onwettigheid ervan in te roepen. Voor zover de Raad van State toch de ontvankelijkheid van het middel zou aannemen, betoogt de verwerende partij subsidiair dat de minister van Justitie en de procureur des Konings het voorstel van de hogere tuchtoverheid tot het opleggen van de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege aan de verzoeker hebben ontvangen en dat dit document alle nuttige gegevens bevatte op grond waarvan deze adviserende overheden hebben gemeend met kennis van zaken over verzoekers tuchtzaak te kunnen oordelen. Voorts wijst de verwerende partij erop dat deze adviserende overheden in de mogelijkheid waren om bijkomende gegevens te vragen, maar dat niet hebben gedaan. Met betrekking tot het niet overleggen van de lijst van de personen die de verzoeker wilde laten getuigen, merkt de verwerende partij op dat het, krachtens artikel 38quinquies van de Politietucht- wet, de hogere tuchtoverheid en niet de adviserende overheid is, die de nuttige getuigen hoort en dienvolgens ook oordeelt of een getuigenis al dan niet nuttig kan zijn. 2.
  17. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord op de door de verwerende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van het middel dat de minister van Binnenlandse Zaken zich grotendeels steunt op het wettelijk voorgeschreven advies van de minister van Justitie, aangezien dit zijn beoordelingsvrijheid aangaande de op te leggen tuchtstraf in belangrijke mate begrenst. De verzoeker stelt dat wanneer dit advies op een flagrante wijze de rechten van verdediging miskent en derhalve door een fundamentele onregelmatigheid is aangetast, ook de beslissing die door de hogere tuchtoverheid wordt genomen de rechten van verdediging schendt. Voorts argumenteert de verzoeker dat, indien de minister van Justitie wel over alle relevante gegevens van het dossier had beschikt en hij derhalve IX-3466-8/23 een beslissing met inachtneming van de rechten van verdediging had kunnen nemen, het mogelijk was geweest dat hij een afwijkend advies zou hebben uitgebracht en de tuchtoverheid in dat geval de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege niet kon opleggen. 2.4.
  18. De bestreden beslissing is het eindresultaat van een complexe administratieve rechtshandeling. Wanneer het eindresultaat van een complexe administratieve rechtshandeling voor de Raad van State wordt bestreden, dan kan de vernietiging daarvan worden uitgesproken op grond van de onregelmatigheid van één van de voorbereidende handelingen, ongeacht of die voorbereidende handeling louter voorbereidend is, dan wel een direct grievende voorbeslissing die afzonderlijk met een beroep tot nietigverklaring had kunnen worden bestreden. Daargelaten, derhalve, of het advies van de minister van Justitie van 25 april 2002 over de voorgestelde tuchtstraf van het ontslag van ambtswege voor de verzoeker een direct grievende en aanvechtbare administratieve rechtshan- deling was, kan de verzoeker een eventuele onwettigheid van dat advies, hoe dan ook ontvankelijk aanvoeren in het kader van het beroep tot nietigverklaring van de beslissing waarbij hem de voorgestelde tuchtstraf uiteindelijk effectief wordt opgelegd. De opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van het middel kan dan ook niet worden aangenomen. 2.4.
  19. Luidens artikel 38sexies, eerste lid, van de Politietuchtwet deelt de hogere tuchtoverheid op grond van het volledige dossier en van het verweer, haar beslissing mee aan het betrokken personeelslid. Die beslissing kan onder meer het voorstel betreffen om één van de zware tuchtstraffen uit te spreken. Luidens artikel 38sexies, vijfde lid, van de Politietuchtwet wordt het in het eerste lid bedoelde voorstel van beslissing van de hogere tuchtoverheid formeel gemotiveerd. Gelet op die wettelijke bepalingen, bevat het voorstel van zware tuchtstraf dat naar de adviserende overheden wordt gezonden, in beginsel alle IX-3466-9/23 nuttige gegevens op grond waarvan die overheden met kennis van zaken hun advies kunnen verstrekken. Artikel 24, derde lid, van de Politietuchtwet bepaalt voorts dat de in het eerste en tweede lid bedoelde adviezen worden verleend binnen een termijn van twintig dagen te rekenen vanaf “de dag waarop het voorstel tot straf aan de betrokken overheid wordt toegestuurd”. Aldus is niet voorgeschreven dat het voorstel van tuchtstraf, samen met het tuchtdossier en/of het verweerschrift van het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid, naar de adviserende overheid wordt gezonden. 2.4.
