id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.959 Rolnummer: A. 102633/IX-2781 Zaak: Arrest 191959 - Tucht (openbaar ambt) - 30/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-10 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 00:27 Fiche Arrest nr 191.959 van 30 maart 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.959 van 30 maart 2009 in de zaak A. 102.633/IX-
- In zake : Carlo SMEULDERS, die woonplaats kiest bij advocaat D. VAN COPPENOLLE, kantoor houdende te ZONHOVEN, Beverzakbroekweg 97 tegen : De Post. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Carlo SMEULDERS op 29 maart 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de Eerste Adviseur Kaders en Mobiliteit van 19 februari 2001 waarbij hem zijn rechten op bevordering en op bevordering tot een hogere wedde worden ontnomen met ingang van 15 december 2000 en zijn normale activiteitswedde wordt verminderd met ingang van dezelfde dag; Gelet op het arrest nr. 96.553 van 18 juni 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 16 juli 2001 door de verzoekende partij; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 19 februari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; IX-2781-1/7 Gelet op de beschikking van 17 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van adviseur P. CLAES, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
- Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker werkman bij de Post in het kantoor Antwerpen X. 1.
- Op 5 december 2000 vindt de verzoeker op het werk een achter- gelaten GSM-toestel. Hij bergt het op in zijn kleerkast. Later op de dag meldt een medewerker van een privé-firma die werken uitvoerde in het postgebouw het verlies van zijn GSM. Bij het opbellen van het toestel wordt er een telefoongeluid waargenomen in de kleerkast van de verzoeker. De verzoeker wordt ter plaatse geroepen en gevraagd om zijn kleerkast te openen. Op dat ogenblik verklaart hij dat hij een GSM heeft gevonden en in zijn kast heeft gelegd tot de eigenaar erom zou vragen en dat hij het toestel zou hebben ingeleverd op het kantoor op het einde van zijn dienst wanneer niemand erom zou hebben gevraagd. Hij haalt het toestel van onder enkele andere spullen in zijn kast te voorschijn en overhandigt het aan zijn chef. Het wordt terugbezorgd aan de eigenaar. 1.
- Wanneer de verzoeker door zijn dienstleider over de gebeurtenis- sen wordt ondervraagd verklaart hij nogmaals dat hij de GSM heeft gevonden en dat hij hem in bewaring hield voor het geval iemand erom zou komen vragen. Op de vraag waarom hij het onder een aantal voorwerpen in zijn kast had verstopt, IX-2781-2/7 antwoordt de verzoeker dat hij er iets opgelegd had of dat er iets op gevallen was. Hij geeft geen rechtstreeks antwoord op de vraag waarom hij het toestel niet had afgegeven bij de dienstleider. 1.
- De verzoeker wordt op 5 december 2000 onmiddellijk uit de dienst verwijderd door zijn directe chef en op 8 december 2000 beslist de Eerste Adviseur Kaders en Mobiliteit om de verzoeker met ingang van 15 december 2000 te schorsen, in het belang van de dienst. Tevens stelt hij voor om met ingang van 15 december 2000 zijn bezoldiging te verminderen en hem zijn recht te ontzeggen om aanspraken op bevordering en op weddeverhoging te laten gelden. De verzoeker tekent hiertegen beroep tegen aan bij de commissie van beroep. 1.
- Bij aangetekend schrijven van 8 december 2000 deelt de postmeester aan de verzoeker mee dat er omwille van de hierboven genoemde feiten een tuchtprocedure tegen hem wordt opgestart. Deze leidt tot de afzetting. De verzoeker tekent op 19 december 2000 tegen deze straf beroep aan bij de commissie van beroep. 1.
- De commissie van beroep behandelt verzoekers beroepen (zowel dat tegen de schorsing in het belang van de dienst als dat tegen de straf) op haar zitting van 7 februari
- Na de verzoeker te hebben gehoord, adviseert zij unaniem gunstig voor de schorsing en de afzetting met de volgende motivering: “Gelet op de bijzondere ernst van de feiten nl. achterhouden tijdens de dienst van een gevonden gsm-toestel ten nadele van een persoon vreemd aan De Post en dit toestel te hebben verborgen in zijn kleerkast. Gelet op het feit dat betrokkene, zoals hij tijdens zijn verhoor op de zitting verklaarde en zoals ook uit het dossier blijkt, niet de bedoeling had iemand hiervan onmiddellijk op de hoogte te brengen maar enkel een eventuele aanvraag af te wachten om het toestel terug te geven, is de Commissie van mening dat beroeper wel degelijk de intentie had dit toestel achter te houden. De Commissie is dan ook van oordeel dat betrokkene terecht volgens de vigerende reglementering werd geschorst in het belang van de dienst. [...].” 1.
