← België

Arrest 191969 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.969 Rolnummer: A. 147668/X-11771 Zaak: Arrest 191969 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 30/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-03 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 00:31 Fiche Arrest nr 191.969 van 30 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.969 van 30 maart 2009 in de zaak A. 147.668/X-11.771 In zake : Gabriël POLLET, wonende te 8211 ZEDELGEM, Ossebilkstraat 61 tegen : de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gabriël POLLET op 16 februari 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 18 december 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West- Vlaanderen, houdende verwerping van zijn beroep tegen het besluit van 10 juli 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Diksmuide, waarbij hem de stedenbouwkundige vergunning werd geweigerd voor het regulariseren van het herbouwen van een woning aan de Nieuwkappellestraat 25 te Nieuwkappelle- Diksmuide, kadastraal bekend sectie B, nrs. 30/e en 32/e; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 3 oktober 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeker; Gelet op de beschikking van 17 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; X-11.771-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat S. DE MAESSCHALK, die loco advocaten R. VAN BELLEGHEM en P. D’ABSALMON verschijnt voor de verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :

  1. De feiten 1.
  2. De verzoeker en zijn echtgenote Godelieve DESENDER zijn sedert 1993 eigenaars van een gedesaffecteerde langgevelhoeve met meer dan 2 hectare bijbehorende grond, gelegen aan de Nieuwkapellestraat 25 te Nieuwkapelle-Diksmuide, kadastraal bekend sectie B, nrs. 30/ e en/32 e. Het voormelde perceel is volgens het gewestplan Diksmuide- Torhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 februari 1979, gesitueerd in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen het beheersingsgebied van een bijzonder plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan, noch maakt het deel uit van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 1.
  3. Op 21 juni 1995 verkrijgt de verzoeker van het college van burgemeester en schepenen van de stad Diksmuide een bouwvergunning om de voormelde woning te verbouwen. 1.
  4. In september 2000 wordt lastens de verzoeker een proces-verbaal van overtreding opgemaakt, omdat het oorspronkelijke gebouw niet verbouwd doch herbouwd blijkt te zijn, en op de plaats van de hoeve een villa is verrezen. 1.
  5. Nadat wegens deze bouwovertreding een herstelvordering bij het parket van de procureur des konings werd ingeleid, dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Diksmuide een regularisatieaanvraag in. X-11.771-2/11 De voormelde aanvraag wordt door het college in mei 2002 geweigerd, waarna de verzoeker op 20 december 2002 een nieuwe regularisatieaanvraag voor de voormelde herbouwingswerken indient. 1.
  6. Tijdens het openbaar onderzoek worden geen bezwaren ingediend. 1.
  7. Op 26 februari 2003 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Diksmuide een ongunstig preadvies over de laatst vermelde regularisatieaanvraag uit te brengen, omdat het ontwerp niet voldoet aan de normen van het decreet ruimtelijke ordening, niet strookt met de goede plaatselijke ordening en de onmiddellijke omgeving, en “niet gelegen is langs een weg”. 1.
  8. Op 24 maart 2003 brengt de afdeling land van het ministerie van de Vlaamse gemeenschap een “strikt ongunstig” advies uit over de aanvraag, onder meer stellende dat het bouwperceel zich situeert “midden in een uitgesproken homogeen en actief uitgebaat agrarisch gebied met in de omgeving weinig bebouwing”, dat in de plaats van de vroegere hoeve “een imposante nieuwe residentiële woning met aanhorigheden” is gekomen, en dat de normen van artikel 145 bis van het decreet “zowel naar de letter als naar de geest” overtreden worden. 1.
  9. Op 1 juli 2003 adviseert ook de gemachtigde ambtenaar het dossier ongunstig, inzonderheid omdat het ontwerp het karakter van het vroegere gebouw niet bewaart, omdat de “imposante nieuwe residentiële woning” “erg afwijkt” van de voormalige hoeve, en omdat de volumenormen van het decreet niet gerespecteerd worden. 1.
  10. Op 10 juli 2003 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Diksmuide de regularisatievergunning. 1.
  11. De raadsman van de verzoeker tekent tegen de voormelde vergunningsweigering een administratief beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. 1.
