id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.960 Rolnummer: A. 110872/IX-3078 Zaak: Arrest 191960 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 30/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-20 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 00:28 Fiche Arrest nr 191.960 van 30 maart 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.960 van 30 maart 2009 in de zaak A. 110.872/IX-
- In zake : François HUYGENS, wonende te KERMT-HASSELT, Verbindingsweg 6 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat François HUYGENS op 27 september 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 19 april 2001 waarbij hem ontslag wordt verleend uit zijn ambt wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, zonder de vermelding dat dit ontslag eervol is; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 21 januari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 17 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. LIEFSOENS die, loco advocaat K. VANOPPEN, verschijnt voor de verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-3078-1/6 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
- De verzoeker is voormalig hypotheekbewaarder van het tweede hypotheekkantoor te Dendermonde. 1.
- Bij ministerieel besluit van 23 april 1999 wordt hij vanaf 1 mei 1999 in het belang van de dienst geschorst omdat er tegen hem een onderzoek loopt wegens fiscale onregelmatigheden. Op 14 september 1999 stelt het college van dienstchefs van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen voor om de verzoeker de tuchtstraf van de afzetting op te leggen. De verzoeker tekent daartegen beroep aan bij de interdepartementale raad van beroep. Vermits de feiten ook het voorwerp uitmaken van een strafonderzoek wordt de tuchtprocedure geschorst in afwachting van een uitspraak. Aan de Raad van State zijn geen nadere gegevens bekend in verband met het resultaat van het strafonderzoek. 1.
- Hangende deze procedures bereikt de verzoeker de leeftijdsgrens die is vastgesteld bij koninklijk besluit van 12 mei 1927 betreffende de ouderdom van de oppensioenstelling van de ambtenaren, de beambten en het dienstpersoneel van de Staat. Bij koninklijk besluit van 2 februari 2001 wordt de verzoeker met ingang van 1 augustus 2001 eervol ontslag verleend uit zijn ambt van hypotheek- bewaarder wegens het bereiken van de leeftijdsgrens. Tevens wordt hij gemachtigd de titel van zijn ambt eershalve te voeren en zijn aanspraak op pensioen te doen gelden. IX-3078-2/6 1.
- Nog vóór dit besluit aan de verzoeker wordt betekend, wordt het vervangen door een koninklijk besluit van 19 april 2001 dat het voornoemde besluit van 2 februari 2001 intrekt en de verzoeker opnieuw ontslag verleent met ingang van 1 augustus 2001, maar niet langer eervol. De machtiging om de titel van zijn ambt eershalve te mogen voeren wordt in dit nieuwe koninklijk besluit niet gegeven. Dit is het bestreden besluit. Het wordt aan de verzoeker betekend op 27 juli
- Voorwerp van het beroep
- Het beroep is enkel gericht tegen de impliciete beslissing om de verzoeker niet eervol te ontslaan, en om hem niet te machtigen tot het dragen van de eretitel. Ten gronde 3.
- De verzoeker roept onder meer een eerste middel in, afgeleid uit de schending van het rechtszekerheidsbeginsel en de formele en de materiële motiveringsplicht. 3.1.
- In een eerste onderdeel van het middel voert de verzoeker de schending aan van het rechtszekerheidsbeginsel. Hij betoogt dat het koninklijk besluit van 2 februari 2001 dat hem eervol ontslag verleende voor hem rechtsgevol- gen ressorteert en dat het rechtszekerheidsbeginsel zich ertegen verzet dat dit besluit wordt ingetrokken. 3.1.
- In een tweede onderdeel van het middel laat de verzoeker gelden dat de formele en de materiële motiveringsplicht geschonden zijn, daar zowel in het bestreden besluit als in het dossier elk motief voor de schrapping van het eervol karakter van zijn ontslag ontbreekt. 3.2.
- De verwerende partij antwoordt op het eerste onderdeel van het middel dat een ambtenaar geen aanspraak kan maken om bij neerlegging van zijn ambt wegens het bereiken van de leeftijdsgrens eervol ontslag te krijgen. In elk geval, zo stelt zij, brengt het al dan niet vermelden van het “eervol” karakter van het ontslag geen rechtsgevolgen mee voor de verzoeker. IX-3078-3/6 3.2.
- In verband met het tweede onderdeel stelt de verwerende partij dat van een in redelijkheid oordelende overheid niet kan worden aanvaard dat zij een ambtenaar eervol ontslaat indien die ambtenaar op het ogenblik van zijn ontslag én geschorst is in het belang van de dienst én betrokken is in een strafonderzoek voor handelingen gesteld binnen zijn ambtsuitoefening én in een tuchtprocedure geconfronteerd wordt met een definitief tuchtvoorstel van afzetting. Minstens was de verzoeker op de hoogte van zijn schorsing, van het strafonderzoek en van de voorgestelde tuchtmaatregel, zodat hij de redenen kent waarom hem geen eervol ontslag wordt verleend. Deze redenen zijn, aldus de verwerende partij, voldoende draagkrachtig om het bestreden besluit te verantwoorden. 3.3.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker zich de vraag waarom de verwerende partij het eerste besluit heeft ingetrokken indien het vermelden van het eervol karakter toch geen rechtsgevolgen meebrengt. Volgens hem geeft de verwerende partij door de vermelding “eervol” te kennen dat de betrokkene zich op uitmuntende wijze heeft gekweten van zijn taak en dat zij ten onrechte overging tot het inspannen van een tuchtonderzoek en het neerleggen van een klacht. Verder stelt hij dat aangezien het strafonderzoek nog steeds lopende is, zijn schuld nog niet vaststaat en dat er dus geen reden is om hem het eervol karakter van zijn ontslag te ontnemen. 3.3.
