id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.904 Rolnummer: Zaak: Arrest 191904 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-09 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 00:02 Fiche Arrest nr 191.904 van 25 maart 2009 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.904 van 25 maart 2009 in de zaken A. 186.661/XIV-30.097 186.664/XIV-30.
(3)dat de partij het aannemelijk maakt dat zij deze nieuwe gegevens niet eerder in de procedure kon meedelen. Indien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat aan (één XIV-30.097-30.098-3/8 van) deze cumulatieve voorwaarden niet is voldaan, dan moet de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen deze niet in overweging nemen. Bovendien, indien zou blijken dat verzoekers noch in hun brief van 28 september 2007, noch in hun brief van 30 oktober 2007, noch ter zitting, zouden hebben aannemelijk gemaakt dat deze gegevens niet eerder in de procedure konden worden ingediend, dan is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelfs niet gehouden om in haar arrest te motiveren waarom zij deze stukken niet in overweging neemt. Verzoekers verklaarden hieromtrent enkel in onderhavig verzoekschrift dat "verzoeker immers eerder in de procedure had te kennen gegeven dat hij probeerde deze documenten te verzamelen, maar dat hij er nog niet voor alle documenten in geslaagd was om zijn contactpersonen in Saudi-Arabië en in Syrië te contacteren". Nog los van de vaststelling dat verzoekers niet preciseren op welk moment in de procedure zij dit dan wel hebben meegedeeld, benadrukt verweerder dat verzoe~ers niet aannemelijk maken waarom zij deze concrete documenten (en vertaling), die zij toevoegden per brief van 28 september 2007 (en 30 oktober 2007), niet eerder in de procedure hadden kunnen meedelen. Dit klemt des te meer, gezien verzoeker onder meer omtrent zijn arbeidsovereenkomst voor het Commissariaat-generaal had verklaard deze niet te kunnen tonen, gezien het zich op het secretariaat van de firma bevindt (gehoorverslag CGVS, p.2), zoals ook in het bestreden arrest werd aangehaald. Over de klacht beweerde verzoeker voor het Commissariaat-generaal dat hij dit niet kon bewijzen, gezien ze normaal geen papieren geven (gehoorverslag CGVS, p. 17). Gezien voormelde verklaringen en gezien ook tijdens het gehoor voor het Commissariaat-generaal verzoeker werd verzocht documenten neer te leggen die toelaten te bewijzen dat hij effectief zaakvoerder was van de firma Wadi Mohra, dat hij klacht had neergelegd bij het Syrische arbeidsbureau en dat hij in Saudi Arabië aangeklaagd was, kan er redelijkerwijze worden verwacht dat verzoekers kunnen aannemelijk maken waarom zij deze documenten niet eerder op het gepaste ogenblik in de procedure hadden kunnen meedelen, waartoe zij echter in gebreke bleven. Niets verhinderde overigens de verzoekende partij hieromtrent zijn visie uiteen te zetten tijdens het tegensprekelijk debat van 27 november 2007, hetgeen hij heeft nagelaten. Verzoekende partij toont aldus niet aan dat hij aan de procedurele voorwaarden van artikel 39/76, 41, al. 3 voldeed, noch dat deze bepaling zou zijn miskend door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen was dan ook niet gehouden om deze stukken in aanmerking te nemen. - Volledigheidshalve wijst verweerder er op dat verzoekers arbeidspositie en functie binnen het bedrijf Wadi Mohra ongeloofwaardig werden bevonden, niet alleen bij gebrek aan overtuigende bewijzen, maar vooral omdat verzoeker hieromtrent geen aannemelijke verklaringen heeft afgelegd, zoals in het bestreden arrest wordt uiteengezet. Verzoekers redelijk te verwachten specifieke kennis van zijn eigen bedrijf bleek immers ondermaats te zijn en ook zijn kennis van de personen, firma's en havens die betrokken waren bij de import is quasi onbestaande, zoals wordt benadrukt in het bestreden arrest. Nochtans kan van iemand die een hogere bedrijfsfunctie heeft, worden verwacht dat hij antwoord kan geven op dergelijke vragen, vooral in het geval hij geen overtuigende documenten kan voorleggen die dergelijke positie zou kunnen aantonen. Het gegeven dat verzoekende partij na het indienen van zijn verzoekschrift plots met bijkomende stukken afkomt zonder enige aannemelijke uitleg waarom hij deze niet eerder in de procedure had kunnen voorleggen, maakt zijn verklaringen niet opeens met zekerheid geloofwaardig. Het eerste middel is ongegrond.”;
- Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegen: “Verzoekers voeren aan dat de bestreden beslissing artikel 39/76 §1 derde lid van de Vreemdelingenwet schendt door bepaalde nieuwe gegevens niet in aanmerking te nemen. Artikel 39/76 § 1 derde lid van de Vreemdelingenwet bepaalt: "In afwijking van het tweede lid en desgevallend van artikel 39/60, tweede lid, kan de Raad met het oog op een goede rechtsbedeling, beslissen om elk nieuw gegeven in aanmerking te XIV-30.097-30.098-4/8 nemen dat hem ter kennis wordt gebracht door de partijen, met inbegrip van hun verklaringen ter terechtzitting, onder de cumulatieve voorwaarden dat: l/ deze gegevens steun vinden in het rechtsplegingsdossier,- 2'/ze van die aard zijn dat ze op een zekere wijze het gegrond of ongegrond karakter van het beroep kunnen aantonen; 3/ de partij aannemelijk maakt dat zij deze nieuwe gegevens niet eerder in de procedure kon meedelen. Op 28 september 2007 brachten verzoekers, met toepassing van dit artikel, van de Vreemdelingenwet per brief nieuwe bewijsstukken ter kennis aan de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen om het gegrond karakter van hun verzoek aan te tonen. Per brief van 30 oktober 2007 werd ook de vertaling van deze nieuwe bewijsstukken aan de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen meegedeeld. Deze brieven motiveerden ook voor elk van de meegedeelde stukken waarom aan de voorwaarden van dit artikel was voldaan. Het ging om volgende documenten: een bewijs van de klacht die verzoeker tegen zijn Saudische sponsor heeft ingediend; een kopie van de arbeidsovereenkomst tussen verzoeker en het Saudische bedrijf waarbij hij werkte; een document van de Syrische immigratiediensten, met onder andere vermelding van een verbod het land te verlaten; een Syrisch aanhoudingsbevel dat aan het huis van de moeder van verzoeker is afgeleverd toen verzoeker Syrië reeds had ontvlucht. Volgens dit aanhoudingsbevel werd verzoeker gezocht om berecht te worden voor het niet navolgen van militaire bevelen en voor hoogverraad. Ter zitting van 27 november 2007 bleek dat noch de Voorzitter, noch de vertegenwoordiger van het Commissaris-generaal al kennis hadden van deze bijkomende bewijsstukken, die een maand eerder waren neergelegd, en die ze ter zitting in het administratief dossier aantroffen. Verzoekende partij wees dan ook ter zitting op het bestaan van deze stukken, en verwees naar de argumentatie dat de voorwaarden om deze stukken in aanmerking te nemen vervuld waren, zoals uiteengezet in de brief van 30 oktober
- Nochtans werd in het bestreden arrest geen enkele rekening gehouden met, of zelfs maar melding gemaakt van deze bijkomende bewijsstukken, die ook niet uit de debatten werden geweerd. Ook wordt er geen melding gemaakt van de argumenten die verzoekers systematisch hadden aangehaald om aan te tonen dat voldaan was aan elk van de cumulatieve voorwaarden van artikel 39/76 §1 derde lid van de Vreemdelingenwet. Zelfs in de preambule van het arrest, waar wél wordt verwezen naar het oorspronkelijke verzoekschrift, de nota van de Commissaris-generaal, het verslag van de rechter in vreemde- lingenzaken en de opmerkingen van de verzoekende partij en haar advocaat en van de vertegenwoordiger van de Commissaris-generaal ter zitting, werd niét verwezen naar de bijkomende elementen die verzoeker had ingediend. Artikel 39/76 van de Vreemdelingenwet bepaalt zelf de criteria waaraan de bijkomende stukken moeten voldoen, en