id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.731 Rolnummer: A. 138817/IX-3850 Zaak: Arrest 191731 - Tucht (openbaar ambt) - 23/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-01 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 23:35 Fiche Arrest nr 191.731 van 23 maart 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.731 van 23 maart 2009 in de zaak A. 138.817/IX-
- In zake : Petrus HEYLEN, die woonplaats kiest bij advocaat H. SCHIJVENS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Sint-Jozefstraat 43 tegen : de Post, die woonplaats kiest bij advocaat C. VAN OLMEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Petrus HEYLEN op 7 juli 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 29 april 2003 van zijn onmiddellijke chef (de postmeester van het postkantoor Deurne 1) waarbij hij met ingang van 3 december 1996 wordt afgezet; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 10 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 14 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 december 2008; IX-3850-1/14 Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. SCHIJVENS, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat V. LEROY, die loco advocaat C. VAN OLMEN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak 1.
- Verzoeker was postman bij het postkantoor Deurne
- 1.
- Op 17 mei 1996 betaalt verzoeker het pensioen van de heer Vanderispaillie bij diens afwezigheid uit aan de bovenbuur, mevrouw Van Sanden. Omdat haar rechterarm in het gips zit en ze bijgevolg niet kan tekenen, tekent verzoeker zelf af voor ontvangst. 1.
- Op 30 mei 1996 beklaagt de heer Vanderispaillie er zich bij de inspecteur van de Post over dat hij 713 frank te weinig heeft ontvangen, met name 45.000 frank in plaats van 45.713 frank. 1.
- Diezelfde dag wordt verzoeker ondervraagd door voornoemde inspecteur. Op het inlichtingenblad verklaart verzoeker dat hij het bedrag van 45.713 frank volledig heeft uitbetaald en dat hij dus moet aannemen dat de 713 frank gestolen zijn. Hij geeft wel toe dat hij op vraag van mevrouw Van Sanden zelf heeft afgetekend. Hij verklaart verder dat hij, toen de klacht van de heer Vanderispaillie binnenkwam, zich realiseerde dat hij die 713 frank niet had uitbetaald en dat hij ze dan direct is gaan betalen. 1.
- De volgende dag verklaren zowel de postmeester als twee controleurs dat zij verzoeker mondeling hebben horen verklaren dat hij slechts IX-3850-2/14 45.000 frank had uitbetaald en de resterende 713 frank had achtergehouden om ze zich toe te eigenen. Wanneer hij dan nogmaals schriftelijk gevraagd wordt zijn definitieve en juiste versie van de feiten te geven, verklaart hij schriftelijk dat hij de assignatie wel degelijk heeft uitbetaald maar dat de som 45.000 frank was in plaats van 45.713 frank en dat hij het resterende bedrag vergat mee af te geven. Dezelfde dag wordt verzoeker dan geschorst in het belang van de dienst en wordt hem door zijn onmiddellijke chef de afzetting opgelegd wegens “het achterhouden van gelden bij de uitbetaling van een assignatie-P met de bedoeling ze zich toe te eigenen. Bezwarend is dat de uitbetaling niet aan de ware rechthebbende gebeurde en dat betrokkene zelf voor ontvangst heeft getekend” en “het bij herhaling schriftelijk afleggen van leugenachtige verklaringen”. Verzoeker stelt in reactie hierop enkel dat hij zich wenst te rechtvaardigen voor de commissie van beroep en hij tekent formeel beroep aan bij deze commissie. 1.
- Op 5 juni 1996 wordt het tuchtdossier vervolledigd met de verklaring van 4 juni 1996 van de heer Vanderispaillie dat deze nooit aan verzoeker de toelating heeft gegeven om zijn pensioen uit te betalen aan zijn bovenbuurvrouw. 1.