  20. Om aannemelijk te maken dat de minister van Justitie zich, op basis van het voorstel van zware tuchtstraf alleen, onmogelijk een correct beeld heeft kunnen vormen van zijn tuchtzaak, voert de verzoeker aan dat in het voorstel “toch wel een bijzonder summiere samenvatting van [zijn] middelen [...] werd gemaakt”, dat nergens melding werd gemaakt van zijn familiale toestand en het verloop van zijn carrière en dat het voorstel ook geen lijst bevatte van de personen die hij graag als getuigen had laten verhoren. De verplichting om het voorstel van zware tuchtstraf formeel te motiveren staat er niet aan in de weg dat de middelen van verweer van het betrokken personeelslid worden samengevat en in essentie worden beantwoord. De verzoeker verduidelijkt niet het minst welke van de door hem aangevoerde elementen van verweer in het voorstel van tuchtstraf onbesproken zijn gebleven of een ontoerei- kend antwoord hebben gekregen. Voorts is de familiale toestand van het betrokken personeelslid geen gegeven dat noodzakelijk bij de verantwoording van een voorstel van zware tuchtstraf moet worden betrokken, vermits die toestand geen verband houdt met de ernst van de ten laste gelegde feiten en hun weerslag op de dienst. De verzoeker laat ten onrechte gelden dat het voorstel van zware tuchtstraf geen melding maakte van het verloop van zijn carrière. Hij spreekt niet tegen dat in het desbetreffende voorstel wordt verwezen naar zijn goede staat van dienst en naar de afwezigheid van veroordelingen en tuchtstraffen in het verleden. IX-3466-10/23 Ten slotte komt het niet aan de adviserende overheid, maar aan de hogere tuchtoverheid toe om te oordelen of op de vraag van het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid om getuigen te horen al dan niet moet worden ingegaan. Of de hogere tuchtoverheid te dezen redelijkerwijze tot het besluit kon komen dat het niet zinvol was gevolg te geven aan de vraag van de verzoeker om getuigen te horen, zal worden onderzocht bij de bespreking van het vijfde middel. Uit wat voorafgaat volgt dat het tweede middel niet gegrond is. 3.
  21. De verzoeker voert in een derde middel de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat de bestreden beslissing steunt op het eensluidend advies van de minister van Justitie van 25 april 2002 dat niet gemotiveerd is. De verzoeker betoogt dat het advies van de minister van Justitie moet worden beschouwd als een bestuurshandeling die onderworpen is aan de formele motiveringsplicht opgelegd door de voornoemde wet van 29 juli
  22. Hij stelt vast dat de minister in zijn advies van 25 april 2002 noch juridische, noch feitelijke overwegingen vermeldt. 3.
  23. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid van het middel op. Zij laat andermaal gelden dat het middel gericht is tegen het eensluidend advies van de minister van Justitie, en dat vermits voor de verzoeker de termijn is verstreken om dit advies bij de Raad van State aan te vechten, dit advies ten aanzien van hem definitief is geworden en hij er geen belang meer bij heeft in zijn verzoekschrift de onwettigheid ervan in te roepen. Voor zover de Raad van State toch de ontvankelijkheid van het middel zou aannemen, betoogt de verwerende partij subsidiair dat de adviserende overheden overeenkomstig artikel 24 van de Politietuchtwet hun advies binnen een termijn van 20 dagen dienen te verlenen. Zodra die termijn is verstreken, worden de betrokken overheden geacht geen aanvullend advies meer te willen verlenen. De verwerende partij besluit hieruit dat de betrokken overheden kunnen beslissen om géén advies te geven. In de voorliggende zaak heeft de minister van Justitie toch IX-3466-11/23 beslist om te antwoorden op de brief van de tuchtoverheid en vermits de minister zich aansluit bij het hem voorgelegde voorstel van zware tuchtstraf, kan worden aangenomen dat hij zich integraal wenst aan te sluiten bij de formele motivering van het strafvoorstel en hij geen bijkomend advies wenst te geven. 3.
