id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.780 Rolnummer: A. 168606/XIV-24270 Zaak: Arrest 191780 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 24/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-09 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 23:49 Fiche Arrest nr 191.780 van 24 maart 2009 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.780 van 24 maart 2009 in de zaak A. 168.606/XIV-24.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat N. DIRICKX, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 213, bus 15 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken, thans de Minister van Migratie- en asielbeleid. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van beweerde Chinese nationaliteit, op 14 december 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 14 oktober 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Tweede Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd haar als vluchteling te erkennen, en van “het daaruit volgende bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten”; Gelet op de beschikking van 22 december 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 5 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 maart 2009; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-24.270-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat N. DIRICKX, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE die, loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX, van beweerde Chinese nationaliteit, komt op 19 januari 2004 België binnen en vraagt op dezelfde dag om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Deze aanvraag wordt op 10 januari 2005 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
- Verzoekster tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 27 januari 2005 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
- Op de zitting van 14 oktober 2005 wordt verzoekster, bijgestaan door advocaat C. GEUENS, gehoord. 1.
- Op 14 oktober 2005 neemt de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissing, waarbij het beroep ontvankelijk, maar ongegrond wordt verklaard en de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling derhalve wordt geweigerd. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat de feiten in de bestreden beslissing als volgt luiden: "U zou over de Chinese nationaliteit beschikken en afkomstig zijn uit Dram, Nyalam- district, Shigatse- prefectuur, TAR (Tibetaanse Autonome Regio). Op 1 mei 2003 zou u samen met uw broer thuis gearresteerd zijn, na een huiszoeking door de politie. Tijdens deze huiszoeking zou de politie verboden propagandamateriaal over de dalai Lama gevonden hebben die toebehoorden aan uw broer. Men zou u tien dagen opgesloten hebben. In die tien dagen zou men u geregeld ondervraagd en mishandeld hebben; men wou namelijk weten waar u uw broer bovenvermelde propaganda vandaan haalde. U ontkende echter alle betrokkenheid. Bij uw vrijlating zou men u gedwongen hebben om een document te ondertekenen waarin u beloofde om niet langer politiek actief te zijn. Van uw broer zou u niets meer gehoord hebben. Hierna zou de politie u in de gaten XIV-24.270-2/7 gehouden hebben. Op 15 november 2003 zou u bezoek gekregen hebben van een zakenpartner van uw broer. Deze man zou een zak bij u achtergelaten hebben en hij zie tegen u dat iemand de volgende dag deze zak zou komen ophalen. De volgende dag zou u bij uw oom op bezoek geweest zijn, toen uw buurman Dorjee u kwam waarschuwen dat de politie opnieuw een huiszoeking had uitgevoerd. Hierbij zouden ze de zak gevonden hebben die de zakenpartner van uw broer had achtergelaten. U besloot hierna om te vluchten. U zou van 20 november 2003 tot 17 januari 2004 in Nepal verbleven hebben. Op 18 januari 2004 zou u in België aangekomen zijn. Ter ondersteuning van uw asielrelaas legt u een attest voor van het Bureau van Tibet en een attest van het de Tibetaanse gemeenschap in België.", Overwegende dat de verklaringen van de appellante een voldoende bewijs kunnen zijn van haar hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, plausibel en oprecht zijn; dat de verklaringen van de appellante coherent moeten zijn en niet in strijd met algemeen bekende feiten; dat de bewijslast in beginsel rust op de appellante en zij in de mate van het mogelijke bewijzen moet aanbrengen van de feiten die zij aanhaalt; dat het vervolgens de taak is van de persoon die de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling moet onderzoeken om de waarde van de bewijselementen en de geloofwaardigheid van de verklaringen van betrokkene te beoordelen (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, september 1979, 53); dat de Vaste