← België

Arrest 191954 - Voedselveiligheid (FAVV) - 27/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.954 Rolnummer: A. 189933/IX-6093 Zaak: Arrest 191954 - Voedselveiligheid (FAVV) - 27/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-10 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 00:20 Fiche Arrest nr 191.954 van 27 maart 2009 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.954 van 27 maart 2009 in de zaak A. 189.933/IX-

  1. In zake : Dirk VAN DEN BROECK, die woonplaats kiest bij advocaat K. VINCKE, kantoor houdende te ASSEBROEK, Jan Moritoenstraat 1, bus 7 tegen : het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, dat woonplaats kiest bij advocaat R. DEPLA, kantoor houdende te BRUGGE SINT-KRUIS, Karel van Manderstraat
  2. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Dirk VAN DEN BROECK op 6 oktober 2008 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 6 augustus 2008 van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen waarbij hem een H-statuut wordt opgelegd voor een periode van 52 weken met ingang van 26 juni 2008; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 18 november 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 8 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; IX-6093-1/14 Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VINCKE, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat P. EECKLOO die, loco advocaat R. DEPLA, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  3. De verzoeker is, naar eigen zeggen, landbouwer en handelaar in veevoeders. Hij stelt dat hij de boerderij in 1994 van zijn ouders heeft overgenomen. De stal heeft hij tot juni 2006 verhuurd. Pas nadien is hij zelf sanitair verantwoordelijke voor de stal geworden. Thans verzorgt hij 209 stieren in loonkweek voor veehandelaar L.D. 1.
  4. Op 6 mei 2008 nemen controleurs van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen tien mestmonsters van tien dieren op het bedrijf van de verzoeker. De verzoeker is zelf op het ogenblik van de monsterneming niet aanwezig. Zijn moeder verklaart aan de controleurs dat de desbetreffende dieren eigendom zijn van L.D., dat zij niet volledig op de hoogte is van de medicatie die de dieren hebben gekregen, maar dat zij vermoedt dat de dieren de laatste vier weken geen medicatie hebben gekregen. 1.
  5. Op 10 juni 2008 stelt de opsporingsambtenaar van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen de verzoeker ervan in kennis dat uit het laboratoriumonderzoek is gebleken dat één van de op 6 mei 2008 genomen monsters niet-conform is. In het monster werden residuen van een stof met een hormonale of anti-hormonale werking, met name dexamethasone, aangetroffen. De verzoeker vraagt onmiddellijk een tegenonderzoek, maar komt daar later op terug, waardoor het desbetreffende monster definitief niet-conform wordt bevonden. IX-6093-2/14 Eveneens op 10 juni 2008 worden door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen op het bedrijf van de verzoeker nog de volgende “dierlijke” en “materiële” monsters genomen: IX-6093-3/14 - 25 mestmonsters van 25 dieren; - syfonvocht van de spoelbak in de stal, waar de spuit voor injectie van de dieren wordt gespoeld; - een injectiespuit van 30 cc (Bovivet), een grote plastieken wegwerpspuit met sonde, een flacon 100 cc marbocyl 10% en veevoeder. De verzoeker verklaart aan de opsporingsambtenaar: “Ik toon u mijn epidemiologisch contract met de dierenarts [...] en het contract voor diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding [...]