id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.743 Rolnummer: A. 82007/X-8640 Zaak: Arrest 191743 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 24/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-02 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 23:54 Fiche Arrest nr 191.743 van 24 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.743 van 24 maart 2009 in de zaak A. 82.007/X-8640. In zake : 1. Andreas VANMEERBEEK (overleden), rechtsgeding hervat door : 2. Harry VANMEERBEEK, 3. Guy VANMEERBEEK, 4. Paul VANMEERBEEK, 5. Suzanne FABRY, die woonplaats kiezen bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BOSSUYT, kantoor houdende te 8310 ASSEBROEK, Bossuytlaan 35. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Andreas VANMEERBEEK, Harry VANMEERBEEK, Guy VANMEERBEEK, Paul VANMEERBEEK en Suzanne FABRY op 18 januari 1999 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 juli 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het ontwerpplan tot aanvulling van het gewestplan Halle- Vilvoorde-Asse op het grondgebied van de gemeenten Affligem, Asse, Beersel, Grimbergen, Groot-Bijgaarden, Hoeilaart, Kapelle-op-den-Bos, Kraainem, Linkebeek, Merchtem, Overijse, Sint-Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem en Zaventem, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 november 1998, “minstens voor zover dit besluit betrekking heeft op het planologisch gebied waartoe behoren de percelen gelegen te Kraainem sectie B, nrs. 100/a, 102/c en 103/m, eigendom van de verzoekers”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; X-8640-1/36 Gelet op de beschikking van 10 juni 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op het uittreksel uit het register der overlijdensakten van de gemeente Kraainem, waaruit blijkt dat de eerste verzoeker is overleden op 31 december 2000; Gelet op het verzoek tot gedinghervatting, op 25 mei 2001 ingediend door Harry VANMEERBEEK, Guy VANMEERBEEK en Paul VANMEERBEEK; Gelet op de beschikking van 21 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De rechtspleging Uit een uittreksel uit de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Kraainem is gebleken dat de eerste verzoeker is overleden op 31 december 2000. Het geding in zijnen hoofde is rechtsgeldig hervat door zijn wettelijke erfgenamen, te dezen de tweede, de derde en de vierde verzoeker. X-8640-2/36 2. De feiten 2.1. De verzoekende partijen zijn mede-eigenaars van drie percelen grond, gelegen te Kraainem, Pikdorenveld, kadastraal bekend sectie B, nr. 100/a, groot 46a 17ca, sectie B, nr. 102/c, groot 94a 50ca en sectie B, nr. 103/m, groot 10a. Deze percelen zijn gelegen in de “vierhoek” tussen de Koningin Astridlaan, de J. Adantstraat, de Wezembeeklaan, de Burburelaan en de oude spoorlijn Brussel-Tervuren. 2.2. De voormelde “vierhoek” had in het ontwerp-gewestplan Halle- Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij het koninklijk besluit van 29 maart 1974, een bestemming als “uitbreidingszone van het woongebied”. 2.3. Bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 wordt het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse definitief vastgesteld. De “vierhoek” wordt deels bestemd tot woongebied, deels tot bufferzone en deels tot agrarisch gebied. 2.4. Bij arrest nr. 23.621 van 25 oktober 1983 vernietigt de Raad van State op verzoek van Jean FABRY, toenmalig mede-eigenaar van de onder 2.1 vermelde percelen, het koninklijk besluit van 7 maart 1977 waarbij het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse wordt vastgesteld “in zover het aan de percelen grond gelegen te Kraainem, Pikdorenveld, langs de Wezembeeklaan, ten kadaster gekend of het geweest zijnde, Sectie B, 100a, 100c, 103n, de bestemming geeft van agrarisch gebied” en om reden dat de bestemmingswijziging niet kan worden geacht steun te vinden in het openbaar onderzoek en de raadplegingen of anderszins door motieven te worden gedragen. Bij het arrest nr. 23.974 van 14 februari 1984 wordt een materiële vergissing in de vermelding van de perceelsnummers rechtgezet, nl. 100/a, 102/c en 103/m. 2.5. Jean FABRY en de vijfde verzoekster startten inmiddels een procedure voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel tegen de Belgische Staat, later uitgebreid tot het Vlaamse Gewest, strekkende enerzijds tot een declaratieve verklaring van onwettigheid van het kwestieuze gewestplan en anderzijds strekkende tot het verkrijgen van planschadevergoeding of een vergoeding op grond van onrechtmatige daad. X-8640-3/36 De bovenvermelde procedure had benevens de onder punt 2.1 vermelde percelen tevens betrekking op een ander perceel, gelegen in de betrokken “vierhoek” en toebehorend aan de verzoekende partijen, nl. perceel nr. 96/a. Deze procedure was op het ogenblik van indiening van het huidig beroep nog steeds hangende in eerste aanleg, maar had dan nog enkel betrekking op het verkrijgen van een vergoeding wegens onrechtmatige daad. In een tussenvonnis van 26 april 1985 stelde de rechtbank de onwettigheid vast van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, voor de percelen 96/a, 100/a, 102/c en 103/m. 2.6. De verzoekende partijen of hun rechtsvoorgangers trachtten inmiddels om voor het perceel 103/m een verkavelingsvergunning te verkrijgen. Deze aanvraag werd geweigerd bij besluit van 8 januari 1985 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kraainem. Het administratief beroep bij de Vlaamse regering tegen het uitblijven van het besluit van de bestendige deputatie was nog hangende op het ogenblik van de indiening van het huidig beroep. Vervolgens werden door de voornoemden stedenbouwkundige attesten nr. 2 aangevraagd voor de percelen 100/a, 102/c en 103/m. Een eerste aanvraag resulteerde in een negatief attest van 4 april 1995, een tweede aanvraag in een negatief attest van 7 mei 1996. 2.7. Bij besluit van 17 juni 1997 van de Vlaamse regering wordt het ontwerpplan tot aanvulling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse op het grondgebied van de gemeenten Affligem, Asse, Beersel, Grimbergen, Groot- Bijgaarden, Hoeilaart, Kappelle-op-den-Bos, Kraainem, Linkebeek, Merchtem, Overijse, Sint-Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem en Zaventem voorlopig vastgesteld. De percelen nrs. 100/a, 102/c en 103/m, in zover deze bij het - vernietigde- koninklijk besluit van 7 maart 1977 tot agrarisch gebied waren bestemd, worden opnieuw tot agrarisch gebied bestemd. 