  24. De verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord op de door de verwerende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van het middel dat aangezien de uitkomst van de tuchtprocedure in belangrijke mate afhangt van het advies dat door de minister van Justitie wordt gegeven, de onwettigheid van het advies van de minister eveneens de wettigheid van de bestreden beslissing aantast. 3.4.
  25. Om dezelfde redenen als hiervoor onder 2.4.1 uiteengezet, kan ook de door de verwerende partij opgeworpen exceptie van onontvankelijkheid van het derde middel niet worden aangenomen. 3.4.
  26. Luidens artikel 24, eerste lid, van de Politietuchtwet is het eensluidend advies van de minister van Justitie vereist voor het opleggen van de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege aan een lid van een gedeconcen- treerde gerechtelijke dienst, zoals de verzoeker, waarvoor de minister van Binnenlandse Zaken de enige hogere tuchtoverheid is. Luidens artikel 24, derde lid, van diezelfde wet moet dat advies gemotiveerd zijn en worden verleend binnen een termijn van twintig dagen te rekenen vanaf de dag waarop het voorstel van straf aan de minister van Justitie wordt toegestuurd en wordt, eens die termijn is verstreken, de minister geacht geen aanvullend advies te willen verstrekken. De uitkomst van de gevoerde tuchtprocedure hangt in belangrijke mate af van het advies dat door de minister van Justitie wordt gegeven, in die zin dat, indien de minister, om de redenen die hem eigen zijn en in afwijking van het hem voorgelegde voorstel van het ontslag van ambtswege, van mening is dat er geen aanleiding bestaat om die zware tuchtstraf op te leggen, aan de hogere tuchtoverheid de mogelijkheid wordt ontnomen om ze op te leggen. In een dergelijk geval zal de minister die redenen formeel in zijn advies dienen op te nemen. IX-3466-12/23 Indien echter de minister van Justitie, zoals hij in de voorliggende zaak heeft gedaan, na kennisname van het hem toegezonden voorstel van het ontslag van ambtswege aan de hogere tuchtoverheid meedeelt “dat hij zijn eensluidend advies kan verlenen aangaande de voorgestelde zware straf”, dan laat hij afdoende blijken dat hij zich bij de in het voorstel opgenomen feitelijke en juridische overwegingen aansluit en daaraan niets toe te voegen heeft. Dit geldt te dezen des te meer nu de minister van Justitie geen formeel advies moest verstrekken en hij zich ertoe had kunnen beperken de voorgeschreven adviestermijn van twintig dagen te laten verstrijken, in welk geval hij van rechtswege geacht zou zijn “geen aanvullend advies te willen verstrekken” en met het voorstel van het ontslag van ambtswege in te stemmen. Het derde middel is niet gegrond. 4.
  27. De verzoeker voert in een vierde middel de schending aan van artikel 24, derde lid, van de Politietuchtwet, dat bepaalt dat de adviezen van de minister van Justitie en van de procureur des Konings gemotiveerd moeten zijn. Hij laat gelden dat de bestreden beslissing, doordat ze steunt op het eensluidend advies van de minister van Justitie van 25 april 2002 dat niet gemotiveerd is, tekort komt aan de motiveringsplicht die door deze wetsbepaling wordt opgelegd. 4.
