← België

Arrest 191993 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 30/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.993 Rolnummer: A. 190715/IX-6151 Zaak: Arrest 191993 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 30/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-15 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 00:35 Fiche Arrest nr 191.993 van 30 maart 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 191.993 van 30 maart 2009 in de zaak A. 190.715/IX-

  1. In zake : Walter HEYNDRICKX, die woonplaats kiest te LOMMEL, Kempensestraat 18 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Walter HEYNDRICKX op 16 december 2008 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van : - de beslissing van 3 mei 2006 tot niet toekenning van een aanstelling ad interim van eerstaanwezend inspecteur ter controle Mol 1, Directe Belastingen met ingang van 1 mei 2006, - de beslissing van 14 maart 2007 van de Gewestelijk Directeur Antwerpen II houdende ambtshalve op pensioenstelling van verzoeker met ingang van 1 april 2007; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 26 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-6151-1/7 Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  2. Verzoeker was tot aan de tweede bestreden beslissing inspecteur bij een fiscaal bestuur. Op het moment van de bestreden beslissingen zijn de relaties tussen verzoeker en een welbepaalde collega en zijn oversten al jaren (sinds 2002) erg vertroebeld, wat reeds heeft geleid tot het indienen door verzoeker, op 19 september 2005, van een klacht wegens pesten op het werk. Op 27 april 2006 stelt hij zich kandidaat voor het uitoefenen van de hogere functie van eerstaanwezend inspecteur bij de Controle Directe Belasting- en Mol 1 die ad interim te begeven is, vanaf 1 mei 2006 wegens ziekte van de titularis. Uit de stukken van het dossier blijkt dat het gaat om een afwezigheid wegens ziekte tot augustus
  3. Hijzelf is alsdan tewerkgesteld te Mol 2, maar al een tijd met ziekteverlof. Op een ongekende datum kent de gewestelijk directeur der directe belastingen Antwerpen II de voormelde hogere functie toe aan V. Heyndrickx, op dat moment inspecteur en al werkzaam bij de Controle Mol
  4. Zij is de dochter van verzoeker. In een brief van 14 oktober 2008, die nog steeds over die aanstelling van 2006 gaat, antwoordt auditeur-generaal S. aan verzoeker dat de gewestlijk directeur eigenlijk alleen maar een voorstel doet en dat de definitieve aanstelling door de minister gebeurt. Uit het dossier blijkt niet of er een ministerieel besluit met die draagwijdte bestaat voor de aanstelling van V. Heyndrickx. IX-6151-2/7 Bij mail van 3 mei 2006 wordt verzoeker van de voornoemde aanstelling op de hoogte gebracht, tezamen met de andere niet aangestelde kandidaten. In die mail wordt meegedeeld dat de hogere functie is toegewezen aan mevrouw V. Heyndrickx. 1.
  5. Op 14 maart 2007 wordt aan verzoeker meegedeeld dat hij met ingang van 1 april 2007 ambtshalve op rust wordt gesteld. In die brief wordt uitdrukkelijk vermeld dat zijn op pensioenstelling gestoeld is op artikel 83, § 1, van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen, dat bepaalt dat het personeelslid dat de leeftijd van zestig jaar heeft bereikt, ambtshalve op rust wordt gesteld de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij zonder dat hij definitief ongeschikt is bevonden, sedert zijn zestigste verjaardag, hetzij door verlof hetzij door disponibiliteit, hetzij door beide, driehonderdvijfenzes- tig dagen afwezigheid wegens ziekte telt. Volgens die brief heeft verzoeker op 14 maart 2007 meer dan driehonderdvijfenzestig dagen ziekteverlof genoten sinds 29 maart 2004, zijnde de dag waarop hij zestig jaar werd. Verzoeker betwist dit en vraagt om gehoord te worden betreffende die maatregel. Hij verwijst ook naar het feit dat hij een klacht wegens pesterijen op het werk heeft ingediend. Op 3 april 2007 antwoordt de dienst P&O van de AOIF aan verzoeker, dat, gelet op de bepalingen van artikel 83, § 3, van de wet van 5 augustus 1978 houdende economische en budgettaire hervormingen het niet mogelijk is om de beslissing tot ambtshalve pensionering te herzien. Niettegenstaande dit antwoord blijft verzoeker aandringen op het herzien van die beslissing. Op 25 april 2007 wordt hem opnieuw geantwoord, dat dit gelet op het voormelde artikel 83, § 3, van de wet van 5 augustus 1978 niet mogelijk is, en dat het feit dat er nog procedures lopen in het kader van de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk, daaraan geen afbreuk doet. Bij koninklijk besluit van 9 mei 2007 wordt verzoeker dan ambtshalve op pensioen gesteld met ingang van 1 april
