← België

Arrest 192049 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 31/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.049 Rolnummer: A. 123296/X-11032 Zaak: Arrest 192049 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 31/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-14 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 00:53 Fiche Arrest nr 192.049 van 31 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.049 van 31 maart 2009 in de zaak A. 123.296/X-11.032. In zake : Christian REINHOLD, die woonplaats kiest bij advocaat R. POCKELE-DILLES, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Stoopstraat 1/13 tegen : de gemeente WILLEBROEK, die woonplaats kiest bij advocaat G. BERVOETS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Gerechtstraat 7. tussenkomende partij : Luc SPIESSCHAERT, die woonplaats kiest bij advocaat D. HOEBEEK, kantoor houdende te 1853 GRIMBERGEN, Lakensestraat 41/6. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Christian REINHOLD op 2 juli 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 26 februari 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek waarbij aan Luc SPIESSCHAERT de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het afbreken van een bestaande woning en het oprichten van een nieuwe tweewoonst met garage op een perceel gelegen te Willebroek (Tisselt), Jozef De Blockstraat 15, kadastraal bekend sectie A, nr. 378/n/4; Gelet op het arrest nr. 112.607 van 19 november 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 26 december 2002 ingediend door Christian REINHOLD; X-11.032-1/13 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 28 februari 2003 ingediend door Luc SPIESSCHAERT; Gelet op de beschikking van 13 maart 2003 die de tussenkomst van Luc SPIESSCHAERT toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 4 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 31 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. POCKELE-DILLES, die verschijnt voor de verzoeker, van advocaat G. BERVOETS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat B. CALLEBAUT, die loco advocaat D. HOEBEEK verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-11.032-2/13 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Nadat een eerdere vergunning door de gemachtigde ambtenaar was geschorst en door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek was ingetrokken, dient de tussenkomende partij op 18 januari 2001 bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek een nieuwe aanvraag in tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor het slopen van de bestaande woning en de oprichting van een tweewoonst met garage op een perceel gelegen aan de Jozef De Blockstraat 15 te Willebroek (Tisselt), kadastraal bekend sectie A, nr. 378/n/4. Volgens het inplantingsplan wordt gebouwd tot op de linker en de rechter perceelsgrens. 1.2. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij het koninklijk besluit van 5 augustus 1976 vastgestelde gewestplan Mechelen is het betrokken perceel gelegen in woongebied. Het is eveneens gelegen in het beheersingsgebied van het bijzonder plan van aanleg Kanaalzone nr. 1, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 22 juli 1980, in een zone “plaatsen bestemd voor gekoppelde en vrijstaande bebouwing- strook voor hoofdgebouwen”. Het bijzonder plan van aanleg schrijft als bebouwingswijze voor: “Gekoppeld of vrijstaand overeenkomstig de aanduidingen op de kaart en bij ontstentenis van die aanduidingen, hetzij overeenkomstig de aanduidingen van een behoorlijk vergunde verkaveling, hetzij volgens de bestaande percelenindeling, met dien verstande dat in elk geval de bebouwing volgens de onderhavige voorschriften van de in de omgeving gelegen percelen niet in het gedrang mag worden gebracht”. 