  28. Om dezelfde redenen als hiervoor onder 3.4.2 uiteengezet, is ook het vierde middel niet gegrond. 5.
  29. De verzoeker voert in een vijfde middel de schending aan van het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. De verzoeker betoogt vooreerst dat de bestreden beslissing verwijst naar het advies van de tuchtraad en dat deze raad klaarblijkelijk vooral zwaar tilt aan het tweede tuchtfeit (de tenlastelegging in verband met de aankoop van computermateriaal). De verzoeker wijst erop dat dit feit reeds van het jaar 1994 dateert. Volgens hem is het opleggen van het ontslag van ambtswege, zijnde de op één na zwaarste tuchtstraf, voor een feit dat meer dan acht jaar geleden is gebeurd, disproportioneel. Hij merkt op dat de procureur des Konings geen enkele strafver- IX-3466-13/23 volging heeft ingesteld, wat impliceert dat er sprake moet zijn van twijfel. De curator heeft trouwens verklaard dat hij zich de hele zaak eigenlijk niet meer goed herinnert, gelet op het lange tijdsverloop. De verzoeker stelt dat het onmogelijk is dat men zich zoveel jaren na de feiten nog kan herinneren wat er precies is gebeurd. De tuchtvervolging tegen hem is uitsluitend gebaseerd op verklaringen, waarvan de vroegste dateren van het jaar
  30. Gelet op het tijdsverloop sedert de beweerde feiten, moeten vragen worden gesteld betreffende het waarheidsgehalte van die verklaringen. Dit bezwaar geldt, aldus de verzoeker, ook voor alle andere hem ten laste gelegde tuchtvergrijpen. Voorts laat de verzoeker gelden dat het ontslag van ambtswege ook disproportioneel is omdat de minister te weinig rekening heeft gehouden met zijn onberispelijke, dertigjarige staat van dienst en met de familiale en sociale gevolgen van het ontslag van ambtswege. Ten slotte argumenteert de verzoeker dat ook de redelijkheids- norm is geschonden, doordat de minister weigert om de getuigen op te roepen die hij heeft vermeld in zijn verweerschrift en verzoek tot heroverweging, terwijl die getuigenverhoren wel degelijk dienstig en noodzakelijk zijn om een correcte beoordeling van de feiten te kunnen maken. Uit die getuigenverhoren zou immers kunnen blijken dat de aan de verzoeker ten laste gelegde tuchtvergrijpen zijn uitvergroot of dat er zelfs geen tuchtvergrijpen zijn gebeurd. Zo zou volgens de verzoeker uit het verhoor van de procureur des Konings te Dendermonde blijken dat deze hem wel degelijk de opdracht had gegeven om iets te doen aan de diefstallenplaag in het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis te Aalst. De verzoeker besluit dat het de redelijkheid zelve is dat het getuigenverhoor een ander licht op de zaak zou kunnen werpen, maar dat om totaal onbegrijpelijke redenen is geweigerd dit getuigenverhoor te laten plaatsvinden. 5.
  31. De verwerende partij antwoordt dat de hogere tuchtoverheid luidens artikel 38quinquies van de Politietuchtwet “de nuttige getuigenverklaringen die zij nodig acht” hoort. De tuchtoverheid is bijgevolg niet verplicht om de getuigen die het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid voorstelt, op te roepen. Te dezen blijken uit het administratief dossier de redenen op grond waarvan de hogere tuchtoverheid meende de door de verzoeker voorgestelde getuigen niet te moeten IX-3466-14/23 horen. De verzoeker kon bovendien verklaringen van elke persoon aan het dossier laten toevoegen. De verwerende partij laat voorts gelden dat er slechts sprake is van een schending van het redelijkheidsbeginsel wanneer een beslissing steunt op feitelijk juiste en rechtens relevante motieven, maar er een kennelijke wanverhou- ding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing. In casu toont de verzoeker geen dergelijke wanverhouding aan. 5.
  32. In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker nog dat het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel van de overheid vergen dat deze alle betrokken belangen op een objectieve wijze afweegt met gevoel voor maat, verhouding en evenwichtigheid. Volgens de verzoeker werd bij het nemen van de bestreden beslissing met verschillende zaken niet voldoende rekening gehouden en is de overheid derhalve niet op een redelijke wijze tot haar beslissing gekomen. 5.4.1.
  33. Volgens de verzoeker tilt de tuchtraad vooral zwaar aan het tweede tuchtfeit, dat reeds van het jaar 1994 dateert en is het opleggen van de op één na zwaarste tuchtstraf meer dan acht jaar na de beweerde feiten disproportioneel. 5.4.1.
