id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.920 Rolnummer: A. 175922/VII-36420 Zaak: Arrest 191920 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 26/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-03 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 00:09 Fiche Arrest nr 191.920 van 26 maart 2009 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.920 van 26 maart 2009 in de zaak A. 175.922/VII-36.
- In zake : Marc DU BOIS, die woonplaats kiest bij advocaten P. FLAMEY en J. BOSQUET, kantoor houdende te ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (hierna : RIZIV). --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc DU BOIS op 17 augustus 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV van 6 juli 2006, houdende de weigering om toestemming te verlenen aan verzoeker voor het uitoefenen van een bijberoep, namelijk gerechtelijk deskundige in straf- en burgerlijke zaken gecombineerd met de functie van adviserend geneesheer; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 27 januari 2009 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 26 februari 2009; VII-36.420-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. BOSQUET, die verschijnt voor verzoeker, en van attaché F. NASSEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 31 oktober 2008; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De gegevens van de zaak 1.
- Verzoeker is adviserend geneesheer bij de landsbond van de christelijke mutualiteiten. Hij wenst een bijberoep uit te oefenen, namelijk het optreden als gerechtsdeskundige in straf- en burgerlijke zaken. Hij vraagt daarvoor op 16 augustus 2004 toestemming aan de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV. 1.
- Het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV verleent bij beslissing van 6 juli 2006 geen toelating voor het uitoefenen van een bijkomende activiteit. Dit is de bestreden beslissing. Deze is als volgt gemotiveerd : "Het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle heeft kennis genomen van uw wens tot uitoefening van een bijkomende activiteit, als gerechtelijk deskundige in straf- en burgerlijke zaken, gecombineerd met uw functie van adviserend geneesheer. Het is echter van oordeel dat mogelijk een conflictsituatie kan bestaan met de verplichte ziekteverzekering. Het volgend voorbeeld werd aangehaald : bij een verkeersongeluk met een derde verantwoordelijke, is het mogelijk dat enerzijds de adviserend geneesheer van het ziekenfonds van het slachtoffer en anderzijds de adviserend geneesheer van de verzekeringsmaatschappij van de derde verantwoordelijke, niet tot een onderling akkoord komen over de graad van arbeidsongeschiktheid als gevolg van dit ongeluk. De gerechtelijk deskundige, adviserend geneesheer in de bedoelde hypothese, opgeroepen met de bedoeling de verschillende standpunten met mekaar te verzoenen, loopt in dat geval het risico zich in een conflictsituatie te bevinden met de verplichte ziekteverzekering. VII-36.420-2/7 Het Comité heeft bijgevolg geoordeeld dat de bijkomende activiteit als gerechtelijk deskundige, mogelijk een betwisting met de ziekteverzekering impliceert, wat formeel verboden is krachtens artikel 23 van het statuut van de adviserend geneesheer (koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967)".
- Ten gronde 2.
- Verzoeker roept als eerste middel de schending in van artikel 154 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : ZIV-wet), van artikel 2 van het "reglement betreffende de erkenning van de adviserende geneesheren", van de artikelen 19 en 23 van het koninklijk besluit nr. 35 houdende het statuut en het barema van de adviserend geneesheren die tot taak hebben bij de verzekerings- instellingen in te staan voor de geneeskundige controle op de primaire arbeidsongeschiktheid en op de gezondheidszorgverstrekkingen overeenkomstig de ZIV-wet (hierna : koninklijk besluit nr. 35), van de formele motiveringsplicht zoals besloten in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet), en van het gelijkheids-, het vertrouwens- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Tevens wordt de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag ingeroepen. Hij betoogt in essentie dat artikel 154 van de ZIV-wet niet zo kan worden begrepen dat iedere medische activiteit als bijberoep zou zijn uitgesloten of automatisch de mogelijkheid van een conflict zou inhouden. Uit artikel 23 van het koninklijk besluit nr. 35 volgt, volgens hem, dat uit de motivering van de weigering om een activiteit in bijberoep uit te oefenen moet blijken dat het bijberoep aanleiding kan geven tot geschillen met de ziekteverzekering. Hij meent dat de motivering die in de bestreden beslissing wordt gegeven niet draagkrachtig is en hij verwijst daarvoor naar de regels van het gerechtelijk wetboek die het deskundig onderzoek beheersen en die de onafhankelijkheid van de deskundige waarborgen. Hij stelt daarbij dat niet valt in te zien hoe tussen de adviserend geneesheer die zich, krachtens de toepasselijke regels, volkomen onafhankelijk moet opstellen ten aanzien van de verplichte ziekteverzekering en dezelfde adviserend geneesheer, optredend als gerechtsdeskundige, een conflictsituatie kan ontstaan, noch waarom het onafhankelijk technisch advies uitgebracht ten aanzien van de verplichte ziekteverzekering in conflict kan komen met de opdracht hetzelfde te doen als gerechtsdeskundige. Hij wijst er op dat de wettelijke bepalingen van het VII-36.420-3/7 gerechtelijk wetboek en het jurisdictioneel toezicht er toe strekken dat de adviserend geneesheer niet als gerechtsdeskundige zal optreden in gevallen waar de verplichte ziekteverzekering kan worden gecompromitteerd, dat de deskundige ten aanzien van de rechter slechts een advies zonder bindende waarde uitbrengt en dat de in de bestreden beslissing vermelde casus daarentegen uitgaat van de overtreding van de wettelijke bepalingen. Voorts meent hij dat de motivering die in de bestreden beslissing wordt gegeven niet draagkrachtig is, aangezien zij niet volgt uit een onderzoek in concreto, maar enkel bestaat uit een abstract geformuleerde, hypothetische formulering die feitelijk onjuist is en uitgaat van de veronderstelling dat de adviserend geneesheer zich terzake niet aan de wettelijke voorschriften van het bijberoep en aan deze van het statuut van de adviserend geneesheren zou houden. 2.