- De commissie van beroep onderzoekt de zaak van verzoeker een eerste keer op 10 september
- Verzoeker legt een verklaring voor die mevrouw Van Sanden op zijn verzoek heeft afgelegd en waarin zij verklaart dat de heer Vanderispaillie haar op 14 mei 1996 zou hebben gevraagd om zijn pensioen ten bedrage van 45.713 frank in ontvangst te willen nemen van de postbode, dat zij niet voor ontvangst kon tekenen omdat haar rechterarm in het gips zat en dat zij het bedrag integraal heeft ontvangen. Verzoeker stelt voorts dat de verklaring dat hij 713 frank zou hebben achtergehouden onder dwang is afgelegd. Op basis van deze elementen bevindt de commissie het dossier onvolledig, aangezien de verklaring van de bovenbuur niet van bij het begin van het onderzoek werd gevraagd en vermits één der assessoren ter zitting heeft verklaard dat hij ten tijde van het onderzoek een onderhoud had met de postmeester en daarbij vernam dat aan verzoeker beloften van strafvermindering zouden zijn gedaan in ruil voor een volledige bekentenis. De commissie beslist twee assessoren te belasten met een bijkomend onderzoek. IX-3850-3/14 1.
- Die assessoren ondervragen op 7 oktober 1996 mevrouw Van Sanden die schriftelijk verklaart dat haar buurman haar niet had gevraagd om zijn pensioen aan te nemen, dat zij dat gedaan heeft op vraag van de postbode die zij kende, dat verzoeker het geld zelf in de portemonnee had gestoken, dat zij het geld niet heeft geteld maar wel heeft gezien dat het alleen bestond uit briefjes van 2000 frank en 1000 frank en dat zij geen briefjes van 100 frank noch muntstukken had gezien. Geconfronteerd met die verklaring schrijft verzoeker diezelfde dag dat hij de 713 frank in zijn zak heeft gestoken. 1.
- De commissie van beroep onderzoekt de zaak opnieuw op 20 november
- Verzoeker kan zelf niet aanwezig zijn omdat hij sinds 7 oktober 1996 is opgenomen in het ziekenhuis wegens een zware depressie. Zijn raadsvrouw pleit dat verzoeker slechts onder druk van de postmeester en van een belofte van strafvermindering heeft toegegeven dat hij 713 frank had achtergehouden, terwijl hij in werkelijkheid, zoals hij eerst verklaard had, de som van 45.713 frank integraal heeft uitbetaald. Zij vraagt om verzoeker te straffen met vijf dagen schorsing wegens het uitbetalen van het pensioen aan een ander persoon dan de gerechtigde en het zelf aftekenen van de assignatie, maar hem vrij te spreken voor het achterhouden van 713 frank. De commissie gaat evenwel met zes stemmen op zeven akkoord met de afzetting, op basis van de volgende motieven: “Gelet op de aard der onregelmatigheid, nml. het uitbetalen van een pensioenassignatie aan een ander persoon dan de werkelijk rechthebbende, het zelf aftekenen van deze assignatie en het achterhouden van een deel van het uit te betalen bedrag; Gelet tevens (op) het feit dat het gaat om hoog bejaarde personen en dat betrokkene zich tijdens het onderzoek schuldig maakte aan het afleggen (van) leugenachtige verklaringen”. 1.
- Bij besluit van 3 december 1996 van de adviseur “administratieve loopbaan” wordt verzoeker met ingang van die datum afgezet. 1.
- Verzoeker dient tegen deze beslissing een annulatieberoep in bij de Raad van State. De beslissing wordt vernietigd bij arrest nr. 116.637 van 3 maart 2003 op grond van een ambtshalve ingeroepen middel van onbevoegdheid. De Raad van State overweegt dat de beslissing genomen had moeten worden door de postmeester, zijnde de onmiddellijke chef van verzoeker, die de initiële beslissing had genomen. IX-3850-4/14 1.
