← België

Arrest 191768 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.768 Rolnummer: A. 141835/X-11580 Zaak: Arrest 191768 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 24/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-02 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 23:46 Fiche Arrest nr 191.768 van 24 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.768 van 24 maart 2009 in de zaak A. 141.835/X-11.

  1. In zake : Joseph VAN MELLE (overleden), Rechtsgeding hervat door :
  2. Godelieve VANHAECKE,
  3. Geert VAN MELLE,
  4. Carl VAN MELLE,
  5. Lode VAN MELLE, die woonplaats kiezen bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 tegen :
  6. de gemeente WIELSBEKE, die woonplaats kiest bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Baron Ruzettelaan 27,
  7. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  8. tussenkomende partij : de c.v. D’HOOIE, die woonplaats kiest bij advocaat A. COPPENS, kantoor houdende te 8800 ROESELARE, Westlaan
  9. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het Joseph VAN MELLE op 22 september 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 16 juli 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wielsbeke waarbij aan de c.v. D'HOOIE de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een loods op een perceel gelegen te Wielsbeke, Hooiestraat, kadastraal bekend sectie C, nr. 135/f; X-11.580-1/13 Gelet op het arrest nr. 135.864 van 11 oktober 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing en de vordering tot het opleggen van een dwangsom worden verworpen; Gezien het uittreksel uit het register der overlijdensakten van de gemeente Wielsbeke waaruit blijkt dat Jozef VAN MELLE is overleden op 16 augustus 2004; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 15 november 2004 ingediend door Godelieve VANHAECKE, Geert VAN MELLE, Carl VAN MELLE en Lode VAN MELLE, die verklaren het geding te hervatten; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 31 december 2004 ingediend door de c.v. D’HOOIE; Gelet op de beschikking van 20 januari 2005 die de tussenkomst van de c.v. D’HOOIE toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 26 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de gedinghervattende partijen en de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 15 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN HERCK, die loco advocaat G. VERMEIRE verschijnt voor de gedinghervattende partijen, van advocaat E. CASTELEYN, die loco advocaat A. LUST verschijnt voor de eerste X-11.580-2/13 verwerende partij, van advocaat F. TEMMERMAN, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat A. COPPENS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord adjunct-auditeur A. VAN DEN BROECK, daartoe gemachtigd bij beslissing van 31 oktober 2008 van de adjunct auditeur-generaal, in haar eensluidend advies. Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  10. Feiten 1.
  11. Op 28 januari 2003 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wielsbeke een stedenbouwkundige aanvraag in voor het bouwen van een loods en een woning op een terrein gelegen aan de Hooiestraat 14 te Sint-Baafs-Vijve (Wielsbeke) kadastraal bekend sectie C, nr. 135/f. Het perceel en de onmiddellijke omgeving is volgens het gewestplan Roeselare-Tielt, vastgesteld bij koninklijk besluit van 17 december 1979, opgedeeld in een stuk agrarisch gebied, een stuk landschappelijk waardevol agrarisch gebied en een stuk agrarisch gebied met ecologisch belang. In welk bestemmingsgebied het perceel en meer bepaald de bouwplaats is gelegen, is omstreden en komt aan bod bij de bespreking van het vierde middel. Het perceel is niet gelegen binnen het gebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de grenzen van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. De oorspronkelijke verzoeker woonde aan de linkerzijde van het betrokken perceel. 1.
  12. Van 5 februari 2003 tot 12 maart 2003 wordt een openbaar onderzoek gehouden, waarbij zes bezwaarschriften worden ingediend, waaronder een van de oorspronkelijke verzoeker. X-11.580-3/13 1.
  13. Op 19 maart 2003 onderzoekt en verwerpt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wielsbeke de ingediende bezwaarschriften. 1.