- In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij daar- tegenover dat wanneer een "gerechtsexpert" een graad van arbeidsongeschiktheid vaststelt die niet overeenstemt met de graad van arbeidsongeschiktheid die door de adviserend geneesheer is vastgesteld, een conflictsituatie evident is en dat de bepalingen met betrekking tot de onverenigbaarheid in het gerechtelijk wetboek niet overeenkomen met artikel 23 van het koninklijk besluit nr.
- 2.
- In de laatste memorie voegt de verwerende partij nog toe dat, zo het juist is dat de conclusies van het deskundigenverslag niet bindend zijn, het deskundigenverslag in de praktijk toch een niet te onderschatten rol speelt en dat de bestreden beslissing niet gesteund is op de vrees dat verzoeker zijn opdracht als deskundige niet onpartijdig of objectief zou uitoefenen. Zij stelt dat verzoeker zich "perfect bewust" is van de deontologische onmogelijkheid om als deskundige uitspraak te doen in een geschil tussen een sociaal verzekerde en een collega adviserend geneesheer en dat dit de reden is waarom hij verzaakt aan een zeer interessante activiteitensector, gezien zijn aanvraag enkel de expertises in burgerlijke zaken en strafzaken betreft. 2.
- Artikel 154, vijfde lid, van de ZIV-wet, zoals het gold ten tijde van de bestreden beslissing, bepaalt dat de adviserend geneesheren geen andere medische activiteiten mogen uitoefenen zonder de steeds herroepbare toelating van het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle. Dit voorschrift wordt herhaald in artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli
- VII-36.420-4/7 Artikel 23 van het koninklijk besluit nr. 35 bepaalt dat de adviserend geneesheer geen mandaat of activiteit mag uitoefenen die door de aard ervan een mogelijkheid tot geschil met de verzekering insluit. Op grond van artikel 2 van de motiveringswet moeten de bestuurshandelingen gemotiveerd zijn, en krachtens artikel 3 van diezelfde wet moeten de juridische en feitelijke overwegingen in de akte worden vermeld en moeten zij afdoende zijn. De formele motiveringsplicht heeft inzonderheid tot doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. De bestreden beslissing is weliswaar formeel met redenen omkleed. Er bestaat echter geen absoluut verbod voor de adviserend geneesheer om andere medische activiteiten uit te oefenen. Artikel 154, vijfde lid, van de ZIV-wet voorziet immers uitdrukkelijk in deze mogelijkheid. Dit heeft tot gevolg dat de onverenigbaarheid, ingesteld door artikel 23 van het koninklijk besluit nr. 35, niet elke medische activiteit kan uitsluiten die de adviserend geneesheer bijkomend wil uitoefenen, want anders zou artikel 154, vijfde lid, in fine, van de ZIV-wet zinledig zijn. Het motief van de bestreden beslissing dat het mandaat van gerechtsdeskundige onverenigbaar is met de functie van adviserend geneesheer omdat er een conflictsituatie met de verplichte ziekteverzekering kan ontstaan, is niet overtuigend. Een dergelijke reden kan immers worden ingeroepen bij iedere weigeringsbeslissing waarbij de aanvraag om een medische activiteit uit te oefenen, wordt verworpen. De bepalingen van het gerechtelijk wetboek die betrekking hebben op het deskundig onderzoek hebben tot gevolg dat de gerechtelijke deskundige bij zijn aanstelling en bij de uitvoering van zijn opdracht voldoende waarborgen moet bieden inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Artikel 966 van het gerechtelijk wetboek biedt aan de partijen de mogelijkheid om de deskundige te doen wraken op grond van een omstandigheid, waardoor hij niet meer in staat is om op een onpartijdige en onafhankelijke wijze een advies aan de rechter te verlenen. Bij de aanstelling en dus de keuze van de persoon van de deskundige moet de rechtbank erover waken dat zij geen deskundige aanstelt, die reeds eerder als raadgever van één van de partijen is opgetreden of om één of andere reden niet als neutraal kan worden beschouwd. Hieruit volgt dat het op grond van de betrokken bepalingen van het gerechtelijk wetboek in principe niet is toegelaten dat de VII-36.420-5/7 adviserend geneesheer optreedt als gerechtsdeskundige in een geschil of onenigheid, waarbij de verzekeringsinstelling waardoor hij in dienst is genomen en wordt bezoldigd, betrokken is. Deze regels beletten dat eenzelfde persoon optreedt als gerechtsdeskundige en tegelijkertijd ook nog eens een dergelijke conflictsituatie zou kunnen beheren. De waarborgen waarmee de functie van gerechtsdeskundige is omgeven, beletten in principe dat er een conflict kan bestaan tussen de adviserend geneesheer en de verplichte verzekering. Indien blijkt dat er een conflict kan ontstaan met de verzekering, zal de betrokken adviserend geneesheer niet kunnen optreden als gerechtsdeskundige. Het middel is gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering van 6 juli 2006, houdende de weigering om toestemming te verlenen aan Marc DU BOIS voor het uitoefenen van een bijberoep, namelijk gerechtelijk deskundige in straf- en burgerlijke zaken gecombineerd met de functie van adviserend geneesheer. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. VII-36.420-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig maart tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-36.420-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.920 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div