2.8. De verzoekende partijen dienen tegen het voormelde voorlopig vastgestelde plan geen bezwaarschrift in. 2.9. De gemeente Kraainem adviseert met betrekking tot de percelen 100/a, 102/c en 103/m wat volgt : X-8640-4/36 “Artikel twee : De raad kan niet instemmen met de ontwerpbestemming als agrarisch gebied van de percelen gelegen nabij de Wezembeeklaan en gekend onder sectie B 100a en 102c enerzijds om reden dat het agrarisch gebied waar het deel van uitmaakt te klein is rekening houdende met de actuele exploitatievormen van landbouwgebied en anderzijds omdat het is gelegen langs een drukke penetratieweg van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en onder een aanvliegcorridor van de luchthaven van Zaventem. Beide aangegeven elementen bezwaren aanzienlijk de kwaliteit als landbouwgrond van het gebied en vooral de kwaliteit van de gewonnen gewassen. De raad is voorstander het gebied tussen de Wezembeeklaan, de Koningin Astridlaan, de oude spoorlijn Brussel-Tervuren, thans tramlijn 39 en de O. de Burburelaan in zijn geheel te bestemmen als : * gebied voor ambachtelijke activiteiten aanliggend langs de Wezembeeklaan en zich uitstrekkend over een breedte van ongeveer 100 m vanaf de rand van deze penetratieweg * woongebied voor het overige deel van de aangegeven zone Artikel drie : De raad stelt bovendien vast dat voor het perceel gelegen langs de Wezembeeklaan, gekend onder sectie B nr. 103m, alzo vermeld onder 20/ van de opgave van de arresten van de Raad van State aangegeven in de considerans van het besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 1997, noch hernomen is op het plan met de bestaande fysische en juridische toestand noch op het bestemmingsplan gevoegd bij voornoemd besluit”. 2.10. De bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant adviseert “gunstig ten aanzien van deze bestemming van het ontwerp-gewestplan, zoals voorgesteld door de Vlaamse regering”. 2.11. Op 25 mei 1998 en 15 juni 1998 brengt de regionale commissie van advies van Vlaams-Brabant het volgend advies uit : “(...) KRAAINEM 1. Overzicht van de aanvullingen en advies Regionale Commissie van Advies (...) 20. arrest nr. 23.621 d.d. 25.10.1983 Kraainem De commissie adviseert de inkleuring als agrarisch gebied gunstig omdat het overeenstemt met de principes, die aan de basis liggen van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, nl. een beheersing van de stedelijke groei en het behoud van de groene gordel. Ook pleit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen ervoor om het grootstedelijk gebied rond Brussel te beperken tot de huidige aaneengesloten agglomeratie en om de bestaande onbebouwde ruimte niet aan te snijden en voorgestelde wijziging kadert binnen deze opties. De Vlaamse regering heeft trouwens voor dit gebied reeds planschade betaald. (...) ADVIEZEN : ADVIES van de gemeente KRAAINEM : X-8640-5/36 ==> Het gebied dat de gemeente voorstelt om te zetten in een gebied voor ambachtelijke activiteiten valt buiten de perimeter, afgebakend door de inherzieningstelling van het gewestplan. De commissie kan niet ingaan op voorstellen die niet binnen de afbakening vallen. ==> De commissie meent dat de inkleuring als agrarisch gebied overeenstemt met de principes, die aan de basis liggen van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, nl. een beheersing van de stedelijke groei en het behoud van de groene gordel. Ook pleit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen ervoor om het grootstedelijk gebied rond Brussel te beperken tot de huidige aaneengesloten agglomeratie en om de bestaande onbebouwde ruimte niet aan te snijden en voorgestelde wijziging kadert binnen deze opties. ADVIES van de BESTENDIGE DEPUTATIE : ==> De commissie treedt het advies van de Bestendige Deputatie voor wat betreft de punten 10, 11, 12, 14, 17, 20, 22 en 41 bij”. 2.12. Bij besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 wordt het plan tot aanvulling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse op het grondgebied van de gemeenten Affligem, Asse, Beersel, Grimbergen, Groot-Bijgaarden, Hoeilaart, Kappelle-op-den-Bos, Kraainem, Linkebeek, Merchtem, Overijse, Sint- Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem en Zaventem definitief vastgesteld. Het wordt bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 18 november 1998. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt overwogen : “(...) Overwegende dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen stelt dat het stedelijk gebied rond Brussel wordt beperkt tot de huidige aaneengesloten agglomeratie; dat concentratie en verdichting in de aaneengesloten agglomeratie wordt nagestreefd en de onbebouwde ruimte van de ‘groene gordel’ niet kan worden aangesneden voor wonen, werken en infrastructuur; dat geen of slechts beperkte bestemmingswijzigingen van zachte naar harde bestemmingen kunnen worden doorgevoerd en dit alleen binnen strikte voorwaarden die socio-economisch een meerwaarde verschaffen aan het gebied en het Vlaams karakter ervan versterken; (...) Overwegende dat voor punt 20, de gronden van het arrest nr. 23.621 gelegen op het Pikdorenveld te Kraainem, een agrarische bestemming behouden, omdat ze deel uitmaken van een groter geheel als agrarisch gebied bestemd; dat het arrest van de Raad van State het gewestplan slechts heeft vernietigd voor zover de betrokken percelen een agrarische bestemming hadden; dat het voorzien van ambachtelijk gebied voor het geheel van de gronden tussen de Wezembeeklaan, de Koningin Astridlaan, de tramlijn 39 en de O. de Burburelaan, ook gronden omvat die geen deel uitmaken van het ontwerp-gewestplan; dat het voorzien van een ambachtelijk gebied er in strijd zou zijn met de voorzieningen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen volgens hetwelk nieuwe bedrijvigheid slechts mogelijk is door de sanering van gebouwen of terreinen en door verdichting in een aantal zones die als bedrijventerrein werden aangeduid”. X-8640-6/36 