← België

Arrest 191916 - Milieuvergunningen - 26/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.916 Rolnummer: A. 156572/VII-32990 Zaak: Arrest 191916 - Milieuvergunningen - 26/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-03 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 00:08 Fiche Arrest nr 191.916 van 26 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.916 van 26 maart 2009 in de zaak A. 156.572/VII-32.

  1. In zake :
  2. Noël BROUCKAERT,
  3. Koen DENOO,
  4. Marc HESSEL,
  5. Francky BOUCKAERT,
  6. de gemeente HOOGLEDE, die woonplaats kiezen bij advocaten I. LARMUSEAU, P. DE SMEDT en B. ROELANDTS, kantoor houdende te GENT, Kasteellaan 141 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaten F. VINCKE en G. MARTYN, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg
  7. tussenkomende partij : de BVBA SENERGHO, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg
  8. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Noël BROUCKAERT, Koen DENOO, Marc HESSEL, Francky BOUCKAERT en de gemeente HOOGLEDE op 15 oktober 2004 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 10 augustus 2004, waarbij de beroepen, ingediend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 12 februari 2004, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de BVBA SENERGHO om een varkensbedrijf, gelegen aan de Driewegenstraat 21 te Gits (Hooglede), uit te breiden, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd; VII-32.990-1/13 Gelet op het arrest nr. 140.760 van 17 februari 2005 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partijen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 11 mei 2005 ingediend door de BVBA SENERGHO; Gelet op de beschikking van 13 mei 2005 die de tussenkomst van de BVBA SENERGHO toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur J. CLEMENT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 27 januari 2009 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 26 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. VAN AKEN die, loco advocaat I. LARMUSEAU verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat F. VINCKE, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. DE STAERCKE die, loco advocaat J. GHYSELS verschijnt voor de tussen- komende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-32.990-2/13 OVERWEEGT WAT VOLGT :
  9. De feiten 1.
  10. De tussenkomende partij exploiteert een varkensfokkerij, gelegen aan de Driewegenstraat 21 te Gits (Hooglede), waarvoor een vergunning werd verleend voor de opslag van 2.448 m³ mest en voor het houden van 250 zeugen, 1.750 mestvarkens en 5 voedersilo's, samen 60 ton, tot 1 september
  11. Deze inrichting is volgens het gewestplan Roeselare-Tielt gelegen in een agrarisch landschappelijk waardevol gebied. Eerste en tweede verzoekers wonen recht over de bestaande gebouwen van het bedrijf en de geplande inrichting zal respectievelijk op ongeveer 40 en 15 meter van hun woning worden gevestigd. Derde en vierde verzoekers wonen in tuinbouwbedrijven, die respectievelijk op ongeveer 280 en 550 meter van de geplande inrichting zijn gelegen. 1.
  12. Op 10 november 2003 dient de tussenkomende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een milieuvergun- ningsaanvraag in met als voorwerp een varkensfokkerij uit te breiden "met een biomethanisatie, productie van energie en verwerking en droging van het eind- digestaat". Samengevat betreft de aanvraag de exploitatie van een mest- en afvalverwerkingsinstallatie, waarbij mest afkomstig van het eigen bedrijf en mest afkomstig van veeteeltbedrijven uit de omgeving, samen met andere afvalstoffen, omgezet wordt in biogas met brandbaar methaan als brandstof voor een warmte- krachtmotor die een generator aandrijft en elektriciteit opwekt. In een volgende fase wordt de vaste fractie van de mest via droging en korrelpers omgezet in gekorrelde meststof bestemd voor export. De dunne, vloeibare fractie wordt na filtering opgeslagen in een lagune en wordt nadien opnieuw gebruikt, onder meer voor de beregening van akkers. Het resterend gedeelte wordt geloosd in het grachtenstelsel, indien voldaan is aan de sectorale normen. Het openbaar onderzoek naar aanleiding van deze aanvraag levert 101 bezwaarschriften op. De vijfde verzoekende partij en de afdeling Preventieve en Ambulante Gezondheidszorg adviseren ongunstig. De overige instanties adviseren gunstig. Op 12 februari 2004 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen de gevraagde milieuvergunning voor een termijn van twintig jaar. VII-32.990-3/13 1.