- Op 19 februari 2001 neemt de Eerste Adviseur Kaders en Mobiliteit de bestreden beslissing. In de aanhef wordt verwezen naar de toepasse- lijke reglementering, naar de delegatie verleend aan de eerste adviseur en naar alle procedurevoorgaanden. IX-2781-3/7 Het dispositief van de bestreden beslissing luidt als volgt: “Artikel 1 : De heer SMEULDERS Carlo, Ronnie, Emiel, werkman, geboren op 7 juni 1958, stamnummer 173.879-55 kan zijn rechten op bevordering en op bevordering tot een hogere wedde niet doen gelden met ingang van 15 december
- Artikel 2 : De normale activiteitswedde van betrokkene wordt verminderd met ingang van 15 december
- De inhoud van wedde mag niet meer bedragen dan bepaald in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, noch mag de wedde worden teruggebracht tot een bedrag lager dan het bedrag van de werkloos- heidsvergoeding waarop hij recht zou hebben indien hij het stelsel van de sociale zekerheid van de bezoldigde werknemers genoot.” 1.
- Bij beslissing van dezelfde datum van zijn onmiddellijke chef, wordt de verzoeker afgezet met ingang van 19 februari
- 1.
- Bij arrest nr. 189.262 van 5 januari 2009 wordt het beroep tegen de beslissing van afzetting van 19 februari 2001, door de Raad van State verworpen. Dit is de bestreden beslissing. Ten gronde 2.
- De verzoeker roept onder meer een eerste middel in, afgeleid uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij voert aan dat noch de initiële beslissing van 6 december 2000 waarmee hij door zijn onmiddellijke chef uit de dienst wordt verwijderd, noch de bestreden beslissing van 19 februari 2001 afdoende juridisch en feitelijk zijn gemotiveerd. Meer bepaald is hij van oordeel dat de feitelijke overwegingen die worden vermeld te summier zijn en dat er alleen feitelijke maar geen juridische overwegingen worden aangegeven. 2.
- De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat als het belang van de dienst het vereist, een ambtenaar op voorstel van zijn onmiddellijke chef kan worden geschorst door de gedelegeerd bestuurder of zijn afgevaardigde. In de beslissing van 19 februari 2001 werden de feiten vermeld op grond waarvan werd geoordeeld dat de noodzakelijke vertrouwensrelatie tussen de IX-2781-4/7 Post en de verzoeker verbroken was en waardoor het nodig was de verzoeker buiten de Post te houden. Voorts betoogt de verwerende partij dat artikel 99 van het administratief statuut bepaalt dat de geschorste ambtenaar het recht op bevordering en op bevordering in wedde kan worden ontzegd en dat zijn wedde kan worden verminderd ingeval hij tuchtrechtelijk wordt vervolgd wegens een zware fout waarbij hij op heterdaad werd betrapt of waarvoor er voldoende aanwijzingen zijn. Vermits de verzoeker bij zijn indiensttreding een verklaring heeft ondertekend waarin duidelijk wordt gesteld dat diefstal, verduistering, achterhouden van geld (...), in het algemeen worden gestraft met de afzetting, wist hij zeer goed hoe zwaar de Post tilde aan dergelijke feiten. Vermits zowel de juridische als de feitelijke elementen die aan de grondslag liggen van de beslissing van 19 februari 2001 in die beslissing zijn vermeld kan er, aldus de verwerende partij, geen sprake zijn van een schending van de motiveringsplicht. 2.3.
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen verplichten de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op een “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. 2.3.
- Artikel 99 van het administratief statuut van de postambtenaren luidt als volgt: IX-2781-5/7 “De geschorste ambtenaar (...) kan het recht worden ontzegd zijn aanspraken op bevordering en op bevordering tot een hogere wedde te doen gelden en zijn wedde kan in de volgende gevallen worden verminderd: 1/ als hij strafrechterlijk wordt vervolgd; 2/ als hij tuchtrechterlijk wordt vervolgd wegens een zware fout waarbij hij op heterdaad werd betrapt of waarvoor er afdoende aanwijzingen zijn. (...)” Dit artikel verleent aan de tuchtoverheid de bevoegdheid om aan een maatregel van preventieve schorsing de bijkomende maatregel van inhouding van wedde en een ontzegging van bevorderingsaanspraken te koppelen. Het bestuur beschikt daarbij over een discretionaire bevoegdheid; het is immers niet verplicht de bijkomende maatregelen op te leggen. Zij zijn door het statuut ook niet automatisch verbonden aan de schorsing in het belang van de dienst. Bijgevolg moet het bestuur er krachtens de hiervóór beschreven op hem rustende motiveringsver- plichting blijk van geven dat het goede redenen heeft om de bijkomende maatrege- len te bevelen. Lezing van de bestreden beslissing toont aan dat er zelfs geen begin van een dergelijke motivering wordt gegeven. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de Eerste Adviseur Kaders en Mobiliteit van 19 februari 2001 waarbij de rechten van Carlo Smeulders op bevordering en op bevordering tot een hogere wedde worden ontnomen met ingang van 15 december 2000 en zijn normale activiteitswedde wordt verminderd met ingang van dezelfde dag. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-2781-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 30 maart 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-2781-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.959 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.96.553 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.