3. Over de gegrondheid van het beroep 3.1. Eerste middel 3.1.1. Het aangevoerde eerste middel In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 11 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : het gecoördineerde decreet), de materiële motiveringsplicht, alsook het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke grondslag : “Doordat enerzijds het besluit de bestemming in het ontwerpplan bevestigt door te verwijzen naar het advies van de regionale commissie dat slechts gemotiveerd is door een algemene verwijzing naar het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en de principes die ten grondslag liggen aan het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, en vervolgens vermeldt dat er voor dit gebied reeds planschade is betaald, Terwijl het ontwerp-gewestplan en het advies van de regionale commissie van advies moesten worden gemotiveerd door concreet op de feitelijke toestand betrokken gegevens, en niet door te algemene en onjuiste motieven, zeker niet in het licht van de feitelijke situatie, En doordat anderzijds het bestreden besluit de bestemming in het ontwerpplan bevestigt, vooreerst door een verwijzing naar het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, vervolgens door te stellen dat de gronden deel uitmaken van een groter geheel als agrarisch gebied bestemd en tenslotte door te stellen dat het arrest nr. 23.621 enkel betrekking had op het gedeelte van de percelen dat een bestemming had als agrarisch gebied, Terwijl het ontwerp-gewestplan, het advies van de regionale commissie van advies en het besluit tot vaststelling van het gewestplan moesten worden opgemaakt op grond van de juiste en volledig beschreven feitelijke en juridische bestaande toestand. TOELICHTING 1. De motieven van het ontwerp-gewestplan Er zijn geen motieven bekend waarom het bestuur wettig heeft kunnen oordelen dat, rekening houdend met de bestaande toestand, de betrokken percelen de bestemming agrarisch gebied moesten krijgen en niet de bestemming woonuitbreidingsgebied, zoals in het ontwerp-gewestplan, vastgesteld bij M.B. van 29 maart 1974. Klaarblijkelijk heeft men dit ontbreken van motieven willen rechtzetten in de bestreden beslissing. 2. De motivering van het advies van de regionale commissie In het advies van de regionale commissie stelt men in verband met de gronden van de verzoekers: ‘20 Arrest nr. 23.616 d.d. 25.10.83 Kraainem De commissie adviseert de inkleuring als agrarisch gebied gunstig omdat het overeenstemt met de principes die aan de basis liggen van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, nl. beheersing van de stedelijke groei en het behoud van de groene gordel. Ook pleit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen ervoor om het grootstedelijke gebied rond X-8640-7/36 Brussel te beperken tot de huidige aaneengesloten agglomeratie en om de bestaande ruimte niet aan te snijden en voorgestelde wijziging kadert binnen deze opties. De Vlaamse Regering heeft trouwens voor dit gebied reeds planschade betaald.’ Het eerste deel van de motivering heeft betrekking op het Ruimtelijk Structuurplan en de algemene principes die aan de grondslag liggen van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse. Dit deel van de motivering is volledig gelijk aan de bewoordingen gegeven in de adviezen met betrekking tot alle andere percelen in Kraainem, en met betrekking tot quasi alle andere percelen waarop het besluit betrekking heeft. De principes die aan de basis liggen van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse worden niet nauwkeuriger omschreven dan als een ‘beheersing van de stedelijke groei en het behoud van de groene gordel’. Er wordt nergens gemotiveerd waarom de genoemde principes juist beschouwd moeten worden als ‘algemene principes van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse’. Er wordt tevens geen enkele vindplaats voor die algemene principes opgegeven, en er wordt evenmin vermeld waaraan die principes normatieve kracht ontlenen. De verwijzing naar het Ruimtelijk Structuurplan is bovendien zeer algemeen. Er wordt nergens gespecificeerd welk gedeelte van het ruimtelijk structuurplan er zich juist tegen verzet dat de gronden van de verzoekers een andere bestemming krijgen dan diegene die ze door het ontwerpplan, bevestigd door het bestreden besluit, hebben gekregen. Een algemene verwijzing naar het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, waarvan de integrale versie 593 pagina's dik is, kan nauwelijks als voldoende beschouwd worden. Bovendien kunnen de passages die uit dit Ruimtelijk Structuurplan worden geciteerd geen vastlegging van een gewestplan schragen, zoals zal worden uiteengezet in het vijfde middel. De verwijzing naar de passages van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen is aldus niet dienstig. De motivering mist aldus de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag, zodat het bestreden besluit de motiveringsplicht schendt. De situatie van de verzoekers is trouwens vrij specifiek. Reeds 22 jaar voeren zij een procedure voor het bekomen van een schadevergoeding. Reeds meer dan 10 jaar geleden heeft de rechtbank gesteld dat de vordering gegrond is en dat de bestemming onwettig was. De verzoekers hebben toen stedenbouwkundige attesten aangevraagd met betrekking tot die gronden. Die attesten heeft men geweigerd door te verwijzen naar een eventueel toekomstig gewestplan. Men kan nu niet de vastlegging van de bestemming als agrarisch gebied bevestigen door de simpele verwijzing naar de algemene doelstellingen van het gewestplan en naar het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Bovendien stelt het advies dat er voor het betrokken gebied reeds planschade is betaald. Dit is echter totaal onjuist. De verzoekers procederen reeds meer dan twintig jaar om een vergoeding te verkrijgen. Deze vergoeding is echter nog steeds niet betaald. Het dient zelfs te worden opgemerkt dat het Vlaamse Gewest nog steeds betwist dat zij een vergoeding verschuldigd is. 1. De motivering in de bestreden beslissing De bestreden beslissing bevestigt de bestemming in het ontwerpplan van de percelen van de verzoekers op grond van de volgende motieven: ‘Overwegende dat voor punt 20 de