bepaalt expliciet dat het beoogt bij te dragen tot de goede rechtsbedeling. Het willekeurig en niet gemotiveerd negeren van de bijkomende elementen vormt dan ook een schending van dit artikel van de Vreemdelingenwet. In het memorie van antwoord van de verwerende partij van 26 maart 2008 argumenteert de verwerende partij dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet gehouden was deze stukken in aanmerking te nemen, en dat verzoekers in gebreke blijven om aannemelijk te maken dat zij deze documenten niet eerder hadden kunnen meedelen. De verwerende partij verwijt verzoekers in het verzoekschrift niet te preciseren op welk moment in de procedure zij hebben meegedeeld dat zij er nog niet in geslaagd waren hun contactpersonen te contacteren en dat zij daardoor deze documenten nog niet ontvangen hadden. Nochtans wordt in het verzoekschrift verwezen naar de motivatie die werd gegeven in de bijgebrachte brieven waarmee deze stukken werden aangebracht. Met betrekking tot het niet eerder kunnen aanbrengen van deze gegevens blijkt uit deze brieven het volgende: In het verzoekschrift tot hervorming of vernietiging van de beslissing van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen werd verwezen naar de heer Abdul Bari: ‘Na recente contacten met de heer Abdul Bari, een Saudische ex-generaal en collega van verzoeker bij Wadi Mohra, heeft deze verzoeker beloofd het strookje met dit dossiernummer naar België te laten versturen, maar het is hier nog niet aangekomen. Ook op XIV-30.097-30.098-5/8 het moment van het verhoor voor het Commissariaat had verzoeker al geprobeerd de heer Abdul Bari te bereiken, maar dat was toen niet gelukt omdat de heer Abdul Bari in Spanje op vakantie was. Tijdens het interview bij het Commissariaat-generaal heeft verzoeker verwezen naar deze ex-generaal.’ - Deze heer Abdul Bari heeft uiteindelijk per e-mail twee documenten bezorgd aan verzoekers: een bewijs van zijn klacht bij het arbeidsbureau, uitgegeven door het Arabische arbeidsbureau, naar aanleiding van de klacht die de heer Shaban heeft ingediend tegen zijn werkgever Youssef al Quami; en een document dat de arbeidsovereenkomst tussen de heer XXX en zijn werkgever beschrijft. - De twee andere documenten die verzoekers hebben aangebracht zijn een document van de Syrische overheid waarbij aan de heer XXX een paspoort geweigerd wordt wegens een onderzoek door de Syrische veiligheidspolitie, en een aanhoudingsbevel ten aanzien van de heer XXX waarin staat dat deze gezocht wordt voor het niet navolgen van militaire bevelen en voor hoogverraad. - Verzoekers hadden geen van deze documenten bij tijdens hun vlucht uit Syrië begin
- - Een van de aangebrachte documenten, het aanhoudingsbevel, dateert trouwens van 15 juni
- - Het aanhoudingsbevel en het document in verband met het paspoort zijn door de broer van de heer XXX per post aan verzoekers bezorgd, die ze dan op 28 september 2007 heeft neergelegd. Naar deze elementen werd verwezen door verzoekers op de zitting voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Aangezien de bestreden beslissing geen enkele melding maakt van de nieuwe gegevens, kan niet met zekerheid vastgesteld worden waarom deze door de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen zijn genegeerd. De motivering van verwerende partij in haar memorie van antwoord kan niet in de plaats komen van de analyse die de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had moeten maken, op basis van de daarvoor in de wet voorziene criteria. Deze analyse zou uitgewezen hebben dat de nieuwe gegevens wel degelijk in aanmerking hadden moeten genomen worden, en dat deze de strekking van het arrest zouden hebben beïnvloed. De ontvankelijkheid van het eerste middel wordt niet betwist, en gezien het bovenstaande is dit middel gegrond.”;
