← België

Arrest 191921 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 26/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.921 Rolnummer: A. 183148/VII-36980 Zaak: Arrest 191921 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 26/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-03 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 00:09 Fiche Arrest nr 191.921 van 26 maart 2009 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.921 van 26 maart 2009 in de zaak A. 183.148/VII-36.

  1. In zake : Ann WOUTERS, die woonplaats kiest bij advocaat T. DE KETELAERE, kantoor houdende te LEUVEN, Bondgenotenlaan 155 A tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Waterloosesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ann WOUTERS op 2 mei 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Nederlandsta- lige Geneeskundige Commissie van Brabant van 10 december 1998, houdende de intrekking van verzoeksters visum dat toelating geeft tot de uitoefening van de geneeskunde en van het besluit van de Nederlandstalige kamer van de Geneeskundi- ge Commissie van Beroep van 25 oktober 2006, houdende bevestiging van de beslissing van de Nederlandstalige Geneeskundige Commissie van Brabant van 12 januari 2006, houdende handhaving van haar besluit van 10 december 1998 tot intrekking van verzoeksters visum dat toelating geeft tot de uitoefening van de geneeskunde; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-36.980-1/7 Gelet op de beschikking van 19 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. DE KETELAERE, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat J.-F. DE BOCK, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 31 oktober 2008; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT:
  3. De feiten 1.
  4. Bij aangetekende brief van 10 december 1998 wordt aan verzoekster de beslissing meegedeeld van de Nederlandstalige Geneeskundige Commissie van Brabant dat haar visum, dat toestemming geeft tot het uitoefenen van de geneeskunde, tijdelijk volledig wordt ingetrokken. Dit is de eerste bestreden beslissing. De motivering ervan luidt als volgt : "In haar vergadering van 10 december 1998 heeft de Nederlandstalige Geneeskundige Commissie van Brabant beslist Uw visum dat toestemming geeft tot de uitoefening van de geneeskunde tijdelijk volledig in te trekken. Van het moment dat U een bewijs levert van 2 onafhankelijke psychiaters waaruit blijkt dat U gedurende 6 maanden opstootvrij bent, kan het visum onder dan te bepalen voorwaarden terug verleend worden. De Nederlandstalige Geneeskundige Commissie van Brabant heeft zich voor haar beslissing gesteund op het deskundigenverslag, ondertekend door Prof. Dr. P. Cosyns, Dr. H. De Baere en Dr. J. Rampelberg.
  5. Het deskundigenverslag stelt duidelijk dat U de geneeskunde niet zelfstandig kunt uitoefenen.
  6. In haar verslag vermelden de deskundigen uitdrukkelijk dat er sprake is van een ernstige psychotische stoornis, meer bepaald een waanstoornis of een paranoide schizofrenie met totale afwezigheid van enig ziekte-inzicht. Er zijn daarentegen berekende pogingen om de buitenwereld van de eigen visie op de werkelijkheid te overtuigen. VII-36.980-2/7
  7. De deskundigen vermelden uitdrukkelijk dat Uw ziek zijn een risico betekent voor de Volksgezondheid, hoewel de zwaarte ervan niet eenduidig kan omschreven worden". 1.
  8. De Nederlandstalige Geneeskundige Commissie van Brabant deelt bij brief van 23 januari 2006 aan de raadsman van verzoekster mee dat zij bij haar beslissing van 10 december 1998 blijft om het visum in te trekken. Deze brief wordt nogmaals naar verzoekster verstuurd op 13 juni
  9. 1.
  10. Verzoekster tekent bij brief van 22 juni 2006 beroep aan tegen deze beslissing. De Nederlandstalige kamer van de Geneeskundige Commissie van Beroep verklaart op de zitting van 2 augustus 2006 het administratief beroep toelaatbaar en verzoekt de Nationale Raad van de Orde van Geneesheren om drie geneesheren-deskundigen aan te wijzen met het oog op het deskundigenonderzoek. Verzoekster wordt bij brief van 18 september 2006 uitgenodigd op de vergadering van 27 september 2006, maar laat bij brief van 25 september 2006 weten niet aanwezig te zullen zijn. De zaak wordt verdaagd naar de zitting van 25 oktober 2006, maar verzoekster komt niet op deze zitting opdagen. 1.