  13. De verzoekende partijen tekenen tegen deze beslissing beroep aan. Naar aanleiding van deze beroepen worden de volgende adviezen gegeven : - de Vlaamse Landmaatschappij, op 29 april 2004 : gunstig mits het opleggen van een aantal bijkomende bijzondere voorwaarden; - de Vlaamse Milieumaatschappij, op 5 mei 2004 : gunstig voor het lozen van maximum 0,33 m³/d en 120 m³/j huishoudelijk afvalwater via een kleinschalige waterzuiveringsinstallatie in een ingebuisde gracht, mits naleving van een aantal voorwaarden, en gunstig op proef voor één jaar voor het lozen van maximum 4 m³/u, 78 m³/d en 22.000 m³/j bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen (rubriek 3.4.1), mits voldaan wordt aan de sectorale voorwaarden; voor het overige ongunstig; - de afdeling Milieuvergunningen, op 10 mei 2004 : gunstig mits enkele wijzigingen aan de vergunningsvoorwaarden; - de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg, op 12 mei 2004 : gunstig voor een vergunning op proef voor twee jaar, mits bijkomende bijzondere voorwaarden; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, op 12 mei 2004 : gunstig; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert op 17 mei 2004 dat het afvalaspect nog verder moet worden onderzocht en dat daartoe nog een aanvullend advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, de afdeling Milieuver- gunningen en de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM) wordt gevraagd; - de afdeling Milieuvergunningen, op 1 juni 2004 : aanvullend voorwaardelijk gunstig; - de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, op 24 mei 2004 : aanvullend voorwaardelijk gunstig - de afvalverwerking dient van ondergeschikt belang te zijn aan de mestverwerking; op 4 augustus 2004 wordt dit advies aangevuld met de vermelding dat de verhouding 15/85 % tussen andere producten/mest nog te rijmen is met de eis van een hoofdzakelijk agrarische bestemming; - OVAM, op 4 juni 2004 : gunstig mits bijkomende voorwaarde; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie op 7 juni 2004 : gedeeltelijk gunstig. 1.
  14. Op 15 juli 2004 zendt de bevoegde minister het dossier zonder beslissing terug aan de afdeling Milieuvergunningen, onder meer omdat nog bijkomende overtuigingsstukken aan de exploitant zijn gevraagd inzake de visuele impact. Op 26 juli 2004 maakt de tussenkomende partij een aanvullend overtuigings- stuk over. Het gaat hier om een studie betreffende de visuele impact van de installatie, uitgevoerd door de NV ECO FLANDERS. VII-32.990-4/13 1.
  15. Op 10 augustus 2004 verklaart de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur de beroepen gedeeltelijk gegrond, waardoor de beslissing in eerste aanleg wordt gewijzigd om tegemoet te komen aan de voorwaarden die door de adviserende instanties werden geformuleerd. De vergunning wordt verleend voor een termijn verstrijkend op 1 september
  16. Dit is de bestreden beslissing.
  17. De ontvankelijkheid 2.
  18. De tussenkomende partij werpt in haar memorie de volgende excepties op : - ten aanzien van eerste en tweede verzoekers : het ontbreken van het rechtens vereiste persoonlijk belang, met verwijzing naar de overweging in het arrest nr. 140.760 van 17 februari 2005 in de schorsingsprocedure, dat de visuele impact van de vergunde exploitatie voortvloeit uit de stedenbouwkundige vergunning en dus niet uit het bestreden besluit; - ten aanzien van derde en vierde verzoekers : eveneens het ontbreken van het rechtens vereiste belang, met verwijzing naar het auditoraatsverslag in de schorsingsprocedure, waarin ten aanzien van derde verzoeker wordt gesteld dat hij niet aantoont eigenaar-uitbater te zijn van het tuinbouwbedrijf dat de wateroverlast ondergaat en dus ook niet aantoont een rechtstreeks en persoon- lijk moeilijk te herstellen ernstig nadeel te ondergaan en waarin ten aanzien van vierde verzoeker wordt gesteld dat het aangevoerde nadeel, als loontrekkende, niet persoonlijk wordt ondergaan; - ten aanzien van de vijfde verzoekende partij : de niet-ontvankelijkheid van het verzoek tot voortzetting wegens het ontbreken van een rechtsgeldige opdracht van de gemeenteraad aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Hooglede om de annulatieprocedure voort te zetten. 2.