  34. Uit de bestreden beslissing blijkt nochtans niet dat de hogere tuchtoverheid “klaarblijkelijk vooral zwaar tilt aan tuchtfeit 2”. Integendeel wordt aan de verzoeker de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege opgelegd op grond van in het totaal zes tuchtfeiten. Van de eerste vijf tuchtfeiten kreeg de tuchtoverheid op 11 januari 2002 kennis middels de ontvangst van een door de gerechtelijke overheid op 18 december 2001 geseponeerd gerechtelijk dossier. Het eerste tuchtfeit situeert zich in 1987, het tweede in 1994 (het meenemen naar huis van een in beslag genomen laserprinter) en in 1996 (de aankoop van de laserprinter van de curator op naam van verzoekers moeder en voor een onaanvaardbaar lage prijs), het derde in 1997, het vierde in 1998 en het vijfde in
  35. Het zesde tuchtfeit, waarvan de tuchtoverheid in kennis werd gesteld op 12 september 2001, situeert zich in mei
  36. IX-3466-15/23 De tuchtoverheid kan bij het bepalen van de strafmaat rekening houden met de omstandigheid dat de aan de betrokkene ten laste gelegde feiten niet eenmalig zijn, maar een repetitief karakter vertonen. Wanneer de tuchtoverheid, zoals in het geval van de verzoeker, kennis krijgt van zes tuchtfeiten, verspreid over de tijd, die telkens wijzen op een bijzonder ernstige, niet tolereerbare normverva- ging, dan kan haar beslissing om voor al die feiten tezamen de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen, niet disproportioneel worden bevonden op de enkele grond dat sommige van deze feiten, op het ogenblik dat de tuchtoverheid er kennis van kreeg, reeds jaren geleden werden gepleegd. 5.4.2.
  37. Nog steeds met betrekking tot het tweede tuchtfeit, voert de verzoeker aan dat de procureur des Konings geen enkele strafvordering heeft ingesteld, dat zulks er toch op wijst dat er sprake moet zijn van twijfel, dat de curator trouwens heeft verklaard dat hij zich de hele zaak eigenlijk niet herinnert, dat het onmogelijk is dat men zich zoveel jaren na de feiten nog kan herinneren wat er gebeurd is, dat de vroegste verklaringen lastens de verzoeker dateren uit het jaar 2000 en dat men dus vragen moet stellen bij het waarheidsgehalte van deze verklaringen, opmerking die trouwens ook geldt voor alle ten laste gelegde tuchtvergrijpen. In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker hierom- trent: “van de feiten die aan de basis lagen van het tuchtonderzoek zijn er een aantal hoegenaamd nooit bewezen”. 5.4.2.
  38. Het evenredigheidsbeginsel is een specifieke toepassing van het redelijkheidsbeginsel in tuchtzaken. Er is sprake van een schending van dat beginsel, wanneer een beslissing steunt op feitelijk juiste en rechtens relevante motieven, maar er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing. De vraag of de hogere tuchtoverheid de ten laste gelegde feiten voor bewezen mocht houden, heeft geen uitstaans met de redelijkheid of de evenredigheid van de bestreden beslissing, maar met de naleving van de zorgvul- digheidsplicht bij de feitenvinding. IX-3466-16/23 In de bestreden beslissing wordt uiteengezet dat het tweede tuchtfeit vaststaat, enerzijds op grond van verklaringen die de verzoeker zelf aflegde, met name

(1)dat hij de laserprinter naar huis had meegenomen, terwijl het ander in beslag genomen computermateriaal bewaard bleef in de burelen,
(2)dat hij het materiaal had overgedragen aan en vervolgens overgenomen van de curator, zonder de onderzoeksrechter of iemand “binnen de hiërarchie” van deze transactie op de hoogte te hebben gebracht,
(3)dat hij de aankoop van het computermateriaal regelde en
(4)dat de persoon op wiens naam de factuur werd opgesteld zijn moeder was en dat het materiaal bestemd was voor zijn inwonende zoon, en anderzijds op grond van de vaststelling
(1)dat het computermateriaal via de bemiddeling van de verzoeker werd aangekocht voor de som van 2.420 frank,
(2)dat, blijkens een artikel van Testaankoop, de laserprinter in 1992 een verkoopwaarde had tussen de 47.000 en 57.000 frank en
(3)dat de verzoeker op het door hem opgestelde ontvangstbewijs voor alle materiaal het merk, het type en het serienummer vermeldde, met uitzondering van de laserprinter, waarvoor enkel werd vermeld dat het een printer van het merk Canon betrof. De hogere tuchtoverheid kon alleen al op grond van die door de verzoeker zelf afgelegde verklaringen en door het bestuur gedane objectieve vaststellingen, dus zelfs zonder rekening te houden met enige “verklaring lastens verzoeker”, redelijkerwijze tot de bevinding komen dat het tweede tuchtfeit vaststond. De verzoeker verduidelijkt voor het overige niet welke andere feiten “hoegenaamd nooit bewezen zijn”, laat staan dat hij argumenten zou aanvoeren die zulks aannemelijk zouden maken. 5.4.3.