- Ingevolge dit arrest wordt de procedure hernomen door de onmiddellijke chef van verzoeker, die hem op 29 april 2003 afzet met ingang van 3 december
- Dit is de bestreden beslissing. Ze is als volgt gemotiveerd: “(...) Gelet op de beslissing d.d. 31 mei 1996 van de onmiddellijke chef van de heer HEYLEN P.M.L., eerstaanwezend postman van het kantoor Deurne 1 waarbij hem de afzetting werd opgelegd om de volgende redenen : het uit- betalen op 17 mei 1996 van een pensioenassignatie ten bedrage van 45.713 BEF aan een andere dan de ware rechthebbende, het zelf aftekenen van deze assignatie, het uitbetalen van slechts 45.000 BEF en achterhouden van de overige 713 BEF en het afleggen van leugenachtige verklaringen over de gang van zaken; (...) Gelet op het advies van de Commissie van Beroep uitgebracht in zijn zitting van 20 november 1996 dat als volgt luidde: ‘Gelet op de aard der onregelmatigheid, namelijk het uitbetalen van een pensioenassignatie aan een ander persoon dan de werkelijk rechthebbende, het zelf aftekenen van deze assignatie en het achterhouden van een deel van het uit te betalen bedrag; gelet tevens op het feit dat het gaat om hoog bejaarde personen en dat betrokkene zich tijdens het onderzoek schuldig maakte aan het afleggen van leugenachtige verklaringen is de Commissie, bij geheime stemming, van advies: zes leden op zeven gaan akkoord met de opgelegde afzetting, het overige lid stelt voor : tuchtschorsing voor de volledige duur van de schorsing in het belang van de dienst gepaard gaande met de verplaatsing bij ordemaatregel’; Overwegende dat overeenkomstig het arrest nr. 116.637 van de Raad van State in dit geval de eindbeslissing moet genomen worden door het orgaan dat de beslissing genomen heeft waartegen beroep werd ingesteld, in casu de onmiddellijke chef van de betrokkene; Overwegende dat het bovenvermeld annulatiearrest van de Raad van State niet de verplichting oplegt aan De Post om betrokkene te reïntegreren in zijn vorige functie maar dat de toegepaste tuchtprocedure moet worden hernomen rekening houdend met de beslissing van de Raad van State; Overwegende dat de vernietigde beslissing bepaalde dat betrokkene werd afgezet met ingang van 3 december 1996; Overwegende dat de retroactiviteit toegelaten werd door de Raad van State (namelijk R.v.S. nr. 36.479 van 22 februari 1991, Cauwet); Overwegende dat De Post omwille van deze redenen de oorspronkelijke datum van afzetting behoudt”. IX-3850-5/14 Deze beslissing, die het voorwerp vormt van het thans voorliggende beroep, wordt aan verzoeker betekend op 8 mei
- Gegrondheid van het beroep 2.1.
- In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van de materiële motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij voert aan dat de bestreden beslissing de rechtens vereiste feitelijke grondslag ontbeert nu geen van de feiten waarvoor hij werd gestraft op een objectieve, tegensprekelijke en onpartijdige manier is bewezen. Minstens zijn die feiten uit hun context gehaald. Het eerste feit, met name het uitbetalen van het pensioen aan een andere persoon dan de gerechtigde, gebeurde volgens hem op uitdrukkelijk verzoek van de gerechtigde zelf. Daarmee werd geen rekening gehouden. Voorts erkent verzoeker het tweede feit, met name dat hij de assignatie zelf heeft afgetekend. Hij wijst er evenwel op dat dit uit sociale bekommernis was, gelet op de wens van de heer Vanderispaillie om zijn pensioen te laten ontvangen door mevrouw Van Sanden, die zelf echter niet kon tekenen, omdat haar rechterarm in het gips zat. Het derde feit, met name dat hij 713 frank zou hebben achtergehouden, beschouwt verzoeker als niet bewezen. Hij stelt dit in zijn aan- vankelijke