. Sinds 6/11/06 heb ik beide contracten. Ik toon u mijn diergeneesmiddelendepot en u kunt zien dat alle diergeneesmiddelen voorzien zijn van een sticker van een dierenarts behalve 100 cc marbocyl dat nog niet gebruikt is en nog gesloten was. U neemt dit in beslag onder het monsternummer 2307/08/0068 omdat het niet traceerbaar is. De injectiespuit die u meenam voor analyse gebruik ikzelf om dieren mee te behandelen en lag in de ijskast bij mijn depot. U nam deze spuit mee onder het nummer 2307/08/0066 en ik wens deze terug. De wegwerpspuit met sonde die u meenam onder het nummer 2307/08/0067 gebruikte ik om ontsmetting in de sinussen te doen wanneer de runderen onthoornd werden. Het voeder waarvan u een staal nam met nummer 2307/08/0069 komt van [...] en ik toon u hier de leveringsbon van Quality Feed. Ik toon u de toedienings- en verschaffingsdocumenten vanaf 17/11/06 en u kunt zien dat de dierenarts [...] hier geweest is op 06/05/08 de dag van de staalname, op het toedienings- en verschaffingsdocument met nummer 0-1449-000516 wel verschaffing van diergeneesmiddelen wordt vermeld maar geen toediening. Ik denk dat de dierenarts dit zelf opschrijft in zijn boek. Ik was op het moment dat de dierenarts hier was en op het moment dat de stalen werden genomen op 6/05/08 niet aanwezig. Ik wens dat de dierenarts [...] gevraagd wordt of hij de stier met oormerk 87435152 heeft behandeld tegen griep of ketspoot. Op het T&V- document staan deze twee aandoeningen vermeld. Ik ken het product dexamethasone niet. Volgens mijn inventaris is de stier met oormerk 87435152 vertrokken op 1/06/08 naar het slachthuis [...]. U deelt mij mee dat wanneer ik geen tegenonderzoek aanvraag dit niet conform resultaat definitief wordt.” Dezelfde dag nog ondervraagt de opsporingsambtenaar de dierenarts, waarnaar de verzoeker verwijst. Deze verklaart dat hij op 6 mei 2008 twee stieren, die eigendom zijn van L.D., voor ketspoot heeft behandeld, maar dat hij niet hun oormerken heeft genoteerd “omdat [ze] niet in de risicoperiode waren voor het slachten”. 1.
  6. Op 26 juni 2008 stelt de opsporingsambtenaar de verzoeker ervan in kennis dat in de grote plastieken wegwerpspuit progesteron werd aangetroffen. De verzoeker ontkent echter dat hij enige overtreding heeft begaan. Het niet- conforme resultaat van één van de stieren is volgens hem toe te schrijven aan een behandeling voor ketspoot. Met betrekking tot de plastieken wegwerpspuit voert hij IX-6093-4/14 aan dat deze niet van hem is, maar is achtergebleven van de vorige eigenaar en sanitair verantwoordelijke voor de dieren. 1.
  7. Eveneens op 26 juni 2008 start het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen een enquête voor het opleggen van een H-statuut. De verzoeker verklaart aan de opsporingsambtenaar dat hij door administratieve fouten in deze situatie is terechtgekomen. Hij voegt eraan toe dat indien hij bij de eerste monsterneming aanwezig was geweest, alles anders zou verlopen zijn, en dat indien hij had geweten dat er iets aan de hand was met de plastieken wegwerpspuit, hij deze niet in de ijskast die hij als depot gebruikt, zou hebben laten liggen. De verzoeker wordt op 7 en 11 juli 2008 en op 4 augustus 2008 nogmaals door de opsporingsambtenaar gehoord. In essentie blijft de verzoeker bij zijn vroegere verklaringen. Op 7 juli 2008 deelt de verzoeker mede dat hij geen tegenonderzoek wenst te laten uitvoeren op de plastieken wegwerpspuit. Daardoor wordt ook dit monster definitief niet-conform bevonden. Op vraag van de verzoeker voert het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen een bijkomend onderzoek naar de herkomst en de fabricagedatum van de plastieken wegwerpspuit, waarvan de verzoeker staande houdt dat ze niet van hem is. De vroegere huurder van de stal verklaart dat hij de spuit niet kent en dat ze ook niet van hem is. Vertegenwoordigers van de groothandel in veterinair materiaal maken gewag van “een recent model” en “nog steeds in de handel”. 1.
