← België

Arrest 191743 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 24/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.743 Rolnummer: A. 82007/X-8640 Zaak: Arrest 191743 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 24/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-02 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 23:54 Fiche Arrest nr 191.743 van 24 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.743 van 24 maart 2009 in de zaak A. 82.007/X-8640. In zake : 1. Andreas VANMEERBEEK (overleden), rechtsgeding hervat door : 2. Harry VANMEERBEEK, 3. Guy VANMEERBEEK, 4. Paul VANMEERBEEK, 5. Suzanne FABRY, die woonplaats kiezen bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BOSSUYT, kantoor houdende te 8310 ASSEBROEK, Bossuytlaan 35. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Andreas VANMEERBEEK, Harry VANMEERBEEK, Guy VANMEERBEEK, Paul VANMEERBEEK en Suzanne FABRY op 18 januari 1999 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 juli 1998 van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het ontwerpplan tot aanvulling van het gewestplan Halle- Vilvoorde-Asse op het grondgebied van de gemeenten Affligem, Asse, Beersel, Grimbergen, Groot-Bijgaarden, Hoeilaart, Kapelle-op-den-Bos, Kraainem, Linkebeek, Merchtem, Overijse, Sint-Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem en Zaventem, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 18 november 1998, “minstens voor zover dit besluit betrekking heeft op het planologisch gebied waartoe behoren de percelen gelegen te Kraainem sectie B, nrs. 100/a, 102/c en 103/m, eigendom van de verzoekers”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; X-8640-1/36 Gelet op de beschikking van 10 juni 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op het uittreksel uit het register der overlijdensakten van de gemeente Kraainem, waaruit blijkt dat de eerste verzoeker is overleden op 31 december 2000; Gelet op het verzoek tot gedinghervatting, op 25 mei 2001 ingediend door Harry VANMEERBEEK, Guy VANMEERBEEK en Paul VANMEERBEEK; Gelet op de beschikking van 21 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De rechtspleging Uit een uittreksel uit de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Kraainem is gebleken dat de eerste verzoeker is overleden op 31 december 2000. Het geding in zijnen hoofde is rechtsgeldig hervat door zijn wettelijke erfgenamen, te dezen de tweede, de derde en de vierde verzoeker. X-8640-2/36 2. De feiten 2.1. De verzoekende partijen zijn mede-eigenaars van drie percelen grond, gelegen te Kraainem, Pikdorenveld, kadastraal bekend sectie B, nr. 100/a, groot 46a 17ca, sectie B, nr. 102/c, groot 94a 50ca en sectie B, nr. 103/m, groot 10a. Deze percelen zijn gelegen in de “vierhoek” tussen de Koningin Astridlaan, de J. Adantstraat, de Wezembeeklaan, de Burburelaan en de oude spoorlijn Brussel-Tervuren. 2.2. De voormelde “vierhoek” had in het ontwerp-gewestplan Halle- Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij het koninklijk besluit van 29 maart 1974, een bestemming als “uitbreidingszone van het woongebied”. 2.3. Bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 wordt het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse definitief vastgesteld. De “vierhoek” wordt deels bestemd tot woongebied, deels tot bufferzone en deels tot agrarisch gebied. 2.4. Bij arrest nr. 23.621 van 25 oktober 1983 vernietigt de Raad van State op verzoek van Jean FABRY, toenmalig mede-eigenaar van de onder 2.1 vermelde percelen, het koninklijk besluit van 7 maart 1977 waarbij het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse wordt vastgesteld “in zover het aan de percelen grond gelegen te Kraainem, Pikdorenveld, langs de Wezembeeklaan, ten kadaster gekend of het geweest zijnde, Sectie B, 100a, 100c, 103n, de bestemming geeft van agrarisch gebied” en om reden dat de bestemmingswijziging niet kan worden geacht steun te vinden in het openbaar onderzoek en de raadplegingen of anderszins door motieven te worden gedragen. Bij het arrest nr. 23.974 van 14 februari 1984 wordt een materiële vergissing in de vermelding van de perceelsnummers rechtgezet, nl. 100/a, 102/c en 103/m. 2.5. Jean FABRY en de vijfde verzoekster startten inmiddels een procedure voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel tegen de Belgische Staat, later uitgebreid tot het Vlaamse Gewest, strekkende enerzijds tot een declaratieve verklaring van onwettigheid van het kwestieuze gewestplan en anderzijds strekkende tot het verkrijgen van planschadevergoeding of een vergoeding op grond van onrechtmatige daad. X-8640-3/36 De bovenvermelde procedure had benevens de onder punt 2.1 vermelde percelen tevens betrekking op een ander perceel, gelegen in de betrokken “vierhoek” en toebehorend aan de verzoekende partijen, nl. perceel nr. 96/a. Deze procedure was op het ogenblik van indiening van het huidig beroep nog steeds hangende in eerste aanleg, maar had dan nog enkel betrekking op het verkrijgen van een vergoeding wegens onrechtmatige daad. In een tussenvonnis van 26 april 1985 stelde de rechtbank de onwettigheid vast van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, voor de percelen 96/a, 100/a, 102/c en 103/m. 2.6. De verzoekende partijen of hun rechtsvoorgangers trachtten inmiddels om voor het perceel 103/m een verkavelingsvergunning te verkrijgen. Deze aanvraag werd geweigerd bij besluit van 8 januari 1985 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kraainem. Het administratief beroep bij de Vlaamse regering tegen het uitblijven van het besluit van de bestendige deputatie was nog hangende op het ogenblik van de indiening van het huidig beroep. Vervolgens werden door de voornoemden stedenbouwkundige attesten nr. 2 aangevraagd voor de percelen 100/a, 102/c en 103/m. Een eerste aanvraag resulteerde in een negatief attest van 4 april 1995, een tweede aanvraag in een negatief attest van 7 mei 1996. 2.7. Bij besluit van 17 juni 1997 van de Vlaamse regering wordt het ontwerpplan tot aanvulling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse op het grondgebied van de gemeenten Affligem, Asse, Beersel, Grimbergen, Groot- Bijgaarden, Hoeilaart, Kappelle-op-den-Bos, Kraainem, Linkebeek, Merchtem, Overijse, Sint-Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem en Zaventem voorlopig vastgesteld. De percelen nrs. 100/a, 102/c en 103/m, in zover deze bij het - vernietigde- koninklijk besluit van 7 maart 1977 tot agrarisch gebied waren bestemd, worden opnieuw tot agrarisch gebied bestemd. 2.8. De verzoekende partijen dienen tegen het voormelde voorlopig vastgestelde plan geen bezwaarschrift in. 2.9. De gemeente Kraainem adviseert met betrekking tot de percelen 100/a, 102/c en 103/m wat volgt : X-8640-4/36 “Artikel twee : De raad kan niet instemmen met de ontwerpbestemming als agrarisch gebied van de percelen gelegen nabij de Wezembeeklaan en gekend onder sectie B 100a en 102c enerzijds om reden dat het agrarisch gebied waar het deel van uitmaakt te klein is rekening houdende met de actuele exploitatievormen van landbouwgebied en anderzijds omdat het is gelegen langs een drukke penetratieweg van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en onder een aanvliegcorridor van de luchthaven van Zaventem. Beide aangegeven elementen bezwaren aanzienlijk de kwaliteit als landbouwgrond van het gebied en vooral de kwaliteit van de gewonnen gewassen. De raad is voorstander het gebied tussen de Wezembeeklaan, de Koningin Astridlaan, de oude spoorlijn Brussel-Tervuren, thans tramlijn 39 en de O. de Burburelaan in zijn geheel te bestemmen als : * gebied voor ambachtelijke activiteiten aanliggend langs de Wezembeeklaan en zich uitstrekkend over een breedte van ongeveer 100 m vanaf de rand van deze penetratieweg * woongebied voor het overige deel van de aangegeven zone Artikel drie : De raad stelt bovendien vast dat voor het perceel gelegen langs de Wezembeeklaan, gekend onder sectie B nr. 103m, alzo vermeld onder 20/ van de opgave van de arresten van de Raad van State aangegeven in de considerans van het besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 1997, noch hernomen is op het plan met de bestaande fysische en juridische toestand noch op het bestemmingsplan gevoegd bij voornoemd besluit”. 2.10. De bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant adviseert “gunstig ten aanzien van deze bestemming van het ontwerp-gewestplan, zoals voorgesteld door de Vlaamse regering”. 2.11. Op 25 mei 1998 en 15 juni 1998 brengt de regionale commissie van advies van Vlaams-Brabant het volgend advies uit : “(...) KRAAINEM 1. Overzicht van de aanvullingen en advies Regionale Commissie van Advies (...) 20. arrest nr. 23.621 d.d. 25.10.1983 Kraainem De commissie adviseert de inkleuring als agrarisch gebied gunstig omdat het overeenstemt met de principes, die aan de basis liggen van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, nl. een beheersing van de stedelijke groei en het behoud van de groene gordel. Ook pleit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen ervoor om het grootstedelijk gebied rond Brussel te beperken tot de huidige aaneengesloten agglomeratie en om de bestaande onbebouwde ruimte niet aan te snijden en voorgestelde wijziging kadert binnen deze opties. De Vlaamse regering heeft trouwens voor dit gebied reeds planschade betaald. (...) ADVIEZEN : ADVIES van de gemeente KRAAINEM : X-8640-5/36 ==> Het gebied dat de gemeente voorstelt om te zetten in een gebied voor ambachtelijke activiteiten valt buiten de perimeter, afgebakend door de inherzieningstelling van het gewestplan. De commissie kan niet ingaan op voorstellen die niet binnen de afbakening vallen. ==> De commissie meent dat de inkleuring als agrarisch gebied overeenstemt met de principes, die aan de basis liggen van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, nl. een beheersing van de stedelijke groei en het behoud van de groene gordel. Ook pleit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen ervoor om het grootstedelijk gebied rond Brussel te beperken tot de huidige aaneengesloten agglomeratie en om de bestaande onbebouwde ruimte niet aan te snijden en voorgestelde wijziging kadert binnen deze opties. ADVIES van de BESTENDIGE DEPUTATIE : ==> De commissie treedt het advies van de Bestendige Deputatie voor wat betreft de punten 10, 11, 12, 14, 17, 20, 22 en 41 bij”. 2.12. Bij besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 wordt het plan tot aanvulling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse op het grondgebied van de gemeenten Affligem, Asse, Beersel, Grimbergen, Groot-Bijgaarden, Hoeilaart, Kappelle-op-den-Bos, Kraainem, Linkebeek, Merchtem, Overijse, Sint- Genesius-Rode, Sint-Pieters-Leeuw, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem en Zaventem definitief vastgesteld. Het wordt bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 18 november 1998. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt overwogen : “(...) Overwegende dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen stelt dat het stedelijk gebied rond Brussel wordt beperkt tot de huidige aaneengesloten agglomeratie; dat concentratie en verdichting in de aaneengesloten agglomeratie wordt nagestreefd en de onbebouwde ruimte van de ‘groene gordel’ niet kan worden aangesneden voor wonen, werken en infrastructuur; dat geen of slechts beperkte bestemmingswijzigingen van zachte naar harde bestemmingen kunnen worden doorgevoerd en dit alleen binnen strikte voorwaarden die socio-economisch een meerwaarde verschaffen aan het gebied en het Vlaams karakter ervan versterken; (...) Overwegende dat voor punt 20, de gronden van het arrest nr. 23.621 gelegen op het Pikdorenveld te Kraainem, een agrarische bestemming behouden, omdat ze deel uitmaken van een groter geheel als agrarisch gebied bestemd; dat het arrest van de Raad van State het gewestplan slechts heeft vernietigd voor zover de betrokken percelen een agrarische bestemming hadden; dat het voorzien van ambachtelijk gebied voor het geheel van de gronden tussen de Wezembeeklaan, de Koningin Astridlaan, de tramlijn 39 en de O. de Burburelaan, ook gronden omvat die geen deel uitmaken van het ontwerp-gewestplan; dat het voorzien van een ambachtelijk gebied er in strijd zou zijn met de voorzieningen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen volgens hetwelk nieuwe bedrijvigheid slechts mogelijk is door de sanering van gebouwen of terreinen en door verdichting in een aantal zones die als bedrijventerrein werden aangeduid”. X-8640-6/36 3. Over de gegrondheid van het beroep 3.1. Eerste middel 3.1.1. Het aangevoerde eerste middel In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 11 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : het gecoördineerde decreet), de materiële motiveringsplicht, alsook het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke grondslag : “Doordat enerzijds het besluit de bestemming in het ontwerpplan bevestigt door te verwijzen naar het advies van de regionale commissie dat slechts gemotiveerd is door een algemene verwijzing naar het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en de principes die ten grondslag liggen aan het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, en vervolgens vermeldt dat er voor dit gebied reeds planschade is betaald, Terwijl het ontwerp-gewestplan en het advies van de regionale commissie van advies moesten worden gemotiveerd door concreet op de feitelijke toestand betrokken gegevens, en niet door te algemene en onjuiste motieven, zeker niet in het licht van de feitelijke situatie, En doordat anderzijds het bestreden besluit de bestemming in het ontwerpplan bevestigt, vooreerst door een verwijzing naar het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, vervolgens door te stellen dat de gronden deel uitmaken van een groter geheel als agrarisch gebied bestemd en tenslotte door te stellen dat het arrest nr. 23.621 enkel betrekking had op het gedeelte van de percelen dat een bestemming had als agrarisch gebied, Terwijl het ontwerp-gewestplan, het advies van de regionale commissie van advies en het besluit tot vaststelling van het gewestplan moesten worden opgemaakt op grond van de juiste en volledig beschreven feitelijke en juridische bestaande toestand. TOELICHTING 1. De motieven van het ontwerp-gewestplan Er zijn geen motieven bekend waarom het bestuur wettig heeft kunnen oordelen dat, rekening houdend met de bestaande toestand, de betrokken percelen de bestemming agrarisch gebied moesten krijgen en niet de bestemming woonuitbreidingsgebied, zoals in het ontwerp-gewestplan, vastgesteld bij M.B. van 29 maart 1974. Klaarblijkelijk heeft men dit ontbreken van motieven willen rechtzetten in de bestreden beslissing. 2. De motivering van het advies van de regionale commissie In het advies van de regionale commissie stelt men in verband met de gronden van de verzoekers: ‘20 Arrest nr. 23.616 d.d. 25.10.83 Kraainem De commissie adviseert de inkleuring als agrarisch gebied gunstig omdat het overeenstemt met de principes die aan de basis liggen van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, nl. beheersing van de stedelijke groei en het behoud van de groene gordel. Ook pleit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen ervoor om het grootstedelijke gebied rond X-8640-7/36 Brussel te beperken tot de huidige aaneengesloten agglomeratie en om de bestaande ruimte niet aan te snijden en voorgestelde wijziging kadert binnen deze opties. De Vlaamse Regering heeft trouwens voor dit gebied reeds planschade betaald.’ Het eerste deel van de motivering heeft betrekking op het Ruimtelijk Structuurplan en de algemene principes die aan de grondslag liggen van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse. Dit deel van de motivering is volledig gelijk aan de bewoordingen gegeven in de adviezen met betrekking tot alle andere percelen in Kraainem, en met betrekking tot quasi alle andere percelen waarop het besluit betrekking heeft. De principes die aan de basis liggen van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse worden niet nauwkeuriger omschreven dan als een ‘beheersing van de stedelijke groei en het behoud van de groene gordel’. Er wordt nergens gemotiveerd waarom de genoemde principes juist beschouwd moeten worden als ‘algemene principes van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse’. Er wordt tevens geen enkele vindplaats voor die algemene principes opgegeven, en er wordt evenmin vermeld waaraan die principes normatieve kracht ontlenen. De verwijzing naar het Ruimtelijk Structuurplan is bovendien zeer algemeen. Er wordt nergens gespecificeerd welk gedeelte van het ruimtelijk structuurplan er zich juist tegen verzet dat de gronden van de verzoekers een andere bestemming krijgen dan diegene die ze door het ontwerpplan, bevestigd door het bestreden besluit, hebben gekregen. Een algemene verwijzing naar het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, waarvan de integrale versie 593 pagina's dik is, kan nauwelijks als voldoende beschouwd worden. Bovendien kunnen de passages die uit dit Ruimtelijk Structuurplan worden geciteerd geen vastlegging van een gewestplan schragen, zoals zal worden uiteengezet in het vijfde middel. De verwijzing naar de passages van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen is aldus niet dienstig. De motivering mist aldus de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag, zodat het bestreden besluit de motiveringsplicht schendt. De situatie van de verzoekers is trouwens vrij specifiek. Reeds 22 jaar voeren zij een procedure voor het bekomen van een schadevergoeding. Reeds meer dan 10 jaar geleden heeft de rechtbank gesteld dat de vordering gegrond is en dat de bestemming onwettig was. De verzoekers hebben toen stedenbouwkundige attesten aangevraagd met betrekking tot die gronden. Die attesten heeft men geweigerd door te verwijzen naar een eventueel toekomstig gewestplan. Men kan nu niet de vastlegging van de bestemming als agrarisch gebied bevestigen door de simpele verwijzing naar de algemene doelstellingen van het gewestplan en naar het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Bovendien stelt het advies dat er voor het betrokken gebied reeds planschade is betaald. Dit is echter totaal onjuist. De verzoekers procederen reeds meer dan twintig jaar om een vergoeding te verkrijgen. Deze vergoeding is echter nog steeds niet betaald. Het dient zelfs te worden opgemerkt dat het Vlaamse Gewest nog steeds betwist dat zij een vergoeding verschuldigd is. 1. De motivering in de bestreden beslissing De bestreden beslissing bevestigt de bestemming in het ontwerpplan van de percelen van de verzoekers op grond van de volgende motieven: ‘Overwegende dat voor punt 20 de gronden van het arrest nr. 23.621 gelegen op het Pikdorenveld te Kraainem, een agrarische bestemming behouden, omdat ze deel uitmaken van een groter geheel als agrarisch gebied bestemd; dat het arrest van de Raad van State het gewestplan slecht heeft vernietigd voor zover de betrokken percelen een agrarische bestemming hadden’ X-8640-8/36 Deze motieven zijn onjuist. Het is juist dat er zich in de onmiddellijke omgeving van de percelen van de verzoekende partijen, percelen bevinden die vooralsnog luidens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse een bestemming tot landbouwzone hebben. Deze bestemming is evenwel vastgelegd bij Koninklijk Besluit van 7 maart 1977. Om dezelfde redenen die hebben geleid tot de vernietiging van het gewestplan in zoverre ze aan de percelen 100a, 102c en 103m een agrarische bestemming gaven, is ook de vaststelling van het gewestplan voor die andere percelen onwettig. Alle percelen in de vierhoek gelegen tussen de Koningin Astridlaan, de J. Adantstraat, de Wezembeeklaan, de Burburelaan en de oude spoorlijn Brussel-Tervuren hadden in het ontwerpplan de bestemming ‘uitbreidingszone van het woongebied’. De definitieve vaststelling gaf aan de volledige vierhoek, met uitzondering van een stuk aan de Burburelaan, dat de bestemming ‘woongebied’ kreeg, plots de bestemming ‘landbouwgebied’, zonder dat deze bestemmingswijziging geacht kon worden steun te vinden in het openbaar onderzoek en de raadplegingen of anderszins geacht kon worden door motieven te worden gedragen, zodat de vaststelling voor die andere percelen eveneens onwettig is. Voor perceel 96a (gedeeltelijk in eigendom van de verzoekers) is deze bestemming trouwens uitdrukkelijk vastgesteld door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Aangezien de huidige feitelijke bestemming uitsluitend het gevolg is van de onwettige bestemming als ‘agrarisch gebied’ mist de motivering de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag. Het Besluit stelt tevens dat het arrest van uw Raad van 25 oktober 1983 het gewestplan enkel vernietigt voor zover de gronden een ‘agrarische bestemming’ hadden, zodat de vernietiging geen gevolg zou hebben voor de strook die werd bestemd tot bufferzone. Ook al is het zo dat er in het dispositief van het arrest enkel gesproken wordt over de bestemming tot landbouwgebied, dan nog moet men opmerken dat de Raad van State in zijn overwegingen ontegensprekelijk heeft bepaald dat ook de bestemming tot ‘bufferzone’ onwettig was. In de overwegingen kan men immers lezen dat: ‘De beide bestemmingswijzigingen in agrarisch gebied en in bufferzone kunnen dus niet geacht worden steun te vinden in het openbaar onderzoek en de raadplegingen of anderszins door motieven te worden gedragen’ De woorden ‘voor zover’ in het dispositief, moeten dan ook zo worden opgevat dat zij enkel betrekking hebben op de woorden ‘aan de percelen grond ....100a, 100c en 103n’, en niet op de woorden ‘de bestemming geeft van agrarisch gebied’. De vordering van de heer FABRY, toenmalig verzoeker, was er immers enkel op gericht om een vernietiging te krijgen ‘in de mate van zijn belang’, waardoor de Raad van State zijn vordering diende aan te passen aan hetgeen overeenkomstig het belang van de heer FABRY was. Zelfs indien dit niet zo zou zijn, moet er gezegd worden dat uw Raad ontegensprekelijk reeds heeft beslist dat de bestemming tot bufferzone onwettig was, ook al heeft uw Raad deze bestemming niet uitdrukkelijk vernietigd”. 3.1.2. Beoordeling 3.1.2.1. In zoverre de verzoekende partijen de schending aanvoeren van de materiële motiveringsplicht, houdt het wettigheidstoezicht van de Raad van State X-8640-9/36 in dat hij vermag na te gaan of de overheid bij het nemen van haar beslissing is uitgegaan van motieven die in feite en in rechte juist zijn, of de overheid die juist heeft beoordeeld en of zij op grond van die motieven in redelijkheid tot de door haar genomen beslissing is kunnen komen. 3.1.2.2. Met betrekking tot de gronden van de verzoekende partijen wordt in het advies van 15 juni 1998 van de regionale commissie van advies van Vlaams- Brabant het volgende gesteld : “De commissie adviseert de inkleuring als agrarisch gebied gunstig omdat het overeenstemt met de principes, die aan de basis liggen van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, nl. een beheersing van de stedelijke groei en het behoud van de groene gordel. Ook pleit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen ervoor om het grootstedelijk gebied rond Brussel te beperken tot de huidige aaneengesloten agglomeratie en om de bestaande onbebouwde ruimte niet aan te snijden en voorgestelde wijziging kadert binnen deze opties. De Vlaamse regering heeft trouwens voor dit gebied reeds planschade betaald”. In het bestreden besluit wordt met betrekking tot de gronden van de verzoekende partijen het volgende gesteld : “(...) Overwegende dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen stelt dat het stedelijk gebied rond Brussel wordt beperkt tot de huidige aaneengesloten agglomeratie; dat concentratie en verdichting in de aaneengesloten agglomeratie wordt nagestreefd en de onbebouwde ruimte van de ‘groene gordel’ niet kan worden aangesneden voor wonen, werken en infrastructuur; dat geen of slechts beperkte bestemmingswijzigingen van zachte naar harde bestemmingen kunnen worden doorgevoerd en dit alleen binnen strikte voorwaarden die socio-economisch een meerwaarde verschaffen aan het gebied en het Vlaams karakter ervan versterken; (...) Overwegende dat voor punt 20, de gronden van het arrest nr. 23.621 gelegen op het Pikdorenveld te Kraainem, een agrarisch bestemming behouden, omdat ze deel uitmaken van een groter geheel als agrarische gebied bestemd; dat het arrest van de Raad van State het gewestplan slechts heeft vernietigd voor zover de betrokken percelen een agrarische bestemming hadden; dat het voorzien van ambachtelijk gebied voor het geheel van de gronden tussen de Wezembeeklaan, de Koningin Astridlaan, de tramlijn 39 en de O. de Burburelaan, ook gronden omvat die geen deel uitmaken van het ontwerp-gewestplan; dat het voorzien van een ambachtelijk gebied er in strijd zou zijn met de voorzieningen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen volgens hetwelk nieuwe bedrijvigheid slechts mogelijk is door de sanering van gebouwen of terreinen en door verdichting in een aantal zones die als bedrijventerrein werden aangeduid”. 