  19. De tussenkomende partij tracht in haar laatste memorie haar exceptie ten aanzien van eerste en tweede verzoekers te staven door verdere verwijzingen naar het auditoraatsverslag in de schorsingsprocedure. Zij trekt ook hun wettig belang in twijfel. Wat het belang van de vijfde verzoekende partij betreft, voegt zij nog toe dat het motief van de gemeente gelegen is in haar beleidsvisie, wat overwegingen betreft die normaal moeten worden opgenomen in een ruimtelijk structuurplan, en dat een dergelijke structuurplan krachtens de geldende decretale VII-32.990-5/13 bepalingen geen beoordelingsmotief kan uitmaken voor vergunningsplichtige werken en handelingen. Zij besluit dat de vijfde verzoekende partij van geen wettig belang doet blijken. 2.
  20. Eerste en tweede verzoekers wonen in de onmiddellijke omgeving van de vergunde mestverwerkingsinstallatie en hebben bijgevolg belang bij het bestrijden van de exploitatievergunning. Het niet weerhouden van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in het arrest inzake de vordering tot schorsing doet daaraan geen afbreuk. De exceptie ten aanzien van eerste en tweede verzoekers wordt verworpen. Derde en vierde verzoekers wonen op een aanzienlijk grotere afstand van de vergunde verwerkingsinstallatie. Zelf vermelden zij een afstand in vogelvlucht van respectievelijk 280 en 550 meter. Het blijkt dat de woningen van derde en vierde verzoekers niet gelegen zijn in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied ten Westen van Gits waarin de verwerkingsinstallatie is vergund, maar in een agrarisch gebied ten noorden van Gits. De aan- en afvoer van de mestverwerkingsinstallatie gebeurt via andere straten dan deze waarin derde en vierde verzoekers wonen. Het blijkt derhalve onvoldoende waarin hun rechtstreeks en persoonlijk belang gelegen is. De exceptie ten aanzien van derde en vierde verzoekers is gegrond. De tussenkomende partij steunt haar exceptie ten aanzien van de vijfde verzoekende partij in de eerste plaats op de bewering dat tien ja-stemmen, negen neen-stemmen en twee onthoudingen op een totaal van 21 aanwezige raadsleden in de gemeenteraad geen volstrekte meerderheid zou vormen in de zin van artikel 99, § 1, van de Nieuwe Gemeentewet. Deze bepaling schrijft de "volstrekte meerderheid van de stemmen" voor. Om aan het voorschrift te voldoen, volstaat het dat de beslissing wordt genomen met de volstrekte meerderheid van de gemeenteraadsleden die een stem hebben uitgebracht en moet met andere woorden geen rekening worden gehouden met de onthoudingen. Voorts maakt de tussen- komende partij niet aannemelijk dat te dezen de gemeente niet zou beschikken over het belang, nu zij principieel een persoonliijk belang heeft bij het aanvechten van een beslissing die haar beleid inzake ruimtelijke ordening, natuurbehoud- en ontwikkeling raakt. De excepties ten aanzien van de vijfde verzoekende partij worden verworpen. VII-32.990-6/13
  21. Ten gronde 3.1.
  22. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van het bij koninklijk besluit van 17 december 1979 vastgestelde gewestplan "Roeselare Tielt", van de artikelen 11.4.
  23. en 15.4.6.
  24. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen (hierna : inrichtingsbesluit), van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het zorgvuldigheidsbe- ginsel, de materiële motiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel, en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet). Zij stellen in essentie dat de vergunningverlenende overheid moet nagaan of een bedrijf al dan niet aanvaardbaar is in een agrarisch gebied, meer bepaald door zich in het besluit zelf een oordeel te vormen over de vraag of de activiteit van de betrokken inrichting onmiddellijk bij de landbouw aansluit, dan wel erop afgestemd is. Zij concluderen dat uit het bestreden vergunningsbesluit niet blijkt dat de voorgenomen verwerking van "ongeboren mest" en "vet van vetafscheiders" werd getoetst aan de voor dit gebied geldende planologische bestemmingsvoorschriften, zodat dit besluit door een formeel en materieel motiveringsgebrek is aangetast en geenszins "blijk geeft van een zorgvuldig overheidshandelen". 3.1.