  8. Op 6 augustus 2008 deelt het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen aan de verzoeker mede: “[...] • op 6 mei 2008 werden mestmonsters genomen van uw dieren in vetmesting en dit werd opgenomen in het proces verbaal van initiële monstername met nummer PV2458/08/015/ANT; • op 10 juni 2008 werd u op de hoogte gebracht van het niet conform resultaat van het monster 2129/08/0058 van het dier met oormerk 87435152 via het proces verbaal PV2307/08/0054/NOE; • op 10 juni 2008 werd een initiële monstername uitgevoerd op uw bedrijf op 25 dieren. Er werden 212 runderen in vetmesting en 198 runderpaspoorten in administratief beslag genomen; IX-6093-5/14 • op 10 juni 2008 werden er vijf materiële monsters genomen hetgeen werd opgenomen in de processen verbaal PV2307/08/0057 en 0060/NOE. Vier daarvan, 2307/08/0066, 0067, 0069 en 0070 werden onderzocht in het laboratorium. Het materiële monster 2307/08/0068 werd in beslag genomen wegens geen traceerbaarheid van diergeneesmiddel en werd tot op heden bewaard bij de dienst van de Nationale Opsporingseenheid van het FAVV. • op 10 juni 2008 verklaart u in uw proces verbaal van verhoor PV2307/08/0055/NOE dat de stier met oormerk 87435152 vertrokken is naar het slachthuis [...] op 1 juni 2008 en dat betekent dat deze stier op 6 mei 2008 ter gelegenheid van de initiële monstername zich duidelijk binnen de risicoperiode bevond; • op 10 juni 2008 werd een verklaring afgenomen, op uw vraag, van [de] dierenarts [...] PV2307/08/0059/NOE waarin deze verklaarde dat hij twee stieren had behandeld voor tussenklauwontsteking (ketspoot) met rapidexon waarvan hij de oormerken niet noteerde noch in zijn persoonlijk boek noch op het toedienings en verschaffingsdocument. Hieruit kan niet met zekerheid opgemaakt worden welke dieren toen met rapidexon werden behandeld; • op 26 juni 2008 deed u afstand van uw recht op tegenonderzoek op het monster 2129/08/0058 waardoor het resultaat definitief niet conform werd op DEXAMETHASONE; • dit betekent een overtreding op de wet van 15 juli 1985 art 3 § 3 en dit werd u meegedeeld met het proces verbaal van overtreding PV2307/08/0069/NOE op 26 juni 2008; • op 26 juni 2008 werd de H enquête gestart via het proces verbaal van verhoor H statuut met nummer PV2307/08/0074/NOE • op 26 juni 2008 werd aan u het niet conform resultaat bekend gemaakt van het monster 2307/08/0067, een grote plastiek[en] wegwerpspuit met sonde, die u gebruikte volgens uw verklaring van 10 juni 2008 PV2307/08/0055/NOE, op PROGESTERON via het proces verbaal PV2307/08/0070/NOE; • u kreeg hierbij het recht op tegenonderzoek in een door u gekozen laboratorium • naar aanleiding van deze overtreding van het definitief niet conform resultaat DEXAMETHASONE en naar aanleiding van het niet conform resultaat PROGESTERON werd van u een verklaring hierover opgenomen in het proces verbaal van verhoor PV2307/08/0071/NOE; • alle 25 bemonsterde dieren hadden een conform analyseresultaat hetgeen u werd bekend gemaakt in het proces verbaal PV2307/08/0072/NOE; • de materiële monsters met nummer 2307/08/0066 en 0069 zijn conform hetgeen u werd meegedeeld in het proces verbaal PV2307/08/0073/NOE; • op 7 juli 2008 deed u afstand van uw recht op tegenonderzoek voor het monster 2307/08/0067 waardoor het analyseresultaat definitief niet conform werd op PROGESTERON; • dit betekent een overtreding op het KB 12 april 1974 art 1 § 1 betreffende sommige verrichtingen in verband met stoffen met hormonale, anabole, anti infectieuze, anti parasitaire en anti inflammatoire werking; • op 7 juli 2008 werd uw verklaring over deze overtreding genoteerd in het proces [verbaal] 2307/08/0077/NOE; • op 7 juli 2008 werd u het conform resultaat meegedeeld van het monster 2307/08/0070 dat werd genomen ter gelegenheid van de initiële monstername van 10 juni 2008 op uw bedrijf; • in het proces verbaal van verhoor PV2307/08/0078/NOE vroeg u bijkomende onderzoekshandelingen in verband met het dateren van het voorwerp met monsternummer 2307/08/0067 en de twee beproevingsverslagen van de twee definitief niet conforme analyse resultaten; IX-6093-6/14 • op 11 juli 2008 werd vermeld in het proces verbaal van verhoor PV2307/08/0083/NOE dat aan u de twee beproevingsverslagen van de twee definitief niet conforme analyse resultaten werden overhandigd; • op 14 juli 2008 werd de verklaring van [A.R.] vastgelegd in het proces verbaal van verhoor 2307/08/0084/NOE waarin [A.R.] verklaarde dat hij het voorwerp met monsternummer 2307/08/0067 niet kende. Hij bevestigde dat hij de stallen gelegen 't Hoogste 14 A te Bornem huurde om dieren in te houden van in de jaren ' 90 tot juni