3.1.2.3. Het vernietigingsarrest nr. 23.621 van 25 oktober 1983, zoals verbeterd door het arrest nr. 23.974 van 14 februari 1984, heeft het koninklijk X-8640-10/36 besluit van 7 maart 1977 slechts vernietigd “in zover het aan de percelen grond gelegen te Kraainem, Pikdorenveld, langs de Wezembeeklaan, ten kadaster gekend sectie B, 100a, 102c, 103m, de bestemming geeft van agrarisch gebied” en dit om reden dat de bestemmingswijziging niet geacht kan worden steun te vinden in het openbaar onderzoek en de raadplegingen of anderszins door motieven te worden gedragen. Voor zover het koninklijk besluit van 7 maart 1977 het perceel nr. 103/m de bestemming bufferzone heeft gegeven, is deze bestemming nooit vernietigd geworden. De omstandigheid dat de motieven van het voormelde vernietigingsarrest tevens betrekking hebben op de voormelde bestemming bufferzone, doet hieraan niets af, aangezien de motieven van een vernietigingsarrest maar gezag van gewijsde hebben in zoverre ze dienen ter ondersteuning van wat in het dictum wordt beslist. De verwerende partij gaat derhalve uit van de juiste draagwijdte van het meer vermelde vernietigingsarrest. 3.1.2.4. De verwerende partij vermocht de bestemming van de gronden die het voorwerp uitmaken van het bestreden besluit voorts met goed gevolg te toetsen aan de beleidsprincipes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen met betrekking tot het Vlaams stedelijk gebied rond Brussel. Zij heeft blijkens het dossier, in de feiten, terecht geoordeeld dat de kwestieuze gronden deel uitmaken van een groter geheel met de kenmerken van een agrarisch gebied. De door haar aangenomen overeenstemming met de voormelde principes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, meer bepaald het beperken van het stedelijk gebied rond Brussel tot de huidige aaneengesloten agglomeratie en het niet aansnijden van de bestaande onbebouwde ruimte van de “groene gordel”, komt niet als kennelijk onredelijk of feitelijk onjuist voor en komt als een afdoende motief over. Het betoog dat de omliggende percelen door het meer vermelde koninklijk besluit van 7 maart 1977 ten onrechte als agrarisch gebied werden bestemd, vermag aan dit laatste geen afbreuk te doen. De niet-vermelding in het bestreden besluit van de juiste vindplaats van de voormelde principes in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, die door de verzoekende partijen in hun verzoekschrift overigens zelf wordt aangegeven, is niet van aard het bestreden besluit te vitiëren. Waar de verzoekende partijen in hun betoog dat de aangehaalde passages uit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen de aangevochten bestemming niet kunnen schragen, verwijzen naar het vijfde middel, wordt verwezen naar de weerlegging van dit standpunt bij de bespreking van dit middel. X-8640-11/36 3.1.2.5. De omstandigheid dat de regionale commissie van advies de inkleuring van de kwestieuze gronden als agrarisch gebied onder meer gunstig heeft geadviseerd “omdat het overeenstemt met de principes, die aan de basis liggen van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, nl. een beheersing van de stedelijke groei en het behoud van de groene gordel”, zonder nadere motivering of aanduiding van de vindplaats van deze principes of de vermelding waaraan deze hun normatieve kracht ontlenen, is evenmin van aard om het bestreden besluit te vitiëren, aangezien dit besluit op afdoende wijze steun vindt in de beleidsprincipes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en de eerst vermelde principes zelfs niet langer vermeldt. 3.1.2.6. Gelet op de formulering van het motief betreffende de planschadevergoeding in het advies van de regionale commissie van advies, met gebruik van de aanduiding “trouwens” en het niet meer weerhouden van dit motief in het bestreden besluit, dient het als overtollig te worden beschouwd. De onwettigheid ervan kan niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden. Het eerste middel is ongegrond. 3.2. Tweede middel 3.2.1. Het aangevoerde tweede middel In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van het beginsel dat eenieder recht heeft op een gewestplanbestemming : “Doordat de vaststelling van het gewestplan enkel gebeurd is voor de percelen 100a, 102c en 103m, en dan nog enkel voor zover deze percelen in het oorspronkelijke gewestplan de bestemming hadden van ‘agrarisch gebied’, Terwijl, waar u Raad en de Rechtbank van Eerste Aanleg reeds de onwettigheid hadden vastgesteld van enerzijds de bestemming van de strook van percelen 103m en 102c die een bestemming had als bufferzone, en anderzijds van de bestemming van perceel 96a, de verzoekende partijen voor die gronden niet mogen beroofd blijven van een gewestplanbestemming. TOELICHTING De verwerende partij heeft in de bestreden beslissing enkel een nieuwe bestemming vastgelegd van de percelen 100a, 102c en 103m, voor zover deze percelen in het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse een bestemming hadden als agrarisch gebied. De verzoekers zijn echter ook mede-eigenaar van een strook van de percelen 102c en 103m, die in het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse een bestemming hadden als agrarisch gebied. X-8640-12/36 De verzoekers zijn echter ook mede-eigenaar van een strook van de percelen 102c en 103m, die in het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse een bestemming had als bufferzone. Zij zijn tevens mede-eigenaar van perceel 96a, waarvoor de bestemming niet vernietigd was. Nochtans is de onwettigheid van die bestemmingen reeds vastgesteld, enerzijds door uw Raad in het vernietigingsarrest van 25 oktober 1983, en anderzijds door het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van 11 oktober 1984. De percelen van de verzoekers blijven aldus gespeend van een wettige gewestplanbestemming, terwijl de overheid nochtans moest uitgaan van hun onwettigheid. Andere eigenaars van percelen waarvoor de gewestplanbestemming, vernietigd was of onwettig was bevonden, hebben wel een nieuwe gewestplanbestemming gekregen. De verzoekers hebben niettemin, net als alle andere burgers, een gelijk recht op een gewestplanbestemming. Door de bestemming van de gronden voor slechts een gedeelte van de gronden in de betrokken vierhoek waarvoor de onwettigheid reeds was vastgesteld, vast te stellen schendt de bestreden beslissing het recht van de verzoekende partij op een gewestplanbestemming. Dit gebrek moet tot nietigverklaring van de planbestemming voor het planologisch één geheel vormende deelgebied van het gewestplan leiden, vermits de planbestemming niet louter perceelsgewijze kan worden bepaald”. 3.2.2. Beoordeling 3.2.2.1. In geval van vernietiging van een bestemming is de overheid ertoe gehouden voor de betrokken grond opnieuw een bestemming vast te stellen. Uit de samenlezing van de artikelen 1 en 9 van het gecoördineerde decreet volgt immers dat voor alle stedenbouwkundige gewesten zonder uitzondering gewestplannen moeten worden opgemaakt en dat deze gewestplannen de bestemming moeten vaststellen van alle gronden gelegen binnen hun beheersingsgebied, zonder uitzondering. De verwerende partij stond voor de rechtsplicht het juridisch, planologisch vacuüm, ontstaan door de vernietiging door de Raad van State van de gewestplanbestemming agrarisch gebied, zo spoedig mogelijk op te vullen. 3.2.2.2. Zoals vermeld onder het randnummer 3.1.2.3. heeft het dictum van het vernietigingsarrest nr. 23.621, zoals verbeterd door het arrest nr. 23.974, betrekking op de percelen 100/a, 102/c en 103/m en dan nog enkel in zover het koninklijk besluit van 7 maart 1977 deze de bestemming agrarisch gebied heeft gegeven. Het dictum van het voormelde arrest heeft geen betrekking op het perceel nr. 96/a en de percelen 102/c en 103/m in zover deze de bestemming bufferzone hebben, terwijl een vonnis van de gewone rechter waarbij de onwettigheid van een X-8640-13/36 bepaalde bestemming wordt vastgesteld niet tot gevolg heeft dat de gewestplanbestemming ophoudt te bestaan. De “omliggende gronden” met de gewestplanbestemming agrarisch gebied werden evenmin door de Raad van State vernietigd. 3.2.2.3. Het kan de verwerende partij niet verweten worden dat zij eerst een gepaste planbestemming heeft gezocht voor de percelen waarvan de gewestplanbestemming door de Raad van State was vernietigd. Zij kon, zonder het gelijkheidsbeginsel te schenden, haar besluitvorming beperken tot de percelen 100/a, 102/c en 103/m in zover deze ingevolge het vernietigingsarrest nr. 23.621, zoals verbeterd door het arrest nr. 23.974, zonder bestemming waren. Het tweede middel is niet gegrond. 3.3. Derde middel 3.3.1. Het aangevoerde derde middel In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 11 van het gecoördineerde decreet en het redelijkheidsbeginsel : “Doordat het bestreden besluit de bestemming van het ontwerpplan bevestigt waarin de gronden van de verzoekers een bestemming hadden als ‘agrarisch gebied’, Terwijl deze bestemming kennelijk in strijd is met elke goede ruimtelijke ordening en deze percelen in wezen niet geschikt zijn voor de bestemming die er aan is gegeven. TOELICHTING De percelen bevinden zich in een vierhoek gevormd door de Wezembeeklaan, de Koningin Astridlaan, de Wilde Rozen weg en de Burburelaan. Ze bevinden zich temidden van bebouwing en op enkele honderden meters van de grote ring rond Brussel. Deze percelen zijn in totaal 15.067 m² groot. (46a17ca + 94a50ca + 10a) Ze zijn gelegen aan de drukke Wezembeeklaan (een weg met middenberm), in de onmiddellijke nabijheid van een oprit naar de Brusselse ring. Aan de overkant van deze Wezembeeklaan bevindt er zich een maxi G.B. (...) en een rij aaneengesloten bebouwing (...). Aan de straatzijde is er een voetpad. Naast het voetpad is er een verharde gelijkgrondse berm waardoor in parkeergelegenheid is voorzien (...). Er is geen oprit voorzien voor eventuele landbouwvoertuigen. Aan de westelijke zijde bevindt er zich een kleine rij bomen (...). Aan de oostkant worden de percelen begrensd door enerzijds een huis met tuin en anderzijds een jong bos (...). Aan de zuidkant is er een steil talud (...). X-8640-14/36 Aan de noordkant wordt het stuk grond begrensd door enerzijds de Wezembeeklaan en anderzijds de achterkant van een huizenrij van aaneengesloten bebouwing (...). Het was blijkbaar de bedoeling om in een bufferzone van 50 meter te voorzien tussen de Wezembeeklaan en de eigenlijke landbouwgronden. De eigenlijke bestemming tot landbouwgebied heeft enkel betrekking op een gedeelte van de percelen van de verzoekende partijen. In totaal gaat het om 3000 m² die bestemd zou moeten worden tot bufferzone. De totale oppervlakte die in het bestreden besluit bestemd is tot landbouwgebied is 12.067 m² groot. De aaneengesloten percelen grond zijn niet groot genoeg voor het bouwen van een landbouwbedrijf. De percelen liggen veel te dicht in de buurt van woningen (er bevindt zich een huizenrij aan de Wezembeeklaan (...), één aan de Koningin Astridlaan (...) en één aan de Wilde Rozenweg (...)). Het is praktisch onmogelijk om een landbouwbedrijf te bouwen waarvan alle gebouwen op meer dan 100 meter van de woningen kunnen blijven. Na aftrek van de ruimte die nodig zou zijn voor het bouwen van het landbouwbedrijf, blijft er al zeker niet voldoende land over om op een deugdelijke wijze aan landbouw te doen. De percelen kunnen al evenmin bebouwd worden vanuit een elders gelegen landbouwbedrijf. Vooreerst bevindt er zich in de nabije omgeving geen enkel landbouwbedrijf: In de gemeente Kraainem zelf bevindt er zich nog slechts één landbouwbedrijf, te weten aan de Annecylaan nummer 46 (over de weg ongeveer 2,5 kilometer van de betrokken gronden, volledig door stedelijk gebied). In de gemeente Wezembeek-Oppem bevindt er zich ook één landbouwbedrijf aan de Diepestraat nummer 23 (aan de andere kant van de Brusselse Ring, over de weg op ongeveer 3 kilometer van de betrokken gronden, volledig door stedelijk gebied). Voor een situering van deze landbouwbedrijven kan er worden verwezen naar stuk 19. In de gemeente Sint Lambrechts Woluwe bevindt er zich geen enkel landbouwbedrijf. Landbouwvoertuigen zouden een grote afstand moeten afleggen door verstedelijkt gebied om het gebied te kunnen bereiken. De