Beroepscommissie niet moet bewijzen dat de aangehaalde feiten onwaar zouden zijn (R.v.St., X, 19 mei 1993, nr. 43.027); dat het niet de taak is van de Vaste Beroepscommissie zelf de lacunes in de bewijsvoering van de vreemdeling op te vullen (R.v.St., X, 26 oktober 2004, nr. 136.692); Overwegende dat appellante haar identiteit niet bewijst; dat zij stelt dat zij in Tibet een "shen fen zen" (identiteitskaart) had maar deze niet meegenomen heeft; dat ze haar familie niet kan contacteren omdat het gevaarlijk zou zijn; Dat appellante bij het CGVS (13 december 2004, p. 4) stelt dat de identiteitskaart geel-rood, eerder oranje is; dat zij ter zitting stelt dat deze kaart wit van kleur is; dat ze in haar verzoekschrift stelt dat het Tibetaans enkel de vier basiskleuren kent en dat zij niet verklaard kan hebben dat de kleur oranje is, vermits dit woord niet bestaat in het Tibetaans; dat dit niet overeenstemt met de informatie (stuk nr. 7), waaruit blijkt dat er geen sprake is van "vier" basiskleuren in het Tibetaans en dat er een woord bestaat voor "oranje"; dat volgens de informatie waarover het Commissariaat- generaal (CGVS) beschik en waarvan een kopie werd toegevoegd aan het dossier blijkt dat bovenvermeld document eerder roze en blauw is; Dat appellante een attest voorgelegd heeft van het Bureau van Tibet dat haar "Tibetaanse nationaliteit" bevestigt; dat dit document haar Chinese nationaliteit en voormalige woonplaats in Tibet niet bewijst; Overwegende dat appellante noch haar reisweg, noch het ogenblik dat zij haar land verliet of in België aankwam, bewijst; dat zij stelt dat de smokkelaar haar vergezelde en zijzelf nooit controle gehad heeft onderweg; dat dit werd gedaan door de smokkelaar; dat zij niet weet waar ze geland is; dat dit een negatieve aanwijzing is voor de geloofwaardigheid van haar relaas; Overwegende dat appellante stelt dat zij opgesloten waren in een cel bij de kazerne van het leger; dat zij bij het CGVS (8 april 2004, p. 15) stelt dat ze met zeven in de cel waren en ter zitting stelt dat ze met acht waren; dat ze bij het CGVS (13 december 2004, p. 7) stelt dat zij niet meer weet op welke dagen ze ondervraagd werd, maar de eerste keer op de eerste dag was, meteen nadat zij opgesloten werden; dat zij bij de Dienst Vreemdelingenzaken stelt dat ze vanaf de tweede dag dat ze daar verbleven ondervraagd werd; dat zij ter zitting stelt dat zij het niet meer weet; Overwegende dat appellante in haar verzoekschrift stelt dat enkel Tibetaanse bewoners van grote steden het Chinees min of meer machtig zijn; dat zij in een afgelegen dorp woont waar bijna geen Chinees wordt gesproken; dat de Chinese aanwezigheid aldaar zich beperkt tot politie en leger en er haast geen Chinese burgers wonen; dat appellante ter zitting bevestigt dat zij in het stadje Dram woont; dat er Chinese handelaren en restauranthouders wonen, evenals hun familie; dat haar verklaringen niet eensluidend zijn; XIV-24.270-3/7 Overwegende dat appellante in haar verzoekschrift stelt dat in de scholen het Tibetaans onderwezen wordt; dat zij dit ter zitting ontkent en stelt dat zij slechts vermeld heeft dat er scholen zijn; Overwegende dat de bestreden beslissing stelt: "Op basis van deze feiten kan dan ook geconcludeerd worden dat u niet over de Chinese nationaliteit beschikt. Gezien het feit dat uw asielrelaas onlosmakelijk verbonden is met uw beweerde nationaliteit, kan er dan ook geen geloof gehecht worden aan uw ingeroepen vrees ten aanzien van de Chinese Volksrepubliek. Voorts kunt u ook geen enkel document voorleggen dat uw identiteit en uw ingeroepen problemen in Tibet onder Chinees bestuur kan staven. Niettegenstaande u reeds een jaar in België verblijft heeft u hiertoe geen enkele poging ondernomen. Dit gebrek aan inzet doet duidelijk afbreuk aan de ernst die u blijkbaar hecht aan uw asielrelaas.", Dat appellante stelt dat er thuis bij haar ouders geen telefoon is; dat het opvragen van documenten onmogelijk is; dat zij andere personen zou moeten contacteren waardoor zij haar familieleden in gevaar zou brengen; Dat appellante niet aannemelijk maakt dat het inschakelen van kennissen om haar ouders te contacteren haar familieleden in gevaar zou brengen; Overwegende dat de appellante niet aantoont dat zij de bescherming van het land waarvan zij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging wegens haar ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of haar politieke overtuiging zoals bepaald in art. 1, par. A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, OM DEZE REDENEN : verklaart het beroep ontvankelijk doch ongegrond en weigert derhalve aan XXX de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling.”.
- Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat in zoverre het beroep eveneens gericht is tegen het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, het niet ontvankelijk is daar het middel uitsluitend gericht is tegen de beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen van 14 oktober 2005; 2.
- Overwegende dat met de verwerende partij dient vastgesteld dat tegen het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, genomen in uitvoering van de beslissing van 14 oktober 2005 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, geen enkel rechtsmiddel wordt aangevoerd; dat het beroep tegen voornoemd bevel niet ontvankelijk is;
- Over de gegrondheid van het beroep. 3.
- Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “Enig middel: schending van artikel 57/22 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen Dat artikel 57/22 bepaalt dat: "De beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen worden met redenen omkleed met vermelding van de omstandigheden van de zaak."
- Verzoekster wordt in de beslissing afgewezen omdat zij haar identiteit niet bewijst, haar reisweg niet bewijst. XIV-24.270-4/7 - Verzoekster kan haar identiteit enkel bewijzen met een attest van het Bureau van Tibet. Hieruit blijkt dat ze de Tibetaanse nationaliteit heeft. Haar identiteit wordt hiermede niet bewezen. Verzoekster stelt dat ze in het bezit was een shen fen zhen. Volgens de voorzitter van de Vaste Beroepscommissie legt verzoekster omtrent dit stuk tegenstrijdige verklaringen af. Verzoekster meent dat dit niet het geval is. Ze heeft duidelijk gezegd dat de kaart een witte kleur heeft. Wanneer je echter draait met de kaart krijg je andere kleuren te zien, zoals rood, oranje. Verzoekster wenst op te merken dat wanneer ze een kleur aanduidt vaak een vergelijking maakt; vb groen = de kleur van gras, grijs = de kleur van as enz. - Verzoekster kent haar reisweg niet en dit is een negatieve aanwijzing voor de geloofwaardigheid van haar asielrelaas. Verzoekster kan hier niet mee akkoord gaan. Ze heeft duidelijk verklaard dat ze de avond van 17 januari 2004 is ve(r)trokken in Nepal richting België. Ze is één maal overgestapt in een ander vliegtuig. Wanneer ze de bestemming heeft bereikt heeft ze een trein genomen, het duurde drie uur om in België aan te komen. De avond van 18 januari 2004 werd ze naar een kamer gebracht om de volgende ochtend asiel te kunnen aanvragen. Verzoekster geeft tijdstippen aan en bepaalt dat ze in 2 vliegtuigen heeft gezeten. Dit zijn verklaringen die verifieerbaar zijn door de asielinstanties. Verzoekster begrijpt dan ook niet waarom haar informatie een negatieve aanwijzing kan zijn voor de geloofwaardigheid van haar asielrelaas.
- Vermeende tegenspraken worden aangehaald om verzoekster af te wijzen als politiek vluchteling. De tegenspraken hebben betrekking op de cel waar verzoekster gevangen werd gehouden. Verzoekster is formeel. Ze zat in een cel met 7 andere mensen. Samen waren ze met
- Dit betreft geen tegenspraak. Verzoekster heeft op Dienst Vreemdelingenzaken verklaard dat ze vanaf de tweede dag werd ondervraagd. Op het Commissariaat-generaal en op de zitting van de Vaste Beroepscommissie heeft ze verklaard dat ze het niet meer weet. Dit betreft geen tegenspraak noch een aanwijzing dat ze liegt. Ze is het vergeten of heeft het uit haar geheugen gewist. Het gaat hier immers om ervaringen die gewelddadig waren. Ze werd tijdens de ondervragingen mishandeld.
