id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.736 Rolnummer: A. 136104/IX-3779 Zaak: Arrest 191736 - Tucht (openbaar ambt) - 23/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-02 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 23:37 Fiche Arrest nr 191.736 van 23 maart 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.736 van 23 maart 2009 in de zaak A. 136.104/IX-
- In zake : Patrick MAERTENS, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te GENT, Mazestraat 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale politie Algemeen Commando DGS/DSJ, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Patrick MAERTENS op 30 april 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 21 februari 2003 van de directeur-generaal van het personeel van de federale politie waarbij hem de zware tuchtstraf van de schorsing van drie weken wordt opgelegd; Gelet op het arrest nr. 184.152 van 12 juni 2008 waarbij de heropening der debatten wordt bevolen en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met een aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 15 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; IX-3779-1/12 Gehoord de opmerkingen van advocaat K. TIMMERMAN, die loco advocaat P. CRISPYN verschijnt voor de verzoeker, en van adviseur R. GOOSENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
- De verzoeker is ten tijde van de bestreden beslissing commissaris van politie bij de federale politie (GDA Gent). 1.
- Op 18 oktober 2000 geeft de eenheidscommandant van de verzoeker de opdracht om ten laste van de verzoeker een “vooronderzoek tucht” te voeren. 1.
- Op 14 november 2000 wordt het verslag over dat vooronderzoek, waarin wordt besloten dat de verzoeker een tuchtinbreuk heeft gepleegd, naar de eenheidscommandant van de verzoeker gezonden. 1.
- Met een brief van 23 november 2000 zendt de eenheidscommandant een inleidend verslag ten laste van de verzoeker naar de korpscommandant. De eenheidscommandant vermeldt daarbij dat naar zijn mening “de feiten ernstig zijn en dienen gestraft te worden met een straf hoger dan de blaam of de waarschuwing”. 1.
- Na nog een aanvullend onderzoek te hebben laten uitvoeren, vraagt de korpscommandant met een brief van 14 december 2000 aan de procureur- generaal bij het Hof van Beroep te Gent een afschrift van het strafdossier dat ten laste van de verzoeker is samengesteld. IX-3779-2/12 Het gevraagde afschrift wordt, samen met de mededeling dat het strafdossier om opportuniteitsredenen zonder gevolg is gerangschikt, op 17 mei 2001 bezorgd. 1.
- Op 6 september 2001 stelt de directeur-generaal van de algemene directie van de gerechtelijke politie van de federale politie in zijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid een nieuw inleidend verslag op ten laste van de verzoeker. Daarin formuleert hij het voorstel om aan de verzoeker de zware tuchtstraf van de schorsing voor een periode van drie maanden op te leggen. De verzoeker ondertekent dat inleidend verslag voor “gezien en ontvangen” op 12 september
- 1.
- Op 8 oktober 2001 dient de verzoeker een verweerschrift in en op 17 oktober 2001 wordt hij door de hogere tuchtoverheid gehoord. 1.
- Met een niet-gedagtekende, op 23 oktober 2001 per fax verzonden brief, vraagt de hogere tuchtoverheid aan de procureur des Konings te Gent advies te verlenen over een voorstel van zware tuchtstraf, aangezien de feiten die de verzoeker ten laste worden gelegd rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van een opdracht van gerechtelijke politie. Met een brief van 2 november 2001 antwoordt de procureur des Konings dat, hoewel de feiten laakbaar zijn en blijven, de voorgestelde tuchtstraf als overdreven voorkomt. 1.
- Op 6 november 2001 beslist de hogere tuchtoverheid een voorstel tot het opleggen van de zware tuchtstraf van de schorsing voor een periode van zes weken uit te spreken. De verzoeker ondertekent dat voorstel van zware tuchtstraf voor “gezien en ontvangen” op 13 november
- 1.
- Op 21 november 2001 dient de verzoeker bij de tuchtraad een verzoek tot heroverweging in. IX-3779-3/12 1.