1.3. De verzoeker is bewoner en eigenaar van een woonhuis gelegen links van het voornoemde perceel. Het voorste deel van deze woning is vrijstaand tot 0,86 m van de perceelsgrens met dit perceel. De voordeur van de woning is voorzien in de rechtergevel. Het perceel van de verzoeker heeft slechts een totale breedte van 5,40 m. 1.4. Bij het bestreden besluit van 26 februari 2002 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Willebroek de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. X-11.032-3/13 Dit besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat het voorgelegd bouwdossier volledig is; Overwegende dat de voorliggende weg voldoende uitgerust is gelet op de plaatselijke toestand; Overwegende dat de bouwaanvraag in overeenstemming is met de voorschriften van het vastgestelde gewestplan en, het goedgekeurde BPA; Overwegende dat de bouwaanvraag verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening”. 1.5. Op 29 april 2002 schrijft de verzoeker naar de provinciegouverneur van Antwerpen dat hij de dag voordien voor de eerste maal vernam dat er een dubbel huis zal worden gebouwd en dat de zijmuur van het huis op de scheidingslijn zal worden gebouwd. Voorts merkt hij op dat hij daags voordien de plannen ter inzage kreeg en dat de toegang tot zijn huis een gang zal zijn van 9 m lang en 86 cm breed. Op donderdag 2 mei 2002 schrijft de verzoeker een brief aan de minister met dezelfde argumentatie als in de brief naar de gouverneur en verzoekt om het ongedaan maken van de vergunning. Op 7 mei 2002 wordt daarvan ontvangst gemeld. Met een brief van 3 juni 2002 brengt de verzoeker aan de afdeling Binnenlandse Aangelegenheden Antwerpen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap nog enkele argumenten ter kennis. Op 11 juni 2002 bericht deze dienst aan de verzoeker dat enkel bij de Raad van State een beroepsmogelijkheid bestaat, niet bij de bestendige deputatie van de provincieraad. In het verzoekschrift wordt uiteengezet dat de werken een aanvang namen op 13 mei 2002, dat verzoeker op 29 juni 2002 al vanuit zijn vensters uitzag op een lange blinde muur en dat de beide toegangsdeuren, aangebracht in de rechter zijgevel van verzoekers woning, enkel nog bereikbaar zijn via een smalle toegang van ongeveer 86 cm, met langs beide zijden een hoge muur. 2. Ontvankelijkheid ratione temporis 2.1. Standpunt van de partijen 2.1.1. In het verzoekschrift zet de verzoeker met betrekking tot de ontvankelijkheid ratione temporis van het beroep, uiteen wat volgt: “2.1. ‘...De termijn voor het indienen van het beroep tot nietigverklaring van een handeling die noch bekendgemaakt, noch aan de verzoeker betekend moet X-11.032-4/13 worden, gaat in op de dag waarop hij er in feite kennis van heeft. Die feitelijke kennis moet voldoende zijn om er een annulatieberoep tegen in te stellen, d.w.z. dat verzoeker juist en volledig kennis heeft gekregen van de bestreden handeling. Daartoe is niet vereist dat hij kennis heeft van de volledige tekst van deze akte, maar wel dat hij op de hoogte is gebracht van de precieze inhoud en van de draagwijdte ervan d.w.z. van de voor hem belangrijke bepalingen ...’. (...) 2.2. In casu werd de verzoekende partij - tot zijn grote verbazing, omdat hij niet op de hoogte werd gebracht van het bestaan van de nieuwe bouwaanvraag in het kader van de ‘openbaarmaking’ - op zondag 28 april 2002 geconfronteerd met het gegeven ‘... dat er een dubbel huis ging gebouwd worden en dat de zijmuur van het huis op de scheidingslijn zou gebouwd worden ...’