  11. De Nederlandstalige kamer van de Geneeskundige Commissie van Beroep verklaart op de zitting van 25 oktober 2006 het beroep van verzoekster ongegrond. Dit is de tweede bestreden beslissing. Deze is als volgt gemoti- veerd : "De Commissie van Beroep is van oordeel dat appellante, die zich aan het deskundigenonderzoek heeft onttrokken, en haar verdere medewerking bij de behandeling van haar zaak heeft ontzegd, in gebreke gebleven is om de gegrondheid van haar hoger beroep aan te tonen. Artikel 17 van het koninklijk besluit van 7 oktober 1976 betreffende de organisatie en de werkwijze van de geneeskundige commissies bepaalt dat de belanghebbende zich aan het deskundigenonderzoek dient te onderwerpen. De beslissing dd. 10 december 1998 van de Nederlandstalige Geneeskundige Commissie van Brabant houdt in dat het visum, dat toelating geeft tot de uitoefening van de geneeskunde door dokter Wouters, tijdelijk volledig wordt ingetrokken. Van het moment dat betrokkene een bewijs levert van twee onafhankelijke psychiaters waaruit blijkt dat zij gedurende zes maanden opstootvrij is, kan het visum onder dan te bepalen voorwaarden terug verleend worden. De beslissing steunt op een deskundigenverslag waarvan het besluit als volgt wordt samengevat:
  12. Dokter Ann Wouters kan de geneeskunde niet zelfstandig uitoefenen.
  13. Er is sprake van een ernstige psychotische stoornis, meer bepaald een waanstoornis of een paranoïde schizofrenie met totale afwezigheid van enig VII-36.980-3/7 ziekte-inzicht. Er zijn daarentegen berekende pogingen om de buitenwereld van de eigen visie op de werkelijkheid te overtuigen.
  14. Het ziek zijn van dokter Wouters betekent een risico voor de volksgezond- heid, hoewel de zwaarte ervan niet eenduidig kan omschreven worden. De aangevochten beslissing dd. 12 januari 2006 van de Nederlandstalige Geneeskundige Commissie van Brabant steunt terecht op de overweging dat de door dokter Wouters bijgebrachte stukken niet voldoen om verzoekster het visum zonder meer terug te verlenen. Van de ingediende verslagen kunnen er twee in aanmerking komen, met name het verslag van dokter Werner Van den Bergh en het verslag van dokter P. Vancoillie. Dokter Van den Bergh ziet geen probleem, terwijl dokter Vancoillie de uitoefening van het beroep van psychiater/psychotherapeut koppelt aan een supervisieperiode van zes maanden, met begeleiding door een aangeduid neuropsychiater. Dokter Wouters wordt nogmaals gewezen op de beslissing dd. 10 december 1998 van de Commissie, waarbij gevraagd wordt om recente verslagen van twee onafhankelijke psychiaters. Indien verzoekster in de toekomst zuiver onder supervisie werkt, moet ze dit met een attest van haar supervisor laten weten, zodat de Commissie in alle objectiviteit een beslissing kan nemen (zie brief dd. 10 juni 2005 van dokter W. Haenen, secretaris, aan verzoekster). Samengevat : de Nederlandstalige Geneeskundige Commissie van Brabant vermocht het terug verlenen van het visum aan dokter Wouters met de door dokter Vancoillie gestelde voorwaarde te verbinden. Er is niet aangetoond dat verzoekster deze voorwaarde vervult".
  15. De ontvankelijkheid 2.1.
  16. De verwerende partij werpt tegen het beroep tot nietigverklaring van de eerste bestreden beslissing onder meer als exceptie op dat verzoekster het schorsend beroep bij de Geneeskundige Commissie van Beroep, voorzien in artikel 37, § 4, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen (hierna : koninklijk besluit nr. 78), niet heeft ingesteld. 2.1.
  17. Verzoekster antwoordt dat de zaak werd behandeld door de Geneeskundige Commissie van Beroep op 25 oktober 2006, dat de Raad van State wel degelijk in laatste instantie optreedt en dat de Commissie te weinig samenkomt en "te laat (is) in het laten weten van beslissingen omwille van de onwettige samenstelling". 2.1.
  18. Artikel 37, § 4, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 78, zoals van toepassing ten tijde van het indienen van het beroep, voorziet in een georgani- seerd beroep bij de Geneeskundige Commissie van Beroep tegen beslissingen van de Geneeskundige Commissie houdende intrekking van het visum dat toelating geeft tot de uitoefening van de geneeskunde. VII-36.980-4/7 Indien tegen een beslissing een georganiseerd beroep openstaat, dient de verzoeker eerst dat beroep uit te putten vooraleer hij voor de Raad van State op ontvankelijke wijze een beroep tot nietigverklaring kan indienen De exceptie is gegrond. Het beroep tegen de eerste bestreden beslissing is niet ontvankelijk. 2.2.
  19. De verwerende partij werpt tegen het beroep tot nietigverklaring van de tweede bestreden beslissing als exceptie op dat deze beslissing in het verzoekschrift tot nietigverklaring niet formeel wordt aangevochten, dat het om een louter bevestigende beslissing gaat, dat slechts één beslissing per verzoekschrift kan worden aangevochten, en dat voor deze vordering geen "rolrechten" werden betaald. 2.2.