- De inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie adviseert op 23 oktober 2002 dat een schorsing bij tuchtmaatregel voor een duur van vier weken meer passend zou zijn. 1.
- Op 18 december 2002 geeft de tuchtraad zijn advies. Naar zijn oordeel moet aan de verzoeker de tuchtstraf van de blaam worden opgelegd. 1.
- Op 14 januari 2003 beslist de hogere tuchtoverheid om, in afwijking van het advies van de tuchtraad, het voorstel van de zware tuchtstraf van de schorsing van drie weken uit te spreken. 1.
- Nadat de verzoeker zich daartegen heeft verweerd, beslist de hogere tuchtoverheid op 21 februari 2003 om hem de zware tuchtstraf van de schorsing van drie weken op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. Ze wordt op 4 maart 2003 aan de verzoeker ter kennis gebracht. Ten gronde 2.
- De verzoeker voert in zijn “derde middel in derde ondergeschikte orde” de schending aan van de artikelen 72 en 74 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de Politietuchtwet), alsook de onbevoegdheid van de huidige tuchtorganen. Hij betoogt dat krachtens artikel 72 van de Politietuchtwet alle “hangende procedures” dienen te worden afgehandeld volgens de regels die voorafgaand aan de inwerkingtreding van die wet van toepassing waren. Opdat van een “hangende procedure” sprake zou zijn, volstaat het dat overeenkomstig de “oude” regels reeds procedurehandelingen waren gesteld toen de Politietuchtwet in werking trad. Dit was in de voorliggende zaak het geval, vermits de tuchtoverheid op 23 november 2000 een inleidend verslag ten laste van de verzoeker heeft opgesteld, overeenkomstig de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht (hierna: de Rijkswachttuchtwet). Bovendien werden reeds vóór dat inleidend verslag procedurehandelingen gesteld. Zelfs indien de term “procedure” van artikel 72 van IX-3779-4/12 de Politietuchtwet slechts zou doelen op de eigenlijke tuchtprocedure, dan nog moet worden vastgesteld dat het inleidend verslag van 23 november 2000 op zich volstond om de “oude” regels op de afhandeling van verzoekers tuchtzaak van toepassing te maken. De omstandigheid dat het inleidend verslag werd toegezonden aan de hogere tuchtoverheid die, aldus geadieerd, de regelmatig ingestelde tuchtprocedure diende verder te zetten, bekrachtigt volgens de verzoeker zijn stelling. De verzoeker zet uiteen dat zowel uit artikel 24/27, § 1, eerste lid, van de Rijkswachttuchtwet als uit bepaalde documenten, die door de generale staf van de rijkswacht werden opgesteld ten behoeve van de kandidaat-officieren en de korpscommandanten, duidelijk blijkt dat de tuchtprocedure start met het opstellen van het inleidend verslag. Het feit dat dit verslag al dan niet aan de betrokkene is betekend, doet daaraan geen afbreuk, want anders zou aan artikel 72 van de Politietuchtwet een bijkomende voorwaarde worden toegevoegd en zou aan het begrip “procedure” een foutieve interpretatie worden gegeven. De verzoeker argumenteert voorts dat het inleidend verslag van 23 november 2000 niet als een louter ontwerpdocument kan worden beschouwd, aangezien het wel degelijk is ondertekend, gedateerd en ingeschreven in het daartoe voorziene register. Bovendien dient elk verslag te worden opgesteld door de eenheidscommandant. De korpscommandant is daarvoor onbevoegd; hij kan de procedure enkel verderzetten indien hij door de eenheidscommandant met een inleidend verslag is gevat. Het verslag moet, overeenkomstig artikel 24/27, § 1, tweede lid, van de Rijkswachttuchtwet, nauwkeurig de feiten vermelden die het personeelslid worden verweten en die als een tekortkoming aan diens ambtsplichten of aan de waardigheid van diens ambt worden beschouwd. Te dezen werd het verslag van 23 november 2000 met inachtneming van al die regels opgesteld, waaruit blijkt dat het een volwaardig en geldig inleidend verslag betreft, overeenkomstig de bepalingen van de Rijkswachttuchtwet. Ten slotte merkt de verzoeker op dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de uitvoerbaarheid van een rechtshandeling enerzijds en de tegenstelbaarheid ervan anderzijds. Hij stelt onder meer dat een regelmatig genomen besluit zowel een wettig bestaan als uitvoerbare kracht heeft, dat de ontstentenis, de onvolledigheid of de gebrekkigheid van de bekendmaking of de kennisgeving van dat besluit slechts gevolgen heeft voor de tegenstelbaarheid, maar niet voor de IX-3779-5/12 wettigheid en de uitvoerbaarheid ervan. Hij wenst zich te dezen niet te beroepen op de niet-tegenstelbaarheid van het inleidend verslag van 23 november 2000, maar integendeel “de voordelen van dat besluit ten volle op te eisen”. 2.
