← België

Arrest 191919 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 26/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.919 Rolnummer: A. 175921/VII-36419 Zaak: Arrest 191919 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 26/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-03 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-30 00:09 Fiche Arrest nr 191.919 van 26 maart 2009 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.919 van 26 maart 2009 in de zaak A. 175.921/VII-36.

  1. In zake : Grietje MORREN, die woonplaats kiest bij advocaten P. FLAMEY en J. BOSQUET, kantoor houdende te ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna : RIZIV). --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Grietje Morren op 17 augustus 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV van 6 juli 2006, houdende de weigering om toestemming te verlenen aan verzoekster voor het uitoefenen van een bijberoep, namelijk het uitvoeren van louter esthetische ingrepen gecombineerd met de functie van adviserend geneesheer; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 27 januari 2009 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 26 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-36.419-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. BOSQUET, die verschijnt voor verzoekster, en van attaché F. NASSEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 31 oktober 2008; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT:
  2. De gegevens van de zaak 1.
  3. Verzoekster is adviserend geneesheer bij de landsbond van de christelijke mutualiteiten. Zij wenst een bijberoep uit te oefenen, namelijk het uitvoeren van louter esthetische ingrepen die verband houden met haartransplanta- ties. Zij vraagt daarvoor op 13 augustus 2004 toestemming aan de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV. 1.
  4. Het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV verleent bij beslissing van 6 juli 2006 geen toelating voor het uitoefenen van een bijkomende activiteit. Dit is de bestreden beslissing. Deze is als volgt gemotiveerd: "Het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle heeft kennis genomen van uw wens tot uitoefening van een bijkomende activiteit, namelijk het verlenen van esthetisch chirurgische verstrekkingen, gecombineerd met uw functie van adviserend geneesheer. Enerzijds worden deze verstrekkingen weliswaar niet terugbetaald door de verplichte ziekteverzekering, doch anderzijds merkt het Comité op dat zich eventueel rechtstreeks of onrechtstreeks medische verwikkelingen kunnen voordoen als gevolg van deze chirurgische ingrepen. In dat geval stelt zich de vraag of deze verwikkelingen al dan niet het gevolg zijn van de louter esthetische verstrekkingen en of zij al dan niet moeten terugbetaald worden door de verplichte ziekteverzekering. Het Comité heeft dus geoordeeld dat mogelijk een conflictsituatie met de verplichte ziekteverzekering kan bestaan en besliste bijgevolg u de toelating tot de uitoefening van deze bijkomende activiteit te weigeren". VII-36.419-2/6
  5. Ten gronde 2.
  6. Verzoekster roept als eerste middel de schending in van artikel 154 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : ZIV-wet), van artikel 2 van het "reglement betreffende de erkenning van de adviserende geneeshe- ren", van de artikelen 19 en 23 van het koninklijk besluit nr. 35 houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren die tot taak hebben bij de verzekeringsinstellingen in te staan voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidszorgverstrekkingen overeenkomstig de ZIV-wet (hierna : koninklijk besluit nr. 35), van de formele motiveringsplicht zoals besloten in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), en van het gelijkheids-, het vertrouwens- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Tevens wordt de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag ingeroe- pen. Zij betoogt in essentie dat artikel 154 van de ZIV-wet niet zo kan worden begrepen dat iedere medische activiteit als bijberoep zou zijn uitgesloten of automatisch de mogelijkheid van een conflict zou inhouden. Uit artikel 23 van het koninklijk besluit nr. 35 volgt, volgens haar, dat uit de motivering van de weigering om een activiteit in bijberoep uit te oefenen moet blijken dat het bijberoep aanleiding kan geven tot geschillen met de ziekteverzekering. Zij meent dat de motivering die in de bestreden beslissing wordt gegeven niet draagkrachtig is aangezien zij niet volgt uit een onderzoek in concreto, maar enkel bestaat uit een abstract geformu-leerde en hypothetische overweging die toepasselijk is op elke medische activiteit. 2.