  12. Op 18 december 2003 verwerpt de bestendige deputatie het voormelde beroep en wordt de vergunning geweigerd op grond van de volgende motivering : X-11.771-3/11 “Overwegende dat het gewestplan Diksmuide-Torhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 februari 1979, desbetreffend eigendom situeert in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; Overwegende dat het een aanvraag betreft tot stedenbouwkundige vergunning (regularisatie), gelegen in de Nieuwkapellestraat 25 te 8600 Nieuwkapelle; dat het ontwerp het regulariseren voorziet van het herbouwen van een woning; Overwegende dat het voorafgaand advies van het schepencollege ongunstig was; dat het advies van de Afdeling Land ongunstig was; dat naar aanleiding van het openbaar onderzoek geen bezwaarschriften ingediend werden; dat het ongunstig advies van Arohm gebaseerd is op enerzijds het concept van de nieuwe woning, meer bepaald het karakter van de bestaande woning dat niet bewaard gebleven is en anderzijds het volume dat niet voldoet aan de opgelegde normen in het decreet; Overwegende dat de plaats van de aanvraag zich temidden het open agrarisch gebied bevindt en verbonden is met de openbare weg d.m.v. een verharde toegangsweg van zo’n 200m; dat Afdeling Land opwerpt dat het een actief uitgebaat homogeen agrarisch gebied betreft met in de omgeving weinig bebouwing; Overwegende dat het ontwerp de regularisatie voorziet van het afbreken van de bestaande bebouwing en het optrekken van een nieuwbouwwoning; dat de nieuwbouwwoning een rechthoekig hoofdvolume heeft met een uitsprong aan de achtergevel ter hoogte van de keuken en een uitsprong aan de voorgevel ter hoogte van de woonplaats; dat aan de zijgevel links een annex aangebouwd werd met een lessenaarsdak waarop een terras geconstrueerd werd; dat de gevelsteen een gele kleur heeft en de omlijstingen in witte steen zijn; dat er ook een plint in witte steen voorzien wordt; dat het schrijnwerk in hout is dat groen geolied werd en de raam- en deurdorpels in witte steen zijn; dat de dakoversteken uit bruingekleurd hout bestaan en de waterafvoer voorzien wordt door koperen halfronde dakgoten; dat de dakbedekking uit bruinrode tegelpannen bestaat; dat de basisvorm van het dak een zadeldak is, waarbij de dakconstructie van de uitbouwen loodrecht aansluiten op het hoofdvolume; dat in het dak drie uitkijken voorzien worden, één in de voorgevel en twee in de achtergevel; dat de poortopening ter hoogte van de garage tot een stuk in het dak komt; Overwegende dat er al een hele geschiedenis verbonden is aan desbetreffend terrein; " Er werd de eerste maal een bouwvergunning aangevraagd voor het bouwen van een woning na het slopen van de bestaande bebouwing. Deze aanvraag werd in beroep geweigerd door de Bestendige Deputatie en vervolgens nogmaals door de Vlaamse minister dd. 29 april
  13. Vervolgens werd een vergunning aangevraagd voor het verbouwen van de bestaande woning die door het College van Burgemeester en Schepenen werd verleend dd. 21 juni 1995; " Aanvragers hebben wederrechtelijk een nieuwe toegangsweg aangelegd waarvoor op 2 juni 1995 een P.V. van bouwovertreding werd opgesteld. Ingevolge het betalen van de transactiesom werd dd. 31 juli 1997 vergunning verleend voor het aanleggen/verplaatsen van de toegangsweg; " Er werd op 14 september 2000 een P.V. van bouwovertreding opgesteld voor het herbouwen van de woning niet conform de bouwvergunning van 21 juni 1995 en voor het herbouwen van het schuurgebouw zonder vergunning. Op 28 februari 2002 werd een herstelvordering ingeleid. Vervolgens werd een regularisatieaanvraag ingediend waarvoor door de gemachtigd ambtenaar een ongunstig advies werd verleend dd. 24 april
  14. Bijgevolg werd de vergunning geweigerd dd. 2 mei
  15. Er werd nogmaals een regularisatieaanvraag ingediend die opnieuw geweigerd X-11.771-4/11 werd door het college dd. 10 juli