  14. Op 8 juli 2003 geeft de gemachtigde ambtenaar een gunstig voorwaardelijk advies voor de oprichting van de loods en een ongunstig advies voor het bouwen van de woning. In dit advies wordt met betrekking tot de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening het volgende gesteld: “De vervanging van de aanwezige hoevegebouwen door een nieuwe loods is aanvaardbaar binnen de uitbouw van het landbouwbedrijf, waarvan de exploitatie georiënteerd wordt naar de vermeerdering, de opfok en de afmesting van vleesvee. De voorziene groenschermen bevorderen de integratie binnen de geconcentreerde agrarische en zonevreemde bebouwing langsheen de straat en binnen de als agrarisch en landschappelijk waardevol agrarisch gebied ingekleurde zone. Een bedrijfswoning -indien nodig voor toezicht en controle- kan slechts voorzien worden in functie van bestaande bedrijfsgebouwen en als fysisch geïntegreerd onderdeel bij een leefbaar en op landbouwkundige wijze uitgebaat bedrijf. De bedrijfswoning kan aldus slechts in overweging genomen worden na op- en inrichting van het bedrijfsgebouwengedeelte”. 1.
  15. Op 16 juli 2003 verleent het college van burgemeester en schepenen de stedenbouwkundige vergunning voor het oprichten van een loods en weigert het de vergunning voor het bouwen van de woning. In die beslissing wordt onder meer het volgende overwogen: “De aanvraag slaat op een perceel met verouderde landbouwbedrijfsgebouwen die niet meer zijn aangepast aan de hedendaagse uitbating. Op de aanpalende percelen bevindt zich eveneens bebouwing. Het ontwerp strekt tot het slopen van de aanwezige constructies en het bouwen van een loods van ± 1.000 m², die ingericht wordt als stal voor 60 stuks fok- en vleesvee, werk- en bergruimte voor de machines en voorraad van het bedrijf, dat 39 ha beslaat. Naast de geplande loods wordt een woning met afzonderlijke berging voorzien. (...) De vervanging van de aanwezige hoevegebouwen door een nieuwe loods is aanvaardbaar binnen de uitbouw van een landbouwbedrijf, waarvan de exploitatie georiënteerd wordt naar de vermeerdering, de opfok en de afmesting van vleesvee. De voorziene groenschermen bevorderen de integratie binnen de geconcentreerde agrarische en zonevreemde bebouwing langsheen de straat en binnen de als agrarisch en landschappelijk waardevol agrarisch gebied ingekleurde zone. Een bedrijfswoning -indien nodig voor toezicht en controle- kan slechts voorzien worden in functie van bestaande bedrijfsgebouwen en als fysisch geïntegreerd onderdeel bij een leefbaar en op landbouwkundige wijze uitgebaat X-11.580-4/13 bedrijf. De bedrijfswoning kan aldus slechts in overweging genomen worden na op- en inrichting van het bedrijfsgebouwengedeelte”. Overeenkomstig het advies van de gemachtigde ambtenaar bevat het bestreden besluit twee bijzondere voorwaarden, waaronder de aanleg van een streekeigen groenscherm “als landschappelijke inkleding”, bestaande uit een kern van hoogstammige bomen en laagstammige tussenbeplanting.
  16. Ontvankelijkheid 2.
  17. De tussenkomende partij stelt dat de gedinghervattende partijen niet het persoonlijk belang hebben dat de oorspronkelijke verzoeker had. De oorspronkelijke verzoeker putte dat belang blijkens zijn verzoekschrift uit het feit dat hij vertrouwd was met de omgeving, aangezien hij er geboren was en er ongeveer 60 jaar heeft gewoond, alsook uit zijn ouderdom, waardoor hij niet zo vaak naar buiten kon, en uit het aangevoerde verlies aan zonlicht. De eerste rechtsopvolger van de oorspronkelijke verzoeker had zelf geen beroep tot nietigverklaring ingesteld en berustte bijgevolg in het bestaan van het bestreden besluit, zodat zij alvast niet meer over het vereiste belang beschikt. Voor wat betreft de overige rechtsopvolgers betwist de tussenkomende partij eveneens het belang omdat het bestreden besluit enkel werken vergunt in het perceelgedeelte met bestemming agrarisch gebied (en dus niet in het perceelgedeelte met bestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied) en omdat de klachten van de verzoekende partijen betrekking hebben op de landbouwuitbating, veeleer dan op de stedenbouwkundige vergunning. 2.