gronden van het arrest nr. 23.621 gelegen op het Pikdorenveld te Kraainem, een agrarische bestemming behouden, omdat ze deel uitmaken van een groter geheel als agrarisch gebied bestemd; dat het arrest van de Raad van State het gewestplan slecht heeft vernietigd voor zover de betrokken percelen een agrarische bestemming hadden’ X-8640-8/36 Deze motieven zijn onjuist. Het is juist dat er zich in de onmiddellijke omgeving van de percelen van de verzoekende partijen, percelen bevinden die vooralsnog luidens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse een bestemming tot landbouwzone hebben. Deze bestemming is evenwel vastgelegd bij Koninklijk Besluit van 7 maart 1977. Om dezelfde redenen die hebben geleid tot de vernietiging van het gewestplan in zoverre ze aan de percelen 100a, 102c en 103m een agrarische bestemming gaven, is ook de vaststelling van het gewestplan voor die andere percelen onwettig. Alle percelen in de vierhoek gelegen tussen de Koningin Astridlaan, de J. Adantstraat, de Wezembeeklaan, de Burburelaan en de oude spoorlijn Brussel-Tervuren hadden in het ontwerpplan de bestemming ‘uitbreidingszone van het woongebied’. De definitieve vaststelling gaf aan de volledige vierhoek, met uitzondering van een stuk aan de Burburelaan, dat de bestemming ‘woongebied’ kreeg, plots de bestemming ‘landbouwgebied’, zonder dat deze bestemmingswijziging geacht kon worden steun te vinden in het openbaar onderzoek en de raadplegingen of anderszins geacht kon worden door motieven te worden gedragen, zodat de vaststelling voor die andere percelen eveneens onwettig is. Voor perceel 96a (gedeeltelijk in eigendom van de verzoekers) is deze bestemming trouwens uitdrukkelijk vastgesteld door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Aangezien de huidige feitelijke bestemming uitsluitend het gevolg is van de onwettige bestemming als ‘agrarisch gebied’ mist de motivering de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag. Het Besluit stelt tevens dat het arrest van uw Raad van 25 oktober 1983 het gewestplan enkel vernietigt voor zover de gronden een ‘agrarische bestemming’ hadden, zodat de vernietiging geen gevolg zou hebben voor de strook die werd bestemd tot bufferzone. Ook al is het zo dat er in het dispositief van het arrest enkel gesproken wordt over de bestemming tot landbouwgebied, dan nog moet men opmerken dat de Raad van State in zijn overwegingen ontegensprekelijk heeft bepaald dat ook de bestemming tot ‘bufferzone’ onwettig was. In de overwegingen kan men immers lezen dat: ‘De beide bestemmingswijzigingen in agrarisch gebied en in bufferzone kunnen dus niet geacht worden steun te vinden in het openbaar onderzoek en de raadplegingen of anderszins door motieven te worden gedragen’ De woorden ‘voor zover’ in het dispositief, moeten dan ook zo worden opgevat dat zij enkel betrekking hebben op de woorden ‘aan de percelen grond ....100a, 100c en 103n’, en niet op de woorden ‘de bestemming geeft van agrarisch gebied’. De vordering van de heer FABRY, toenmalig verzoeker, was er immers enkel op gericht om een vernietiging te krijgen ‘in de mate van zijn belang’, waardoor de Raad van State zijn vordering diende aan te passen aan hetgeen overeenkomstig het belang van de heer FABRY was. Zelfs indien dit niet zo zou zijn, moet er gezegd worden dat uw Raad ontegensprekelijk reeds heeft beslist dat de bestemming tot bufferzone onwettig was, ook al heeft uw Raad deze bestemming niet uitdrukkelijk vernietigd”. 3.1.2. Beoordeling 3.1.2.1. In zoverre de verzoekende partijen de schending aanvoeren van de materiële motiveringsplicht, houdt het wettigheidstoezicht van de Raad van State X-8640-9/36 in dat hij vermag na te gaan of de overheid bij het nemen van haar beslissing is uitgegaan van motieven die in feite en in rechte juist zijn, of de overheid die juist heeft beoordeeld en of zij op grond van die motieven in redelijkheid tot de door haar genomen beslissing is kunnen komen. 3.1.2.2. Met betrekking tot de gronden van de verzoekende partijen wordt in het advies van 15 juni 1998 van de regionale commissie van advies van Vlaams- Brabant het volgende gesteld : “De commissie adviseert de inkleuring als agrarisch gebied gunstig omdat het overeenstemt met de principes, die aan de basis liggen van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, nl. een beheersing van de stedelijke groei en het behoud van de groene gordel. Ook pleit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen ervoor om het grootstedelijk gebied rond Brussel te beperken tot de huidige aaneengesloten agglomeratie en om de bestaande onbebouwde ruimte niet aan te snijden en voorgestelde wijziging kadert binnen deze opties. De Vlaamse regering heeft trouwens voor dit gebied reeds planschade betaald”. In het bestreden besluit wordt met betrekking tot de gronden van de verzoekende partijen het volgende gesteld : “(...) Overwegende dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen stelt dat het stedelijk gebied rond Brussel wordt beperkt tot de huidige aaneengesloten agglomeratie; dat concentratie en verdichting in de aaneengesloten agglomeratie wordt nagestreefd en de onbebouwde ruimte van de ‘groene gordel’ niet kan worden aangesneden voor wonen, werken en infrastructuur; dat geen of slechts beperkte bestemmingswijzigingen van zachte naar harde bestemmingen kunnen worden doorgevoerd en dit alleen binnen strikte voorwaarden die socio-economisch een meerwaarde verschaffen aan het gebied en het Vlaams karakter ervan versterken; (...) Overwegende dat voor punt 20, de gronden van het arrest nr. 23.621 gelegen op het Pikdorenveld te Kraainem, een agrarisch bestemming behouden, omdat ze deel uitmaken van een groter geheel als agrarische gebied bestemd; dat het arrest van de Raad van State het gewestplan slechts heeft vernietigd voor zover de betrokken percelen een agrarische bestemming hadden; dat het voorzien van ambachtelijk gebied voor het geheel van de gronden tussen de Wezembeeklaan, de Koningin Astridlaan, de tramlijn 39 en de O. de Burburelaan, ook gronden omvat die geen deel uitmaken van het ontwerp-gewestplan; dat het voorzien van een ambachtelijk gebied er in strijd zou zijn met de voorzieningen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen volgens hetwelk nieuwe bedrijvigheid slechts mogelijk is door de sanering van gebouwen of terreinen en door verdichting in een aantal zones die als bedrijventerrein werden aangeduid”. 