- Overwegende dat artikel 39/76, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) als volgt luidt: “De geadieerde kamervoorzitter of de aangewezen rechter in vreemdelingenzaken onderzoekt steeds of hij de bestreden beslissing kan bevestigen of hervormen. De geadieerde kamervoorzitter of de aangewezen rechter in vreemdelingenzaken onderzoekt slechts de nieuwe gegevens als [aan de twee volgende voorwaarden] is voldaan: 1/ deze nieuwe gegevens zijn opgenomen in het oorspronkelijk verzoekschrift of, indien met toepassing van [artikel 39/72, § 2], een verzoek tot tussenkomst wordt ingediend, in het verzoekschrift tot tussenkomst; 2/ de verzoeker of de tussenkomende partij in het geval bedoeld in artikel 39/72, § 2, moet aantonen dat hij deze gegevens niet vroeger heeft kunnen inroepen in de administratieve procedure. In afwijking van het tweede lid en desgevallend van artikel 39/60, tweede lid, kan de Raad met het oog op een goede rechtsbedeling, beslissen om elk nieuw gegeven in aanmerking te nemen dat hem ter kennis wordt gebracht door de partijen, met inbegrip van hun verklaringen ter terechtzitting, onder de cumulatieve voorwaarden dat: 1/ deze gegevens steun vinden in het rechtsplegingsdossier; 2/ ze van die aard zijn dat ze op een zekere wijze het gegrond of ongegrond karakter van het beroep kunnen aantonen; XIV-30.097-30.098-6/8 3/ de partij aannemelijk maakt dat zij deze nieuwe gegevens niet eerder in de procedure kon meedelen. (...)”; Overwegende dat het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 het volgende overweegt: (...) Hoewel de bewoordingen van het derde lid van artikel 39/76, § 1, van de wet van 15 december 1980 (...) en met name het gebruik van het werkwoord ‘kan’, het mogelijk lijken te maken dat de Raad beslist om geen rekening te houden met nieuwe gegevens, zelfs wanneer de drie cumulatieve voorwaarden zijn vervuld, moet die bepaling, teneinde in overeenstemming te zijn met de wil van de wetgever om aan de Raad een bevoegdheid met volle rechtsmacht ter zake toe te kennen, in die zin worden gelezen dat zij de Raad ertoe verplicht elk nieuw gegeven te onderzoeken dat de verzoeker voorlegt en dat van dien aard is dat het op zekere wijze het gegronde karakter van het beroep kan aantonen, en daarmee rekening te houden. (...)”; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partijen op 28 september 2007 met een ter post aangetekende brief nieuwe stukken hebben toegezonden aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, dat zij in een begeleidende brief hebben uiteengezet waarom aan de voorwaarden van artikel 39/76, § 1, van de Vreemdelingenwet is voldaan en dat zij op 30 oktober 2007 met een ter post aangetekende brief een vertaling van deze stukken hebben neergelegd; dat uit het proces-verbaal van de zitting van 27 november 2007 blijkt dat door de verzoekende partijen ter terechtzitting “stukken worden (...) voorgelegd en overhandigd aan de CGVS”; dat deze stukken evenwel niet worden vermeld in het arrest; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, nu hij verplicht is elk nieuw gegeven te onderzoeken, zijn weigering om een dergelijk gegeven in aanmerking te nemen, dient te motiveren in het arrest; dat in casu uit het bestreden arrest niet blijkt of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 39/76 van de Vreemdelingenwet heeft toegepast overeenkomstig het bepaalde in arrest nr. 81/2008 van 27 mei 2008 van het Grondwettelijk hof; dat het eerste middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- De zaken nrs. 186.661/XIV-30.097 en 186.664/XIV-30.098 worden gevoegd. XIV-30.097-30.098-7/8 Artikel
- Vernietigd worden de arresten nr. 4581 en 4582 van 7 december 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
- Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de vernietigde arresten. Artikel
- De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwin- tig maart tweeduizend en negen, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-30.097-30.098-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.904 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div