verklaring van 30 mei 1996 te hebben ontkend. Hij voegt daaraan toe dat zijn latere verklaringen waarin hij het achterhouden toegeeft in hoge mate problematisch waren om de volgende redenen: de postmeester heeft achteraf aan een lid van de commissie van beroep toegegeven dat verzoeker strafvermindering was beloofd in ruil voor volledige bekentenissen; verzoeker was, zoals door zijn behandelend arts wordt bevestigd, dermate depressief en chaotisch vanaf 31 mei 1996 dat hij niet meer in staat was de gevolgen van zijn verklaringen in te schatten; verzoeker heeft uitdrukkelijk geweigerd om de bekentenis die hem op 31 mei 1996 werd ontlokt schriftelijk te bevestigen. Voorts zijn de verklaringen van de heer Vanderispaillie volgens verzoeker weinig geloofwaardig, aangezien deze pas klacht heeft ingediend dertien dagen nadat hij het geld in ontvangst had genomen en nadat hij verzoeker al verschillende keren opnieuw had gezien. Verzoeker betoogt dat het volstrekt IX-3850-6/14 ongeloofwaardig is dat hij, nog nieuw op zijn ronde, uit eigen beweging het risico zou nemen om zonder de instemming van de gerechtigde diens pensioen uit te betalen aan een derde die hij niet kent en dat het nog minder geloofwaardig is dat hij ooit bereid zou zijn geweest om op vraag van mevrouw Van Sanden zelf de assignatie te ondertekenen mocht hij vooraf niet de goedkeuring van de betrokkene hebben verkregen. De absurde aantijging vanwege de heer Vanderispaillie dat verzoeker zou hebben gehandeld zonder enig voorafgaand overleg met hem, tast volgens verzoeker de geloofwaardigheid aan van diens verdere beweringen als zou verzoeker 713 frank hebben gestolen. Wat het vierde feit betreft, met name dat hij leugenachtige verklaringen zou hebben afgelegd, stelt verzoeker dat, nu geen bewijs voorligt dat hij daadwerkelijk geld heeft achtergehouden en hij laatstgenoemd feit steeds heeft betwist, zijn verweer tegen deze betichting niet als leugenachtig kan worden aangemerkt door de verwerende partij. Hij benadrukt dat niemand ertoe verplicht kan worden om zichzelf te beschuldigen, zodat het principieel uitgesloten is dat een ambtenaar zwaarder wordt gestraft al naargelang hij de feiten toegeeft of niet. In een rechtsstaat, zo stelt verzoeker, kan bij de beoordeling van de schuld en van de strafwaardigheid van iemand die van een strafbaar feit wordt beschuldigd, geen rekening worden gehouden met de wijze waarop hij zich tegen de tenlastelegging verdedigt. 2.1.
- De verwerende partij antwoordt op het eerste middel dat de initiële verklaring die verzoeker gaf via een model 9 op zijn minst twijfelachtig was en dat het zijn onmiddellijke chef meteen duidelijk was dat verzoeker de regels inzake de uitbetaling van pensioenen met de voeten had getreden. Bovendien blijkt volgens de verwerende partij dat verzoeker nooit de toestemming heeft gekregen van de heer Vanderispaillie om zijn pensioen uit te betalen aan diens bovenbuurvrouw. Voorts wijst de verwerende partij erop dat verzoeker eerst de feiten heeft ontkend, maar daarna heeft toegegeven, in het bijzijn van twee getuigen, dat hij de som van 713 frank niet heeft uitbetaald, dat hij tevens mondeling heeft toegegeven dat hij die som wilde achterhouden en dat hij dit laatste niet op papier wou zetten maar dat dit wel bevestigd wordt door twee getuigen die bij het verhoor aanwezig waren. Volgens de verwerende partij bevestigt het bijkomend onderzoek door de commissie van beroep dat verzoeker het bedrag van 713 frank wel degelijk heeft achtergehouden, en dat hij geen toelating had om het pensioen aan een andere IX-3850-7/14 persoon dan de rechthebbende uit te betalen en om zelf de assignatie te ondertekenen. 2.1.