  6. IX-6151-3/7 1.
  7. Verzoeker kan zich bij deze situatie niet neerleggen en dagvaardt de verwerende partij voor de arbeidsrechtbank te Hasselt om haar te horen veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding wegens onrechtmatig ontslag. Volgens hem is zijn ontslag in strijd met de bepalingen van de wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming van de werknemers tegen pesterijen op het werk. In een vonnis van 23 juni 2008 verklaart de arbeidsrechtbank de vordering van verzoeker ontvankelijk doch ongegrond. De rechtbank overweegt dat er geen sprake is van pesterijen en dat het dan ook niet zo is dat de pensionering van verzoeker het gevolg is van niet naleving van de wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming van de werknemers tegen pesterijen op het werk. De rechtbank overweegt uitdrukkelijk dat deze pensionering geenszins het gevolg is van de beweerde maar niet bewezen pesterijen. Verzoeker heeft op 22 juli 2008 tegen dit vonnis beroep aangetekend bij het Arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt. Dit beroep is nog hangende. De ontvankelijkheid van het ingestelde beroep en het lot van de pleitnota van de verzoeker 2.1.
  8. Verwerende partij werpt op, bij wege van eerste exceptie, dat er geen voldoende samenhang bestaat tussen de twee door verzoeker bestreden beslissingen, opdat zij op ontvankelijke wijze zouden kunnen worden bestreden in één enkel verzoekschrift. Zij stelt dat de twee beslissingen een volledig van elkaar onderscheiden inhoud hebben en dat ze op een verschillend tijdstip werden genomen. Zowel de procedure die voorafgaat aan deze beslissingen als de motieven die ertoe aanleiding hebben gegeven zijn verschillend. Zij voert aan dat niet kan worden uitgemaakt welke van de hier bestreden beslissingen verzoeker als de belangrijkste beschouwt; hij formuleert tegen elk hetzelfde aantal grieven. Volgens haar is dan ook slechts de eerste aangevochten beslissing op ontvankelijke wijze bestreden. 2.1.
  9. Verzoeker vordert in één enkel verzoekschrift de schorsing van twee beslissingen. De ene is de weigering van 3 mei 2006 om hem in 2006 aan te stellen in een hogere functie, de andere is zijn ambtshalve op pensioenstelling bij beslissing van 14 maart
  10. IX-6151-4/7 Het is een regel van goede procesvoering, om een rechtsgeding overzichtelijk te houden en een vlotte afwikkeling van de zaak mogelijk te maken, dat slechts één vordering per procedure wordt ingesteld. Meerdere vorderingen kunnen slechts ontvankelijk als één enkele rechtszaak worden aanhangig gemaakt, wanneer de goede rechtsbedeling daardoor wordt bevorderd, meer bepaald wanneer vorderingen wat hun voorwerp of wat hun grondslag betreft, zo nauw samenhangen dat als waarschijnlijk voorkomt dat de vaststellingen gedaan of de beslissingen genomen met betrekking tot één vordering, een weerslag zullen hebben op de uitkomst van de andere, of indien de vorderingen een zodanige samenhang vertonen dat de oplossing van rechtsvragen in één vordering, de oplossing van rechtsvragen in de andere bepaalt of vergemakkelijkt. Indien de vorderingen niet voldoende samenhangen, wordt alleen de belangrijkste of, bij gelijk belang, de eerste in het verzoekschrift vernoemde vordering geacht regelmatig te zijn ingesteld. Daarbij volstaat het niet om voldoende samenhang aan te tonen, dat éénzelfde middel wordt aangevoerd tegen alle beslissingen, zeker niet wanneer dat middel wegens de eigen en van elkaar verschillende aard van de onderscheiden beslissingen, voor elk van hen een eigen onderzoek vergt. Terecht schrijft de verwerende partij dat het