3.1.2.3. Het vernietigingsarrest nr. 23.621 van 25 oktober 1983, zoals verbeterd door het arrest nr. 23.974 van 14 februari 1984, heeft het koninklijk X-8640-10/36 besluit van 7 maart 1977 slechts vernietigd “in zover het aan de percelen grond gelegen te Kraainem, Pikdorenveld, langs de Wezembeeklaan, ten kadaster gekend sectie B, 100a, 102c, 103m, de bestemming geeft van agrarisch gebied” en dit om reden dat de bestemmingswijziging niet geacht kan worden steun te vinden in het openbaar onderzoek en de raadplegingen of anderszins door motieven te worden gedragen. Voor zover het koninklijk besluit van 7 maart 1977 het perceel nr. 103/m de bestemming bufferzone heeft gegeven, is deze bestemming nooit vernietigd geworden. De omstandigheid dat de motieven van het voormelde vernietigingsarrest tevens betrekking hebben op de voormelde bestemming bufferzone, doet hieraan niets af, aangezien de motieven van een vernietigingsarrest maar gezag van gewijsde hebben in zoverre ze dienen ter ondersteuning van wat in het dictum wordt beslist. De verwerende partij gaat derhalve uit van de juiste draagwijdte van het meer vermelde vernietigingsarrest. 3.1.2.4. De verwerende partij vermocht de bestemming van de gronden die het voorwerp uitmaken van het bestreden besluit voorts met goed gevolg te toetsen aan de beleidsprincipes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen met betrekking tot het Vlaams stedelijk gebied rond Brussel. Zij heeft blijkens het dossier, in de feiten, terecht geoordeeld dat de kwestieuze gronden deel uitmaken van een groter geheel met de kenmerken van een agrarisch gebied. De door haar aangenomen overeenstemming met de voormelde principes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, meer bepaald het beperken van het stedelijk gebied rond Brussel tot de huidige aaneengesloten agglomeratie en het niet aansnijden van de bestaande onbebouwde ruimte van de “groene gordel”, komt niet als kennelijk onredelijk of feitelijk onjuist voor en komt als een afdoende motief over. Het betoog dat de omliggende percelen door het meer vermelde koninklijk besluit van 7 maart 1977 ten onrechte als agrarisch gebied werden bestemd, vermag aan dit laatste geen afbreuk te doen. De niet-vermelding in het bestreden besluit van de juiste vindplaats van de voormelde principes in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, die door de verzoekende partijen in hun verzoekschrift overigens zelf wordt aangegeven, is niet van aard het bestreden besluit te vitiëren. Waar de verzoekende partijen in hun betoog dat de aangehaalde passages uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen de aangevochten bestemming niet kunnen schragen, verwijzen naar het vijfde middel, wordt verwezen naar de weerlegging van dit standpunt bij de bespreking van dit middel. X-8640-11/36 3.1.2.5. De omstandigheid dat de regionale commissie van advies de inkleuring van de kwestieuze gronden als agrarisch gebied onder meer gunstig heeft geadviseerd “omdat het overeenstemt met de principes, die aan de basis liggen van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, nl. een beheersing van de stedelijke groei en het behoud van de groene gordel”, zonder nadere motivering of aanduiding van de vindplaats van deze principes of de vermelding waaraan deze hun normatieve kracht ontlenen, is evenmin van aard om het bestreden besluit te vitiëren, aangezien dit besluit op afdoende wijze steun vindt in de beleidsprincipes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en de eerst vermelde principes zelfs niet langer vermeldt. 3.1.2.6. Gelet op de formulering van het motief betreffende de planschadevergoeding in het advies van de regionale commissie van advies, met gebruik van de aanduiding “trouwens” en het niet meer weerhouden van dit motief in het bestreden besluit, dient het als overtollig te worden beschouwd. De onwettigheid ervan kan niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden. Het eerste middel is ongegrond. 3.2. Tweede middel 3.2.1. Het aangevoerde tweede middel In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het beginsel dat eenieder recht heeft op een gewestplanbestemming : “Doordat de vaststelling van het gewestplan enkel gebeurd is voor de percelen 100a, 102c en 103m, en dan nog enkel voor zover deze percelen in het oorspronkelijke gewestplan de bestemming hadden van ‘agrarisch gebied’, Terwijl, waar u Raad en de Rechtbank van Eerste Aanleg reeds de onwettigheid hadden vastgesteld van enerzijds de bestemming van de strook van percelen 103m en 102c die een bestemming had als bufferzone, en anderzijds van de bestemming van perceel 96a, de verzoekende partijen voor die gronden niet mogen beroofd blijven van een gewestplanbestemming. TOELICHTING De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing enkel een nieuwe bestemming vastgelegd van de percelen 100a, 102c en 103m, voor zover deze percelen in het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse een bestemming hadden als agrarisch gebied. De verzoekers zijn echter ook mede-eigenaar van een strook van de percelen 102c en 103m, die in het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse een bestemming hadden als agrarisch gebied. X-8640-12/36 De verzoekers zijn echter ook mede-eigenaar van een strook van de percelen 102c en 103m, die in het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse een bestemming had als bufferzone. Zij zijn tevens mede-eigenaar van perceel 96a, waarvoor de bestemming niet vernietigd was. Nochtans is de onwettigheid van die bestemmingen reeds vastgesteld, enerzijds door uw Raad in het vernietigingsarrest van 25 oktober 1983, en anderzijds door het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van 11 oktober 1984. De percelen van de verzoekers blijven aldus gespeend van een wettige gewestplanbestemming, terwijl de overheid nochtans moest uitgaan van hun onwettigheid. Andere eigenaars van percelen waarvoor de gewestplanbestemming, vernietigd was of onwettig was bevonden, hebben wel een nieuwe gewestplanbestemming gekregen. De verzoekers hebben niettemin, net als alle andere burgers, een gelijk recht op een gewestplanbestemming. Door de bestemming van de gronden voor slechts een gedeelte van de gronden in de betrokken vierhoek waarvoor de onwettigheid reeds was vastgesteld, vast te stellen schendt de bestreden beslissing het recht van de verzoekende partij op een gewestplanbestemming. Dit gebrek moet tot nietigverklaring van de planbestemming voor het planologisch één geheel vormende deelgebied van het gewestplan leiden, vermits de planbestemming niet louter perceelsgewijze kan worden bepaald”. 