- De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat de Politietuchtwet in werking is getreden op 1 april 2001, overeenkomstig artikel 2 van de wet van 30 maart 2001 tot wijziging van artikel 74 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten. Zij stelt dat, overeenkomstig artikel 72 van de Politietuchtwet, enkel de tuchtprocedures die hangende waren vóór 1 april 2001, worden afgehandeld overeenkomstig de oude tuchtwetgeving. De verwerende partij laat gelden dat aangezien het inleidend verslag niet aan de verzoeker werd betekend vóór 1 april 2001, er op die datum geen tuchtprocedure tegen de verzoeker aanhangig was. Het inleidend verslag ten laste van de verzoeker werd pas op 6 september 2001 opgesteld en op 12 september 2001 aan de verzoeker betekend, zodat de tuchtprocedure tegen de verzoeker met toepassing van de Politietuchtwet diende te worden gevoerd. Tegen het standpunt van de verzoeker dat de tuchtprocedure tegen hem was aangevangen door het opstellen van het inleidend verslag van 23 november 2000, brengt de verwerende partij in dat het bedoelde verslag niet aan de verzoeker werd betekend en dat zowel volgens de Rijkswachttuchtwet als volgens de Politietuchtwet de tuchtprocedure pas start vanaf de betekening van het inleidend verslag. De verwerende partij betwist dat uit de door de verzoeker aangewezen documenten zou blijken dat de tuchtprocedure start met het opstellen van het inleidend verslag. Zij verwijst naar hetgeen in de huidige cursus “personeelsbeheer” wordt gesteld in verband met de start van de tuchtprocedure volgens de nieuwe tuchtwetgeving. Voorts betoogt zij dat het eerste lid van artikel 24/27, § 1, van de Rijkswachttuchtwet dient te worden samengelezen met het tweede lid, dat voorziet in de kennisgeving van het inleidend verslag. Zij wijst er ook op dat de inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie in zijn advies over verzoekers tuchtzaak heeft gesteld dat ook in de oude tuchtregelgeving de tuchtvordering stricto sensu pas was ingesteld nadat het betrokken personeelslid was opgeroepen om te worden gehoord door de tuchtoverheid en dat de kennisgeving van het inleidend verslag, waarin onder meer de concreet ten laste gelegde feiten dienden te worden opgenomen, daartoe diende. IX-3779-6/12 Het door de verzoeker aangevoerde onderscheid tussen de uitvoerbaarheid en de tegenstelbaarheid van een rechtshandeling is volgens de verwerende partij te dezen niet relevant. 2.