  16. Het is tegen die weigering dat aanvragers nu beroep instellen; Overwegende dat er heel wat discussie is m.b.t. het volume; dat wat de oorspronkelijke toestand betreft moet opgemerkt worden dat het plan van de bestaande toestand heel miniem is; dat er geen enkele afmeting op vermeld staat en ook niet aangeduid wordt welke functies de verschillende ruimtes hebben; Overwegende dat enerzijds in artikel 145bis §1 van het decreet bepaald wordt dat in geval van herbouwen het volume dient beperkt te worden tot maximaal 1000 m³; dat bovendien de woning maar mag uitgebreid worden met een nieuw volume indien er geen uitbreidingsmogelijkheden bestaan in de aangebouwde voormalige bedrijfsgebouwen; dat in desbetreffend geval de woning uitgebreid kan worden in de bergingen en schuur van de oorspronkelijke bebouwing; dat bijgevolg er geen wettelijke basis bestaat die het mogelijk maakt om de uitsprongen ter hoogte van de keuken en van de woonplaats te kunnen vergunnen; Overwegende dat wat het totale volume betreft, de grens van 1000m³ overschreden blijkt te zijn; dat het bruto-volume zoals berekend door de architect verminderd werd met het volume van de berging; dat aangezien de berging echter aangebouwd is aan de woning, deze meegerekend dient te worden in het volume, met als gevolg dat een totaal volume van zo’n 1239m³ bereikt wordt; Overwegende dat aangezien de nieuwbouwwoning uitgebreid werd t.o.v. de bestaande woning, ook artikel 145bis §1, 6/ van het decreet moet worden toegepast; dat daar gesteld wordt dat ‘de uitbreiding kan met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen, slechts leiden tot een maximaal bouwvolume van 850 m³ nuttige ruimte’; dat de architect tot een nuttige ruimte komt van 782,282m³; dat hierbij geen rekening (wordt gehouden) met de berging; dat aangezien de berging aangebouwd is aan de woning, ook dit netto-volume moet meegerekend worden en bijgevolg ook de maximumgrens van 850m³ nuttige ruimte overschreden wordt; Overwegende dat doordat de woning geïsoleerd ligt temidden het open agrarisch gebied, er een grote impact van uitgaat; dat het ontwerp niet meer het karakter heeft van een landelijke woning, maar het hier wel degelijk een residentiële villa betreft; dat er bijgevolg moeilijk kan geoordeeld worden dat het karakter en de verschijningsvorm van de oorspronkelijke woning behouden blijft; dat aanvrager wel opwerpt dat het basisvolume, een langwerpig rechthoekig volume met zadeldak, behouden blijft en dat gebruik gemaakt wordt van dezelfde gevelmaterialen en kleuren en dat de annexen verwijzen naar vroegere aanbouwsels; dat dit alles echter nog niet betekent dat kan besloten worden dat het karakter en de verschijningsvorm behouden blijven; Overwegende dat er bezwaarlijk geoordeeld kan worden dat werd voldaan aan de voorwaarden opgelegd in artikel 145bis §1 van het decreet; dat in de eerste plaats niet aan de volumevereisten voldaan blijkt te zijn en bovendien het karakter en de verschijningsvorm van de oorspronkelijke bebouwing niet behouden wordt; dat het in feite een weinig hoogstaand ontwerp betreft dat gelegen is temidden het open landschap en mede door die geïsoleerde ligging niet past in de omgeving; dat het ontwerp strijdig is met de goede plaatselijke ordening; dat bijgevolg de aanvraag niet vergunningsvatbaar is”. Dit is het bestreden besluit. X-11.771-5/11
  17. Over de ontvankelijkheid van het beroep 2.
  18. De aangevoerde exceptie De verwerende partij voert in haar memorie van antwoord de onontvankelijkheid van het beroep wegens gebrek aan belang aan, stellende dat het “volkomen ongeoorloofd” zou zijn om in rechte de instandhouding van een onwettige situatie na te streven. 2.
  19. Beoordeling De verzoeker beoogt met zijn regularisatieaanvraag niet de bestendiging van een onwettige toestand maar de beëindiging ervan. Hij heeft een geoorloofd belang bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing die deze aanvraag weigert. De exceptie is niet gegrond.