  18. Aangezien de huidige verzoekende partijen allen mede-eigenaar zijn van een aanpalend perceel, beschikken zij alleen om die reden al over een principieel belang bij de vernietiging van het bestreden besluit. De bestemming van het perceel waarop de werken worden vergund, alsook het feit dat het nadeel van de verzoekende partijen mogelijk verband houdt met de activiteiten die in de vergunde loods worden ontplooid, doen geen afbreuk aan hun principiële belang als aanpalende mede-eigenaars. De eerste huidige verzoekende partij ontleent haar belang net zoals de overige verzoekende partijen aan het feit dat zij in de plaats treedt van de oorspronkelijke verzoeker. De argumentatie dat zij zelf ook een beroep tot nietigverklaring had kunnen instellen, samen met de oorspronkelijke verzoeker, doet geen afbreuk aan het belang van de oorspronkelijke verzoeker en aan het actueel X-11.580-5/13 belang van de eerste verzoekende partij als erfgename van de oorspronkelijke verzoeker. De exceptie is niet gegrond.
  19. Ten gronde 3.1.
  20. In een vierde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de motiveringswet), van artikel 2, § 1 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), van het koninklijk besluit van 17 december 1979 tot vaststelling van het gewestplan Roeselare-Tielt en van de artikelen 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit). Zij stellen dat de beoordeling van de gewestplanbestemming niet op afdoende wijze is gemotiveerd. Uit het bestreden besluit kan niet duidelijk worden opgemaakt of de planologische bestemming van de bouwplaats agrarisch gebied is, dan wel landschappelijk waardevol agrarisch gebied. In de motivering van het bestreden besluit komen dienaangaande tegenstrijdige vermeldingen voor. Het perceel ligt op de twee bestemmingsgebieden, maar er is geen zekerheid omtrent de precieze scheidingslijn tussen de twee gebieden. Bovendien wordt niet verantwoord waarom het afbreken van de hofstede verenigbaar is met de bestemming als landschappelijk waardevol agrarisch gebied. In het bestreden besluit wordt dienaangaande volstaan met een nietszeggende stijlformule die voor eender welke bouwaanvraag zou kunnen gelden. Het oprichten van een enorme loods, bereikbaar via een 5 meter brede betonweg, is strijdig met diezelfde bestemming en de aanleg van een groenscherm is dienaangaande niet meer dan een lapmiddel. 3.1.
  21. Uit de gegevens van het dossier, en met name uit de door de partijen zelf voorgelegde kopies van de gewestplankaart en de vergelijking ervan met de plannen, gevoegd bij de bouwaanvraag, blijkt dat het perceelgedeelte waarop de gevraagde werken plaatsvinden, in agrarisch gebied ligt. Achter de bestaande gebouwen op het perceel, in zuidoostelijke richting, ligt een agrarisch gebied met ecologisch belang (geel met groene arcering); aan de linkerzijde van het perceel ligt X-11.580-6/13 een klein stuk landschappelijk waardevol agrarisch gebied (geel met zwarte arcering). Uit de stukken kan niet met zekerheid worden opgemaakt of het perceel met nr. 135/f volledig in agrarisch gebied is gelegen, dan wel ten dele ook in agrarisch gebied met ecologisch belang. Met de verzoekende partijen moet worden vastgesteld dat ook het bestreden besluit op dat punt niet erg duidelijk is. Er kan aan de hand van de stukken evenwel geen twijfel over bestaan dat de bouwplaats volledig in agrarisch gebied is gelegen. Hieruit volgt dat het middel feitelijke grondslag mist in de mate dat het uitgaat van een andere bestemming van de bouwplaats. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen voorhouden, tast de onduidelijkheid in het bestreden besluit aangaande de precieze planologische configuratie van het perceel de deugdelijkheid van de motivering niet aan, nu de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening duidelijk is toegespitst op de verenigbaarheid met de bestemming als agrarisch gebied. De verzoekende partijen komen er niet toe de deugdelijkheid van die beoordeling te bekritiseren, laat staan te weerleggen. 3.1.