  9. Daarvan was er geen schriftelijk contract; • op 22 juli 2008 en op 1 augustus 2008 werd de Sales representative non hospital van COVIDIEN [...] verhoord over de datering van de aankoop van het voorwerp 2307/08/
  10. Deze vertegenwoordiger van de firma COVIDIEN die wegwerpmateriaal verkoopt aan groothandelaars bevestigde dat dit voorwerp een driedelige wegwerpspuit was van 140 cc van het merk monoject en dat dit een recent model is dat op dit ogenblik verkrijgbaar is. • Op 22 juli 2008 werden inlichtingen ingewonnen bij de firma voor medisch veterinair materiaal AXEL CANTAERT doch deze kende het merk en het model van dit voorwerp niet. • Op 29 juli 2008 werd de verklaring van de verantwoordelijke van de groothandel ADVANCED VETERINARY TECHNOLOGIES [...] opgetekend in het proces verbaal PV2307/08/0096/NOE en daarin bevestigt hij dat het voorwerp een wegwerpspuit van monoject is van 140 cc en dat dit voorwerp nu nog steeds in de handel is. • Op 4 augustus 2008 werden aan u de resultaten bekend gemaakt van de bijkomende onderzoekshandelingen die u vroeg in verband met het voorwerp met monsternummer 2307/08/0067 in het proces verbaal van verhoor enquête H statuut met nummer PV2307/08/0094/NOE. Daarin vroeg u of u enige inbreng zou krijgen in de beslissingsvorming bij de mensen die daarover beslissen. Wij hebben u gemeld dat u daarvoor contact diende op te nemen met de Directeur van de NOE Dr Walter Gillis. Tot op heden hebt u geen contact opgenomen met Dr Walter Gillis. Dexamethasone werd aangetroffen in de faeces van één van de dieren waarvan u beslagverantwoordelijke bent. Dexamethasone is een corticosteroïde. Uit de gevoerde enquête blijkt dat het gebruik van de aangetroffen stof dexamethasone niet kan bewezen worden als zijnde het gebruik voor therapeutische doeleinden en er bijgevolg sprake is van een illegale behandeling volgens art. 3 § 3 van de wet van 15/07/1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, beta- adrenergische of productie-stimulerende werking. Progesteron werd aangetroffen in het monster 2307/08/0067 een grote plastiek[en] wegwerpspuit met sonde. Progesteron is een vrouwelijk hormoon dat tijdens de dracht aanwezig is bij het vrouwelijk rund. Er is geen enkel diergeneesmiddel geregistreerd dat progesteron bevat voor gebruik bij runderen. Progesteron kan gebruikt worden voor het illegale vetmesten van runderen. Dit betekent een overtreding op het Koninklijk Besluit van 12 april 1974 art 1 § 1 betreffende sommige verrichtingen in verband met stoffen met hormonale, anabole anti-infectieuze, anti-parasitaire en anti-inflammatoire werking. Gelet op wat vooraf ging en op basis van art. 4 § 1 van het K.B. dd 08/09/1997 betreffende maatregelen inzake de verhandeling van landbouwdieren, ten aanzien van bepaalde stoffen of residu's daarvan met farmacologische werking, zal een H- statuut worden opgelegd, dit voor een periode van 52 weken, met ingang van 26 juni
  11. IX-6093-7/14 De 209 runderpaspoorten van de runderen gehouden te 't Hoogste 14 A te 2880 Bornem dewelke bij administratieve maatregel in voorlopig beslag werden genomen, zullen door het FAVV gemerkt worden met het H-statuut. Geen enkel rund dat alzo gemerkt is, mag het beslag verlaten, tenzij het rechtstreeks naar een binnenlands slachthuis gebracht wordt, dit tot het verstrijken van het commercialisatieverbod op 26 september
  12. Als gevolg van het H-statuut moet volgens art. 21 ter § 1 vierde punt en § 3 van het K.B. van 09/03/1953 betreffende de handel in slachtvlees en houdende reglementering van de keuring der hier te lande geslachte dieren, bij geslachte dieren een laboratoriumonderzoek gericht op het opsporen van residuen van farmacologisch werkzame substanties of van hun metabolieten uitgevoerd worden. Het laboratoriumonderzoek wordt uitgevoerd op één geslacht dier per 10 of fractie van 10 ter slachting aangeboden dieren uit eenzelfde veebeslag van herkomst waarvan de slachtingaangifte gelijktijdig is gedaan. Ingevolge art 6 vierde punt van de wet van 05/09/1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel, zijn de kosten van die laboratoriumonderzoeken volledig ten laste van de eigenaar van het dier. Hij zal eveneens instaan voor de betaling van de kosten betreffende de onderzoeksdaden die gesteld werden. Wij informeren hem dat hij binnen de 60 dagen beroep kan aantekenen bij de Raad van State tegen de administratieve beslissing van het opleggen van het H-statuut. [...]” Deze mededeling vermeldt de beslissing, die het voorwerp uitmaakt van de voorliggende vordering, om de verzoeker een H-statuut op te leggen voor een periode van 52 weken met ingang van 26 juni
  13. Grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing
  14. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 2.1.