  20. Over de gegrondheid van het beroep 3.
  21. Eerste middel 3.1.
  22. Het aangevoerde eerste middel De verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van “art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandeling” en “de afwezigheid van de rechtens vereiste feitelijke grondslag, inzonderheid waar er geen rekening gehouden wordt met de feitelijke gegevens en de goede plaatselijke ordening” : “a. eerste onderdeel: Aangezien bij de voormelde vergunning van 21.06.1995 van het College van Burgemeester en Schepenen, verzoekers een bouwvergunning verleend werd voor het verbouwen van de woning. Dat bij voormelde beslissing de goedkeuring verleend werd voor een uitbouw aan de voorgevel van de woning van 4 meter op 4 meter
  23. Dat zelfde beslissing alsdan gemotiveerd werd als volgt: ‘ .../... dat uit de hierna opgesomde motivering blijkt dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad doordat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functie de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; X-11.771-6/11 (...) overwegende dat het ontwerp in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen en verenigbaar is met de goede plaatselijke aanleg: BESLUIT: gunstig’. Dat bij nazicht van de goedgekeurde plannen, de alsdan vergunde constructie weinig fundameel verschilt van de gebouwde woning. Dat de bestreden beslissing daarentegen stelt: ‘Overwegende dat doordat de woning geïsoleerd ligt temidden het open agrarisch gebied, er een grote impact van uitgaat; dat het ontwerp niet meer het karakter heeft van een landelijke woning, maar het hier wel degelijk een residentiële villa betreft; dat er bijgevolg moeilijk kan geoordeeld worden dat het karakter en de verschijningsvorm van de oorspronkelijke woning behouden blijft; dat de aanvrager wel opwerpt dat het basisvolume, een langwerpig rechthoekig volume met zadeldak, behouden blijft en dat gebruik gemaakt wordt van dezelfde gevelmaterialen en kleuren en dat de annexen verwijzen naar vroegere aanbouwsels; dat dit alles echter nog niet betekent dat kan besloten worden dat het karakter en de verschijningsvorm behouden blijven’. Dat nergens in het hierbij bestreden besluit wordt gemotiveerd waarom de uitgevoerde wijzigingen thans niet meer verenigbaar zouden zijn met de goede plaatselijke aanleg, gezien de aanvankelijke beoordeling. Dat aldus noch (...) door het Bestuur geantwoord werd op deze door verzoeker voor de Bestendige Deputatie ingeroepen grief. Dat aldus vaststaat dat het hierbij betreden besluit niet behoorlijk gemotiveerd werd. b. tweede onderdeel: Dat de bestreden beslissing terzake het volume van het gebouw stelt: ‘Overwegende dat wat het totale volume betreft, de grens van 1.000 m³ overschreden (blijkt) te zijn; dat het bruto-volume zoals berekend door de architect verminderd werd met het volume van de berging; dat aangezien de berging echter aangebouwd is aan de woning, deze meegerekend dient te worden in het volume, met als gevolg dat een totaal volume van zo’n 1.239 m³ bereikt wordt’, terwijl uit de plannen én de begeleidende nota blijkt dat het volume teruggebracht werd tot een maximaal bouwvolume van 850 m³ nuttige ruimte ( 782,282 m³) ; doordat op plan en aan de hand van foto’s (tonende de werkelijke toestand), aangetoond werd dat de berging bouwfysisch volledig afgescheiden werd van de woning, in die zin dat er geen toegang meer mogelijk is vanuit de woning naar de berging door het optrekken van een bakstenen volle muur, zodat de motivering dat het volume van de berging bijgerekend dient te worden voor de nuttige ruimte te berekenen:
  24. niet naar recht verantwoord is ( een niet vanuit de woning te bereiken berging is geen nuttige ruimte); er is hiervoor geen rechtens vereiste feitelijke grondslag én
  25. strijdig is met de werkelijke toestand, derhalve de redengeving niet afdoende is”. 3.1.