. (...) Vanaf die datum heeft de verzoekende partij : S getracht de passende inlichtingen te bekomen bij het Gemeentebestuur van Willebroek, teneinde (t)e weten te komen van wanneer de bouwvergunning dateerde en wat er juist vergund was geworden. Deze gegevens werden met mondjesmaat vrijgegeven door het Gemeentebestuur van Willebroek, derwijze dat een kopie ervan slechts in de loop van de maand juni 2002 werd overhandigd. Hoe dan ook nemen de rechtspraak en de doctrine aan dat derden belanghebbenden, zoals in casu de verzoekende partij, in redelijkheid moet kunnen beschikken over een termijn van circa 15 dagen om gebruik te maken van hun recht om de bouwvergunning in te zien. (...) èn S de procedure van het ‘willig’ beroep opgestart, zonder op dat ogenblik reeds de exacte datum en/of de exacte inhoud van de bouwvergunning te kennen. (...) In casu heeft dit willig beroep wel degelijk stuitende werking, nu C het werd ingesteld binnen de termijn van 60 dagen. Zo werd de verzoekende partij op 28 april 2002 voor het eerst geconfronteerd met het bestaan van een mogelijke bouwvergunning, terwijl hij reeds op 29 april 2002 de procedure van het willig beroep heeft opgestart. (...) C in dit willig beroep nieuwe elementen naar voren zijn gebracht geworden, die een nieuw onderzoek van de zaak vereisten. In casu ging het klaarblijkelijk om een nieuwe bouwaanvraag, waarvoor de procedure van openbaarmaking niet is gevolgd geworden, zulks in tegenstelling tot de eerste bouwaanvraag. (...) C de overheid daadwerkelijk blijk heeft gegeven van haar bedoeling om de zaak opnieuw ter hand te nemen. (...). (...)”. 2.1.2. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie van niet ontvankelijkheid ratione temporis op, welke zij uiteenzet als volgt: “2.1 De bestreden beslissing dateert van 26.02.2002 terwijl het verzoekschrift tot vernietiging pas aangetekend verzonden werd op 02.07.2002. X-11.032-5/13 2.2 Verzoeker zelf erkend dat hij uiterlijk op 28.04.2002 op de hoogte werd gesteld en inzage had van de bouwplannen en vergunning van belanghebbende partij. 2.3 Reeds op 29.04.2002 diende hij (bij) de gouverneur van de provincie Antwerpen ‘een bezwaar’ in en op 02.05.2002 ook bij de minister van Ruimtelijke Ordening. Uit die beide stukken en de daarin door verzoeker gedane uiteenzetting en geuite klachten blijkt dat hij op dat ogenblik reeds over alle of toch minstens voldoende elementen beschikt om ook bij de Raad van State een schorsingsverzoek en annulatieverzoek in te dienen. Het huidige verzoekschrift tot annulatie bevat inderdaad geen enkel nieuw element, dat niet reeds vermeld was in de schrijvens dd. 29.04.2002 en 02.05.2002. Verzoeker had, vermits hij erkent op 28.04.2002 op de hoogte te zijn gesteld van de plannen uiterlijk op 27.06.2002 bij de Raad van State de vordering dienen in te stellen. Hij deed dit slechts bij aangetekend schrijven dd. 02.07.2002, dit wil zeggen buiten de periode van 60 dagen voorzien in het procedurereglement van de Raad van State. 2.4 Er kan bovendien in deze zaak niet worden aangenomen dat de beroepstermijn voor de Raad van State werd gestuit. De voorwaarden desbetreffend zijn niet vervuld : 1. Behalve het feit dat er binnen een termijn van 60 dagen ook bij de gouverneur bezwaar werd ingediend is niet voldaan aan de voorwaarden dat in beroep nieuwe elementen naar voren dienen gebracht die een nieuw onderzoek van de zaak vereisten. Het feit dat verzoeker aanhaalt dat voor hem nieuw was ‘dat het niet om één maar om twee woningen ging, waarbij tot op de grens van het perceel werd gebouwd’ staat volledig los van het dossier bij de overheid op zich, waar de stedenbouwkundige vergunning wel degelijk werd aangevraagd voor een dubbele woning en geen nieuw onderzoek vereist. 2. De overheid gaf ook geen blijk van haar bedoeling om de zaak opnieuw ter hand te nemen. De mededeling van de gouverneur dat ‘deze kwestie onmiddellijk in onderzoek wordt gesteld’ duidt er enkel op dat gevolg zal worden gegeven aan het verzoek om de klacht ter harte te nemen doch niet dat er een nieuw onderzoek zou worden ingesteld naar de bouwaanvraag zelf. (...) 