  15. De verzoeker voert in een eerste middel aan dat het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen de motiveringsplicht schendt door in de bestreden beslissing niet aan te geven waar hij precies in de fout is gegaan en zijn verklaringen niet te weerleggen. Hij betoogt dat hij voor de beide hem ten laste gelegde zaken een sluitende uitleg heeft gegeven, waardoor er geen IX-6093-8/14 enkel bewijs is dat er niet-toegestane stoffen of residu’s werden aangetroffen ingevolge een illegale behandeling. Hij zet uiteen dat het niet verwonderlijk is dat bij een stier sporen van dexamethasone werden aangetroffen, aangezien dezelfde dag twee stieren door de bedrijfsveearts waren behandeld voor ketspoot. De bedrijfsveearts heeft dat toegegeven, maar heeft nagelaten het oormerk van de dieren aan te brengen op het toedienings- en verschaffingsdocument. Deze administratieve fout is ten volle aan de veearts toe te rekenen. De plastieken wegwerpspuit behoorde de verzoeker in geen geval toe en het aanvullend onderzoek dat daaromtrent werd gevoerd, was niet correct en nauwkeurig, omdat aan de gecontacteerde leveranciers niet werd gevraagd hoe lang dergelijke spuiten reeds gecommercialiseerd zijn. Volgens de verzoeker wordt zijn stelling dat de spuit niet van recente datum kan zijn, bevestigd door de staat waarin ze zich bevindt, in het bijzonder door het grotendeels weggesleten zijn van de cijfers op de spuit. 2.1.
  16. De verwerende partij repliceert dat zij in de bestreden beslissing wel degelijk zeer uitgebreid heeft aangetoond welke overtredingen de verzoeker heeft begaan en welke wettelijke bepalingen hij heeft geschonden. Tevens werden de verklaringen van de verzoeker weerlegd. De bedrijfsveearts kon niet nagaan of het rund waarbij dexamethasone werd aangetroffen, door hem werd behandeld voor ketspoot. Derhalve ligt niet het bewijs voor dat het vastgestelde niet-conforme resultaat is toe te schrijven aan een therapeutische behandeling. Voorts werden de beweringen van de verzoeker met betrekking tot de plastieken wegwerpspuit correct en nauwkeurig nagegaan en weerlegd. Bij de vroegere huurder van de stal werd nagegaan of de spuit hem toebehoorde. Aan de leveranciers van veterinair materiaal werd wel degelijk de vraag gesteld hoelang dergelijke spuiten reeds gecommercialiseerd zijn. Zij bevestigden uitdrukkelijk dat het een recente spuit betreft. Volgens de verwerende partij heeft zij een ruimer onderzoek gevoerd dan datgene waartoe zij wettelijk is verplicht. 2.1.3.