  26. Beoordeling 3.1.2.
  27. Artikel 145bis, § 1, eerste lid, 2/, en 6/ van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna DRO) luidde op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit als volgt : X-11.771-7/11 “§ 1.Voorzover voldaan is aan de voorwaarden in deze paragraaf, vormen de geldende bestemmingsvoorschriften van de gewestplannen en de algemene plannen van aanleg op zichzelf geen weigeringsgrond bij de beoordeling, door de vergunningverlenende overheid, van aanvragen tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning met betrekking tot bestaande gebouwen. Deze uitzonderingsbepaling geldt slechts indien de aanvraag betrekking heeft op : (...) 2/ het herbouwen op dezelfde plaats van een bestaand gebouw binnen het bestaande bouwvolume voorzover het karakter, de verschijningsvorm en de functie van het gebouw behouden blijven; als herbouwen op dezelfde plaats wordt beschouwd, het herbouwen van een nieuw gebouw dat op minstens drie kwart van de oppervlakte van de bestaande gebouwen wordt opgericht; voor woninggebouwen wordt de bestaande woonoppervlakte bedoeld met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen; (...) 6/ het uitbreiden van een bestaande woning; de uitbreiding kan met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen, slechts leiden tot een maximaal bouwvolume van 850 m³ nuttige ruimte; deze uitbreiding mag een volumevermeerdering met 100 % echter niet overschrijden. (...)”. Artikel 145bis, § 1, derde lid, c DRO luidde toentertijd als volgt : “De mogelijkheden, vermeld in het eerste lid, 1/ tot en met 6/, gelden enkel indien voldaan is aan de volgende voorwaarden : (...) C. het volume van de herbouwde woning blijft beperkt tot 1.000 m³, indien het bestaande bouwvolume meer dan 1.000 m³ bedraagt, en het aantal woongelegenheden blijft beperkt tot het bestaande aantal; (...)”. 3.1.2.
  28. De gevraagde regularisatievergunning wordt onder meer om de volgende redenen geweigerd : “Overwegende dat wat het totale volume betreft, de grens van 1000 m³ overschreden blijkt te zijn; dat het bruto-volume zoals berekend door de architect verminderd werd met het volume van de berging; dat aangezien de berging echter aangebouwd is aan de woning, deze meegerekend dient te worden in het volume, met als gevolg dat een totaal volume van zo’n 1239 m³ bereikt wordt; Overwegende dat aangezien de nieuwbouwwoning uitgebreid werd t.o.v. de bestaande woning, ook artikel 145bis, § 1, 6/ van het decreet moet worden toegepast; dat daar gesteld wordt dat ‘de uitbreiding kan met inbegrip van de woningbijgebouwen, die er fysisch één geheel mee vormen, slechts leiden tot een maximaal bouwvolume van 850 m³ nuttige ruimte’; dat de architect tot een nuttige ruimte komt van 782, 282 m³; dat hierbij geen rekening (wordt gehouden) met de berging; dat aangezien de berging aangebouwd is aan de woning, ook dit netto-volume moet meegerekend worden en bijgevolg ook de maximumgrens van 850 m³ nuttige ruimte overschreden wordt”. X-11.771-8/11 3.1.2.
  29. De verzoeker betwist in zijn middel niet dat de in de voormelde aanhaling bedoelde maximumgrenzen van 1.000 m³ en 850 m³ worden overschreden indien de berging mee in rekening wordt gebracht bij de berekening van het bouwvolume. Enkel wordt betoogd dat de berging ten onrechte bij deze berekening werd betrokken aangezien zij fysisch niet één geheel zou vormen met het hoofdgebouw en meer bepaald omdat “er geen toegang meer mogelijk is vanuit de woning naar de berging door het optrekken van een bakstenen volle muur”. Deze laatste omstandigheid brengt evenwel niet met zich mee dat de berging fysisch niet langer een geheel zou vormen met het hoofdgebouw. De berging is geen van het hoofdgebouw fysisch losstaand woningbijgebouw en werd door de verwerende partij derhalve terecht bij de berekening van het in artikel 145 bis, § 1, derde lid, c DRO bedoelde bouwvolume en de in artikel 145 bis, §1, eerste lid, 6/ DRO bedoelde “nuttige ruimte” betrokken. Het betoog in de laatste memorie van de verzoeker dat een dergelijke interpretatie het begrip “nuttige volume” iedere betekenis zou ontnemen, kan niet worden bijgetreden. Het tweede middelonderdeel is ongegrond. 3.1.2.