3. In ondergeschikte orde dient hierbij nog opgemerkt te worden dat zelfs indien er sprake zou zijn van een stuiting in casu bij gebreke aan een nieuwe beslissing deze alleszins eindigde 60 dagen na het instellen van het kwestige beroep (...) In casu werd verzoeker zelfs bij schrijven dd. 11.06.2002 van de minister verwezen naar de Raad van State. 4. Vermits het bezwaar bij de gouverneur werd ingediend bij schrijven dd. 29.04.2002 eindigde de termijn om zelfs in geval van stuiting beroep bij de Raad van State in te stellen op 28.06.2002. 2.5 Gelet op het verloop van zaken is het duidelijk dat verzoeker gewoon de verkeerde weg heeft bewandeld en dat verder bijkomende vragen tot inlichtingen en meer bepaald tot de aflevering van de vergunning aan belanghebbende partij de beroepstermijn niet hebben kunnen stuiten. (...)”. 2.1.3. In de memorie van wederantwoord dupliceert de verzoeker hieromtrent: X-11.032-6/13 “1. De verzoekende partij verwijst in de eerste plaats naar en hij herneemt uitdrukkelijk de inhoud van het hoofdstuk ‘II. De toelaatbaarheid ratione temporis’ (...). 2. Verder sluit de verzoekende partij zich volledig aan bij de motivering, zoals weergegeven in het hoofdstuk IV. 4.1 - 2 - 3 - 5 van het verslag van (

  1. de)Auditeur (...), zulks in de schorsingsprocedure. In dit hoofdstuk worden de opmerkingen van de huidige verwerende partij én van de tussenkomende partij, nl. over de zogezegde laattijdigheid van het verzoekschrift tot schorsing c.q. tot nietigverklaring, op een duidelijke en pertinente wijze weerlegd. (...). 3. In het hoofdstuk 2.2 op pag. 5 van de ‘memorie van antwoord’ van de gemeente WILLEBROEK, wordt zonder meer geponeerd dat ‘...verzoeker zelf erkent dat hij uiterlijk op 28.04.2002 op hoogte werd gesteld en inzage had van de bouwplannen en vergunning van belanghebbende partij...’. (...) Deze bewering wordt door geen enkel element uit het dossier bewezen en zij is bovendien onjuist. De verzoekende partij herhaalt dat hij op 28 april 2002 geen inzage heeft verkregen van de bestreden vergunning, noch van de inhoud van deze vergunning - wat nochtans essentieel is voor het opstarten van een procedure tot schorsing en tot nietigverklaring bij de Raad van State - Deze inzage heeft de verzoekende partij slechts gekregen rond 10 juni 2002. 4. In het hoofdstuk 2.3 op pag. 5 van de ‘memorie van antwoord’ van de gemeente WILLEBROEK, wordt ook nog gesteld dat ‘...Het huidige verzoekschrift tot annulatie bevat inderdaad geen enkel nieuw element, dat niet reeds vermeld was in de schrijvens d.d. 29.04.2002 en 02.05.2002...’. Deze opmerking is onjuist en zij wordt weerlegd door (
  2. de)Auditeur (...) in zijn verslag in de schorsingsprocedure, (...). (...)”. 2.1.4. Ook de tussenkomende partij werpt in haar verzoekschrift tot tussenkomst op dat het beroep laattijdig is: “Krachtens het procedurereglement van de Raad van State moeten vorderingen tot vernietiging en schorsing ingesteld worden binnen de zestig dagen na de bestreden beslissing. In casu dateren deze vorderingen van 3 juli 2002 terwijl de bestreden beslissing dateert van 26 februari 2002. De vordering van de eiser is manifest laattijdig wegens zijn eigen stilzitten: - eiser was reeds in oktober 2001 op de hoogte van de bouwplannen van concluant. Naar aanleiding van het openbaar onderzoek diende hij een aantal opmerkingen in die door de gemeente Willebroek werden afgewezen - de definitieve stedenbouwkundige vergunning dateert van 26 februari 2002 - het begin van de werken dateert van medio april (zie factuur van aannemer ARICKX voor de afbraak van het oude gebouw) - in het dossier van eiser zitten ook allerlei brieven waaruit blijkt dat hij minstens vanaf tweede helft april op de hoogte was van de precieze X-11.032-7/13 inplantingsvorm van het nieuwe gebouw. Eerder dan onmiddellijk de schorsing en vernietiging te