id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.968 Rolnummer: A. 191917/IX-6277 Zaak: Arrest 191968 - Penitentiair recht - 30/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-02 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 00:31 Fiche Arrest nr 191.968 van 30 maart 2009 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.968 van 30 maart 2009 in de zaak A. 191.917/IX-
- In zake : Dwight MILTENBURG, die woonplaats kiest bij advocaat M. VANDEVELDE, kantoor houdende te MERCHTEM, Kouter 60 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Dwight MILTENBURG op 24 maart 2009 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de directeur van de gevangenis te Sint-Gillis van 18 maart 2009 waarbij verzoeker een tuchtsanctie wordt opgelegd; Gelet op de beschikking van 25 maart 2009 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 25 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 maart 2009, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. VANDEVELDE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché V. ARICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-6277-1/6 Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE, bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur- generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
- De verzoeker, van Nederlandse nationaliteit, is opgesloten in de gevangenis te Sint-Gillis. Op het ogenblik van de feiten was hij tewerkgesteld als bedeler van maaltijden. Op 16 maart 2009 wordt vastgesteld dat de verzoeker naar de kantine is gegaan zonder dat hij gewacht heeft op de chef van de kantine. Hij deelt even later mee dat twee pakjes sigaretten ontbreken. Bij een fouille van de in de kantine aanwezige gedetineerden en van de gedetineerden die in de betrokken vleugel de bedeling doen wordt niets gevonden. Daarop wordt de cel van de verzoeker onderzocht. Onder een hoopje kleren worden twee pakjes sigaretten gevonden. Over dit incident wordt dezelfde dag een rapport aan de directeur opgesteld. Dit rapport is in het Frans gesteld. Volgens een nota in het dossier is de inhoud van het tuchtrapport mondeling voor de verzoeker vertaald. Op 16 maart 2009 beslist de directeur van de gevangenis om een tuchtprocedure op te starten. Op de hoorzitting, gehouden op 18 maart 2009, ontkent de verzoeker de feiten. Hij verklaart dat de bij hem gevonden pakjes een overschot zijn van een bestelling die hij enkele weken tevoren in de kantine heeft gedaan. De verzoeker vraagt ook dat zijn celgenoot als getuige zou worden opgeroepen. De directeur antwoordt hierop dat hij de celgenoot later op de dag zal ondervragen. IX-6277-2/6 De celgenoot is in de loop van de dag ondervraagd. Het dossier bevat daarvan geen verslag. Dezelfde dag, op 18 maart 2009, neemt de directeur van de gevangenis een beslissing waarbij een tuchtstraf wordt opgelegd. Deze beslissing bevat, in verband met de feiten, een letterlijke overname van de vaststellingen in het hiervóór genoemde rapport aan de directeur. Voorts bevat de beslissing de volgende overwegingen: “Aangezien betrokkene, bij de kantinebedeling, zonder toelating van de beambte zelf zijn kantinewaren had genomen; er twee pakjes sigaretten waren verdwenen die achteraf bij celfouille in de cel van betrokkene werden teruggevonden; Aangezien [betrokkene] ontkent dat hij deze sigaretten heeft gestolen; Aangezien op verzoek van zijn advocaat zijn celgenoot werd verhoord en deze verklaart dat betrokkene zijn sigaretten gewoonlijk in een schuif of in de kast liggen en het de eerste maal is dat betrokkene sigaretten verstopt in een kartonnen doos onder klederen; Aangezien er voldoende elementen aanwezig zijn om te besluiten dat het hier gaat om een poging tot diefstal; Aangezien het vertrouwen in betrokkene door deze feiten geschonden is en het aangewezen is om betrokkene te ontslaan van zijn taak.” De aan de verzoeker opgelegde straf bestaat in de afzetting van werk. Deze beslissing vormt het voorwerp van de voorliggende vordering. Tussen de partijen bestaat betwisting over het ogenblik waarop deze beslissing ter kennis van de verzoeker is gebracht. Volgens de verwerende partij zijn de verzoeker en zijn raadsman reeds op de hoorzitting mondeling op de hoogte gebracht van de straf, en is de schriftelijke beslissing later op de dag aan de verzoeker ter kennis gebracht. Volgens de verzoeker heeft hij daarentegen pas op 22 maart 2009 kennis gekregen van de schriftelijke beslissing. Vaststaat dat de verzoeker geweigerd heeft de beslissing voor ontvangst te tekenen. Onderzoek van de vordering