  1. Volgens de verzoeker is de redelijkheidsnorm geschonden doordat werd geweigerd om de getuigen op te roepen die hij in zijn verweerschrift en in zijn verzoek tot heroverweging had vermeld, terwijl die getuigenverhoren wel degelijk dienstig en noodzakelijk waren om een correcte beoordeling van de feiten te kunnen maken. 5.4.3.
  2. Vooreerst moet opnieuw worden vastgesteld dat de verzoeker het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel verwart met de zorgvuldigheidsplicht bij de feitenvinding, die impliceert dat de tuchtoverheid moet overgaan tot een IX-3466-17/23 getuigenverhoor indien zulks noodzakelijk is om een zorgvuldig oordeel te vellen over het al dan niet bestaan van de feiten en/of hun tuchtrechtelijke kwalificatie. In het verweerschrift dat de verzoeker naar aanleiding van het inleidende verslag indiende: - voerde hij met betrekking tot het vijfde tuchtfeit (meenemen van een plastic bak met zes wortelstokken van cannabisplanten en een zak potgrond, met de vraag aan collega’s om de inventaris van de in beslag genomen goederen aan te passen) aan dat het in de brigade te Aalst niet ongebruikelijk was om planten, zaden enz. als documentatie te behouden op het bureel of om met die planten te experimente- ren; hij wenste dat gepensioneerd commissaris Van Mol van de vroegere drugsafdeling te Aalst en inspecteur Tranchet van de brigade Gent daarover als getuigen zouden worden gehoord; - voerde hij met betrekking tot het zesde tuchtfeit (het besteden, tijdens de dienst, van twee halve dagen aan activiteiten die verband hielden met een cursus die hij voor persoonlijke doeleinden volgde) aan dat de procureur des Konings te Dendermonde hem een mondelinge opdracht had gegeven om zich bezig te houden met diefstallen in het Algemeen Stedelijk Ziekenhuis te Aalst, dat het juist was dat hij een cursus “beveiligingsadviseur” volgde, dat hij, vermits hij geen resultaat behaalde bij het oplossen van de diefstallen in het ziekenhuis, besliste om een beter beveiligingsplan uit te werken, dat zowel paste in de opdracht van de procureur als in de gevolgde cursus; hij vroeg dat de procureur des Konings daarover als getuige zou worden gehoord; - voerde hij, in het algemeen, aan dat hij zich niet van de indruk kon ontdoen dat bepaalde collega’s belastende verklaringen over hem hadden afgelegd, omdat hij regelmatig collega’s tot de orde riep in verband met drankgebruik tijdens de diensturen en het niet respecteren van de dienstuurregeling; hij wenste dat gepensioneerd commissaris Wandelseck, commissaris Migom en inspecteur Supply daarover als getuigen zouden worden gehoord. Met een nota van 12 april 2002 deelde de hogere tuchtoverheid aan de verzoeker mee: - dat het verhoor van commissaris op rust Van Mol en van inspecteur Trachet niet nuttig was in het kader van de lopende tuchtprocedure, vermits, zelfs indien zij zouden verklaren dat het af en toe gebeurde dat planten en zaden werden achtergehouden als documentatie en voor experimenten, dit niet betekende dat er door de betrokken personeelsleden geen deontologische fouten waren begaan, IX-3466-18/23 dat twee personeelsleden bovendien niet konden spreken voor een korps dat indertijd meer dan 1000 man telde en dat verder de vraag rees hoe experimenten met geoogste cannabisplanten konden bijdragen tot een betere werking van de politiediensten en waarom, zoals voorzien, de toelating niet werd gevraagd aan de betrokken magistraat; - dat het verhoor van commissaris Migom, commissaris op rust Wandelseck en inspecteur Supply niet nuttig was in het kader van de lopende