  25. De verwerende partij stelt daartegenover dat gelet op de activiteiten en op het feit dat de inrichting zo dicht mogelijk moet worden ingeplant bij de betrokken bedrijven, de rechtstreekse relatie met de omgeving vast staat, dat 90 % van de toeleverende bedrijven zich bovendien binnen een perimeter van ongeveer tien kilometer rond het kwestieus bedrijf bevinden en dat zowel de ongeboren mest als het vet van vetafscheiders kunnen worden beschouwd als afvalstoffen die slechts aansluiten bij de verwerkingsactiviteit van de kwestieuze inrichting, die zich in agrarisch gebied bevindt. De verwerende partij merkt op dat het slechts een zeer minimale hoeveelheid van de afval voor de verwerkingsinstalla- tie betreft, die daarenboven met volledig gesloten vrachtwagens wordt geleverd. Zij stelt ook dat ongeboren mest en vet van vetafscheiders passen in het concept. Het gebruik daarvan is noodzakelijk om procestechnische redenen. Zij wijst er op dat de installatie niet is gericht op de verwerking van deze stoffen, doch dat deze slechts aan het mestverwerkingsproces moeten worden toegevoegd om dit proces mogelijk te maken. VII-32.990-7/13 3.1.
  26. In hun memorie van wederantwoord beklemtonen de verzoekende partijen dat de verwerking van ongeboren mest, die een van slachterijen afkomstige afvalstof is, en vet van vetafscheiders, dat een van de voedselverwerkende nijverheid afkomstige afvalstof is, en waarvan vaststaat dat deze naast vet ook andere stoffen bevat, een afvalverwerkende activiteit is en geen agrarische of para-agrarische activiteit, zodat zij niet verenigbaar is met de bestemming van het gebied. 3.1.
  27. Krachtens artikel 2, § 1, van het coördinatiedecreet is de overheid die moet beschikken op een milieuvergunningsaanvraag ertoe gehouden de voorschriften van de geldende plannen van aanleg in acht te nemen, wat onder meer inhoudt dat zij de vergunning moet weigeren als de inrichting niet past in de bindende voorzieningen van het plan. Het wordt niet betwist dat de inrichting gelegen is in een landschappelijk waardevol gebied. Uit artikel 11.4.
  28. van het inrichtingsbesluit volgt dat niet alleen zuivere landbouwbedrijven maar ook para-agrarische bedrijven kunnen worden gevestigd in agrarische gebieden. Een para-agrarisch bedrijf kan worden omschreven als een onderneming waarvan de activiteit onmiddellijk bij de landbouw aansluit en er op is afgestemd. Daarbij is het niet vereist dat de activiteit van het bedrijf aan de grond gebonden is, noch dat zij van industriële aard is. Tevens moet het begrip "para-agrarisch bedrijf" niet restrictief worden uitgelegd. Luidens artikel 11.4.
  29. van het inrichtingsbesluit zijn de agrarische gebieden immers bestemd voor de landbouw in de "ruime" zin. Het gebruik van de term "ruime zin" betekent dat het begrip "landbouw" niet restrictief, doch extensief moet worden opgevat. Opdat een activiteit als para-agrarisch zou kunnen worden beschouwd, moet zij, zoals reeds gezegd, onmiddellijk bij de landbouw aansluiten en erop afgestemd zijn. Te dezen is dat het geval in zoverre het gaat om de verwerking van landbouwproducten (mest en energiegewassen) tot een digestaat dat op het land als meststof kan worden aangewend tot biogas. De bestreden beslissing vergunt een installatie waarin naast 85 % mest ook maximaal 15 % andere producten worden verwerkt. Het afval dat verwerkt wordt, mag alleen plantaardig afval uit de omgeving, "ongeboren mest" en "vet van vetafscheiders" zijn. In het bestreden besluit wordt gesteld dat het omwille van procestechnische redenen noodzakelijk is om in een mestverwerkingsinstallatie naast mest ook een beperkt percentage vetstoffen te verwerken. De verzoekende partijen betwisten dit niet. Een kleinscha- lige installatie waarin mest van de landbouwbedrijven uit de onmiddellijke omgeving wordt verwerkt om er elektriciteit mee op te wekken en waarin slechts een VII-32.990-8/13 zeer beperkt percentage van vetstoffen wordt verwerkt, kan worden aanzien als een para-agrarisch bedrijf, zelfs al zijn de betrokken vetstoffen te beschouwen als afvalstoffen. In hun laatste memorie leveren de verzoekende partijen geen kritiek op het verslag van de eerste auditeur, die tot deze bevindingen kwam. De inrichting, zoals ze werd vergund, kon terecht als een para-agrarisch bedrijf worden be- schouwd, niet op basis van de omzendbrief RO/2006/01van 19 mei 2006 betreffende het afwegingskader en de randvoorwaarden voor de inplanting van installaties voor mestbehandeling en vergisting, waarnaar de verwerende partij verwijst, maar op basis van het inrichtingsbesluit zelf. Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.