  17. De bestreden beslissing vermeldt uitvoerig de feitelijke en juridische overwegingen waarop ze is gesteund. Uit die overwegingen blijkt ook duidelijk welke overtredingen de verzoeker ten laste worden gelegd en volgens de verwerende partij het opleggen van een H-statuut verantwoorden: vooreerst het niet- conforme monster waarin sporen van dexamethasone werden aangetroffen zonder dat een therapeutische behandeling werd aangetoond, waardoor artikel 3, § 3, van de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, beta-adrenergische of productie-stimulerende werking IX-6093-9/14 geschonden wordt bevonden; voorts de plastieken wegwerpspuit waarin progesteron werd aangetroffen, wat als een overtreding wordt beschouwd van artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 12 april 1974 betreffende sommige verrichtingen in verband met stoffen met hormonale, antihormonale, anabole, beta-adrenergische, anti-infectieuze, antiparisitaire en anti-inflammatoire werking. De bestreden beslissing vermeldt ook genoegzaam op welke gronden de verklaringen die de verzoeker voor de vastgestelde onregelmatigheden heeft gegeven, niet in aanmerking worden genomen: uit de bevraging van de bedrijfsveearts, waarnaar de verzoeker heeft verwezen, blijkt niet welke dieren door de arts werden behandeld; de laatste huurder van de stal verklaarde dat hij de plastieken wegwerpspuit niet kende en de bevraging van de leveranciers van veterinair materiaal heeft uitgewezen dat de desbetreffende spuit een recent model betreft dat nog verkrijgbaar is op de markt. De bestreden beslissing lijkt aldus afdoende formeel gemotiveerd te zijn. 2.1.3.
  18. Voor zover de verzoeker in het middel ook beoogt te laten gelden dat niet bewezen is dat de aangetroffen stoffen het gevolg zijn van een illegale behandeling, dient erop te worden gewezen dat luidens artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 8 september 1997 betreffende maatregelen inzake de verhandeling van landbouwdieren, ten aanzien van bepaalde stoffen of residu’s daarvan met farmacologische werking, waarop de bestreden beslissing is gesteund, de aanwezigheid van een niet-toegestane stof of stoffen of residu’s als gevolg van een illegale behandeling wordt aangetoond door de bevoegde diensten door een analyse van monsters die bij een controle op de bedrijven of in het slachthuis of bij een controle van vlees werden genomen. Te dezen staat vast dat de analyse van de monsters die door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen op het bedrijf van de verzoeker werden genomen, de aanwezigheid van niet-toegestane stoffen hebben aangetoond. De verzoeker heeft uiteindelijk geen tegenonderzoek aangevraagd, zodat de analyseresultaten van de monsters definitief zijn geworden. De verwerende partij is echter niet licht voorbijgegaan aan de verklaring die de verzoeker voor de aanwezigheid van de voormelde stoffen meende te kunnen geven: zij heeft bij de bedrijfsdierenarts geïnformeerd naar een eventuele therapeutische behandeling van IX-6093-10/14 het positief bevonden rund; voorts heeft zij de vroegere huurder van de stal bevraagd betreffende de aangetroffen plastieken wegwerpspuit en heeft zij een ruim onderzoek gewijd aan de verkrijgbaarheid van dergelijke spuiten op de markt. Uit de resultaten van haar onderzoek, zoals weergegeven in de bestreden beslissing, lijkt de verwerende partij naar recht en redelijkheid te hebben kunnen afleiden dat er geen bewijs voorlag van een therapeutische behandeling van het positief bevonden rund, die de aanwezigheid van dexamethasone kon verklaren, en dat evenmin gegevens voorlagen die ervan konden overtuigen dat de aangetroffen plastieken wegwerpspuit met progesteron niet de verzoeker toebehoorde. Bovendien blijkt niet dat het aanvullend onderzoek dat de verwerende partij op vraag van de verzoeker heeft uitgevoerd, niet correct en nauwkeurig was. Te dezen legt de verzoeker niet uit hoe de vraag sedert wanneer wegwerpspuiten, zoals er één bij hem werd aangetroffen, gecommercialiseerd zijn, bewijskrachtige gegevens had kunnen opleveren die aantoonden dat de bij hem aangetroffen wegwerpspuit niet van hem was. Ten slotte lijkt de omstandigheid dat de cijfers op de aangetroffen wegwerpspuit grotendeels zijn weggesleten, evenmin onomstotelijk aan te tonen dat de spuit niet van de verzoeker was of niet door hem werd gebruikt. 2.1.3.