3.2.2. Beoordeling 3.2.2.1. In geval van vernietiging van een bestemming is de overheid ertoe gehouden voor de betrokken grond opnieuw een bestemming vast te stellen. Uit de samenlezing van de artikelen 1 en 9 van het gecoördineerde decreet volgt immers dat voor alle stedenbouwkundige gewesten zonder uitzondering gewestplannen moeten worden opgemaakt en dat deze gewestplannen de bestemming moeten vaststellen van alle gronden gelegen binnen hun beheersingsgebied, zonder uitzondering. De verwerende partij stond voor de rechtsplicht het juridisch, planologisch vacuüm, ontstaan door de vernietiging door de Raad van State van de gewestplanbestemming agrarisch gebied, zo spoedig mogelijk op te vullen. 3.2.2.2. Zoals vermeld onder het randnummer 3.1.2.3. heeft het dictum van het vernietigingsarrest nr. 23.621, zoals verbeterd door het arrest nr. 23.974, betrekking op de percelen 100/a, 102/c en 103/m en dan nog enkel in zover het koninklijk besluit van 7 maart 1977 deze de bestemming agrarisch gebied heeft gegeven. Het dictum van het voormelde arrest heeft geen betrekking op het perceel nr. 96/a en de percelen 102/c en 103/m in zover deze de bestemming bufferzone hebben, terwijl een vonnis van de gewone rechter waarbij de onwettigheid van een X-8640-13/36 bepaalde bestemming wordt vastgesteld niet tot gevolg heeft dat de gewestplanbestemming ophoudt te bestaan. De “omliggende gronden” met de gewestplanbestemming agrarisch gebied werden evenmin door de Raad van State vernietigd. 3.2.2.3. Het kan de verwerende partij niet verweten worden dat zij eerst een gepaste planbestemming heeft gezocht voor de percelen waarvan de gewestplanbestemming door de Raad van State was vernietigd. Zij kon, zonder het gelijkheidsbeginsel te schenden, haar besluitvorming beperken tot de percelen 100/a, 102/c en 103/m in zover deze ingevolge het vernietigingsarrest nr. 23.621, zoals verbeterd door het arrest nr. 23.974, zonder bestemming waren. Het tweede middel is niet gegrond. 3.3. Derde middel 3.3.1. Het aangevoerde derde middel In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 11 van het gecoördineerde decreet en het redelijkheidsbeginsel : “Doordat het bestreden besluit de bestemming van het ontwerpplan bevestigt waarin de gronden van de verzoekers een bestemming hadden als ‘agrarisch gebied’, Terwijl deze bestemming kennelijk in strijd is met elke goede ruimtelijke ordening en deze percelen in wezen niet geschikt zijn voor de bestemming die er aan is gegeven. TOELICHTING De percelen bevinden zich in een vierhoek gevormd door de Wezembeeklaan, de Koningin Astridlaan, de Wilde Rozen weg en de Burburelaan. Ze bevinden zich temidden van bebouwing en op enkele honderden meters van de grote ring rond Brussel. Deze percelen zijn in totaal 15.067 m² groot. (46a17ca + 94a50ca + 10a) Ze zijn gelegen aan de drukke Wezembeeklaan (een weg met middenberm), in de onmiddellijke nabijheid van een oprit naar de Brusselse ring. Aan de overkant van deze Wezembeeklaan bevindt er zich een maxi G.B. (...) en een rij aaneengesloten bebouwing (...). Aan de straatzijde is er een voetpad. Naast het voetpad is er een verharde gelijkgrondse berm waardoor in parkeergelegenheid is voorzien (...). Er is geen oprit voorzien voor eventuele landbouwvoertuigen. Aan de westelijke zijde bevindt er zich een kleine rij bomen (...). Aan de oostkant worden de percelen begrensd door enerzijds een huis met tuin en anderzijds een jong bos (...). Aan de zuidkant is er een steil talud (...). X-8640-14/36 Aan de noordkant wordt het stuk grond begrensd door enerzijds de Wezembeeklaan en anderzijds de achterkant van een huizenrij van aaneengesloten bebouwing (...). Het was blijkbaar de bedoeling om in een bufferzone van 50 meter te voorzien tussen de Wezembeeklaan en de eigenlijke landbouwgronden. De eigenlijke bestemming tot landbouwgebied heeft enkel betrekking op een gedeelte van de percelen van de verzoekende partijen. In totaal gaat het om 3000 m² die bestemd zou moeten worden tot bufferzone. De totale oppervlakte die in het bestreden besluit bestemd is tot landbouwgebied is 12.067 m² groot. De aaneengesloten percelen grond zijn niet groot genoeg voor het bouwen van een landbouwbedrijf. De percelen liggen veel te dicht in de buurt van woningen (er bevindt zich een huizenrij aan de Wezembeeklaan (...), één aan de Koningin Astridlaan (...) en één aan de Wilde Rozenweg (...)). Het is praktisch onmogelijk om een landbouwbedrijf te bouwen waarvan alle gebouwen op meer dan 100 meter van de woningen kunnen blijven. Na aftrek van de ruimte die nodig zou zijn voor het bouwen van het landbouwbedrijf, blijft er al zeker niet voldoende land over om op een deugdelijke wijze aan landbouw te doen. De percelen kunnen al evenmin bebouwd worden vanuit een elders gelegen landbouwbedrijf. Vooreerst bevindt er zich in de nabije omgeving geen enkel landbouwbedrijf: In de gemeente Kraainem zelf bevindt er zich nog slechts één landbouwbedrijf, te weten aan de Annecylaan nummer 46 (over de weg ongeveer 2,5 kilometer van de betrokken gronden, volledig door stedelijk gebied). In de gemeente Wezembeek-Oppem bevindt er zich ook één landbouwbedrijf aan de Diepestraat nummer 23 (aan de andere kant van de Brusselse Ring, over de weg op ongeveer 3 kilometer van de betrokken gronden, volledig door stedelijk gebied). Voor een situering van deze landbouwbedrijven kan er worden verwezen naar stuk 19. In de gemeente Sint Lambrechts Woluwe bevindt er zich geen enkel landbouwbedrijf. Landbouwvoertuigen zouden een grote afstand moeten afleggen door verstedelijkt gebied om het gebied te kunnen