  30. Als tweede middel voeren de verzoekende partijen in hun verzoekschrift de schending aan van artikel 1.2.1., § 1, 3/, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna : DABM), de artikelen 30bis, § l, 30bis, § 2, 7/, en 52, 3/, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel. Het middel houdt in essentie in dat de omstandig geformuleerde grieven van de verzoekende partijen in verband met, onder meer, de landschappelij- ke inpasbaarheid en de mobiliteitsdruk van het project, onbeantwoord worden gelaten of in ieder geval niet op een afdoende wijze worden afgedaan. 3.2.
  31. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord, onder meer, dat de geplande installatie vrij compact is en een ruimtelijke eenheid vormt met het gebouwenbestand van het bestaande veeteeltbedrijf en de serre van het naastliggende glastuinbouwbedrijf. Tevens benadrukt zij dat het bestreden besluit wel alle voorwaarden bevat opdat de exploitatie zou kunnen voldoen aan de bepalingen van Vlarem I en het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), alsook de voorwaarden in zake een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel. Zo ook werd volgens haar uitspraak gedaan over de door de verzoekende partijen opgeworpen aanspraken en bezwaren overeenkomstig artikel 52, 3/, b), van Vlarem I. Alleszins werd dat bezwaar volgens haar aangehaald in de opsomming van de door beroepsindieners aangehaalde aanspraken. VII-32.990-9/13 Zij merkt verder op dat de motiveringsplicht voorgeschreven door artikel 52, § 3, van Vlarem I niet inhoudt dat de uitspraak over het beroep minutieus over elk individueel bezwaar een omstandig gemotiveerde beslissing moet inhouden, dat de verzoekende partijen het antwoord van de verwerende partij op hun grieven in het bestreden besluit kunnen terugvinden en dat bijgevolg artikel 1.2.1., § 3, van het DABM niet werd geschonden. Wat de schending van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht betreft, verwijst de verwerende partij naar haar uiteenzetting bij het eerste middel, waarin zij deze elementen, onder meer met verwijzing naar de rechtspraak van de Raad van State, poogt te weerleggen. 3.2.
  32. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij nog dat de bepalingen "landschappelijk waardevol" en "schoonheidswaarde van het landschap" van artikel 15.4.6.
  33. van het inrichtingsbesluit zich niet laten vatten in mathematische formules en moeilijk objectiveerbaar zijn, zodat er een aanzienlijke beoordelingsmarge overblijft voor de overheid. 3.2.
  34. De tussenkomende partij verwijst in haar laatste memorie naar een deskundig verslag dat zij als bijkomend stuk heeft neergelegd, waaruit blijkt dat de bewering dat de door haar opgerichte constructie aan verschillende zijden is ingesloten door bebouwing correct is, zodat de feitelijke vaststellingen waarop de minister zich baseerde, niet onjuist zijn. Voorts merkt zij op dat het de Raad van State niet toekomt "zijn beoordeling van de bestaanbaarheid van het bouwproject met de schoonheidswaarde van het betrokken gebied in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid". Zij voegt verder toe dat de verzoekende partijen niet duidelijk maken waarin de "schoonheidswaarde van het landschap" zou bestaan en dat nergens uit blijkt om welke reden de bestemming "landschappelijk waardevol agrarisch gebied" werd aangenomen. Daarbij stelt zij dat het voor een partij die niet de nietigverklaring van een gewestplan vorderde later mogelijk is alsnog de wettigheid van dit gewestplan in twijfel te trekken door het inroepen van de onwettigheidsexceptie van artikel 159 van de Grondwet. VII-32.990-10/13 3.2.5.