  19. Uit wat voorafgaat volgt dat het eerste middel niet ernstig is. 2.2.
  20. In een tweede middel voert de verzoeker aan dat het H-statuut dat hem door de bestreden beslissing wordt opgelegd, een sanctie is die volledig disproportioneel is met hetgeen op zijn bedrijf werd aangetroffen. Hij betoogt dat “geen enkel product is aangetroffen” en dat “geen enkel dier [werd] aangetroffen waarvan met zekerheid kon gesteld worden dat [het] een groeibevorderende behandeling zou hebben gekregen”. Hij stelt dat 35 meststalen werden genomen van 35 verschillende dieren en dat slechts één staal niet-conform werd bevonden, te verklaren door de therapeutische handeling van een veearts die echter een administratieve nalatigheid heeft begaan. Ook de spuit kan, aldus de verzoeker, geen bewijs leveren van een illegale behandeling. Ten slotte wijst de verzoeker erop dat de Meritus- en Proceriqlabels, waarvan hij lid is, op geregelde tijdstippen grondige controles uitvoeren, maar bij hem nooit onregelmatigheden hebben vastgesteld. IX-6093-11/14 2.2.
  21. De verwerende partij repliceert dat zij te dezen niet over een beoordelingsvrijheid beschikt. Zij betoogt dat, indien de voorwaarden van artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 8 september 1997 betreffende maatregelen inzake de verhandeling van landbouwdieren, ten aanzien van bepaalde stoffen of residu’s daarvan met farmacologische werking, vervuld zijn, zij het H-statuut dient op te leggen. Voorts laat de verwerende partij gelden dat de verzoeker niet ernstig kan beweren dat bij hem “geen enkel product” is aangetroffen, noch een rund dat een groeibevorderende behandeling zou hebben gekregen, vermits hij dan vergeet dat dexamethasone bij een rund en progesteron in een wegwerpspuit werden aangetroffen. De verwerende partij herhaalt dat geen bewijs voorligt van een therapeutische behandeling en evenmin een “sluitende verklaring” voor de wegwerpspuit. De omstandigheid dat de Meritus- en Proceriqlabels bij controles niets illegaals zouden hebben vastgesteld, is niet ter zake en doet geen afbreuk aan de bestreden beslissing. 2.2.
  22. Artikel 4, § 1, eerste lid, van het genoemde koninklijk besluit van 8 september 1997 luidt als volgt: “Wanneer de aanwezigheid van een niet-toegestane stof of stoffen of residu’s als gevolg van een illegale behandeling wordt aangetoond door de bevoegde diensten door een analyse van monsters die bij een controle op de bedrijven of in het slachthuis of bij een controle van vlees genomen werden, gaat de Dienst over tot een enquête in het beslag van herkomst om de oorzaak van de aanwezigheid van de niet-toegestane stof of stoffen of residu’s als gevolg van een illegale behandeling te bepalen en tot de merking van alle landbouwdieren van dezelfde soort van het beslag of van de identificatiedocumenten van deze dieren”. De voormelde bepaling, waarvan de wettigheid door de verzoeker niet wordt betwist, lijkt aan de verwerende partij, zoals zij laat gelden, geen beoordelingsruimte te laten, wanneer de aanwezigheid van een niet-toegestane stof of stoffen of residu’s als gevolg van een illegale behandeling werd aangetoond. Zij dient in dat geval over te gaan tot de merking van alle landbouwdieren van dezelfde soort van het beslag of van de identificatiedocumenten van deze dieren. De verwerende partij lijkt met de bestreden beslissing slechts uitvoering te hebben gegeven aan deze gebonden bevoegdheid. Zij heeft vastgesteld dat de voorwaarden voor de toepassing van artikel 4, § 1, eerste lid, van het IX-6093-12/14 koninklijk besluit van 8 september 1997 ten aanzien van de verzoeker vervuld zijn en heeft aan deze vaststelling het gevolg verbonden dat door de genoemde reglementaire bepaling is voorgeschreven. Aan de verwerende partij lijkt dan ook niet te kunnen worden verweten dat zij een maatregel heeft opgelegd die onevenredig is met de motieven ervan. Voor zover de verzoeker in het middel andermaal laat gelden dat geen bewijs voorligt van een illegale behandeling, wordt verwezen naar wat dienaangaande onder 2.1.3.2 met betrekking tot verzoekers eerste middel werd gesteld. Ook het tweede middel is derhalve niet ernstig. 2.
  23. Nu de verzoeker geen ernstig middel aanvoert, is niet voldaan aan alvast één van de twee cumulatieve grondvoorwaarden, bepaald in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, voor het bevelen van de schorsing. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER: Artikel
  24. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  25. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. IX-6093-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting op 27 maart 2009, door: de HH. B THYS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. B. THYS. IX-6093-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.954 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.622 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.