  22. Het vierde middel is niet gegrond. 3.2.
  23. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna: DRO), van artikel 19 van het inrichtingsbesluit, van het redelijkheidsbeginsel en van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. Zij stellen dat de zo dicht tegen de perceelsgrens vergunde loods zeer aanzienlijke hinder veroorzaakt, terwijl artikel 4 DRO de overheid verplicht tot een gelijktijdige afweging op basis van onder meer esthetische, milieu- en sociale aspecten. Ook artikel 19 van het inrichtingsbesluit verplicht tot de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening, wat ook esthetische en sociale aspecten inhoudt. In de motivering wordt echter niets vermeld over de hinder met betrekking tot de plaats en de afmetingen van de loods, het storend uitzicht en het gebruik als mestopslagplaats. In het bestreden besluit wordt gesteld dat de aanpalende woning (van de verzoekende partijen) een bedrijfswoning is die hoort bij een varkensbedrijf, wat geen deugdelijke motivering inhoudt, aangezien het varkensbedrijf 200 meter verder gelegen is, de betrokken woning geen bedrijfswoning is en de bewoners van deze woning niet minder rechten hebben op een goede stedenbouwkundige aanleg dan niet-landbouwers. De vergunde loods heeft een oppervlakte van 1.000 m², maar X-11.580-7/13 de nadelen ervan voor het woonklimaat worden niet onderzocht. Er wordt zelfs gesteld dat het verlies van uitzicht geen stedenbouwkundig argument is. Het bestreden besluit gaat niet in op de afbraak van de bestaande hofstede, die een esthetisch waardevol gebouw is en die niet eens in de weg staat voor het bouwen van de loods. Er wordt evenmin gemotiveerd waarom slechts een buffer van 5 meter wordt gelaten tussen de achtergevel van de betonloods en het aangrenzende ecologisch waardevol agrarisch gebied en de verenigbaarheid met het aangrenzende landschappelijk waardevol agrarisch gebied wordt evenmin gemotiveerd door het bestreden besluit. Er is ook geen beplantingsplan. De verzoekende partijen concluderen dat een vergunning voor het zo dicht bouwen van een industrieel uitziende, relatief hoge loods in snelbouwmaterialen onredelijk is, temeer daar de bestaande gebouwen veel kleiner zijn en veel verder verwijderd zijn van de perceelsgrens. 3.2.
  24. Het middel moet zo worden begrepen dat het geen betrekking heeft op burgerrechtelijke aanspraken resp. verplichtingen tussen de verzoekende partijen en de tussenkomende partij als eigenaars van aanpalende percelen. Geschillen tussen buren met betrekking tot dergelijke subjectieve rechten behoren immers tot de uitsluitende bevoegdheid van de gewone hoven en rechtbanken. Het middel wordt bijgevolg enkel besproken in de mate dat het betrekking heeft op de beoordeling door de vergunningverlenende overheid van de stedenbouwkundige aanvraag en de wijze waarop die beoordeling tot uiting moet komen in het bestreden besluit. 3.2.
  25. De verzoekende partijen steunen hun middelonderdeel op een schending van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet. Artikel 6 van deze wet bepaalt echter dat ze “slechts van toepassing (is) op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”. Artikel 53, § 3 van het gecoördineerde decreet, dat van toepassing was op het bestreden besluit, bevat een eigen, niet minder strenge motiveringsverplichting. Het middel wordt bijgevolg zo begrepen dat het de schending aanvoert van de betrokken decretale bepaling. 3.2.
  26. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht vermag de Raad van State niet zijn beoordeling van de goede plaatselijke ordening in de plaats stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Hij is wel X-11.580-8/13 bevoegd na te gaan of de administratieve overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 3.2.