- De verzoeker dupliceert in zijn memorie van wederantwoord dat de verwerende partij uitgaat van een verkeerde interpretatie van de oude wetgeving. Hij herhaalt dat uit de Rijkswachttuchtwet duidelijk blijkt dat de tuchtprocedure aanvangt met het opstellen van het inleidend verslag en niet met de betekening daarvan. Onder de gelding van de Rijkswachttuchtwet was de korpscommandant niet bevoegd om een tuchtprocedure op te starten, ook niet wanneer hij de feiten zelf vaststelde of wanneer de op te leggen tuchtstraf tot zijn bevoegdheid behoorde. De korpscommandant kon enkel worden geadieerd door de eenheidscommandant, ofwel door de rechtstreekse toezending van een inleidend verslag, ofwel -indien de eenheidscommandant van oordeel was dat de feiten een zware bestraffing noodzaakten- door een beslissing tot verwijzing. De korpscommandant vermocht zelf geen inleidend verslag op te stellen. Hieruit blijkt volgens de verzoeker de juridische waarde van het verslag van de eenheidscommandant. De verzoeker besluit dat het inleidend verslag van 23 november 2000 duidelijk een rechtsgeldige akte is die in zijnen hoofde rechten opent. Dat dit inleidend verslag geen ontwerpdocument is, blijkt volgens de verzoeker ook uit de omstandigheid dat de korpscommandant na de ontvangst van het verslag aanvullende onderzoeksdaden heeft bevolen. Er valt volgens de verzoeker niet in te zien waarom een eenheidscommandant een dergelijk document naar de korpscommandant zou zenden, indien deze laatste daaruit geen enkele bevoegdheid zou kunnen putten. De feiten spreken dit bovendien tegen, nu de korpscommandant zich vanaf de ontvangst van het inleidend verslag tuchtbevoegdheid heeft aangematigd. 2.4.
- De artikelen 24/13, § 1, 24/26, § 1, 24/27, § 1, en 24/30, §§ 1 en 2, eerste lid, van de Rijkswachttuchtwet bepalen het volgende: - artikel 24/13, § 1: “De tuchtstraffen zijn: 1/ de waarschuwing, met of zonder ongunstige vermelding; 2/ de blaam; 3/ de inhouding van bezoldiging; 4/ de non-activiteit bij tuchtmaatregel; 5/ de tuchtrechtelijke terugzetting in graad; IX-3779-7/12 6/ de ambtshalve pensionering, al dan niet voorafgegaan door de non-activiteit bij tuchtmaatregel; 7/ het ontslag van ambtswege.” - artikel 24/26, § 1: “Iedere meerdere met de bevoegdheid van eenheidscommandant, die kennis krijgt van feiten die een vergrijp tegen de tucht kunnen vormen, kan een voorafgaand onderzoek doen instellen om te bepalen of er tegen het betrokken personeelslid een tuchtprocedure moet worden aangespannen. Deze meerdere wijst het personeelslid aan dat met het onderzoek wordt belast.” - artikel 24/27, § 1: “De eenheidscommandant die na afloop van het eventuele voorafgaande onderzoek besluit dat een tuchtprocedure moet worden aangespannen, stelt ten laste van het personeelslid een inleidend verslag op. Dit inleidend verslag vermeldt nauwkeurig de feiten die het personeelslid worden verweten en die als een tekortkoming aan zijn ambtsplichten of aan de waardigheid van zijn ambt moeten worden beschouwd. Oordeelt de eenheidscommandant dat de feiten in aanmerking komen voor een van de straffen bedoeld in artikel 24/13, § 1, 3/ tot 7/, dan richt hij het inleidend verslag aan zijn meerdere met de bevoegdheid van korpscommandant; in het tegenovergestelde geval brengt hij het ter kennis van het betrokken personeelslid.” - artikel 24/30, §§ 1 en 2: “§
- De meerdere met de bevoegdheid van korpscommandant, die door een eenheidscommandant geadieerd wordt voor feiten die volgens hem strafbaar zijn met een van de straffen bedoeld in artikel 24/13, § 1, 3/ tot 7/, doet, in voorkomend geval, ieder onderzoek instellen dat de inhoud van het inleidend verslag dat hem werd toegezonden, kan toelichten. Het verslag van dat onderzoek wordt bij het dossier van de procedure gevoegd. §
- Werd de korpscommandant geadieerd met toepassing van artikel 24/27, § 1, tweede lid, dan brengt hij het inleidend verslag ter kennis van het betrokken personeelslid en verloopt de verdere procedure zoals bepaald in artikel 24/27, § 2 en § 3, en in artikel 24/28, § 1, eerste, tweede en derde lid, en § 2.” Deze wetsbepalingen zijn bij de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, met ingang van 1 april 2001 opgeheven. 2.4.