  30. Het niet voldaan zijn van de voormelde, door artikel 145 bis, §1, eerste lid, 6/ DRO en artikel 145 bis, § 1, derde lid, c DRO gestelde voorwaarden maakt een voldoende motief uit om het bestreden besluit te dragen. Het betoog, in het eerste middelonderdeel, dat in het bestreden besluit niet wordt gemotiveerd waarom de uitgevoerde werken thans niet meer verenigbaar zouden zijn met de goede plaatselijke aanleg, heeft betrekking op een overtollig motief waarvan de gebeurlijke onwettigheid niet tot vernietiging kan leiden. Het middel kan niet tot vernietiging leiden. 3.
  31. Tweede middel 3.2.
  32. Het aangevoerde tweede middel In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van het gelijkheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur : “Dat het hierbij bestreden besluit van oordeel is dat het karakter en de verschijningsvorm niet behouden blijven. Dat de hierbij voorgelegde foto’s evenwel aantonen dat diverse andere woningen in telkens verschillende architecturale vormen in de onmiddellijke nabijheid, wel goedgekeurd werden en derhalve blijkbaar wel verenigbaar X-11.771-9/11 geacht werden met de plaatselijke omgeving, net zoals de eerste vergunning van verzoekers. ‘Dat de Raad van State reeds eerder heeft beslist dat het bestuur het gelijkheidsbeginsel schendt wanneer het bestuur bij de beoordeling van individuele gevallen (het) in het artikel 10 van de Grondwet neergelegde gelijkheidsbeginsel niet in acht neemt, en dat de overheid er dus moet over waken dat ze zonder gegronde reden niet aan de ene toestaat wat ze aan de andere weigert, en dat ze wat de bewoners van ‘de onmiddelijke omgeving’ betreft, zonder gegronde reden niet op één plaats ‘verenigbaar met de onmiddellijke omgeving’ acht wat ze op een andere plaats daar onverenigbaar mee acht’ ( ...)”. 3.2.
  33. Beoordeling Zoals bij de bespreking van het eerste middel werd uiteengezet, lieten artikel 145 bis, §1, eerste lid, 6/ DRO en artikel 145 bis, § 1, derde lid, c DRO op het ogenblik van het bestreden besluit niet toe om de gevraagde vergunning te verlenen. De toepassing van het gelijkheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, vermag niet in te gaan tegen deze duidelijke decretale bepalingen. Het middel is ongegrond. 3.
  34. Derde middel 3.3.
  35. Het aangevoerde derde middel In een derde middel voert de verzoeker de schending aan van “artikel 16 G.W., artikel 544 B.W. en de bepalingen van het E.V.R.M” : “Dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemene nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling (art. 16 G.W.) en dat eigendom het recht is om op de meest volstrekte wijze van een zaak het genot te hebben en daarover te beschikken mits men er geen gebruik van maakt dat strijdig is met de wetten of met de verordeningen. Dat het bestreden besluit tot gevolg heeft dat verzoeker daadwerkelijk het genot over zijn eigendom verliest, evenals het recht op woonst”. 3.3.
  36. Beoordeling 3.3.2.
  37. Een middel bestaat uit de voldoende en duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel of het geschonden geachte beginsel en van de wijze waarop die rechtsregel of dat beginsel naar het oordeel van de verzoekende X-11.771-10/11 partij door het bestreden besluit wordt geschonden. De door de verzoeker aangevoerde schending van “de bepalingen” van het E.V.R.M voldoet hieraan niet en is onontvankelijk. 3.3.2.
  38. In zoverre de verzoeker zich beroept op de schending van het eigendomsrecht en van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, beroept hij zich op de schending van burgerrechtelijke regels omtrent het eigendomsrecht, waarvan de beoordeling bij uitsluiting tot de rechtsmacht van de rechtscolleges van de rechterlijke orde behoort. In zoverre de verzoeker zich beroept op artikel 16 van de Grondwet, kan het middel niet worden aangenomen aangezien het bestreden besluit geen ontzetting uit zijn eigendom inhoudt. Het middel kan niet tot vernietiging leiden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  39. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  40. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig maart 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.771-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.969 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.