  20. Uit de in het verzoekschrift gebruikte bewoordingen blijkt duidelijk dat verzoekster de nietigverklaring nastreeft van het besluit van de Nederlandstalige kamer van de Geneeskundige Commissie van Beroep van 25 oktober
  21. In dit besluit heeft de bevoegde commissie een nieuw onderzoek en een nieuwe bespreking gewijd aan de intrekking van het visum van verzoekster. De genomen beslissing is dan ook geen louter bevestigende beslissing. In de regel moeten administratieve beslissingen die onderscheiden rechtsgevolgen hebben met afzonderlijke verzoekschriften worden bestreden. Eén verzoekschrift volstaat echter wanneer tussen de verschillende beslissingen een zo nauwe band bestaat dat het waarschijnlijk is dat vaststellingen of oordelen gedaan in één van de zaken een onmiddellijke weerslag hebben op de andere zaak. Dit is hier het geval. Het destijds verschuldigde rolrecht moest niet per aangevochten beslissing worden gekweten. De exceptie wordt verworpen.
  22. Ten gronde 3.1.
  23. Verzoekster voert in een eerste middel aan dat de beslissing van 10 december 1998 werd genomen door een "onwettig samengestelde provinciale vlaamstalige geneeskundige commissie van Brabant". In een tweede middel voert verzoekster belangenvermenging aan van de voorzitter van de Provinciale Geneeskundige Commissie van Brabant. VII-36.980-5/7 3.1.
  24. Deze middelen zijn gericht tegen de eerste bestreden beslissing en zijn, om de hoger uiteengezette redenen, niet ontvankelijk. 3.2.
  25. Verzoekster voert als derde middel aan dat de "raad van beroep" enkele door haar voorgelegde stukken heeft genegeerd. Zo werd volgens haar geen rekening gehouden met het supervisie-attest van de Nederlandse professor die in de Nederlandse kliniek een blijvende supervisie uitoefent over alle kinder- en jeugdpsychiaters noch met de voorgelegde publicatie over de opgelegde functione- ringsgesprekken van alle werknemers. 3.2.
  26. De verwerende partij antwoordt dat de kritiek van verzoekster als zouden de supervisie-attesten van de Nederlandse professor zijn genegeerd, niet gefundeerd is. In de tweede bestreden beslissing wordt volgens haar verwezen naar het verslag van Dr. VANCOILLIE. Het is volgens de verwerende partij pas na de kennisgeving van deze beslissing dat verzoekster in emails van 19 en 27 november 2006 een aantal elementen heeft verschaft waaruit zij meent te mogen afleiden dat zij het bewijs levert onder supervisie te hebben gewerkt. De verwerende partij kon op het moment van het nemen van de beslissing van 25 oktober 2006 onmogelijk rekening houden met deze stukken. 3.2.
  27. Verzoekster stelt in haar memorie van wederantwoord dat de supervisie-attesten evenals de functiebeschrijvingen wel degelijk werden voorgelegd en conform zijn aan "de CAO geldig in de gezondheidszorg". Er bestaat volgens haar een verkeerde interpretatie omtrent de door Dr. VANCOILLIE bedoelde technische werksupervisie en een "dokter/patiënt behandeling". 3.2.
  28. De emailberichten waarover verzoekster spreekt, werden verzonden nadat de bestreden beslissing werd genomen en aan verzoekster ter kennis gebracht. De verwerende partij verkeerde uiteraard niet in de mogelijkheid om met die gegevens rekening te houden bij het nemen van de beslissing. Het middel is ongegrond. 3.3.
  29. Verzoekster roept als vierde middel in dat zij meerdere tegenex- pertises heeft voorgelegd ter werkhervatting, dat zij haar werkbereidheid heeft bewezen door in Nederland te gaan werken en dat hiermee geen rekening werd gehouden door de verwerende partij. VII-36.980-6/7 3.3.
  30. De verwerende partij antwoordt dat de verslagen volgens de Geneeskundige Commissie van Beroep recent moeten zijn en door onafhankelijke psychiaters moeten worden opgesteld, en dat de Geneeskundige Commissie van Beroep op basis daarvan slechts twee verslagen meende te kunnen weerhouden, waar volgens haar wel degelijk rekening mee werd gehouden. 3.3.
  31. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat rekening wordt gehouden met de tegenexpertises die verzoekster heeft voorgelegd, en dat de verwerende partij uiteenzet waarom deze haar niet van het tegendeel overtuigen. Het middel is niet gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE: Artikel
  32. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  33. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig maart tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was sameng- esteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-36.980-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.921 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.