- Artikel 72 van de Politietuchtwet bepaalt het volgende : IX-3779-8/12 “De bij de inwerkingtreding van deze wet hangende procedures met betrekking tot de personeelsleden op wie deze wet van toepassing is, worden afgehandeld overeenkomstig de voor de inwerkingtreding van deze wet toepasselijke regels.” Artikel 74 van de Politietuchtwet, zoals gewijzigd door de wet van 30 maart 2001 tot wijziging van artikel 74 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, luidt als volgt : “De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van deze wet, die niet later kan plaatsvinden dan 1 april 2001.” 2.4.
- Op 23 november 2000 stelt de eenheidscommandant van de verzoeker, met verwijzing naar artikel 24/27, § 1, van de Rijkswachttuchtwet, een inleidend verslag op ten laste van de verzoeker. In dit verslag vermeldt hij, conform artikel 24/27, § 1, tweede lid, nauwkeurig de feiten die aan de verzoeker worden verweten en die als een tekortkoming aan diens ambtsplichten of aan de waardigheid van diens ambt moeten worden beschouwd. Nog dezelfde dag maakt hij dat inleidend verslag over aan de korpscommandant, met de vermelding dat de “feiten ernstig zijn en dienen gestraft te worden met een straf hoger dan de blaam of de waarschuwing”. Hij oordeelt derhalve dat de feiten in aanmerking komen voor één van de tuchtstraffen bedoeld in artikel 24/13, § 1, 3/ tot 7/. 2.4.
- In antwoord op het argument van de verzoeker dat zijn zaak ingevolge het opstellen van het inleidend verslag dient te worden afgehandeld overeenkomstig de bepalingen van de Rijkswachttuchtwet, stelt de inspecteur- generaal van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie in zijn advies van 23 oktober 2002 het volgende: “Ook in de oude tuchtregelgeving gold onverkort dat de tuchtvordering stricto sensu pas was ingesteld nadat het betrokken personeelslid is opgeroepen om te verschijnen voor de tuchtoverheid om gehoord te worden. Hiertoe fungeerde de kennisgeving van het inleidend verslag waarin onder meer de concreet ten laste gelegde feiten dienden te worden opgenomen. Art. 24/27 § 1 eerste lid van de wet van 27 december 1973 betreffende het statuut van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht dient immers samen met het tweede lid te worden gelezen dat voorziet in de kennisgeving van het inleidend verslag.” IX-3779-9/12 De tuchtraad stelt in zijn advies van 18 december 2002 met betrekking tot de toepasselijke wetgeving: “Zoals verder zal blijken is de voorliggende tuchtvordering op gang gebracht met de betekening van het inleidend verslag dat werd opgesteld op 6 september
- Deze betekening geschiedde op 12 september
- Alleen de tuchtprocedures die hangende waren vóór 1 april 2001 moeten krachtens de bepaling van artikel 72 Tuchtwet worden afgehandeld volgens de oude tuchtwetgeving. Zulks is in casu duidelijk niet het geval. Een procedure is slechts ‘hangende’ wanneer het inleidend verslag aan het betrokken personeelslid is betekend, waardoor ook de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de bevoegde tuchtorganen. Het enkel eenzijdig opstellen van een inleidend verslag, dat niet is betekend of niet ter kennis wordt gebracht, behoort tot de voorbereidende handelingen, waaraan op zich geen rechtsgevolgen kunnen worden gekoppeld. Zo kan bijvoorbeeld dit materieel feit op zich geen invloed uitoefenen op de verjaringstermijn.” In haar memorie van antwoord treedt de verwerende partij die zienswijze bij. Zoals de inspecteur-generaal wijst zij er in het bijzonder op dat het eerste lid van artikel 24/27, § 1, van de Rijkswachttuchtwet moet worden samengelezen met het tweede lid, dat voorziet in de kennisgeving van het inleidend verslag. Zij concludeert dat “het beslissende criterium om al dan niet te spreken over een hangende tuchtprocedure overeenkomstig artikel 72 van [de Politietuchtwet] bestaat in het al dan niet betekend zijn van het inleidend verslag vóór 1 april 2001 en niet in het al dan niet opgesteld zijn van het inleidend verslag vóór 1 april 2001”. 2.4.