vorderen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing is hij gaan briefwisseling voeren met de provinciegouverneur en met de bevoegde minister. In het kader van de regels op de openbaarheid van bestuur had eiser op elk ogenblik vrije toegang tot het bouwdossier op de gemeente. Ten laatste eind februari kon hij op de hoogte zijn van de definitieve bouwvergunning en bouwplannen. Hij had eind februari ten laatste in april, de vorderingen voor de Raad van State moeten inleiden. Eiser talmt met zijn vordering tot schorsing tot op het slechts denkbare ogenblik, tot op het moment dat de bouw al relatief ver gevorderd is”. 2.1.5. In de laatste memorie laat de verzoeker omtrent de tijdigheid van zijn beroep nog gelden wat volgt: “2. In het hoofdstuk IV.5 van zijn verslag, neemt de Auditeur een ander standpunt in dan tijdens de procedure tot schorsing. (...). 3. Vanzelfsprekend betwist de verzoekende partij het gewijzigde standpunt van de Auditeur en hij verwijst daartoe naar alle feiten - argumenten - middelen, zoals weergegeven in de (...) weergegeven procedure-akten. Bovendien merkt de verzoekende partij nog het volgende op : 3.1. De niet-bewezen veronderstelling van de Auditeur, nl. dat ‘...dient aangenomen dat die zondag verzoekende partij minstens kennis heeft gekregen van het feit van de afgifte...’, is onjuist. De verzoekende partij herhaalt daartoe dat : S hij op die bewuste zondag van 28 april 2002 enkel weet had van die bouwaanvraag, waarvoor de verwerende partij eerder een beperkte openbaarmaking had georganiseerd en waarop hij in dato van 2 oktober 2001 een opmerking had geformuleerd. (...) S de tussenkomende partij Luc SPIESSCHAERT, eveneens op zondag 28 april 2002, heeft laten weten dat er problemen werden gemaakt m.b.t. zijn bouwaanvraag, zulks ‘...door de Provincie...’ (...). S de tussenkomende partij Luc SPIESSCHAERT hem, nog steeds op dezelfde zondag, een reeks plannen heeft laten zien - waaronder de thans bestreden bouwplannen - die opgemaakt werden door zijn architect en dit in functie van de opmerkingen van ‘de Provincie’. Maar : op geen enkel ogenblik werd aan de verzoekende partij meegedeeld of zelfs maar gesuggereerd dat er reeds een bouwvergunning werd verleend voor die bewuste plannen ! Trouwens : de tussenkomende partij Luc SPIESSCHAERT zelf heeft tijdens de procedure op geen enkel ogenblik gesteld dat hij de verzoekende partij op de hoogte heeft gebracht van het bestaan cq. van de afgifte van de thans bestreden bouwvergunning. (...) X-11.032-8/13 Daarop heeft de verzoekende partij : S zich inderdaad gericht tot ‘de Provincie’, nl. met zijn brief van 29 april 2002 aan de Gouverneur van de provincie Antwerpen; S zich vervolgens gericht tot de Minister van Ruimtelijke Ordening, zulks nadat hem dit uitdrukkelijk werd gesuggereerd naar aanleiding van een telefonisch onderhoud met de diensten van de provincie Antwerpen; en S contacten gelegd met de huidige verzoekende partij. Daar werd hem in eerste instantie bevestigd dat er inderdaad opmerkingen werden geformuleerd door ‘(de gemachtigde ambtenaar van) de provincie (Antwerpen)’, doch het is slechts nadien dat hem werd meegedeeld dat er reeds een bouwvergunning werd afgeleverd voor de bewuste plannen, terwijl hij slechts in de loop van de maand juni 2002 een kopie heeft bekomen van de thans door hem bestreden bouwvergunning. 