  27. In het bestreden besluit wordt overwogen dat de verouderde landbouwbedrijfsgebouwen op het betrokken perceel niet meer zijn aangepast aan de hedendaagse uitbating en dat de vervanging van deze gebouwen door een nieuwe loods aanvaardbaar is binnen de uitbouw van een landbouwbedrijf, waarvan de exploitatie georiënteerd wordt naar de vermeerdering, de opfok en de afmesting van vleesvee. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de door hen aangevoerde esthetische waarde van één van die af te breken gebouwen, de bestaande “hofstede”, van die aard is dat ze opweegt tegen de beoordeling door de vergunningverlenende overheid. Mede gelet op de bestemming van het betrokken perceelgedeelte als agrarisch gebied, vermocht de overheid redelijkerwijze te oordelen dat de oprichting van de loods in vervanging van de bestaande verouderde gebouwen om bedrijfsmatige redenen aangewezen was. Uit de door de verzoekende partijen aangevoerde feitelijke gegevens blijkt niet dat de visuele impact van de betrokken loods van die aard is dat een kennelijk onredelijke beoordeling van de plaatselijke situatie door de vergunningverlenende overheid voorligt. Overigens voorziet het bestreden besluit in de aanleg van een groenscherm met het oog op “de integratie binnen de geconcentreerde agrarische en zonevreemde bebouwing langsheen de straat”. Voorts houdt de motiveringsplicht niet in dat de vergunningverlenende overheid elk van de door de verzoekende partijen in dit middel aangevoerde nadelen uitdrukkelijk moest bespreken, nu blijkt dat de overwegingen van het bestreden besluit op zich voldoende draagkrachtig zijn. Aangezien de vergunde werken volledig gelegen zijn in agrarisch gebied, zoals werd vastgesteld bij de bespreking van het vierde middel, moet in het bestreden besluit de verenigbaarheid met aangrenzende bestemmingsgebieden niet worden verantwoord. 3.2.
  28. Het eerste middel is niet gegrond. 3.3.
  29. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, van het X-11.580-9/13 subsidiariteitsbeginsel en van de in het DRO (lees: in het gecoördineerde decreet) vastgelegde verplichting om de eigen bevoegdheid als vergunningverlenende overheid uit te oefenen. Tevens voeren zij bevoegdheidsoverschrijding aan. De verzoekende partijen argumenteren dat het bestreden besluit zich ertoe beperkt het advies van de gemachtigde ambtenaar bij te treden, terwijl het college van burgemeester en schepenen zich een eigen oordeel moet vormen over de bouwaanvraag en dat oordeel ook op afdoende wijze uit de motieven moet blijken. Zo het college van burgemeester en schepenen zich al aansluit bij het advies van de gemachtigde ambtenaar, moeten de redenen worden opgegeven waarom dat advies wordt gevolgd. Nu het bestreden besluit niets toevoegt aan de argumentatie van de gemachtigde ambtenaar, is er ook sprake van bevoegdheidsoverschrijding. 3.3.
  30. In de motivering van het bestreden besluit vermeldt het college van burgemeester en schepenen het volgende: “Het kan het hierboven vermeld eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar bijtreden. Dit advies wordt ook als haar standpunt beschouwd”. Uit het feit dat het college aldus het advies van de gemachtigde ambtenaar tot het zijne heeft gemaakt, blijkt geen schending van de aangevoerde wetsbepalingen, nu het advies van de gemachtigde ambtenaar zelf wel degelijk is gemotiveerd. De motiveringsplicht houdt ook niet in dat het college er er toe gehouden zou zijn de redenen op te geven waarom het zich bij de zienswijze van de gemachtigde ambtenaar aansluit. Aangezien de beslissingsbevoegdheid nog steeds toekomt aan het college, houdt deze werkwijze ook geen bevoegdheidsoverschrijding in. 3.3.