bereiken. De landbouwvoertuigen zouden bovendien problemen hebben om het terrein op te rijden. Aan de kant van de Wezembeeklaan is er geen oprit voorzien. De berm is er volledig verhard. Deze baan is trouwens veel te druk om veelvuldig door landbouwvoertuigen gebruikt te worden. Aan de achterkant kan men de percelen al evenmin bereiken. Er is immers een steil talud. Zelfs als men alle onbebouwde en onbeboste percelen in de vierhoek samenvoegt, komt men slechts tot een gebied van ongeveer vier en een halve hectare. Het gaat dan om de percelen 101c, 98c2, 99b, 99c, 99t, 91x, 91e en 91c. (De percelen ten oosten van perceel 102c zijn bebost). Dit is niet groot genoeg voor een zelfstandig landbouwbedrijf. Gebouwen voor intensieve veeteelt of niet grondgebonden landbouw zijn nergens toegelaten, daar geen enkel punt op minder dan 300 meter van een woongebied ligt. Het is al evenmin mogelijk om een landbouwbedrijf te bouwen waarvan alle gebouwen op meer dan 150 meter van woningen liggen (...). De ongeschiktheid tot het gebruik als landbouwgrond blijft dus zelfs indien men de percelen zou aansluiten bij alle andere percelen die binnen de vierhoek nog bestemd kunnen worden tot landbouwgebied. De gronden zouden dus moeten worden geëxploiteerd vanuit een elders gelegen landbouwbedrijf. Er is evenwel, zoals reeds gesteld geen enkel landbouwbedrijf dat dicht genoeg ligt. X-8640-15/36 Dit gebied is bovendien op drie plaatsen aangesneden door groepen woningen en tuinen (een groep woningen aan de Wezembeeklaan, een groep aan de Koningin Astridlaan en een groep aan de Wilde Rozenweg). Het gebied is bovendien omgeven door een verstedelijkt gebied (woongebied en dienstverleningsgebied (de maxi-GB)). Het gebied ligt vlak bij een oprit naar de Brusselse Ring. Aan de overkant van de Wezembeeklaan bevindt er zich een maxi-GB, alsook een rij woningen in aaneengesloten bebouwing (...). Aan de overkant van de Koningin Astridlaan bevindt er zich ook een rij woningen in aaneengesloten bebouwing (...). Aan de overkant van de J. Adantstraat bevindt er zich een postkantoor (...). De bestemming van de percelen van de verzoekers tot landbouwgebied, waar die percelen liggen in een gebied dat enerzijds op zich te klein is om een zelfstandig landbouwbedrijf te vormen, terwijl er geen deugdelijke mogelijkheid is om die gronden vanuit een ander landbouwbedrijf te exploiteren, en dat anderzijds gelegen is temidden van woongebied en dienstverleningsgebied en dat op drie plaatsen reeds is aangesneden door groepen woningen in aaneengesloten bebouwing, is onredelijk en zelfs in strijd met de goede ruimtelijke ordening. Alle landbouwactiviteiten op de percelen van de verzoekers zouden immers plaatsvinden binnen een afstand van 100 meter van woningen, en moeten plaatsvinden in een klein gebied dat volledig is omgeven door woongebied (niet eens landelijk woongebied) en dienstverleningsgebied. Een bestemming tot woongebied zou daarentegen wel in overeenstemming zijn met de goede ruimtelijke ordening: De gronden zijn gelegen aan een uitgeruste weg, vlakbij een oprit naar de Brusselse ring, doch gescheiden van de Brusselse Ring door woongebieden. Alle nutsvoorzieningen zijn aanwezig. De gronden bevinden zich temidden van verstedelijkt gebied. De omgeving van het gebied heeft trouwens een bestemming als woon- of dienstverleningsgebied”. 3.3.2. Beoordeling 3.3.2.1. Artikel 11, 4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit) luidt als volgt : “De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 m en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden”. X-8640-16/36 3.3.2.2. Uit de bespreking van het eerste en het vijfde middel blijkt dat de verwerende partij terecht is kunnen uitgaan van de beleidsprincipes vastgelegd in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, nl. het beheersen van de stedelijke groei en het behoud van de groene gordel voor het stedelijk gebied rond Brussel. In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat een bestemming als woongebied waar landbouw is toegelaten de voorkeur verdiende, geven zij een eigen appreciatie die de onwettigheid van het bestreden besluit niet aantoont. 3.3.2.3. Voorts laat het betoog van de verzoekende partijen niet toe om aan te nemen dat op de kwestieuze gronden elke vorm van landbouw in de zin van artikel 11 van het inrichtingsbesluit is uitgesloten. In tegenstelling tot wat zij voorhouden, staat het aan de verzoekende partijen om de kennelijke onredelijkheid van het genomen besluit aan te tonen. Zij maken niet aannemelijk dat het bestreden besluit kennelijk onredelijk is. Het derde middel is niet gegrond. 3.4. Vierde middel 3.4.1. Het aangevoerde vierde middel In een vierde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het daarin besloten liggende gelijkheidsbeginsel : “Doordat de verwerende partij na vernietiging van de in 1977 vastgestelde bestemming met het bestreden besluit voor de eigendom van de verzoeker de bestemming opnieuw vastlegt als agrarisch gebied en hen aldus zware gebruiksrestricties oplegt onder verwijzing naar een motief van een algemene beleidsvisie, waar zij voor de bestemming van andere gronden eveneens na een nietigverklaring van de in 1977 vastgestelde bestemming niet bevestigt, maar integendeel vervangt door een bestemming tot woongebied, landelijk woongebied of woonpark en deze personen, voor die gronden aldus minder zware gebruiksrestricties oplegt, en dit onder verwijzing naar dezelfde algemene beleidsvisies of naar motieven die hetzij een onderscheiden behandeling niet rechtvaardigen, hetzij evenzeer van toepassing zijn op de verzoekers, Terwijl de grondwettelijke regels van de gelijkheid der Belgen voor de wet en van de niet discriminatie niet uitsluiten dat een verschil in behandeling volgens bepaalde categorieën van personen zou worden ingesteld, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat; het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de overwogen maatregel; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat de aangewende middelen redelijkerwijze niet evenredig zijn met het beoogde doel. X-8640-17/36 TOELICHTING De percelen grond van de verzoekende partij zijn gelegen in de vierhoek gelegen tussen de Koningin