- In zijn arresten Kerstens en Van Hoek, nrs. 155.918 en 155.919, van 6 maart 2006 overwoog de Raad van State dat “krachtens artikel 24/27, § 1, van de wet van 27 december 1973 een tuchtprocedure wordt opgestart met de redactie van het inleidend verslag, waaraan een voorafgaand onderzoek kan voorafgaan” en in zijn arrest Corre, nr. 137.406 van 22 november 2004, “dat [...] op 1 april 2001 de nieuwe Politietuchtwet in werking getreden is; dat die wet onmiddellijke toepassing heeft gekregen, behalve voor de ‘hangende zaken’, dit zijn de zaken waarin de eigenlijke tuchtprocedure reeds op gang gebracht is, meer bepaald de zaken waarin overeenkomstig artikel 24/27 van de wet van 27 december 1973 een inleidend verslag ten laste van het personeelslid opgesteld is”. Het argument dat de verwerende partij hiertegen aanvoert, volgens hetwelk het eerste lid van artikel 24/27, § 1, van de Rijkswachttuchtwet moet worden samengelezen met het tweede lid, dat voorziet in de kennisgeving van het inleidend verslag, kan niet overtuigen. Indien de opsteller van het inleidend verslag IX-3779-10/12 van oordeel is dat er zich een zwaardere straf dan de blaam opdringt, dan moet hij het inleidend verslag niet ter kennis brengen van het betrokken personeelslid, maar wel van zijn meerdere met de bevoegdheid van korpscommandant. Bovendien blijkt uit de samenlezing van de hierboven aangehaalde bepalingen van de Rijkswachttuchtwet duidelijk : - dat enkel de eenheidscommandant bevoegd is om een voorafgaand onderzoek te doen instellen om te bepalen of er tegen het betrokken personeelslid een tuchtprocedure moet worden ingeleid en om ten laste van het personeelslid een inleidend verslag op te stellen; - dat de korpscommandant, wanneer hij met toepassing van artikel 24/27, § 1, tweede lid, wordt geadieerd, enkel nog, vooraleer hij het inleidend verslag van de eenheidscommandant ter kennis brengt van het betrokken personeelslid, in voorkomend geval een onderzoek kan doen instellen dat de inhoud van dat inleidend verslag kan toelichten. De Raad van State handhaaft dan ook het standpunt dat hij in de genoemde arresten heeft ingenomen. 2.4.
- Ingevolge het opstellen van het tuchtverslag ten laste van de verzoeker door de eenheidscommandant op 23 november 2000 werd de tuchtprocedure tegen de verzoeker in gang gezet en was zij op 1 april 2001 “hangend” in de zin van artikel 72 van de Politietuchtwet, zodat zij diende te worden afgehandeld overeenkomstig de tot dan toepasselijke regels. Het “derde middel in derde ondergeschikte orde” is dan ook gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 21 februari 2003 van de directeur-generaal van het personeel van de federale politie waarbij aan Patrick MAERTENS de zware tuchtstraf van de schorsing van drie weken wordt opgelegd. IX-3779-11/12 Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 23 maart 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3779-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.736 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.184.152 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.