tuchtprocedure, vermits, enerzijds, het tuchtdossier zeer goed toeliet zich een beeld te vormen van de relaties tussen de verzoeker en zijn medewerkers en de gedragingen van een aantal medewerkers en, anderzijds, die relaties en gedragingen geen invloed konden hebben op de deontologische fouten die de verzoeker ten laste werden gelegd, maar enkel konden leiden tot verklaringen omtrent feiten die de verzoeker zelf in de loop van het onderzoek had toegegeven en waarvan de materialiteit bijgevolg niet moest worden betwijfeld; - dat het verhoor van de procureur des Konings niet nuttig was in het kader van de lopende tuchtprocedure, vermits uit een telefonische contactname met hoofdcom- missaris Verhelst van de GDA Dendermonde, Antenne Aalst, was gebleken dat de verzoeker tijdens de jaren 1999, 2000 en 2001 niet werd belast met een onderzoek naar diefstallen in het ziekenhuis te Aalst en er in die jaren ook geen proces-verbaal van de verzoeker over die aangelegenheid werd aangetroffen. In het voorstel van zware tuchtstraf wordt er, wat betreft het bewezen zijn van het zesde tuchtfeit, bijkomend op gewezen dat de procureur des Konings enkel bevoegdheden heeft van gerechtelijke politie en niet van bestuurlijke politie en dat opdrachten in het raam van een gerechtelijk onderzoek normaal per kantschrift worden gegeven. In het verzoek tot heroverweging dat de verzoeker aan de tuchtraad richtte en ook ter zitting van de tuchtraad, herhaalde hij zijn vraag om de voornoemde personen als getuigen te horen. De tuchtraad stelde vast dat de voorgestelde getuigenverhoren niet dienend zijn met het oog op de beoordeling van de ten laste gelegde feiten, op grond van de volgende overwegingen: - zelfs indien de persoonlijke relaties tussen bepaalde collega’s en de verzoeker op grond van feiten uit het verleden dé aanleiding en dé oorzaak zijn geweest van het IX-3466-19/23 ter kennis brengen van de feiten, dan nog verhindert dit niet dat de overheid gemachtigd is en blijft de feiten tuchtrechtelijk aanhangig te maken; - het motief dat de voorgestelde verhoren zullen duidelijk maken dat de feiten werden “uitvergroot” impliceert geenszins dat de getuigenverhoren een meerwaarde bieden, vermits het de tuchtoverheid toekomt de feiten te appreci- eren, rekening houdend met hun totale context; - de motieven op grond waarvan de hogere tuchtoverheid op 12 april 2002 het verzoek tot getuigenverhoor heeft afgewezen, zijn nog steeds actueel en dienend en worden als uitdrukkelijk herhaald beschouwd. Met betrekking tot het bewezen zijn van het zesde tuchtfeit, stelt de tuchtraad bijkomend vast: - dat, zelfs wanneer wordt aangenomen dat de procureur des Konings de verzoeker mondeling zou hebben opgedragen “iets te doen om de diefstallen in het ASZ op te lossen”, dan nog niet kan worden aangenomen dat het veiligheidsplan dat door de verzoeker werd opgesteld, als de uitvoering van deze opdracht kan worden beschouwd; - dat de redactie van het veiligheidsplan uitsluitend deel uitmaakt van het lesprogramma van de cursus “beveiligingsadviseur” en noch naar inhoud, noch naar vorm beantwoordt aan de minimale eisen van een gerechtelijke akte. De redenen die zowel de hogere tuchtoverheid als de tuchtraad ertoe hebben gebracht niet in te gaan op de vraag van de verzoeker om de door hem aangewezen personen als getuigen te horen, zijn -in tegenstelling tot wat de verzoeker stelt- niet “totaal onbegrijpelijk”, maar laten integendeel aan duidelijkheid niet te wensen over. Bovendien voert de verzoeker niets aan dat de materiële draagkracht van die redenen zou kunnen ontkrachten. 5.4.4.