- Met betrekking tot het tweede onderdeel van het middel stelt de verzoeker dat het feit dat hij op de hoogte was van het lastens hem lopend tuchtonderzoek en de lastens hem neergelegde klacht, geen afbreuk doet aan de motiveringsplicht die door de wet van 29 juli 1991 aan de overheid wordt opgelegd. 3.4.
- De verwerende partij kan niet gevolgd worden waar zij stelt dat het ingetrokken besluit de verzoeker, buiten zijn opruststelling en zijn recht op pensioen, geen rechten toekende. Vermits hij eervol op pensioen werd gesteld werd hij ook gemachtigd om de titel van zijn ambt eershalve te voeren. De toekenning van deze machtiging is geregeld door het koninklijk besluit van 22 juli 1924 houdende de bepalingen tot toekenning van de eretitel van hun ambt aan sommige ambtenaren van de Rijksbesturen. 3.4.
- Een rechtshandeling die rechten toekent en die niet onregelmatig is kan niet rechtsgeldig worden ingetrokken. Is een rechtshandeling daarentegen onregelmatig dan kan ze worden ingetrokken binnen de beroepstermijn. IX-3078-4/6 Te dezen gebeurde de intrekking binnen de beroepstermijn vermits ze gebeurde alvorens het ingetrokken besluit aan de verzoeker werd betekend en dus alvorens de beroepstermijn was beginnen lopen. Vraag is dan of het ging om een onregelmatige akte. Zoals blijkt uit het stuk dat de verwerende partij ter aanvulling van het administratief dossier heeft overgemaakt, werd het eerste besluit ingetrokken omdat de overheid van oordeel was dat de verzoeker, gezien het feit dat hij in zijn functies was geschorst en de redenen waarom hij was geschorst, niet in aanmerking kwam om gemachtigd te worden de titel van zijn ambt eershalve te voeren. De vraag rijst thans of het toekennen, in het eerste besluit, van het eervol karakter en van die machtiging een onregelmatigheid was. Het voormelde koninklijk besluit van 22 juli 1924 houdende de bepalingen tot toekenning van de eretitel van hun ambt aan sommige ambtenaren van de Rijksbesturen stelt de volgende voorwaarden voor de toekenning: - minstens de graad van bestuurschef of een gelijkwaardige graad hebben (artikel 1); - ten minste twintig jaren werkelijke dienst tellen (artikel 2); - een verdienstelijk ambtenaar zijn (artikel 2). De vraag is of het in strijd met de derde voorwaarde was en dus onregelmatig, om de verzoeker eervol op pensioen te stellen en hem de voornoemde machtiging te verlenen, niettegenstaande hij was geschorst, een strafonderzoek werd gevoerd en een tuchtmaatregel was voorgesteld. Deze vraag kan niet worden beantwoord zonder aandacht te besteden aan het vermoeden van onschuld. Tegen de verzoeker waren inderdaad zowel een tucht- als een strafprocedure hangende, maar zolang er daarover nog geen uitspraak was moet hij voor onschuldig worden gehouden. Zelfs indien aangenomen zou moeten worden dat de overheid rekening kon houden met het enkele feit dat tegen de verzoeker een tucht- en een straf- vordering liepen, dan nog kan er niet zonder meer gesteld worden dat zij de verzoeker niet eervol op pensioen mocht stellen. Zij zou immers kunnen oordelen dat zij hem het voordeel van de twijfel gunt of dat zij wil vermijden haar administra- tie of de hypotheekbewaarders in opspraak te brengen. In elk geval kan niet worden besloten dat dergelijk oordeel dermate onredelijk is dat het ingetrokken besluit voor onregelmatig moet worden gehouden. IX-3078-5/6 Aldus moet besloten worden dat het ingetrokken besluit een regelmatig genomen besluit was dat rechten toekende. Bijgevolg kon het niet rechtsgeldig worden ingetrokken. Het eerste onderdeel van het middel is gegrond en leidt tot de nietigverklaring van het bestreden besluit. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het koninklijk besluit van 19 april 2001 waarbij François HUYGENS ontslag wordt verleend uit zijn ambt wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, in zoverre daarbij impliciet beslist wordt om hem niet eervol te ontslaan en om hem niet te machtigen tot het dragen van de eretitel. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 30 maart 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3078-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.960 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.