3.2. De waarachtigheid van het verhaal van de verzoekende partij blijkt ondermeer uit : S de briefwisseling, die de verzoekende partij op 29 april 2002 en op 2 mei 2002 heeft gevoerd, nl. met de provincie Antwerpen en met de Vlaamse Minister Dirk VAN MECHELEN. In deze briefwisseling vermeldt de verzoekende partij de referentie van de Gemeente WILLEBROEK m.b.t. de eerste bouwaanvraag van de tussenkomende partij Luc SPIESSCHAERT, nl. ‘2001230’. De referentie van de thans bestreden stedenbouwkundige vergunning is echter ‘2002/020’. (...) S de inhoud van het schrijven van 29 april 2002 van de verzoekende partij. (...) Met dit schrijven dient de verzoekende partij een bezwaar in, net zoals hij dat gedaan had op 2 oktober 2001, zulks naar aanleiding van de beperkte openbaarmaking van de eerste bouwaanvraag van de heer Luc SPIESSCHAERT. (...) M.a.w. : de verzoekende partij verkeerde wel degelijk in de mening dat er nog helemaal geen bouwvergunning was afgeleverd en dat hij nog steeds een bezwaar kon indienen. Een bezwaar indienen en vragen om gehoord te worden, zulks wanneer er reeds een bouwvergunning is verleend geworden, zou uiteraard zinloos geweest zijn; en S het gegeven dat de verwerende partij - ook al was dit misschien wettelijk niet verplicht - dan toch een beperkte openbaarmaking had georganiseerd naar aanleiding van de eerste aanvraag van de heer Luc SPIESCHAERT. De overheid heeft derhalve de schijn verwekt dat zij - in de hypothese dat er een tweede bouwaanvraag zou worden ingediend - de omwonenden hiervan op de hoogte zou brengen. Juist omdat er nog geen briefwisseling was gekomen vanwege de verwerende partij, verkeerde de verzoekende partij in de waan dat X-11.032-9/13 het onderzoek m.b.t. de bouwaanvraag nog volop lopende was en dat er dus zeker nog helemaal geen bouwvergunning was afgeleverd ! (...). 3.3. (...) Zoals dit hoger reeds werd aangetoond, had de verzoekende partij op 28 april 2002 of onmiddellijk daarna totaal geen weet van de afgifte van de bestreden bouwvergunning en verkeerde hij integendeel in de waan - overigens volkomen begrijpelijk, gelet op de handelwijze van de huidige verwerende partij die voor de eerste bouwaanvraag wel degelijk was overgegaan tot een beperkte openbaarmaking - dat hij nog bezwaren kon formuleren tegen de loutere plannen, zoals die hem door de huidige tussenkomende partij werden getoond. Bovendien : de aanvang der daadwerkelijke bouwwerkzaamheden situeert zich op 13 mei 2002 en het is derhalve ten vroegste vanaf die datum dat men kan stellen dat de verzoekende partij daadwerkelijk kennis had of moest hebben van het bestaan van een definitief toegekende bouwvergunning. Voor deze datum, zie de laatste alinea van pag. 5 van het verzoekschrift tot nietigverklaring, evenals het ontbreken van enig overtuigend stuk vanwege de tussenkomende partij waaruit blijkt dat de eigenlijke bouwwerken vroeger zouden zijn aangevangen - quod non - Wel werden er reeds slopingswerken uitgevoerd, doch C een slopingsvergunning betekent geenszins dat er ook een vergunning is verleend geworden voor het oprichten van een nieuwe constructie; en C (...) 3.4. Tot slot : zelfs indien er terzake twijfels zouden bestaan, dan nog is het zo dat ‘...twijfel in het voordeel van de verzoekende partijen moet worden uitgelegd...’ (...)” 3.5. M.b.t. het ‘willig beroep’ en de stuitende werking ervan, handhaaft de verzoekende partij de motivering, zoals weergegeven in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring en in zijn daarop volgende memorie van wederantwoord”. 2.1.6. In haar laatste memorie laat de verwerende partij nog gelden wat volgt: “/ in de eerste plaats verwijst verwerende partij uitdrukkelijk naar alle feiten en argumenten weergegeven in haar memorie van antwoord blz. 2 nrs. 1 ‘de feitelijke toedracht’, 1.1. t/m 1.15 en blz. 5 nrs. 2 ‘de toelaatbaarheid’, 2.1. t/m 2.5 / / de verwerende partij vestigt daarenboven ook nog de aandacht op het niet betwiste feit dat de werken medio april een aanvang namen met de afbraak van het oude gebouw- (zie verzoekschrift in tussenkomst van de tussenkomende partij blz 3 III al.3). Het kan niet anders dan dat verzoeker op de hoogte was van die werken vermits ze op elk ogenblik voor hem zichtbaar waren. Hij wist dus reeds medio april of diende te weten dat er een bouwvergunning afgeleverd