  7. In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij daar- tegenover dat er geen enkele garantie bestaat dat de geneesheer, in het kader van het bijberoep, nooit enige handeling zal stellen die wel degelijk binnen het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering kan vallen. Bij de uitvoering van esthetische behandelingen kunnen zich volgens haar steeds onvoorzienbare omstandigheden voordoen, waarbij een geneesheer toch moet optreden als behandelende arts, hetgeen een mogelijk conflict inhoudt met de taak van een adviserend geneesheer. 2.
  8. In de laatste memorie voegt de verwerende partij nog toe dat het antwoord op de vraag wat een afdoende motivering is in concreto moet worden VII-36.419-3/6 beoordeeld en dat verzoekster kan worden geacht de risico's te kennen die aan haar medische praktijk kunnen zijn verbonden. 2.
  9. Artikel 154, vijfde lid, van de ZIV-wet, zoals het gold ten tijde van de bestreden beslissing, bepaalt dat de adviserend geneesheren geen andere medische activiteiten mogen uitoefenen zonder de steeds herroepbare toelating van het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle. Artikel 23 van het koninklijk besluit nr. 35 bepaalt dat de adviserend geneesheer geen mandaat of activiteit mag uitoefenen die door de aard ervan een mogelijkheid tot geschil met de verzekering insluit. Op grond van artikel 2 van de motiveringswet moeten de bestuurshandelingen gemotiveerd zijn, en krachtens artikel 3 van diezelfde wet moeten de juridische en feitelijke overwegingen in de akte worden vermeld en moeten zij afdoende zijn. De formele motiveringsplicht heeft inzonderheid tot doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. De bestreden beslissing is weliswaar formeel met redenen omkleed. Er bestaat echter geen absoluut verbod voor de adviserend geneesheer om andere medische activiteiten uit te oefenen. Artikel 154, vijfde lid, van de ZIV-wet voorziet immers uitdrukkelijk in deze mogelijkheid. Dit heeft tot gevolg dat de onverenigbaarheid, ingesteld door artikel 23 van het koninklijk besluit nr. 35, niet elke medische activiteit kan uitsluiten die de adviserend geneesheer bijkomend wil uitoefenen, want anders zou artikel 154, vijfde lid, in fine, van de ZIV-wet zinledig zijn. De partijen betwisten niet dat het uitvoeren van de medische activiteiten waarvoor verzoekster toelating vraagt een esthetische ingreep vormt waarvoor op zich geen tussenkomst kan worden verkregen van de ziekte- en invaliditeitsverzekering. Het motief van de bestreden beslissing dat er medische verwik- kelingen kunnen optreden waarbij de vraag kan worden gesteld of zij moeten worden terugbetaald door de verplichte ziekteverzekering is niet overtuigend. Een dergelijke reden kan immers worden ingeroepen bij iedere weigeringsbeslissing VII-36.419-4/6 waarbij de aanvraag om een medische activiteit uit te oefenen, wordt verworpen. In de bestreden beslissing wordt niet aangegeven welke die "eventueel rechtstreeks of onrechtstreeks medische verwikkelingen" zijn die zich alsnog kunnen voordoen als gevolg van de haartransplantaties. Dit is een summiere motivering waaruit niet kan worden afgeleid welke precies de gegevens in concreto zijn die de verwerende partij ertoe doen besluiten dat verzoekster het aangevraagde bijberoep niet kan uitoefenen. De onvoorziene omstandigheden, waarvan de verwerende partij gewag maakt in haar memorie van antwoord, zeggen niets over de aard van die medische activiteit zelf, waardoor de motivering nietszeggend is en een stijlformulering uitmaakt. Onvoorziene omstandigheden kunnen zich bij elke medische ingreep voordoen en dus elke weigeringsbeslissing omtrent de aanvraag om een medische activiteit als bijberoep uit te oefenen, schragen. De bestreden beslissing steunt bijgevolg niet op een rechtens aanvaardbaar motief. Het middel is gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel
  10. Vernietigd wordt het besluit van het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering van 6 juli 2006, houdende de weigering om toestemming te verlenen aan Grietje MORREN voor het uitoefenen van een bijberoep, namelijk het uitvoeren van louter esthetische ingrepen gecombineerd met de functie van adviserend geneesheer. Artikel
  11. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-36.419-5/6 Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig maart tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was sameng- esteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-36.419-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.919 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.