- In haar laatste memorie schrijft de verwerende partij dat met de “leugenachtige verklaringen” van verzoeker wordt bedoeld zijn verklaring dat hem strafvermindering beloofd was in ruil voor een bekentenis en dat daarmee geenszins het motief wordt bedoeld van de beslissing van 31 mei 1996 dat verzoeker enerzijds schriftelijk verklaarde te zijn vergeten de resterende 713 frank uit te betalen maar anderzijds mondeling toegaf die som te hebben willen achterhouden zonder dit op papier te willen zetten, nu die beslissing van 31 mei 1996 vernietigd is en bijgevolg niet het voorwerp is van de onderhavige zaak. Voorts zijn de redenen van de afzetting volgens de verwerende partij niet terug te vinden in de beslissing van de commissie van beroep, die slechts een advies is, maar wel in de bestreden beslissing zelf. De verwerende partij is van mening dat de leugenachtige verklaringen van verzoeker slechts een onderdeel zijn van de uiteindelijke beslissing en dat zij ook zonder die verklaringen tot de afzetting van verzoeker zou zijn overgegaan, nu de overige tuchtfeiten, met name het uitbetalen van een pensioenassignatie aan een ander persoon dan de rechthebbende zonder volmacht van die laatste, het zelf aftekenen van die assignatie en het achterhouden van 713 frank, op zich voldoende zwaarwichtig zijn om tot een afzetting te doen besluiten. Die straf is in dit geval immers de enige mogelijke tuchtsanctie, daar die feiten op een zeer ernstige wijze het vertrouwen van het publiek in De Post ondermijnen en de noodzakelijke vertrouwensband tussen De Post en verzoeker onomstotelijk op ernstige en onherstelbare wijze ontwrichten. De verwerende partij voegt hieraan toe dat het afleggen van leugenachtige verklaringen tijdens het onderzoek als een verzwarende omstandigheid kan worden beschouwd. 2.2.
- In een tweede middel voert verzoeker aan dat het onderzoek op een onzorgvuldige en partijdige wijze is gevoerd en dat de rechten van verdediging, het fair play- en het vertrouwensbeginsel zijn geschonden. Volgens hem werd het onderzoek alleen à charge gevoerd. Zo stelt hij dat er niet is ingegaan op zijn wens om de getuigen met hem te confronteren, dat er misbruik is gemaakt van zijn zwakke gezondheidstoestand, dat hij door de postmeester werd misleid, dat hem geen raadsman werd toegevoegd, dat er geen verslag is met een nauwkeurige opgave van de klacht en van de getuigenissen, en dat zijn argumentatie met betrekking tot het gegeven of hij al dan niet optrad in opdracht van de heer Vanderispaillie niet werd onderzocht. IX-3850-8/14 2.2.
- Met betrekking tot het tweede middel antwoordt de verwerende partij dat zij wel degelijk met de vereiste zorgvuldigheid is opgetreden. Zij stelt dat twee van de feiten onmiddellijk duidelijk waren, met name het uitbetalen van het pensioen van de heer Vanderispaillie aan een derde zonder dat deze over de noodzakelijke volmacht beschikte om dat pensioen in ontvangst te nemen en het door verzoeker zelf voor ontvangst aftekenen van de postassignatie, wat reeds twee ernstige inbreuken zijn. Het achterhouden van 713 frank heeft verzoeker mondeling in het bijzijn van twee getuigen aan de postontvanger toegegeven, wat door de postontvanger en die twee getuigen schriftelijk bevestigd werd, waardoor volgens de verwerende partij, gelet op deze bekentenis, een verder onderzoek overbodig was. De verwerende partij stelt voorts dat zij geen misbruik heeft gemaakt van verzoekers zwakke geestestoestand en dat het haar trouwens niet geheel duidelijk is wat zij daaronder moet verstaan en hoe zij van die geestestoestand kennis had moeten hebben. Bovendien voorziet de tuchtprocedure in de mogelijkheid voor de betrokkene om de bijstand van een advocaat of van een syndicaal afgevaardigde te vragen, waartoe het personeelslid evenwel zelf het initiatief moet nemen, wat verzoeker trouwens heeft gedaan voor de commissie van beroep. Volgens de verwerende partij ontkent de postontvanger formeel beloften van strafvermindering te hebben gedaan. Zij stelt zich trouwens de vraag, indien de bekentenis van verzoeker zou zijn uitgelokt, waarom hij ze dan niet weer intrekt wanneer hij ziet dat er van strafvermindering geen sprake is. De verwerende partij wijst erop dat wanneer verzoeker door de beide commissieleden die het aanvullend onderzoek leidden, werd geconfronteerd met de verklaringen van mevrouw Van Sanden, hij opnieuw toegaf dat hij de 713 frank op zak had gestoken. 2.3.