was. / / de verwerende partij treedt dan ook het standpunt van de Auditeur in het verslag- art. 12, betekend op 14.06.2005, volledig bij”. X-11.032-10/13 2.2. Onderzoek van de opgeworpen exceptie 2.2.1. Aangezien een stedenbouwkundige vergunning niet bekendgemaakt, noch aan derden betekend dient te worden, gaat voor een derde belanghebbende de in artikel 4 van het besluit van de Regent tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalde beroepstermijn van zestig dagen in met de dag waarop hij kennis heeft van de vergunning. Dit is, hetzij de dag de derde een voldoende kennis heeft van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de vergunning, hetzij de dag waarop hij kennis heeft kunnen nemen van de vergunning door binnen een redelijke termijn gebruik te maken van zijn inzagerecht. 2.2.2. De brief welke de verzoeker op 2 mei 2002 heeft verzonden aan de Vlaamse minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening, luidt als volgt: “Wij wenden ons tot U in een zaak van hoogdringendheid. Verleden jaar kregen wij de gelegenheid om onze bedenkingen te uiten in verband met de bouw van een huis op het aanpalende grondstuk. Er werd van onze opmerkingen kennis genomen door het Gemeentebestuur van de gemeente Willebroek. Vorige zondag kregen wij van onze nieuwe gebuur de plannen van zijn huis ter inzage. Tot onze verbazing zouden er geen één maar twee woningen gebouwd worden. Er is ons noch van de kant van de gemeente, noch van stedenbouw ooit enig gewag gemaakt over deze verandering. Van ons eerste bezwaar, namelijk niet verduisteren van ons keuken - en woonkamervenster, werd helemaal geen rekening gehouden. De enige toegang tot ons huis is een deur in de zijgevel. Het te bouwen dubbele huis zou de toegang tot ons huis beperken tot een smalle gang van amper 80 cm breedte en 9 m lengte, met alle ongemakken voor bezoekers en leveranciers en een potentieel gevaar in geval van brand. Wij vragen U dan langs deze weg om de bouwvergunning ongedaan te maken. Volgens de bouwheer zouden de werken weldra, ie binnen de twee weken, beginnen. De bouwheer is Luc Spiesschaert, Beekstraat 136, 2830 Tisselt”. 2.2.3. Uit de bewoordingen van deze brief blijkt zonder dat hieromtrent enige twijfel kan bestaan, dat de verzoeker, anders dan hij voorhoudt, op zondag 28 april 2002 op de hoogte was van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de bestreden stedenbouwkundige vergunning, nu hij naar eigen zeggen reeds op die dag de plannen “ter inzage” kreeg en in zijn brief uitdrukkelijk vraagt “de bouwvergunning ongedaan te maken”. Het beroep tot nietigverklaring is derhalve meer dan 60 dagen na de kennisname van het bestreden besluit door de verzoeker ingesteld. X-11.032-11/13 2.2.4. In zoverre de verzoeker aanvoert dat de termijn voor het instellen van het annulatieberoep is gestuit door zijn “willig beroep” bij de gouverneur van de provincie Antwerpen en bij de Vlaamse minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening, dient te worden vastgesteld dat deze beroepen zijn ingesteld, niet bij de overheid die het bestreden besluit heeft genomen, maar bij een overheid die niet bevoegd is om zich over een zodanig beroep uit te spreken. Om deze reden alleen reeds stuit het “willig beroep” van de verzoeker bij de gouverneur van de provincie Antwerpen en bij de Vlaamse minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening de termijn voor het instellen van het annulatieberoep niet. 2.2.5. De excepties zijn gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-11.032-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig maart 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-11.032-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.049 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.112.607 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.