- Vermeende niet eensluidende verklaringen worden verder aangehaald om verzoekster af te wijzen als politiek vluchteling. Verzoekster verklaarde dat ze geen Chinees kent omdat ze in een klein dorpje woont waar de Chinese aanwezigheid is beperkt tot politie en leger en waar haast geen Chinezen wonen. Op de zitting van de Vaste Beroepscommissie verklaart verzoekster dat er in haar dorp Chinese handelaren en restauranthouders wonen, evenals hun familie. Verzoekster merkt op dat er haast geen Chinezen wonen en diegenen die er wonen, dat zijn de restauranthouders en enkele handelaren. Het betreft hier geen tegenspraak. Verzoekster wenst tevens toe te voegen dat ze geen contact heeft met de Chinezen en dat hun restaurants enkel bezocht worden door toeristen.
- Verzoekster kan haar familie niet contacteren. Het betreft hier een materiële onmogelijkheid. Haar ouders hebben geen telefoon. Ze zou andere mensen moeten contacteren. Ze heeft een enorme schrik om dat te doen. Het is een algemene wetenschap binnenkomende lijnen mogelijk worden afgeluisterd. Verzoekster kan onmogelijk contact opnemen met haar familie, wegens geen telefoon. Ondergeschikt is er de schrik om haar familieleden in gevaar te brengen. Dit is een redelijke uitleg. De bestreden beslissing maakt een schending uit van artikel 57/22 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, vermits de vermeende tegenspraken er geen zijn en ze alles heeft gedaan om aan te tonen dat ze in Tibet heeft verbleven.”; XIV-24.270-5/7 3.
- Overwegende dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing de aanvraag van verzoekster wordt verworpen omdat geen geloof kan worden gehecht aan haar asielrelaas; dat dit besluit inzonderheid steunt op het gebrek aan identiteits- en reisdocumenten, op het gebrek aan documenten ter staving van haar relaas en op tegenstrijdige verklaringen; dat aldus afdoende wordt gemotiveerd waarom aan verzoekster de vluchtelingenstatus wordt geweigerd; dat het uitsluitend aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen als feitenrechter toekomt om te oordelen over de mogelijkheid waarin de vreemdeling verkeert om stukken ter staving van het asielrelaas (onder meer omtrent de identiteit, de reisweg en het voorgehouden asielrelaas) voor te leggen, om te oordelen of het voorgelegde stuk ter staving van de identiteit, met name een attest van het Bureau van Tibet, voldoende is om de identiteit te bewijzen, om te oordelen of de verklaringen in verband met de afgelegde reisweg aannemelijk en afdoende zijn om geloofwaardig te zijn en om te oordelen of de afgelegde verklaringen tegenstrijdig zijn; dat, daargelaten de vaststelling dat op grond van de vermelding in de bestreden beslissing van verzoeksters verklaring “dat ze met acht waren” niet kan worden nagegaan op welke vraag dit een antwoord is (“Met hoeveel celgenoten?” of “Met hoeveel in totaal, verzoekster inbegrepen?”), de overige vastgestelde tegenstrijdigheden alle steun blijken te vinden in het administratief dossier; dat het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toekomt om na te gaan of de tegenstrijdigheden niet kunnen verklaard worden door het feit dat verzoekster één en ander vergeten is of uit haar geheugen heeft gewist, en of de weinige Chinezen in het afgelegen dorp waar zij woonde handelaren en restauranthouders waren; dat onder het mom van de schending van de motiveringsplicht de feitelijke beoordeling van de zaak door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt bekritiseerd; dat, als administratieve cassatierechter, de Raad van State de opdracht heeft om toezicht uit te oefenen op de wettigheid van de hem voorgelegde beslissing van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; dat hij hierbij, luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State “niet in de beoordeling van de zaak zelf” mag treden; dat het enig middel in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-24.270-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig maart tweeduizend en negen, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, B. TETTELIN, griffier. De griffier, De voorzitter, B. TETTELIN. A. BEIRLAEN. XIV-24.270-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.780 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.