Astridlaan, de J. Adantstraat, de Wezembeeklaan, de Burburelaan en de oude spoorlijn Brussel-Tervuren (...). Deze vierhoek had in het ontwerp-gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij M.B. van 29 maart 1974, een bestemming als ‘uitbreidingszone van het woongebied’ (...). Het gewestplan werd bij Koninklijk Besluit van 7 maart 1977 definitief vastgesteld. De gehele vierhoek, met uitzondering van een stuk aan de Burburelaan, die een bestemming tot woongebied krijgt, wordt deels (voor een strook van 50 meter) bestemd tot bufferzone, en deels tot agrarisch gebied (...). Zoals boven is uiteengezet ligt deze vierhoek temidden van bebouwing. De vierhoek wordt volledig omgeven door woongebied (met uitzondering van het stuk van de maxi-GB, dat dienstverleningsgebied is). De vierhoek is bovendien op verscheidene plaatsen aangesneden door bebouwing. De percelen 100a, 102c en 103m, in mede-eigendom toebehorend aan de verzoekende partijen, grenzen aan een huizenrij van 4 woningen in aaneengesloten bebouwing. Aan de overkant van de Wezembeeklaan bevindt er zich enerzijds een maxi GB (in dienstverleningsgebied) en anderzijds een huizenrij in aaneengesloten bebouwing (in woongebied). De bestemming tot agrarisch gebied is voor de percelen 100a, 102c en 103m expliciet vernietigd door de Raad van State. Om dezelfde redenen die aangehaald zijn in dit arrest, is ook de bestemming voor de andere percelen in de vierhoek onwettig. Deze onwettigheid is reeds expliciet vastgesteld door de rechtbank voor het perceel 96a, en door de Raad van State voor het gedeelte van de percelen 102c en 103m dat een bestemming had als bufferzone (voor zover men het arrest van de Raad van State zo interpreteert dat de bestemming tot bufferzone niet vernietigd wordt). Alle gronden die in het bestreden besluit een bestemming krijgen, zijn gronden waarvan de bestemming die die gronden hebben gekregen in het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse door de Raad van State vernietigd is. Voor het merendeel van die gronden wordt er in het advies van de regionale commissie de bovenvermelde motivering overgenomen: ‘De commissie adviseert de inkleuring ... gunstig omdat het overeenstemt met de principes die aan de basis liggen van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, nl. een beheersing van de stedelijke groei en het behoud van de groene gordel. Ook pleit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen ervoor om het grootstedelijke gebied rond Brussel te beperken tot de huidige aaneengesloten agglomeratie en om de bestaande ruimte niet aan te snijden en voorgestelde wijziging kadert binnen deze opties.’ Op basis van die motivering wordt er voor heel wat gebieden, onder meer voor het gebied waartoe de percelen van de verzoekende partijen behoren, een bestemming als natuurgebied of agrarisch gebied vastgesteld. De eigenaars van percelen gelegen in deze gebieden (waaronder de verzoekende partijen), krijgen met betrekking tot die gronden te maken met zeer zware stedenbouwkundige gebruiksrestricties. Niettemin wordt er in enkele gevallen op grond van diezelfde motivering ook een bestemming als woonpark of woongebied met landelijk karakter aanvaard. Het gaat dan in het bijzonder om de gronden bedoeld in de arresten nrs. 25.994, 24.627 en 26.555. De eigenaars van percelen gelegen in deze gebieden, krijgen met betrekking tot die gronden te maken met heel wat minder zware stedenbouwkundige gebruiksrestricties. Het is al een eerste discriminatie dat de eigenaars van deze gronden op grond van dezelfde motieven een bestemming tot woonpark of woongebied met X-8640-18/36 landelijk karakter verkrijgen, terwijl de gronden van de verzoekende partij onder verwijzing naar diezelfde motieven bestemd worden tot ‘agrarisch gebied’. Daarnaast worden verscheidene andere percelen wel bestemd tot woonzone, landelijk woongebied of woonpark. Zo zijn de percelen gelegen te Sint-Pieters-Leeuw, Uylebroekstraat, sectie F, 521b/ex, waarvan de oorspronkelijk bestemming tot bufferzone was vernietigd door het arrest SUENENS, nr. 22.374 van 22 juni 1982, in het bestreden besluit bestemd tot woonzone (...). De percelen gelegen te Overijse, Brusselse Steenweg 241 en 243, Sectie B, nummers 365p4, 364q4, 365r4, 365m5, 365g5 en 362d, waarvan de oorspronkelijke bestemming tot agrarisch gebied was vernietigd door arrest DE COSTER nr. 23.772, van 6 december 1983, zijn in het bestreden besluit bestemd tot agrarisch gebied en landelijk woongebied (...). De percelen gelegen te Grimbergen, Mechelsestraat 56, nrs. 10/b en 12/s, waarvan de oorspronkelijke bestemming tot agrarisch gebied vernietigd was door arrest VAN HOEYMISSEN, nr. 25.994, van 19 december 1985, zijn in het bestreden besluit bestemd tot landelijk woongebied (...). De percelen gelegen te Sint-Genesius-Rode, Dragonderstraat, sectie B 141/g, waarvan de bestemming tot gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen is vernietigd door arrest GONIEAU, nr. 26.555 van 20 mei 1986, zijn in het bestreden besluit bestemd tot woonpark (...). De percelen gelegen te Overijse, Vlietjeslaan, sectie M, nrs. 669/b, 676/a, 677 en 678/a, waarvan de oorspronkelijke bestemming tot natuurgebied is vernietigd door arrest LIMPENS, nr. 26.908 van 23 september 1986, zijn in het bestreden besluit bestemd tot woonpark (...) De percelen gelegen te Overijse, Tuindelle-Sint Annastraat, sectie B, 238f en 239b, Sectie D, 108g, 108j, 108k, 1081, 112, 113, 118a, 120c, 120e, 122b, 122e, 122f, 123c, waarvan de oorspronkelijke bestemming tot agrarisch gebied en reservegebied voor woonwijken vernietigd is door arrest VANDENWAEYENBERG, nr. 23.946, van 7 februari 1984, zijn in het bestreden besluit bestemd tot landelijk woongebied (...). De percelen ge-legen te Overijse, Tombeurstraat, nrs. 471/a en 474/g/deel, waarvan de oorspronkelijke bestemming tot natuurgebied vernietigd is door arrest IMMO CARLSBORRE, nr. 36.860 van 25 april 1991, zijn in het bestreden besluit bestemd tot woongebied (...). Deze vaststellingen van de bestemmingen geschieden onder verwijzing naar de volgende motieven (hetzij in het bestreden besluit of in het advies van de regionale Commissie):
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.