- In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk verwezen naar de beslissing van 31 mei 1996 van de onmiddellijke chef van verzoeker, naar het advies van de commissie van beroep en naar de vier feiten die als grondslag dienen van beide beslissingen, met name het uitbetalen van een pensioenassignatie aan een ander persoon dan de rechthebbende, het zelf aftekenen van die assignatie, het achterhouden van 713 frank en het afleggen van leugenachtige verklaringen over de gang van zaken. Het zijn dan ook deze vier feiten waarvoor aan verzoeker de bestreden tuchtsanctie wordt opgelegd. IX-3850-9/14 Het komt de Raad van State niet toe om, zoals een appelrechter, uit te maken wat naar zijn oordeel als de juiste toedracht van de feiten moet worden beschouwd. Als annulatierechter, in het kader van het onderzoek naar de wettigheid van de aan verzoeker opgelegde tuchtstraf, kan de Raad van State slechts nagaan of de verwerende partij heeft gesteund op feiten die voor vaststaand mogen worden gehouden en die de tuchtstraf naar recht, inbegrepen naar redelijkheid, kunnen verantwoorden. 2.3.
- Het staat vast dat verzoeker de pensioenassignatie heeft uitbetaald aan een ander persoon dan de rechthebbende (eerste feit) en dat hij de assignatie zelf heeft afgetekend (tweede feit). Verzoeker heeft die feiten trouwens onmiddellijk toegegeven. Er blijkt niet dat mevrouw Van Sanden over een volmacht zou hebben beschikt om dat pensioen te ontvangen. Bijgevolg heeft verzoeker de voorschriften overtreden, zelfs al zou hij hebben gehandeld op verzoek van de heer Vanderispaillie of om deze ter wille te zijn. Als zodanig kunnen die feiten als tuchtrechtelijk strafbare feiten worden beschouwd. 2.3.
- Wat het niet uitbetalen van 713 frank betreft met de bedoeling die som achter te houden (derde feit), werden er in de loop van het onderzoek tegenstrijdige verklaringen afgelegd : - in een schriftelijke verklaring van 30 mei 1996 stelt verzoeker dat hij alles heeft uitbetaald, maar in dezelfde verklaring en terugkomend op wat hij net daarvóór heeft opgeschreven, stelt hij dat hij zich realiseerde dat hij die 713 frank niet had uitbetaald; - volgens drie getuigen, met name de postmeester en de twee controleurs die bij het verhoor van 30 mei 1996 aanwezig waren, geeft verzoeker die dag mondeling toe het bedrag voor zichzelf te hebben willen houden; - op 31 mei 1996 verklaart verzoeker dan schriftelijk dat hij het bedrag vergat te betalen; - mevrouw Van Sanden ondertekent op 5 september 1996 een verklaring dat zij 45.713 frank heeft ontvangen nadat de postbode “het op de tafel had uitgeteld”; - een maand later, op 7 oktober 1996, verklaart ze dat ze niet wist hoeveel pensioen er moest worden uitbetaald en dat ze geen briefjes van 100 frank of munten heeft gezien; IX-3850-10/14 - op 7 oktober 1996, naar aanleiding van de laatstgenoemde verklaring van mevrouw Van Sanden, verklaart verzoeker dan dat hij de 713 frank in zijn zak heeft gestoken. IX-3850-11/14 Met betrekking tot de verklaring van 7 oktober 1996 is enige voorzichtigheid geboden, daar verzoeker blijkens een medisch attest op dat moment totaal verward was ingevolge een depressie waarvoor hij diezelfde dag nog werd gehospitaliseerd. Zijn schriftelijke verklaringen van 30 en 31 mei 1996 zijn consistent in die zin dat hij toegeeft het bedrag niet volledig te hebben uitbetaald, maar alleen door vergetelheid. In een mondelinge verklaring van 30 mei 1996 zou verzoeker daarentegen gezegd hebben dat hij de bedoeling had het geld voor zich te houden. Drie getuigen, met name de postmeester en twee controleurs die de mondelinge verklaring gehoord hebben, bevestigen schriftelijk die bekentenis van verzoeker. De verwerende partij kon dan ook aannemen dat verzoeker deze verklaring inderdaad mondeling had afgelegd. Volgens verzoeker kon aan deze verklaring echter geen waarde worden gehecht, omdat ze zou zijn afgelegd onder druk van strafvermindering en op een ogenblik dat hij reeds psychisch zwak was. Hij legt medische verklaringen voor waaruit blijkt dat hij op 31 mei 1996 arbeidsongeschikt werd bevonden omwille van een exogene depressie. Op 27 december 1996 schreef verzoekers arts aan de adviserend geneesheer dat verzoeker sinds 31 mei 1996 lijdt aan een zware exogene depressie, totaal chaotisch is en zich niet meer volledig bewust is van zijn handelen, wat leidde tot een opname in de psychiatrie van 7 oktober tot 6 december
- Uit het verloop van de verklaringen van verzoeker en uit de chronologie van zijn ziekte volgt dat zijn medische toestand een relevant gegeven was voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn opeenvolgende verklaringen. Uit niets blijkt dat de verwerende partij met die toestand rekening heeft gehouden. Aldus is de verwerende partij tekortgekomen aan de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht. 2.3.