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige IX-6277-3/6 voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- In verband met de uiterst dringende noodzakelijkheid stelt de Raad van State vast dat de bestreden beslissing dateert van 18 maart 2009, en dat de verzoeker met een op 24 maart 2009 per fax verstuurd verzoekschrift de voorliggende vordering heeft ingesteld. In verband met de datum van kennisgeving van de beslissing stelt de Raad van State voorts vast dat het dossier twee versies van de beslissing bevat. Op de versie in handen van de verzoeker staat er in de ruimte bestemd voor de vermelding van de datum en de handtekening enkel een kruisje; op de versie die deel uitmaakt van het administratief dossier is evenmin een datum ingevuld, en volgt onder het kruisje de vermelding “Refuse de signer” (“Weigert te tekenen”), gevolgd door de handtekeningen van twee beambten. In die omstandigheden kan niet met zekerheid worden uitgemaakt wanneer de beslissing ter kennis van de verzoeker is gebracht. De bewering van de verzoeker dat hij pas op 22 maart 2009 kennis kreeg van de bestreden beslissing kan in de huidige stand van de rechtspleging niet als strijdig met de waarheid worden verworpen. Rekening houdend met de mogelijkheid dat de kennisgeving plaatsvond op de laatstgenoemde datum, kan uit de chronologie van de feiten en van het procedureverloop worden afgeleid dat de verzoeker zich terecht beroept op de uiterst dringende noodzakelijkheid om de voorliggende vordering in te stellen, en dat hij de vordering ook met de vereiste spoed heeft ingesteld. 4.
- Wat betreft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, voert de verzoeker aan dat het verlies van zijn werk hem een dergelijk nadeel oplevert. Door het verlies van werk ontbeert hij inkomsten die hij nodig heeft om zich onder andere goederen uit de kantine te kunnen aanschaffen. Door het verlies van werk zal hij ook in een ander blok van de gevangenis worden ondergebracht. In het algemeen is het hebben van werk zeer belangrijk voor gedetineerden. 4.
- Ter zitting voert de verwerende partij aan dat de verzoeker geen concrete beschrijving geeft van het nadeel dat hij beweert te lijden. Zij wijst erop IX-6277-4/6 dat de gevangenis blijft zorgen voor het levensonderhoud van de verzoeker. In zoverre de verzoeker een financieel nadeel lijdt, is dat nadeel herstelbaar. 4.
- Overeenkomstig artikel 16, § 2, 6/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State dient het verzoekschrift onder meer te bevatten: “een uiteenzetting van de feiten die aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten akte of het aangevochten reglement de verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen”. Uit die bepaling volgt dat het aan de verzoeker staat om duidelijk en concreet aan te geven waarin het nadeel bestaat dat voortvloeit uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Te dezen voert de verzoeker in de eerste plaats aan dat hij een financieel verlies lijdt. De omvang van dat verlies wordt echter niet nader gepreciseerd. De verzoeker blijft ook vaag in het beschrijven van het nadeel dat hij lijdt ten gevolge van de beperking van de mogelijkheid om zich nog goederen in de kantine aan te schaffen. In zoverre de verzoeker voorts verwijst naar zijn overplaatsing naar een ander blok van de gevangenis, laat hij na te verduidelijken welk nadeel hieruit zou voortvloeien. Ter zitting is overigens niet gebleken dat een eventuele overplaatsing een waarschijnlijk gevolg zou zijn van de bestreden beslissing. Ten slotte voert de verzoeker aan dat het hebben van werk in de gevangenis zeer belangrijk is voor gedetineerden. Deze algemene bewering wordt in het geheel niet betrokken op de bijzondere situatie van de verzoeker. Het effect van de bestreden beslissing op het tijdsgebruik van de verzoeker wordt bijvoorbeeld niet toegelicht. Evenmin wordt uitleg gegeven over de mate waarin de bestreden beslissing belet dat de verzoeker, na een kortere of een langere tijd, eventueel opnieuw tewerkgesteld kan worden. Bij gebrek aan een concrete beschrijving van het nadeel dat zou voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is het voor de Raad van State niet mogelijk om te concluderen dat de verzoeker een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel zou lijden. IX-6277-5/6
- Er is aldus niet voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker; Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 30 maart 2009, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-6277-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.968 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.201.836 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.