  3. Volgens de verzoeker is de opgelegde tuchtstraf van het ontslag van ambtswege ook disproportioneel, omdat de hogere tuchtoverheid te weinig rekening heeft gehouden met zijn onberispelijke, dertigjarige staat van dienst en met de familiale en sociale gevolgen van deze tuchtstraf. In zijn memorie van wederantwoord voert hij desbetreffend aan: “de genadeloosheid van de sanctie is niet menselijk en juridisch verantwoord”. IX-3466-20/23 5.4.4.
  4. Bij de straftoemeting mag - en moet - de tuchtoverheid rekening houden met de ernst van de feiten en het eenmalige dan wel repetitieve karakter ervan, met de dienst waaraan de betrokkene is verbonden, met de functie die hij in die dienst uitoefent en met de weerslag van de feiten op de werking van de dienst en op het aanzien van de dienst bij het publiek. De familiale toestand van het betrokken personeelslid en de sociale gevolgen van de opgelegde tuchtstraf zijn geen gegevens die noodzakelijk bij de verantwoording van een voorstel van zware tuchtstraf moeten worden betrokken, vermits ze geen verband houden met de ernst van de ten laste gelegde feiten en hun weerslag op de dienst. Voorts wordt in de bestreden beslissing wel degelijk verwezen naar de afwezigheid van veroordelingen en tuchtstraffen in het verleden en naar de goede staat van dienst van de verzoeker, elementen die de hogere tuchtoverheid blijkbaar ertoe hebben gebracht aan de verzoeker niet de zwaarste, maar de op één na zwaarste tuchtsanctie op te leggen. Ten slotte kon in de bestreden beslissing in redelijkheid worden overwogen: - dat van de personeelsleden van de federale politie wordt verwacht dat zij blijk geven van een volstrekte onpartijdigheid, onkreukbaarheid en integriteit; - dat de goede werking van het korps en het welslagen van de acties vereisen dat de personeelsleden de deontologische plichten en waarden inherent aan hun staat onvoorwaardelijk naleven; - dat de verzoeker bij het vervullen van zijn opdrachten moet toezien op de naleving van de wetten en verordeningen, de voorkoming van misdrijven en de bescherming van personen en goederen; - dat hij als officier van gerechtelijke politie tot taak heeft misdrijven op te sporen, de bewijzen ervan te verzamelen en daarvan kennis te geven aan de bevoegde overheden; - dat de eerste vijf ten laste gelegde feiten van aard zijn het vertrouwen van de overheden en van het publiek in zijn persoon zeer ernstig in het gedrang te brengen; - dat, door het uitvoeren van activiteiten voor persoonlijke doeleinden terwijl men met dienst bevolen is, blijk wordt gegeven van een gebrek aan beschikbaarheid IX-3466-21/23 en dat het bovendien een essentiële plicht is dat men tijdens de voorziene werkuren werkt aan de opdrachten die men krijgt toevertrouwd. Op grond van die in de bestreden beslissing opgenomen motieven, kon de hogere tuchtoverheid redelijkerwijze tot het besluit komen dat aan de verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege moest worden opgelegd. Het vijfde middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  5. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  6. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverkla- ring, bepaald op 525 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. IX-3466-22/23 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 23 maart 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS P. LEMMENS. IX-3466-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.723 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.109.953 ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.115.054 ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.181.092 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.