- Het vierde feit waarvoor aan verzoeker de tuchtsanctie van de afzetting werd opgelegd, betreft het afleggen van leugenachtige verklaringen tijdens het onderzoek. Zelfs indien het voldoende bewezen kon worden geacht dat verzoeker geld had achtergehouden, en aangenomen zou kunnen worden dat het verweer dat verzoeker van meet af aan heeft gevoerd, specifiek tegen de betichting diefstal, leugenachtig was, rijst de vraag of dit een element is dat als een te IX-3850-12/14 bestraffen gedraging kon worden beschouwd. Het recht van verdediging houdt immers in dat de wijze waarop een beklaagde zich verdedigt op zich geen aanleiding kan geven tot het formuleren van een nieuwe tenlastelegging of tot een strafverzwaring. Uit de bestreden beslissing blijkt dat “het afleggen van leugenachtige verklaringen” verzoeker als tuchtfeit wordt aangewreven. Deze formulering werd reeds gebruikt door de postmeester in zijn eerste beslissing van 31 mei
- Zij heeft daar enkel betrekking op het feit dat verzoeker schriftelijk slechts verklaarde dat hij de 713 frank was vergeten te betalen, maar mondeling toegaf het geld te hebben willen achterhouden, en dat hij dat laatste niet schriftelijk wilde bevestigen. Zij houdt geen verband met de bewering van verzoeker dat hij het achterhouden van de 713 frank slechts heeft toegegeven onder belofte van strafvermindering, omdat deze bewering van verzoeker pas voor het eerst werd gedaan voor de commissie van beroep. De handelwijze van verzoeker bij het afleggen van zijn verklaringen behoort tot de wijze waarop hij meent zich te moeten verdedigen. Het vierde feit is dan ook ten onrechte als een tuchtfeit beschouwd. Het eerste en het tweede middel zijn in de aangegeven mate gegrond. 2.3.
- Uit het voorgaande volgt dat van de vier feiten waarop de bestreden beslissing steunt, er twee niet regelmatig zijn vastgesteld. Uit niets blijkt dat de opgelegde straf, de afzetting, ook opgelegd zou zijn indien de verwerende partij enkel op het eerste en het tweede feit zou hebben gesteund. Integendeel, gelet op de aard van de respectieve aan verzoeker ten laste gelegde feiten, kan niet uitgesloten worden dat de straf in belangrijke mate bepaald is geweest door het derde feit, zijnde het achterhouden van een som geld. Ook aan het vierde feit, zijnde het afleggen van leugenachtige verklaringen, kan een bepaald relatief belang niet ontzegd worden. In die omstandigheden moet de gedeeltelijke gegrondheid van het eerste en het tweede middel leiden tot de vernietiging van de bestreden beslissing. IX-3850-13/14 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 29 april 2003 van de postmeester van het postkantoor Deurne 1, waarbij Petrus Heylen met ingang van 3 december 1996 wordt afgezet. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 23 maart 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3850-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.731 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.