landbouwvoertuigen zouden bovendien problemen hebben om het terrein op te rijden. Aan de kant van de Wezembeeklaan is er geen oprit voorzien. De berm is er volledig verhard. Deze baan is trouwens veel te druk om veelvuldig door landbouwvoertuigen gebruikt te worden. Aan de achterkant kan men de percelen al evenmin bereiken. Er is immers een steil talud. Zelfs als men alle onbebouwde en onbeboste percelen in de vierhoek samenvoegt, komt men slechts tot een gebied van ongeveer vier en een halve hectare. Het gaat dan om de percelen 101c, 98c2, 99b, 99c, 99t, 91x, 91e en 91c. (De percelen ten oosten van perceel 102c zijn bebost). Dit is niet groot genoeg voor een zelfstandig landbouwbedrijf. Gebouwen voor intensieve veeteelt of niet grondgebonden landbouw zijn nergens toegelaten, daar geen enkel punt op minder dan 300 meter van een woongebied ligt. Het is al evenmin mogelijk om een landbouwbedrijf te bouwen waarvan alle gebouwen op meer dan 150 meter van woningen liggen (...). De ongeschiktheid tot het gebruik als landbouwgrond blijft dus zelfs indien men de percelen zou aansluiten bij alle andere percelen die binnen de vierhoek nog bestemd kunnen worden tot landbouwgebied. De gronden zouden dus moeten worden geëxploiteerd vanuit een elders gelegen landbouwbedrijf. Er is evenwel, zoals reeds gesteld geen enkel landbouwbedrijf dat dicht genoeg ligt. X-8640-15/36 Dit gebied is bovendien op drie plaatsen aangesneden door groepen woningen en tuinen (een groep woningen aan de Wezembeeklaan, een groep aan de Koningin Astridlaan en een groep aan de Wilde Rozenweg). Het gebied is bovendien omgeven door een verstedelijkt gebied (woongebied en dienstverleningsgebied (de maxi-GB)). Het gebied ligt vlak bij een oprit naar de Brusselse Ring. Aan de overkant van de Wezembeeklaan bevindt er zich een maxi-GB, alsook een rij woningen in aaneengesloten bebouwing (...). Aan de overkant van de Koningin Astridlaan bevindt er zich ook een rij woningen in aaneengesloten bebouwing (...). Aan de overkant van de J. Adantstraat bevindt er zich een postkantoor (...). De bestemming van de percelen van de verzoekers tot landbouwgebied, waar die percelen liggen in een gebied dat enerzijds op zich te klein is om een zelfstandig landbouwbedrijf te vormen, terwijl er geen deugdelijke mogelijkheid is om die gronden vanuit een ander landbouwbedrijf te exploiteren, en dat anderzijds gelegen is temidden van woongebied en dienstverleningsgebied en dat op drie plaatsen reeds is aangesneden door groepen woningen in aaneengesloten bebouwing, is onredelijk en zelfs in strijd met de goede ruimtelijke ordening. Alle landbouwactiviteiten op de percelen van de verzoekers zouden immers plaatsvinden binnen een afstand van 100 meter van woningen, en moeten plaatsvinden in een klein gebied dat volledig is omgeven door woongebied (niet eens landelijk woongebied) en dienstverleningsgebied. Een bestemming tot woongebied zou daarentegen wel in overeenstemming zijn met de goede ruimtelijke ordening: De gronden zijn gelegen aan een uitgeruste weg, vlakbij een oprit naar de Brusselse ring, doch gescheiden van de Brusselse Ring door woongebieden. Alle nutsvoorzieningen zijn aanwezig. De gronden bevinden zich temidden van verstedelijkt gebied. De omgeving van het gebied heeft trouwens een bestemming als woon- of dienstverleningsgebied”. 3.3.2. Beoordeling 3.3.2.1. Artikel 11, 4.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit) luidt als volgt : “De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 m en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden”. X-8640-16/36 3.3.2.2. Uit de bespreking van het eerste en het vijfde middel blijkt dat de verwerende partij terecht is kunnen uitgaan van de beleidsprincipes vastgelegd in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, nl. het beheersen van de stedelijke groei en het behoud van de groene gordel voor het stedelijk gebied rond Brussel. In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat een bestemming als woongebied waar landbouw is toegelaten de voorkeur verdiende, geven zij een eigen appreciatie die de onwettigheid van het bestreden besluit niet aantoont. 3.3.2.3. Voorts laat het betoog van de verzoekende partijen niet toe om aan te nemen dat op de kwestieuze gronden elke vorm van landbouw in de zin van artikel 11 van het inrichtingsbesluit is uitgesloten. In tegenstelling tot wat zij voorhouden, staat het aan de verzoekende partijen om de kennelijke onredelijkheid van het genomen besluit aan te tonen. Zij maken niet aannemelijk dat het bestreden besluit kennelijk onredelijk is. Het derde middel is niet gegrond. 3.4. Vierde middel 3.4.1. Het aangevoerde vierde middel In een vierde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het daarin besloten liggende gelijkheidsbeginsel : “Doordat de verwerende partij na vernietiging van de in 1977 vastgestelde bestemming met het bestreden besluit voor de eigendom van de verzoeker de bestemming opnieuw vastlegt als agrarisch gebied en hen aldus zware gebruiksrestricties oplegt onder verwijzing naar een motief van een algemene beleidsvisie, waar zij voor de bestemming van andere gronden eveneens na een nietigverklaring van de in 1977 vastgestelde bestemming niet bevestigt, maar integendeel vervangt door een bestemming tot woongebied, landelijk woongebied of woonpark en deze personen, voor die gronden aldus minder zware gebruiksrestricties oplegt, en dit onder verwijzing naar dezelfde algemene beleidsvisies of naar motieven die hetzij een onderscheiden behandeling niet rechtvaardigen, hetzij evenzeer van toepassing zijn op de verzoekers, Terwijl de grondwettelijke regels van de gelijkheid der Belgen voor de wet en van de niet discriminatie niet uitsluiten dat een verschil in behandeling volgens bepaalde categorieën van personen zou worden ingesteld, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat; het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de overwogen maatregel; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat de aangewende middelen redelijkerwijze niet evenredig zijn met het beoogde doel. X-8640-17/36 TOELICHTING De percelen grond van de verzoekende partij zijn gelegen in de vierhoek gelegen tussen de Koningin Astridlaan, de J. Adantstraat, de Wezembeeklaan, de Burburelaan en de oude spoorlijn Brussel-Tervuren (...). Deze vierhoek had in het ontwerp-gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij M.B. van 29 maart 1974, een bestemming als ‘uitbreidingszone van het woongebied’ (...). Het gewestplan werd bij Koninklijk Besluit van 7 maart 1977 definitief vastgesteld. De gehele vierhoek, met uitzondering van een stuk aan de Burburelaan, die een bestemming tot woongebied krijgt, wordt deels (voor een strook van 50 meter) bestemd tot bufferzone, en deels tot agrarisch gebied (...). Zoals boven is uiteengezet ligt deze vierhoek temidden van bebouwing. De vierhoek wordt volledig omgeven door woongebied (met uitzondering van het stuk van de maxi-GB, dat dienstverleningsgebied is). De vierhoek is bovendien op verscheidene plaatsen aangesneden door bebouwing. De percelen 100a, 102c en 103m, in mede-eigendom toebehorend aan de verzoekende partijen, grenzen aan een huizenrij van 4 woningen in aaneengesloten bebouwing. Aan de overkant van de Wezembeeklaan bevindt er zich enerzijds een maxi GB (in dienstverleningsgebied) en anderzijds een huizenrij in aaneengesloten bebouwing (in woongebied). De bestemming tot agrarisch gebied is voor de percelen 100a, 102c en 103m expliciet vernietigd door de Raad van State. Om dezelfde redenen die aangehaald zijn in dit arrest, is ook de bestemming voor de andere percelen in de vierhoek onwettig. Deze onwettigheid is reeds expliciet vastgesteld door de rechtbank voor het perceel 96a, en door de Raad van State voor het gedeelte van de percelen 102c en 103m dat een bestemming had als bufferzone (voor zover men het arrest van de Raad van State zo interpreteert dat de bestemming tot bufferzone niet vernietigd wordt). Alle gronden die in het bestreden besluit een bestemming krijgen, zijn gronden waarvan de bestemming die die gronden hebben gekregen in het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse door de Raad van State vernietigd is. Voor het merendeel van die gronden wordt er in het advies van de regionale commissie de bovenvermelde motivering overgenomen: ‘De commissie adviseert de inkleuring ... gunstig omdat het overeenstemt met de principes die aan de basis liggen van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, nl. een beheersing van de stedelijke groei en het behoud van de groene gordel. Ook pleit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen ervoor om het grootstedelijke gebied rond Brussel te beperken tot de huidige aaneengesloten agglomeratie en om de bestaande ruimte niet aan te snijden en voorgestelde wijziging kadert binnen deze opties.’ Op basis van die motivering wordt er voor heel wat gebieden, onder meer voor het gebied waartoe de percelen van de verzoekende partijen behoren, een bestemming als natuurgebied of agrarisch gebied vastgesteld. De eigenaars van percelen gelegen in deze gebieden (waaronder de verzoekende partijen), krijgen met betrekking tot die gronden te maken met zeer zware stedenbouwkundige gebruiksrestricties. Niettemin wordt er in enkele gevallen op grond van diezelfde motivering ook een bestemming als woonpark of woongebied met landelijk karakter aanvaard. Het gaat dan in het bijzonder om de gronden bedoeld in de arresten nrs. 25.994, 24.627 en 26.555. De eigenaars van percelen gelegen in deze gebieden, krijgen met betrekking tot die gronden te maken met heel wat minder zware stedenbouwkundige gebruiksrestricties. Het is al een eerste discriminatie dat de eigenaars van deze gronden op grond van dezelfde motieven een bestemming tot woonpark of woongebied met X-8640-18/36 landelijk karakter verkrijgen, terwijl de gronden van de verzoekende partij onder verwijzing naar diezelfde motieven bestemd worden tot ‘agrarisch gebied’. Daarnaast worden verscheidene andere percelen wel bestemd tot woonzone, landelijk woongebied of woonpark. Zo zijn de percelen gelegen te Sint-Pieters-Leeuw, Uylebroekstraat, sectie F, 521b/ex, waarvan de oorspronkelijk bestemming tot bufferzone was vernietigd door het arrest SUENENS, nr. 22.374 van 22 juni 1982, in het bestreden besluit bestemd tot woonzone (...). De percelen gelegen te Overijse, Brusselse Steenweg 241 en 243, Sectie B, nummers 365p4, 364q4, 365r4, 365m5, 365g5 en 362d, waarvan de oorspronkelijke bestemming tot agrarisch gebied was vernietigd door arrest DE COSTER nr. 23.772, van 6 december 1983, zijn in het bestreden besluit bestemd tot agrarisch gebied en landelijk woongebied (...). De percelen gelegen te Grimbergen, Mechelsestraat 56, nrs. 10/b en 12/s, waarvan de oorspronkelijke bestemming tot agrarisch gebied vernietigd was door arrest VAN HOEYMISSEN, nr. 25.994, van 19 december 1985, zijn in het bestreden besluit bestemd tot landelijk woongebied (...). De percelen gelegen te Sint-Genesius-Rode, Dragonderstraat, sectie B 141/g, waarvan de bestemming tot gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen is vernietigd door arrest GONIEAU, nr. 26.555 van 20 mei 1986, zijn in het bestreden besluit bestemd tot woonpark (...). De percelen gelegen te Overijse, Vlietjeslaan, sectie M, nrs. 669/b, 676/a, 677 en 678/a, waarvan de oorspronkelijke bestemming tot natuurgebied is vernietigd door arrest LIMPENS, nr. 26.908 van 23 september 1986, zijn in het bestreden besluit bestemd tot woonpark (...) De percelen gelegen te Overijse, Tuindelle-Sint Annastraat, sectie B, 238f en 239b, Sectie D, 108g, 108j, 108k, 1081, 112, 113, 118a, 120c, 120e, 122b, 122e, 122f, 123c, waarvan de oorspronkelijke bestemming tot agrarisch gebied en reservegebied voor woonwijken vernietigd is door arrest VANDENWAEYENBERG, nr. 23.946, van 7 februari 1984, zijn in het bestreden besluit bestemd tot landelijk woongebied (...). De percelen ge-legen te Overijse, Tombeurstraat, nrs. 471/a en 474/g/deel, waarvan de oorspronkelijke bestemming tot natuurgebied vernietigd is door arrest IMMO CARLSBORRE, nr. 36.860 van 25 april 1991, zijn in het bestreden besluit bestemd tot woongebied (...). Deze vaststellingen van de bestemmingen geschieden onder verwijzing naar de volgende motieven (hetzij in het bestreden besluit of in het advies van de regionale Commissie):

  1. a)het gebied is gelegen op korte afstand van het centrum en sluit aan bij de kern van Brukom (arrest 22.374).