  35. In landschappelijk waardevolle agrarische gebieden zijn, krachtens artikel 15.4.6.
  36. van het inrichtingsbesluit agrarische activiteiten en constructies principieel toegelaten, doch ingevolge de nadere aanwijzing als "landschappelijk waardevol" gebied gelden "bepaalde beperkingen (...) met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen", en mag "de schoonheidswaarde van het landschap" niet in gevaar worden gebracht. Bijgevolg moest de verwerende partij nagaan of de inrichting vanuit haar aard wel aanvaardbaar was in een agrarisch gebied, wat de vraag aan de orde stelde of een dergelijke biogasinstallatie als een para-agrarische inrichting kon worden beschouwd en of zij, vermits het ging om een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, ook esthetisch haar plaats kon hebben in zulk gebied. In het bestreden besluit wordt met betrekking tot de landschappelijke weerslag van het project het volgende gesteld : "Overwegende dat er een landschappelijke inkleding met streekeigen groen wordt voorzien die maakt dat de ruimtelijke integratie van het complex in de plaatselijke site wordt bevorderd; Overwegende dat de geplande installatie vrij compact is en door zijn ligging tussen het naastliggende serrencomplex en de andere bedrijfsgebouwen van de aanvrager de ruimtelijke impact van deze installatie op de omgeving beperkt is; dat deze geplande installatie een gebundelde ruimtelijke eenheid vormt met het gebouwenbestand van het bestaande veeteeltbedrijf en de serre van het naastliggende glastuinbouwbedrijf; (...) Overwegende dat, gezien de ligging in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, een simulatie van de visuele impact van het project werd ingediend op 29 juli 2004, opgemaakt door ecoflanders; dat zoals reeds hoger vermeld ook hieruit blijkt dat de visuele impact op de omgeving gering zal zijn, rekening houdende met de omliggende bestaande bedrijfsgebouwen". Uit deze overwegingen blijkt dat de verwerende partij de visuele impact van de installatie bij haar besluitvorming heeft betrokken. Vooraleer een definitieve beslissing te nemen, heeft de bevoegde minister daarover trouwens nog bijkomende gegevens gevraagd aan de exploitant. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de motieven feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zijn. Het bestreden besluit bevat bijgevolg een afdoende motivering aangaande de verenigbaarheid van de vergunde inrichting met het landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 3.2.5.
  37. Met betrekking tot de verkeersproblematiek wordt in het bestreden besluit het volgende overwogen : "Overwegende dat volgens de exploitant uitgaande van een aanvoer van 2l.500 ton/j, een afvoer van 2.500 ton/j en vrachtwagens van ongeveer 30 ton inhoud, het aantal vrachtwagens beperkt wordt tot ongeveer 2 (4 bewegingen); VII-32.990-11/13 dat dit ongeveer 15 vrachten per week betekent; dat het vervoer zal gebeuren in gesloten vrachten; dat er op zondag geen transport zal zijn; dat voor het transport geen dorpskernen worden gepasseerd; dat een vast traject zal gebruikt worden; dat de exploitant verklaarde akkoord te gaan om de aanvoer en afvoer enkel te laten gebeuren langs de Amersveldestraat en de Kortemarkstraat; dat alle transport van en naar de mestverwerkingsinstallatie in eigen beheer zal gebeuren; dat dit nog moet aangevuld worden als bijzondere voorwaarde". De verwerende partij stelt terecht dat de verzoekende partijen daardoor in het bestreden besluit een antwoord vinden op de bezwaren die zij terzake hebben geformuleerd. Het tweede middel is niet gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  38. Het beroep in hoofde van derde en vierde verzoekers wordt verworpen. Artikel
  39. De debatten worden heropend. Artikel
  40. Het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek van de zaak. Artikel
  41. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van het beroep wordt uitgesteld. VII-32.990-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig maart tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-32.990-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.916 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.140.760 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.214 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.