  31. Het tweede middel is niet gegrond. 3.4.
  32. In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 16, 2/ van het besluit van de Vlaamse regering van 4 november 1997 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier voor de aanvraag om een bouwvergunning (hierna: het besluit van 4 november 1997), van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en van artikel 123, 1/ van de nieuwe gemeentewet. Tevens voeren zij machtsoverschrijding aan. Zij betogen dat de bij de bouwaanvraag gevoegde nota een aantal lacunes en onvolledigheden bevat met name voor wat betreft de gevelbreedte aan de achterzijde van de loods, de oprichting dicht tegen de linkse perceelsgrens, de aard en de functie van het groenscherm, de verhouding tot de bestemming van het nabij gelegen agrarisch gebied met ecologisch belang en de integratie ten aanzien X-11.580-10/13 van de bebouwde omgeving aan de linker- en de rechterzijde. Deze schending van artikel 16, 2/ van het besluit van 4 november 1997 heeft tot gevolg dat de overheden die zich over deze aanvraag moesten uitspreken, “gebrekkig op de hoogte werden gesteld van een aantal essentiële bouwdossierelementen”. Die onvolledigheid wordt niet vermeld in het advies van de gemachtigde ambtenaar en evenmin in het bestreden besluit, wat strijdt met de motiveringsplicht. Het college van burgemeester en schepenen is bovendien verplicht om de overeenstemming van de aanvraag met de wettelijke context te onderzoeken wanneer de bouwaanvraag op dat punt in gebreke blijft. Dat dit niet is gebeurd, komt neer op een schending van artikel 123, 1/ van de nieuwe gemeentewet. De bouwaanvraag bevat weliswaar ook een bouwplan, maar dat plan kan de tekortkomingen in de nota niet verhelpen, nu in de nota zelf tekstueel de in de artikel 16, 2/ van het besluit van 4 november 1997 bedoelde elementen moeten worden uiteengezet. Het ontbreken van deze wettelijk vereiste gegevens leidt tot de onwettigheid van het bestreden besluit, zonder dat zelfs moet worden aangetoond dat het gaat om determinerende gegevens. Bovendien gaat het in dezen wel degelijk om essentiële elementen. 3.4.
  33. Overeenkomstig artikel 16, 2/ van het besluit van de Vlaamse regering van 4 november 1997 tot vaststelling van de samenstelling van het dossier voor de aanvraag om een bouwvergunning, moet de nota in het dossier voor de aanvraag van een bouwvergunning de volgende gegevens bevatten: “2/ een nota, ondertekend door de aanvrager en door de architect als diens medewerking vereist is, waarin wordt beschreven : - het voorwerp van de aanvraag; - de ruimtelijke context van de geplande werken of handelingen, meer bepaald: - het feitelijke uitzicht en de toestand van de plaats waar de werken of handelingen worden gepland; - de zoneringsgegevens van het goed; - de overeenstemming en de verenigbaarheid van de aanvraag met de wettelijke en ruimtelijke context; - de integratie van de geplande werken of handelingen in de omgeving”. Onjuistheden, vergissingen of leemten in het bouwdossier kunnen tot de vernietiging van de bouwvergunning leiden, indien blijkt dat zij van die aard zijn dat zij de adviserende of de vergunningverlenende overheden in dwaling hebben gebracht en bovendien beslissend zijn geweest voor de toekenning van de bouwvergunning. De verzoekende partijen voeren weliswaar een aantal leemten aan, maar zo ze al aangemerkt zouden kunnen worden als een tekortkoming aan de X-11.580-11/13 zo-even aangehaalde bepaling, blijkt niet dat de gemachtigde ambtenaar en het college van burgemeester en schepenen daardoor misleid waren aangaande de werkelijke draagwijdte van de aanvraag. Bovendien blijkt uit de gegevens van het dossier dat de bouwaanvraag de vereiste plannen en het vereiste fotomateriaal bevat waaruit alvast een aantal van de door de verzoekende partijen aangehaalde gegevens naar voor komen, met name voor wat betreft de gevelbreedte aan de achterzijde, de plaatsing en de gedetailleerde samenstelling van het groenscherm en de integratie ten aanzien van de bebouwde omgeving aan de linker- en de rechterzijde. Uit de aangehaalde bepaling kan overigens niet worden afgeleid dat de verhouding tot de bestemming van het nabij gelegen agrarisch gebied met ecologisch belang in de nota moet worden beschreven. Nu niet blijkt dat de adviserende en de beslissende overheden werden misleid omtrent de werkelijke draagwijdte van de bouwaanvraag, valt ook niet in te zien hoe de overige in het middel aangehaalde bepalingen zouden zijn geschonden. 3.4.
  34. Het derde middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  35. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  36. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de nalatenschap van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-11.580-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig maart 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.580-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.768 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.864 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.