in casu gaat om twee volledig van elkaar losstaande beslissingen. Er is geen enkele band tussen beide die tot gevolg zou kunnen hebben dat het lot van de ene dat van de andere zou kunnen bepalen. Verzoeker kan ze op het eerste gezicht dan ook niet gezamenlijk in één enkel verzoekschrift voor de Raad van State bestrijden. In een dergelijk geval is het beroep maar ontvankelijk voor het belangrijkste voorwerp en indien dat niet kan worden uitgemaakt, voor het als eerste in het verzoekschrift vermelde voorwerp. In voorliggend geval is het voorwerp met de grootste impact op het eerste gezicht de beslissing waarbij verzoeker ambtshalve op pensioen werd gesteld. De vordering tot schorsing vanuit het oogpunt van het meervoudig voorwerp is dan ook, op het eerste gezicht, slechts ontvankelijk voor zover ze tegen die beslissing is gericht. De eerste exceptie is gedeeltelijk gegrond. IX-6151-5/7 2.1.
  11. De pleitnota van 18 februari 2009 van verzoeker wordt uit de debatten geweerd, vermits het stuk niet is voorzien in de schorsingsprocedure. 3.1.
  12. De verwerende partij werpt een tweede exceptie op, met name dat verzoeker geen belang heeft om de impliciete weigering om hem mee te belasten met de hogere functie van e.a. inspecteur bij de controle Mol 1 Directe Belastingen aan te vechten, omdat hij niet de beslissing aanvecht waarbij die hogere functie wordt toegekend aan V. Heyndrickx, zijn dochter. Bijgevolg kan zijn vordering er niet toe leiden de betrekking waarin de hogere functie werd verleend vrij te maken, en zou hem de hogere functie niet kunnen worden toegekend, vermits dit alleen kan in een openstaande of tijdelijk niet waargenomen betrekking. 3.1.
  13. Vermits enkel het eerste voorwerp van het beroep tot schorsing niet ontvankelijk is om voornoemde redenen, wordt de tweede exceptie niet onderzocht.
  14. In het huidig stadium van de procedure is er geen aanleiding om de exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State, opgeworpen door de verwerende partij, in verband met het tweede voorwerp van het beroep te onderzoeken, omdat aan één van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan, wat blijkt uit wat volgt. De schorsingsprocedure 5.
  15. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 5.2.
  16. Wat de tweede voorwaarde betreft, schrijft verzoeker wat volgt: “a. de gedwongen voortijdige beëindiging van de beroepsloopbaan vóór 65 jaar, tegen de wil van ondergetekende gezien hij de wil had en nog steeds heeft om zijn werk te hervatten vóór de wettige pensioenleeftijd. b. het zwaar financieel verlies zowel qua - niet toekennen aanstelling interimfunctie - ambtshalve pensionering, weddeverlies en pensioenbonus.” IX-6151-6/7 5.2.
  17. Verwerende partij antwoordt samengevat dat het verzoekschrift geen concrete elementen bevat die het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aantonen.
  18. De verzoeker voert in wezen een financieel nadeel aan, bestaande uit het weddeverlies en de pensioenbonus, dat niet moeilijk te herstellen is. Bijgevolg is niet voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, § 2, wat het tweede voorwerp van het beroep tot schorsing betreft. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
  19. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  20. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 30 maart 2009, door : de H. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. D. MOONS. IX-6151-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.191.993 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.211.393 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.