  2. b)Er is niet veel landbouw meer en landbouw is op die locatie door de grote versnippering van het gebied, weinig zinvol (arrest 23.772 en 23.946).
  3. c)alle andere percelen naast het perceel in kwestie zijn bebouwd (arrest 23.772 en 23.946).
  4. d)aansluiting met een bestaand landelijk woongebied (arrest 25.994).
  5. e)plan aanpassen aan de bestaande toestand (arrest 25.994).
  6. f)de percelen zijn gelegen aansluitend bij of midden tussen verkavelde percelen die thans bebouwd zijn (26.908 en 36.860).
  7. g)de 11 nog niet bebouwde kavels liggen in 5 deeltjes verspreid tussen de 37 reeds bebouwde kavels (36.860). Deze motieven kunnen ofwel zonder enig probleem worden toegepast op de percelen van de verzoekende partijen, of kunnen geen onderscheiden behandeling met de verzoekende partijen verantwoorden. X-8640-19/36
  8. a)De gronden die zijn gelegen in de vierhoek waarvan de percelen van de verzoekende partijen deel uitmaken, sluiten ook nauw aan bij de woonwijken van Kraainem. De vierhoek is zelfs volledig omringd door en gedeeltelijk aangesneden door woongebied. Er is bovendien reeds heel wat bebouwing aanwezig.
  9. b)Er is in de omgeving al evenmin veel landbouw meer (zie boven: er is één boerderij in Kraainem op ongeveer 2,5 kilometer, en er is er één in Wezembeek-Oppem, op ongeveer 3 kilometer), en landbouw is op deze locatie, gezien de grote versnippering van de gebieden bestemd als landbouwgebied, al evenmin weinig zinvol.
  10. c)De percelen van de verzoekende partijen grenzen aan reeds bebouwde percelen. Voor het perceel 96a, dat op foutieve wijze niet in de gewestplanvaststelling is begrepen, kan gezegd worden dat het voor het grootste gedeelte omgeven wordt door reeds bebouwde percelen. De percelen die zijn gelegen rondom de bovengenoemde percelen waarvan sprake is in de arresten nrs. 23.772 en 23.946 hadden ook de bestemming landbouwgebied. Indien deze percelen bebouwd zijn, wil dit zeggen dat die percelen hetzij bebouwd zijn voor de vaststelling van het gewestplan, hetzij gebouwd zijn zonder bouwvergunning, hetzij gebouwd zijn nadat men de onrechtmatigheid van de gewestplanvaststelling had vastgesteld. In het licht van die vaststelling is het feit dat de percelen 100 a, 102c en 103m - slechts aan één zijde grenzen aan bebouwing, niet dienstig om -een onderscheiden behandeling te verantwoorden. De gewestplanvaststelling is voor de andere aan de percelen 100a, 102c en 103m grenzende percelen evenzeer onwettig, daar de motieven van het arrest nr. 23.621 zonder probleem kunnen worden overgezet op die percelen (zie boven). Het feit dat de eigenaars van die percelen nooit het initiatief hebben genomen om zich tegen die vaststelling te verzetten kan geen motief zijn om nu een onderscheiden behandeling te verantwoorden.
  11. d)Indien de hele vierhoek bestemd zou worden tot woongebied, zou dit woongebied evenzeer aansluiten bij de reeds bestaande woongebieden die om en in de vierhoek aanwezig zijn. De bestemming tot woongebied van de percelen zou mogelijk maken dat de bebouwing op die percelen aansluit bij de bebouwing op de aansluitende percelen.
  12. e)De verzoekende partijen hebben herhaaldelijk gepoogd om na het vernietigingsarrest een verkavelingsvergunning te verkrijgen. Die is hen steeds geweigerd om onwettige motieven. Blijkbaar heeft de overheid voor de percelen bedoeld in het arrest 25.994 geen verdere onwettigheid willen begaan en heeft zij zodus een bouwvergunning of verkavelingsvergunning verleend. Indien de verkavelingsvergunning verleend was voor de percelen van de verzoekende partijen, zou er ook bebouwing geweest zijn op de gronden van de verzoekende partijen, waardoor er met betrekking tot die percelen een bestaande toestand zou zijn die nu bestendigd zou kunnen worden. Een verwijzing naar een bestaande toestand, die met betrekking tot de percelen van de verzoekende partijen reeds 13 jaar onwettig in stand wordt gehouden, kan geen onderscheiden behandeling verantwoorden. f en
  13. g)Hier kan hetzelfde worden opgemerkt als boven: de bestemming van de percelen van de verzoekende partijen wordt reeds 13 jaar X-8640-20/36 onwettig in stand gehouden. Het feit dat men daarin geslaagd is, kan nu geen argument zijn om de gronden niet de bestemming te geven die zij in werkelijkheid hebben. Op die wijze wordt er immers een onderscheid in het leven geroepen tussen die personen die eigenaar zijn van gronden waarvan de onwettige bestemming niet in stand is gehouden, en die personen die eigenaar zin van gronden waarvan de onwettige bestemming wel in stand is gehouden”. 3.4.2. Beoordeling 3.4.2.1. Het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vastgelegde gelijkheidsbeginsel vereist dat allen die zich in eenzelfde toestand bevinden op een gelijke wijze worden behandeld. De door de verzoekende partijen aangebrachte gegevens tonen niet aan dat de door hun aangewezen “anderen” zich in eenzelfde feitelijke en juridische toestand bevinden. 3.4.2.2. De verzoekende partijen tonen vooreerst niet aan zich in een feitelijk gelijke situatie te bevinden als de eigenaars van de percelen bedoeld in het arrest nr. 24.627 van 14 september 1984 en nr. 26.555 van 20 mei 1986. De feitelijke omstandigheid dat deze gronden jarenlang deel uitmaakten van een gebied dat door het meer vermelde koninklijk besluit van 7 maart 1977 in het eerste geval deels tot woonpark en deels tot parkgebied werd bestemd en in het tweede geval tot gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, lijkt eerder op het tegendeel te wijzen. 3.4.2.3. Voor de gronden bedoeld in de arresten nrs. 22.374, 23.772, 25.994, 26.908, 23.946 en 36.860 heeft de overheid zich laten leiden door de specifieke feitelijke of juridische toestand. In het eerste geval -de gronden bedoeld in het arrest nr. 22.374- gaf de overheid er de voorkeur aan het gewestplan af te stemmen op de reeds in een bijzonder plan van aanleg vastgestelde woonbestemming van het goed. In de andere gevallen betreft het gronden die ofwel al bebouwd zijn -de grond bedoeld in arrest nr. 25.994- of die volledig door bebouwing zijn omgeven -de gronden bedoeld in de arresten nrs. 23.772, 26.908, 23.946 en 36.860. Het betoog van de verzoekende partijen -wat de gronden bedoeld in de arresten nrs. 23.772 en 23.946 betreft- dat indien de rondom deze gronden gelegen percelen bebouwd zijn “dit (wil) zeggen dat die percelen hetzij bebouwd zijn voor de vaststelling van het gewestplan, hetzij gebouwd zijn zonder vergunning, hetzij gebouwd zijn nadat men de onrechtmatigheid van de gewestplanvaststelling had X-8640-21/36 vastgesteld”, doet aan het verschil in situatie ten aanzien van de gronden van de verzoekende partijen geen afbreuk. De gronden 100/a, 102/c en 103/m van de verzoekende partijen zijn, niettegenstaande de ingediende verkavelingsvergunningsaanvraag, onbebouwd en grenzen bovendien slechts langs één zijde aan bebouwing in woongebied. De andere aangrenzende percelen zijn onbebouwd. Het betoog van de verzoekende partijen dat deze gronden door het koninklijk besluit van 7 maart 1977 op onwettige wijze tot bufferzone en agrarisch gebied zouden zijn bestemd, doet hieraan geen afbreuk. Met de argumentatie ontleend aan de ligging van het perceel 96/a kan ten slotte geen rekening worden gehouden, aangezien dit perceel niet het voorwerp uitmaakt van het bestreden besluit. Het vierde middel is niet gegrond. 3.5. Vijfde middel 3.5.1. Het aangevoerde vijfde middel In een vijfde middel roepen de verzoekende partijen de schending in van “artikel 11 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening (...), gecoördineerd op 22 oktober 1996 (...), van artikel 7 van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning, van de bindende en richtinggevende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en van de algemene motiveringsplicht” : “Doordat, vooreerst, zowel de regionale commissie van advies als de verwerende partij de bestemming in het ontwerpplan gunstig adviseren respectievelijk bevestigen, steunend op bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen die richtinggevend zijn, Terwijl van de richtinggevende delen van het Ruimtelijk Structuurplan luidens artikel 7 van het decreet van 24 juni 1996 houdende de ruimtelijke planning, de overheid mag afwijken, en de overheid zich niet gebonden mag achten door die richtinggevende bepalingen, En doordat, vervolgens, zowel de regionale commissie van advies als de verwerende partij de bestemming van het ontwerpplan gunstig adviseren respectievelijk bevestigen, enkel verwijzend naar passages uit het Ruimtelijk Structuurplan getiteld ‘gebiedspecifieke ontwikkelingsperspectieven voor het Vlaams stedelijk gebied rond Brussel’, Terwijl dit Vlaams stedelijk gebied luidens de bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan nog moet worden afgebakend, zodat de bepalingen in verband met dit Vlaams stedelijk gebied rond Brussel geen gewestplanvaststelling kunnen schragen, En doordat tenslotte zowel de regionale commissie van advies als de verwerende partij het ontwerpplan gunstig adviseren, respectievelijk bevestigen X-8640-22/36 door te verwijzen naar passages die van toepassing zijn op ‘gewestplanwijzigingen’, Terwijl het in casu niet gaat om een wijziging van het gewestplan maar om een vastlegging van het gewestplan, zodat de overheid geen rekening mag houden met bepalingen die van toepassing zijn op gewestplanwijzigingen. TOELICHTING 1. Eerste onderdeel Het bestreden besluit wordt in het algemeen gemotiveerd als volgt: ‘Overwegende dat het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen stelt dat het stedelijk gebied rond Brussel wordt beperkt tot de huidige aaneengesloten agglomeratie; dat concentratie en verdichting in de aaneengesloten agglomeratie wordt nagestreefd en de onbebouwde ruimte van de ‘groene gordel’ niet kan worden aangesneden voor wonen, werken en infrastructuur; dat geen of slechts beperkte bestemmingswijzigingen van zachte naar harde kernen kunnen worden doorgevoerd en dit alleen binnen strikte voorwaarden die socio-economisch een meerwaarde verschaffen aan het gebied en het Vlaams karakter ervan versterken;’ Het advies van de regionale commissie stelt in verband met de gronden van de verzoekende partij het volgende: ‘Ook pleit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen ervoor om het grootstedelijke gebied rond Brussel te beperken tot de huidige aaneengesloten agglomeratie en om de bestaande ruimte niet aan te snijden en voorgestelde wijziging kadert binnen deze opties.’ Het advies van de regionale commissie alsook het bestreden besluit, zijn gemotiveerd door een verwijzing naar een niet gespecificeerde passage in het ruimtelijk structuurplan. Na heel wat zoekwerk kon worden ontdekt dat vermoedelijk beoogd wordt een passage (...) van de editie verspreid door de verwerende partij die luidt als volgt: ‘Dit betekent ook dat het Vlaamse stedelijk gebied rond Brussel strikt wordt beperkt tot de huidige aaneengesloten agglomeratie en dat concentratie en verdichting in de aaneengesloten agglomeratie wordt nagestreefd. De onbebouwde ruimte van de groene gordel kan aldus niet worden aangesneden voor wonen, werken en infrastructuur.’ Het ruimtelijk structuurplan vervolgt: ‘Ten aanzien van de huidige bestemmingen van het gewestplan zullen in het Vlaams stedelijk gebied rond Brussel geen of slechts zeer beperkte -en dit binnen strikte randvoorwaarden die socio-economisch een meerwaarde verschaffen aan dit gebied en het Vlaams karakter ervan versterken- bestemmingswijzigingen van zachte naar harde functies doorgevoerd worden.’ Luidens artikel 7 van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning bevat een ruimtelijk structuurplan een bindend, een richtinggevend en een informatief gedeelte. De geciteerde passages bevinden zich in het richtinggevend gedeelte, en niet in het bindend gedeelte. Luidens artikel 7 van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning is het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan dat gedeelte waarvan de overheid bij het nemen van beslissingen niet mag afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. De verwerende partij en de regionale commissie laten nochtans uitschijnen dat zij zich door die bepalingen onvoorwaardelijk gebonden achten. Het besluit stelt bijvoorbeeld dat ‘de onbebouwde ruimte van de groene gordel niet kan worden aangesneden’ en dat ‘geen bestemmingswijzigingen ... kunnen worden doorgevoerd’. In verband met de gronden van de verzoekers stellen zij X-8640-23/36 bovendien dat ‘het voorzien van een ambachtelijk gebied er in strijd zou zijn met de voorzieningen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen’. Door zich onvoorwaardelijk gebonden te achten aan de niet bindende bepalingen van het ruimtelijke structuurplan Vlaanderen, zonder na te gaan of een afwijking mogelijk of wenselijk is, schendt de verwerende partij artikel 7 van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning, en de bindende en richtinggevende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. b. Tweede onderdeel De door de verwerende partij geciteerde passages zijn bovendien terug te brengen tot citaten uit het richtinggevend gedeelte, (...) van de editie verspreid door de verwerende partij. Het citaat is afkomstig uit een afdeling: ‘Gebiedsspecifieke ontwikkelingsperspectieven voor het Vlaams stedelijk gebied rond Brussel’. In het Besluit zelf wordt trouwens gehandeld over het ‘Vlaams stedelijk gebied rond Brussel’ dat, aldus het Besluit, strikt moet worden beperkt tot de huidige aaneengesloten agglomeratie. Dit stedelijk gebied wordt in het Ruimtelijk Structuurplan niet afgebakend. Men stelt enkel dat delen van een aantal gemeenten, waaronder Kraainem, deel uitmaken van het Vlaams Stedelijk Gebied rond Brussel. In het richtinggevend gedeelte wordt er op (...) gesteld dat de afbakening van het Vlaams stedelijk gebied rond Brussel door het Vlaamse Gewest gebeurt in nauw overleg met de provincie en de betrokken gemeente. In het bindende gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen ((...) van de editie verspreid door de verwerende partij) wordt trouwens gesteld dat de Stedelijke Gebieden door het Vlaams Gewest in samenspraak met de betrokken bestuursniveaus ‘in gewestplannen of in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen afgebakend’ worden. Zolang die afbakening niet is gebeurd, is er dus geen ‘Vlaams Stedelijk Gebied rond Brussel’. Er is vooralsnog geen dergelijke afbakening geweest. Door er van uit te gaan dat de percelen van de verzoekende partij in het ‘Vlaams Stedelijk Gebied rond Brussel’ liggen, terwijl dit ‘Vlaams Stedelijk Gebied rond Brussel’ nog niet is afgebakend, hetgeen nochtans had moeten gebeuren, schendt de bestreden beslissing de in het middel genoemde wettelijke bepalingen. c. Derde onderdeel De passages die werden geciteerd zijn bovendien enkel van toepassing op wijzigingen van het gewestplan, en niet op vastleggingen van een gewestplan na vernietiging van een vorige bestemming, zoals reeds is uiteengezet in het eerste middel. De passages in het gewestplan in verband met het aansnijden van de stedelijke agglomeratie (...) handelen immers enkel over wijzigingen van het gewestplan, en niet over vaststellingen van een gewestplan. Zo stelt het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen in die passage dat er geen of slechts zeer beperkte ‘bestemmingswijzigingen’ doorgevoerd worden. In casu ging het echter niet over een wijziging van een gewestplan. Het gaat over een initiële vastlegging van een gewestplan. De oorspronkelijke bestemming in het gewestplan is immers vernietigd, zodat er geen sprake is van een wijziging, maar van een vaststelling. Door er van uit te gaan dat de betrokken passages uit het richtinggevend gedeelte van toepassing zijn op de percelen van de verzoekende partij, terwijl die passages enkel van toepassing zijn op gebieden waarvoor er reeds een gewestplan bestaat, berust de bestreden beslissing en het advies waarop het is gesteund op onjuiste motieven”. X-8640-24/36 X-8640-25/36 3.5.2. Beoordeling 3.5.2.1. Het bestreden besluit bevat de volgende algemene motivering : “Overwegende dat het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen stelt dat het stedelijk gebied rond Brussel wordt beperkt tot de huidige aaneengesloten agglomeratie; dat concentratie en verdichting in de aaneengesloten agglomeratie wordt nagestreefd en de onbebouwde ruimte van de ‘groene gordel’ niet kan worden aangesneden voor wonen, werken en infrastructuur; dat geen of slechts beperkte bestemmingswijzigingen van zachte naar harde bestemmingen kunnen worden doorgevoerd en dit alleen binnen strikte voorwaarden die socio-economisch een meerwaarde verschaffen aan het gebied en het Vlaams karakter ervan versterken”. 3.5.2.2. Onder de titel “4.14. Gebiedsspecifieke ontwikkelingsperspectieven voor het Vlaams stedelijk gebied rond Brussel”, opgenomen onder “Deel 2 : Gewenste Ruimtelijke Structuur-richtinggevend gedeelte” van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen wordt onder meer het volgende gesteld : “Er wordt gesteld dat het behoud van de onbebouwde ruimte (de zogenaamde ‘groene gordel’) in het Vlaams stedelijk gebied rond Brussel essentieel is. Vanuit dit principe moet worden aangegeven onder welke voorwaarden onbebouwde ruimte in het bestaande woongebied een ‘open ruimte’ bestemming kan krijgen. Dit betekent ook dat het Vlaams stedelijk gebied rond Brussel strikt wordt beperkt tot de huidige aaneengesloten agglomeratie en dat concentratie en verdichting in de aaneengesloten agglomeratie wordt nagestreefd. De onbebouwde ruimte van de ‘groene gordel’ kan aldus niet worden aangesneden voor wonen, werken en infrastructuur. Ten aanzien van de huidige bestemmingen van het gewestplan zullen in het Vlaams stedelijk gebied rond Brussel geen of slechts zeer beperkte - en dit binnen strikte randvoorwaarden die socio-economisch een meerwaarde verschaffen aan dit gebied en het Vlaams karakter ervan versterken - bestemmingswijzigingen van zachte naar harde functies doorgevoerd worden. Lokalisatie van woonfunctie is mogelijk door: – reconversie van bestaande bebouwing en verwaarloosde bedrijfsgebouwen; – het invullen van de niet bebouwde percelen; – het verhogen van de bebouwingsdichtheid naar aanleiding van nieuwbouw of vervangingsbouw wanneer dit gekaderd wordt binnen de globale stedenbouwkundige uitbouw van de gemeente en mits behoud van de woonkwaliteit”. 3.5.2.3. Uit de aanhaling onder randnummer 3.5.2.1 blijkt dat de verwerende partij de voormelde principes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen heeft vooropgesteld als de te volgen beleidslijn bij het nemen van een beslissing omtrent de gronden die het voorwerp uitmaken van voorliggend gewestplan. De verwerende X-8640-26/36 partij diende daarbij niet te motiveren waarom zij heeft gemeend van deze beleidslijn niet te moeten afwijken. 3.5.2.4. In zoverre de verzoekende partijen de bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen geschonden achten, dient gewezen op het bepaalde in artikel 11, § 2 van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning, zoals dit toentertijd gold : “§ 2. De voorschriften van plannen van aanleg waarvan de procedure tot opmaak of herziening begint na het vaststellen van het Ruimtelijke Structuurplan Vlaanderen mogen geen strijdige bepalingen bevatten met dit structuurplan, met de verordeningen opgemaakt ter uitvoering ervan of met gewestelijke verordeningen in het algemeen”. 3.5.2.5. Het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen werd definitief vastgesteld bij besluit van de Vlaamse regering van 23 september 1997 en de bindende bepalingen ervan werden bekrachtigd bij decreet van 17 december 1997. Bij besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 1997 werd het ontwerpplan tot aanvulling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse voorlopig vastgesteld, d.i. voor de vaststelling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Aangezien de procedure tot opmaak van het gewestplan werd aangevat vóór het vaststellen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en gelet op artikel 11, §2 van het decreet van 24 juli 1996 voormeld, kan een eventuele schending door het bestreden besluit van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen als dusdanig geen grond tot vernietiging zijn. Anderzijds vermocht de verwerende partij het bestreden besluit, ook al betreft dit een gewestplan “vaststelling” en geen “herziening” en ook al diende het Vlaams stedelijk gebied rond Brussel nog in een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan te worden vastgesteld, op de onder randnummer 3.5.2.1 vermelde principes van dit Structuurplan te stoelen, terwijl de verzoekende partijen, zoals gesteld onder randnummer 3.1.2.4., niet aantonen dat de kwestieuze gronden redelijkerwijze niet begrepen kunnen worden als de in de voormelde principes bedoelde “huidige aaneengesloten agglomeratie” rond Brussel en meer in het bijzonder de “onbebouwde ruimte van de ‘groene gordel’”. Het betoog van de verzoekende partijen dat onder dit laatste begrip “over het algemeen de grote aaneengesloten groene zones (wordt) verstaan, en niet de onbebouwde restpercelen temidden van bebouwing”, kan daartoe niet volstaan. Het vijfde middel is niet gegrond. X-8640-27/36 3.6. Zesde middel 3.6.1. Het aangevoerde zesde middel In een zesde middel roepen de verzoekende partijen de schending in van “artikel 6 E.V.R.M., artikel 1 aanvullende protocol bij het E.V.R.M., artikel(
  14. en)10, 11 en 144 van de Grondwet, artikel 11 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening en de stedenbouw, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van artikel 7 van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning (
  15. en)van de bindende en richtinggevende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen” : “Doordat er tussen de verwerende partij en de verzoekende partij sinds 1977 een geding hangende is over het betalen van schadevergoeding en/of planschade voor de onrechtmatige vaststelling van het oorspronkelijke gewestplan en doordat verwerende partij zich in deze gerechtelijke procedure beroept op deze vernieuwde vaststelling van het gewestplan en zij dus onrechtstreeks op het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en het decreet op de ruimtelijke planning steunt om in het kader van de gerechtelijke procedure voor de rechtbank van eerste aanleg een veroordeling tot schadevergoeding te ontlopen, zodat de interpretatie die de verwerende partij in de bestreden beslissing huldigt over het decreet op de ruimtelijke planning, de verwerende partij toelaat om eenzijdig door de vaststelling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen retroactief de burgerlijke rechten en plichten van de verzoekende partijen in te perken en aldus een invloed uit te oefenen op een geschil over burgerlijke rechten en plichten en zodat deze interpretatie de verwerende partij toelaat eenzijdig een vorderingsrecht van de verzoekende partij teniet te doen, Terwijl het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen luidens artikel 7 §2 van het decreet op de ruimtelijke planning enkel bindend is voor het Vlaams Gewest en de van haar afhangende overheden, en dus niet bindend is voor de burger en artikel 10 en 11 van de Grondwet er zich tegen verzetten dat de overheid zich door een eigenhandige vaststelling van een Ruimtelijk Structuurplan de betaling van een schadevergoeding kan ontlopen, zodat het decreet op de ruimtelijke planning niet zonder artikel 10 en 11 van de Grondwet te schenden, zo begrepen kan worden dat bij de vaststelling van een gewestplan de motivering kan beperkt worden tot een verwijzing naar een na het instellen van een procedure opgesteld Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. TOELICHTING Bij arrest van uw Raad van 25 oktober 1983 (...) heeft uw Raad het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse vernietigd voor zover het aan de gronden 100a, 102c en 103m de bestemming van agrarisch gebied gaf. Hierdoor is op een voor de burgerlijke rechter onaantastbare wijze komen vast te staan dat de verwerende partij een fout heeft begaan in de zin van artikel 1382 B.W. De verwerende partij roept in deze procedure in dat er geen schade of geen oorzakelijk verband is geweest, daar het bestreden besluit de gronden opnieuw de bestemming gaf van agrarisch gebied. In de bestreden beslissing wordt er verwezen naar het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. X-8640-28/36 Indien artikel 7 van het decreet op de ruimtelijke planning zo moet worden opgevat dat de verwerende partij kan volstaan door te verwijzen naar de richtinggevende bepalingen van een op grond van dit decreet opgesteld Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen om een gewestplanvaststelling die een invloed kan hebben op een lopende gerechtelijke procedure en op de aldaar ter vergoeding aangevoerde schade, door te voeren, schendt het artikel 7 van het decreet op de ruimtelijke planning de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, juncto artikel 6 E.V.R.M, artikel 1 aanvullend protocol bij het E.V.R.M. en artikel 144 van de Grondwet. Luidens artikel 144 van de Grondwet behoren de geschillen over subjectieve rechten tot de bevoegdheid van de Hoven en Rechtbanken. Luidens artikel 6 E.V.R.M. heeft de burger bij de behandeling van subjectieve rechten recht op de behandeling van zijn zaak door een onpartijdige en onafhankelijke rechtbank. Luidens artikel 1 van het aanvullende protocol bij het E.V.R.M mag niemand van zijn eigendom, met inbegrip van vorderingsrechten, worden beroofd behalve in het algemeen belang. De genoemde interpretatie geeft aan het Vlaamse Gewest de macht om de hangende rechtsgedingen te beïnvloeden door de vaststelling van een ruimtelijk structuurplan dat dan later als motivering zal dienen voor de vaststelling van een gewestplan dat dan op zijn beurt gebruikt kan worden om in die rechtsgedingen het bestaan van enige schade te betwisten. In dat geval wordt het geschil niet meer behandeld door een onpartijdige en onafhankelijk rechtbank, maar door het Vlaamse Gewest zelf. Op deze wijze wordt er een onverantwoorde discriminatie in het leven geroepen tussen het Vlaams Gewest, die een dergelijke invloed kan uitoefenen, en de verzoekers, die een dergelijke invloed niet kunnen uitoefenen. Bovendien geeft de bovengenoemde interpretatie van het decreet op de ruimtelijke planning de mogelijkheid aan het Vlaamse Gewest om zich te verschuilen achter een voordien in het algemeen opgesteld beleidsdocument, waarvan zij niet zou mogen afwijken, tenzij in een aantal gevallen die volledig bepaald worden door de discretie van de overheid. De passages die men in het bestreden besluit citeert uit dit ruimtelijk structuurplan, zijn in feite niet meer dan beleidsopties. Indien een overheid er zich toe zou beperken om te verwijzen naar die beleidsopties om zijn besluit te motiveren, heeft de burger de mogelijkheid om de Raad van State te vragen of de gegeven motivering een voldoende juiste feitelijke en juridische grondslag vormen voor het genomen besluit. De Raad van State beschikt bovendien over een mogelijkheid om die beleidsopties te toetsen aan de beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het redelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel e.d. De bepaling in het decreet betreffende de ruimtelijke planning die stelt dat de overheid van die beleidsopties in een beleidsdocument, Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen genaamd, niet zou mogen afwijken dan in een aantal gevallen die volledig afhangen van de discretie van de overheid, zou dan echter die overheid de mogelijkheid geven om hetzelfde besluit te nemen op grond van dezelfde beleidsopties, maar onder de simpele verwijzing naar het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, zonder dat de Raad van State nog de mogelijkheid heeft om die beleidsopties aan de bovengenoemde beginselen te toetsen, daar het de overheid op grond van het decreet verboden zou zijn om er van af te wijken. De decreetgever ontneemt op deze wijze aan een hele categorie burgers een essentiële, voor alle burgers geldende jurisdictionele waarborg, met name de mogelijkheid om voor de Raad van State een besluit te laten toetsen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij schendt daarbij onmiskenbaar de artikel 10 en 11 van de Grondwet, zeker nu blijkt dat de Vlaamse regering zich beperkt tot een verwijzing naar dit Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen om een nieuwe vaststelling van een gewestplan te doen voor al die gedeelten X-8640-29/36 van het Gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse die door de Raad van State vernietigd zijn”. 3.6.2. Beoordeling 3.6.2.1. De verzoekende partijen voeren aan dat “het decreet op de ruimtelijke planning niet zonder artikel 10 en 11 van de Grondwet te schenden, zo begrepen kan worden dat bij de vaststelling van een gewestplan de motivering kan beperkt worden tot een verwijzing naar een na het instellen van een procedure opgesteld Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen”. 3.6.2.2. Uit de toelichting bij het middel blijkt duidelijk dat de verzoekende partijen de ingeroepen schending situeren op het niveau van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning. Vooral de volgende alinea’s laten hierover geen twijfel bestaan: “Indien artikel 7 van het decreet op de ruimtelijke planning zo moet worden opgevat dat de verwerende partij kan volstaan door te verwijzen naar de richtinggevende bepalingen van een op grond van dit decreet opgesteld Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen om een gewestplanvaststelling die een invloed kan hebben op een lopende gerechtelijke procedure en op de aldaar ter vergoeding aangevoerde schade, door te voeren, schendt het artikel 7 van het decreet op de ruimtelijke planning de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, juncto artikel 6 E.V.R.M., artikel 1 aanvullend protocol bij het E.V.R.M. en artikel 144 van de Grondwet (...) De decreetgever ontneemt op deze wijze aan een hele categorie burgers een essentiële, voor alle burgers geldende jurisdictionele waarborg, met name de mogelijkheid om voor de Raad van State een besluit te laten toetsen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij schendt daarbij onmiskenbaar de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, zeker nu blijkt dat de Vlaamse regering zich beperkt tot een verwijzing naar dit Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen om een nieuwe vaststelling van een gewestplan te doen voor al die gedeelten van het Gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse die door de Raad van State vernietigd zijn”. Het betoog in de laatste memorie van de verzoekende partijen dat zij in hun middel “opriepen” tot een “grondwetsconforme interpretatie van het decreet houdende de ruimtelijke planning” doet niet anders besluiten. 3.6.2.3. De toetsing van een decreetsbepaling aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en aan de aangevoerde verdragsbepalingen behoort niet tot de bevoegdheid van de Raad van State. Evenmin dient de Raad van State te dezen, X-8640-30/36 zoals de verzoekende partijen eerst in hun laatste memorie poneren, uit zichzelf een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Het zesde middel is niet ontvankelijk. 3.7. Zevende middel 3.7.1. Het aangevoerde zevende middel In een zevende middel roepen de verzoekende partijen de schending in van de artikelen 10 en 11 van het gecoördineerde decreet en van “het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest van 25 oktober 1983” : “Doordat, eerste onderdeel, de regionale commissie en verwerende partij het ontwerpplan gunstig adviseren c.q. bevestigen onder bewoordingen die laten uitschijnen dat zij ervan uitgaan dat het in casu gaat om een gewestplanwijziging, Terwijl de oorspronkelijk gewestplanbestemming door het arrest van uw raad van 25 oktober 1983 vernietigd was, zodat de verwerende partij en de regionale commissie ervan moeten uitgaan dat het een volledig nieuwe vaststelling van een gewestplan was, En doordat, tweede onderdeel, de verwerende partij eigenhandig meer dan 13 jaar na het vernietigingsarrest een nieuw ontwerpplan heeft opgesteld, er een openbaar onderzoek over heeft gevoerd en het advies van de regionale commissie heeft gevraagd, Terwijl door de vernietiging van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse de verwerende partij de verplichting had om de regionale commissie van advies zo spoedig mogelijk opnieuw bijeen te roepen en na advies, het desbetreffende bestemmingsvoorschrift opnieuw te bepalen, rekening houdend met het arrest van de Raad van State. TOELICHTING 1. Eerste onderdeel Zowel de regionale commissie van advies als de verwerende partij gaan er blijkbaar van uit dat het in wezen gaat om een gewestplanwijziging. Dit blijkt uit de bewoordingen van het besluit en van het advies van de regionale commissie. De algemene motivering verwijst, zoals boven gesteld, enkel naar passages uit het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen die betrekking hebben op een wijziging van het gewestplan. Zo stelt het Besluit in zijn overwegingen dat bepaalde bestemmingen worden ‘behouden’ (...). Er wordt ook gesproken over een bestemming die niet wordt ‘gewijzigd’ (...). Er wordt zelfs gesproken over een ‘gewestplanwijziging’ (...). In het advies voor de Regionale commissie wordt er herhaaldelijk, onder meer voor de percelen van de verzoekende partij, de volgende motivering gegeven: Genomen uit de schending van artikel 10 en 11 van DRO en van het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest van 25 oktober 1983, ‘De commissie adviseert de inkleuring ... gunstig omdat het overeenstemt met de principes die aan de basis liggen van het gewestplan X-8640-31/36 Halle-Vilvoorde-Asse, nl. een beheersing van de stedelijke groei en het behoud van de groene gordel. Ook pleit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen ervoor om het grootstedelijke gebied rond Brussel te beperken tot de huidige aaneengesloten agglomeratie en om de bestaande ruimte niet aan te snijden en voorgestelde wijziging kadert binnen deze opties.’ Er is tevens trouwens herhaaldelijk sprake van een ‘wijziging’ van de oorspronkelijke bestemming in het (voor alle betrokken percelen vernietigde) gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (...). Er wordt zelfs gesproken over een ‘bestemmingswijziging’ en een ‘gewestplanwijziging’ (...). De bestemming die het Gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse aan deze gronden gaf is in alle gevallen vernietigd door de Raad van State. Dit brengt met zich mee dat die bestemming onbestaande is, en dat er geen rekening mee kan worden gehouden. Nochtans heeft de Regionale Commissie van advies zich wensen uit te spreken over het al dan niet wijzigen van de bestemming die die gronden hadden in het oorspronkelijke gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse. Zij heeft dus duidelijk wel rekening wensen te houden met de bestemming die vernietigd was. Zij gaat er blijkbaar van uit dat er met het vernietigingsarrest geen rekening moet worden gehouden. Immers, in de adviezen die zij geeft over de verwerping van bezwaarschriften, merkt zij herhaaldelijk op: ‘Het arrest van de Raad van State vernietigt slechts de oorspronkelijk in het Koninklijk Besluit van 7 maart 1977 vastgelegde bestemming omwille van een procedurefout. Het arrest spreekt zich niet uit over de inhoud van het geding en kan zeker niet reeds een nieuwe bestemming vastleggen’. Het is inderdaad zo dat een arrest van de Raad van State geen nieuwe bestemming vastlegt, maar een arrest vernietigt wel de bestemming die de gronden hebben gekregen. Ongeacht de grond waarop die vernietiging steunt mag de regionale commissie van advies geen rekening meer houden met de bestemming in het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse. Zij heeft dit wel gedaan, door uitdrukkelijk na te gaan of er redenen zijn om die bestemming te ‘wijzigen’. Door zich te steunen op dit advies van de Regionale Commissie om het ontwerp-gewestplan te bevestigen, schendt het bestreden besluit het vernietigingsarrest van de Raad van State en artikel 11 van het DRO. Tweede Onderdeel Het arrest nr. 23.621 van 25 oktober 1983 vernietigt het oorspronkelijke gewestplan voor de bovengenoemde percelen, omdat het Koninklijk Besluit van 7 maart 1977 van het oorspronkelijke ontwerp-gewestplan, vastgelegd bij Ministerieel Besluit van 29 maart 1974 afwijkt, zonder dat de wijzigingen het gevolg waren van enig bezwaarschrift of enig advies, en zonder dat die afwijking afdoende gemotiveerd wordt. De verwerende partij had dan de rechtsplicht om zo spoedig mogelijk de regionale commissie van advies bijeen te roepen om, na advies van de commissie, het desbetreffende bestemmingsvoorschrift opnieuw vast te leggen, rekening houdend met het arrest van de Raad van State. De verwerende partij heeft dit niet gedaan. Zij heeft ervoor gekozen de nieuwe procedure van artikel 11 DRO te volgen, en een nieuw ontwerpplan opgemaakt, hierover een openbaar onderzoek gevoerd en vervolgens een advies van de Regionale Commissie gevraagd, waarna zij het definitieve plan heeft vastgesteld. Zij heeft dit bovendien pas gedaan, meer dan 13 jaar na de vernietiging van het gewestplan door uw Raad. X-8640-32/36 Zij geeft hiervoor de volgende motivering bij de bespreking van de punten (...): ‘Dat om het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse aan te vullen voor de vernietigde delen een nieuw ontwerp-gewestplan werd voorbereid volgens de procedure voorzien voor de opmaak en de wijziging van gewestplannen; dat er geen andere procedure is om een nieuw ontwerp- gewestplan voor te bereiden of om een 20 jaar oud gewestplan aan te vullen; dat een aanvulling van het gewestplan voor de vernietigde delen het meest dringend is en om die reden het ontwerp-gewestplan daartoe wordt beperkt; dat door het hernemen van de totale procedure van het ontwerpplan elementen van de procedure van het gewestplan dat werd vernietigd geen voorwerp van betwisting kunnen zijn van de nieuwe procedure; dat ook procedures voor bouw- of verkavelingsaanvragen geen voorwerp van betwisting kunnen zijn van de gewestplanwijziging; dat het ontwerp-gewestplan werd voorbereid na een grondig onderzoek van de thans bestaande toestanden en in functie van het huidig ruimtelijk beleid en de actuele wetgeving; dat het Vlaams Gewest de bevoegdheid heeft om de gewenste ruimtelijke ordening in het gewestplan vast te leggen.’ De verwerende partij gaat er blijkbaar van uit dat er geen andere procedure is om een nieuw ontwerp-gewestplan voor te bereiden of om een 20 jaar oud gewestplan aan te vullen. De Raad van State heeft nochtans duidelijk gesteld dat de overheid de rechtsplicht heeft om de procedure te hervatten waar zij is fout gelopen, hetgeen impliceert dat men de procedure moet hernemen vanaf de fase van het advies van de regionale commissie van advies op grond van het ontwerp-gewestplan volgens de bestemmingen die in 1974 in het toenmalige ontwerp- gewestplan waren gegeven aan de betrokken percelen. Dit impliceert dus ook dat de verwerende partij, indien zij de bestemming in het ontwerp-gewestplan niet wenste te handhaven, zij dit afdoende diende te motiveren. Men ontwijkt die verregaande motiveringsverplichting nu door een nieuw ontwerp-gewestplan op te maken. De verwerende partij verwijst ook naar het feit dat men blijkbaar een nieuw onderzoek diende te doen naar de bestaande toestand en de actuele wetgeving. Wat betreft de actuele wetgeving kan er gezegd worden dat er geen enkel wettelijk beletsel bestaat om het oorspronkelijke ontwerpplan te bevestigen of om er van af te wijken, rekening houdend met de actuele wetgeving. De verwerende partij had zonder enig probleem de actuele wetgeving kunnen onderzoeken om dan de procedure te hervatten vanaf de fase dat er iets misgelopen was. De verwerende partij laat trouwens na om aan te duiden welke wetgeving nu zo zou zijn veranderd dat er een nieuw ontwerpplan op moet gesteld worden. Wat betreft de bestaande toestand kan er gezegd worden dat er geen enkel wettelijk beletsel bestaat om het oorspronkelijke ontwerpplan te bevestigen of om er van af te wijken, rekening houdend met de bestaande toestand. De verwerende partij had zonder enig probleem de bestaande toestand kunnen onderzoeken om dan de procedure te hervatten vanaf de fase dat er iets misgelopen was. De verwerende partij laat trouwens na om aan te duiden welke bestaande toestand nu zo zou zijn veranderd dat er een nieuw ontwerpplan op moet gesteld worden. De verplichting om in een gewestplan de bestaande toestand aan te duiden houdt in dat de verwerende partij de bestemming moet aanduiden die het beschouwde gebiedsdeel reeds in feite heeft gekregen of die door regelmatig verleende en nog niet vervallen bouw-en verkavelingsvergunningen eraan werd gegeven. Het document dat de bestaande toestand aangeeft moet een grafische voorstelling geven van de bestemming die het aan te leggen gebiedsdeel heeft verkregen, in de staat waarin die zich voordoet op het tijdstip dat het plan is X-8640-33/36 opgemaakt. De verwerende partij kan dus volkomen wettelijk de documenten die de bestaande toestand aanduiden, zoals die zijn opgemaakt om het ontwerp- gewestplan van 1974 op te stellen, aanpassen aan de huidige bestaande toestand, uiteraard na grondig onderzoek van de actuele bestaande toestand (hetgeen de verwerende partij nu ook gedaan heeft), om dan vervolgens op basis van dat aangepaste document dat de actuele bestaande toestand aangeeft, de procedure te hervatten waar zij was misgelopen. De algemene bevoegdheid van het Vlaamse Gewest om gewestplannen op te maken vormt geen rechtvaardiging om dit niet te doen volgens de geijkte procedure die er na een vernietigingsarrest in bestaat de procedure te hernemen vanaf de fase waar zij is misgelopen. Door niet zo te handelen, schendt het bestreden besluit de in het middel genoemde bepalingen”. 3.7.2. Beoordeling 3.7.2.1. Het arrest nr. 23.621 van 25 oktober 1983, zoals verbeterd bij arrest nr. 23.974 van 14 februari 1984, heeft het koninklijk besluit van 7 maart 1977 waarbij het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse wordt vastgesteld, vernietigd, “in zover het aan de percelen grond gelegen te Kraainem, Pikdorenveld, langs de Wezembeeklaan, ten kadaster gekend of het geweest zijnde, sectie B, 100a, 102c, 103m, de bestemming geeft van agrarisch gebied” om reden dat de bestemming “niet (kan) geacht worden steun te vinden in het openbaar onderzoek en de raadplegingen of anderszins door motieven te worden gedragen”. 3.7.2.2. Het voormelde vernietigingsarrest heeft het rechtsherstel niet gekoppeld aan een welbepaalde termijn, terwijl het gezag van gewijsde van het arrest de overheid evenmin belette om de procedure te hernemen vanaf een eerder punt dan het punt waarop volgens het vernietigingsarrest de procedure is ontspoord, voor zover er wettige redenen voorhanden zijn om aan te nemen dat het ontwerpplan niet langer kon geacht worden de voorbereiding te zijn van het vast te stellen definitief gewestplan. 3.7.2.3. In casu is artikel 75 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, zoals vervangen bij artikel 108 van het decreet van 22 december 1993 houdende de wijziging van de voormelde wet, en weerhouden als punt 13 van de niet in de coördinatie van het gecoördineerde decreet opgenomen bepalingen, tussengekomen. Deze bepaling luidt als volgt : “§ 1. De definitieve vaststelling van de gewestplannen die vóór 1 januari 1994 voorlopig zijn vastgesteld, gebeurt volgens de procedure die vóór die X-8640-34/36 datum gelding had. Indien de definitieve vaststelling niet is geschied vóór 1 januari 1995 vervalt het ontwerp-gewestplan. (...)”. Uit de voormelde bepaling volgt dat op datum van 1 januari 1995 het ontwerpplan van 1974 vervallen was. De verwerende partij overweegt in het bestreden besluit dan ook terecht “dat er geen andere procedure is om een nieuw ontwerp-gewestplan voor te bereiden of om een 20 jaar oud gewestplan aan te vullen”, terwijl zij er niet toe gehouden was de voormelde bepaling uitdrukkelijk te vermelden. Waar de verzoekende partijen in hun laatste memorie nog voorhouden dat “op 1 januari 1995 het gewestplan reeds meer dan 10 jaar (was) vernietigd” en “al die tijd niets werd gedaan om het gewestplan vast te stellen”, dient vastgesteld dat hoe dan ook hiermee het rechtsherstel is gerealiseerd, waarvan dit middelonderdeel het jarenlange uitblijven lijkt te bekritiseren. 3.7.2.4. De omstandigheid dat het bestreden besluit gebruik maakt van begrippen als het “behouden” van een bepaalde gewestplanbestemming en -net als de regionale commissie van advies- van de termen “gewestplanwijziging” en “bestemmingswijziging”, volstaat voorts niet om een schending van het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest nr. 23.621 van 25 oktober 1983 aan te nemen, temeer daar hetzelfde bestreden besluit eveneens begrippen bevat die aantonen dat een gewestplanvaststelling wordt beoogd, waaronder de titel luidende “besluit van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het ontwerpplan tot aanvulling van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (...)”. Het zevende middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 867,65 euro, komen ten laste van de nalatenschap van de eerste verzoeker en van de tweede, derde, vierde en vijfde verzoekende partij, elk voor een vijfde. X-8640-35/36 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig maart 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-8640-36/36 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.743 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.