id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.050 Rolnummer: A. 111497/X-10603 Zaak: Arrest 192050 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 31/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-14 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-30 00:53 Fiche Arrest nr 192.050 van 31 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.050 van 31 maart 2009 in de zaak A. 111.497/X-10.603. In zake : Quentin LEFÈVRE, die woonplaats kiest bij advocaat O. RONSE, kantoor houdende te 1190 BRUSSEL, Zeven Bunderslaan 130 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat S. VAN GEETERUYEN, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Leopold II-laan 180. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Quentin LEFÈVRE op 15 oktober 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 28 juni 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende, eensdeels, de inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 28 september 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant waarbij hem de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het “verbouwen en wijzigen van de bestemming van een industrieel gebouw naar een woning” te Sint-Genesius-Rode, Lindestraat 38/A, kadastraal bekend sectie C, nr. 677/w, anderdeels, de vernietiging van voornoemd besluit van 28 september 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant; Gelet op het arrest nr. 108.597 van 28 juni 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 6 augustus 2002 ingediend door Quentin LEFÈVRE; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; X-10.603-1/11 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 11 oktober 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 31 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat O. RONSE, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat E. BALLIEN, die loco advocaat S. VAN GEETERUYEN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Met een brief van 27 augustus 1998 geeft de verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Genesius-Rode kennis van zijn voornemen om een onroerend goed, met name het middelste gedeelte van een gebouwencomplex dat thans een werkplaats is, gelegen te Sint-Genesius-Rode, Lindestraat 38 A, aan te kopen en het gelijkvloers te laten dienen als garage en klein hobby atelier en de eerste verdieping, zijnde een plateau van 6 x 20 m, om te bouwen tot een “loft-achtig appartement”. Met een brief van 22 september 1998 deelt het gemeentebestuur van Sint-Genesius-Rode aan de verzoeker mede wat volgt : X-10.603-2/11 “Het Schepencollege heeft uw voornoemde princiepsaanvraag dd. 27 augustus 1998 besproken tijdens zijn vergadering van 18 september 1998 en oordeelde dat uw voorstel een interessante oplossing zou kunnen bieden voor het betrokken pand. Aangezien evenwel deze bestemming niet uitdrukkelijk voorzien werd in het bijzonder plan van aanleg ‘De Kom-Midden’ (KB 06/06/1980), werd uw aanvraag bij brief van heden voor advies overgemaakt aan de Afdeling R.O.H.M. te Leuven met de vraag of uw project haalbaar is”. 1.2. Op 30 oktober 1998 wordt het betrokken onroerend goed door de verzoeker aangekocht. 1.3. Met een schrijven van 30 december 1998 brengt het gemeentebestuur van Sint-Genesius-Rode aan de verzoeker ter kennis dat de afdeling R.O.H.M. te Leuven bij brief van 11 december 1998 heeft medegedeeld dat zijn aanvraag voor het omvormen van het betrokken bedrijfsgebouw Lindestraat 40 (lees : 38A) tot woonst niet kan aanvaard worden, en dit volgens de in bijlage gevoegde brief van 11 december 1998 om reden dat het tot woongelegenheid te verbouwen gedeelte van het bedrijfsgebouw volgens het bijzonder plan van aanleg “De Kom” grotendeels ligt in de zone voor koeren en hovingen, en de woongelegenheid “in tweede woonorde” zou worden ingericht, hetgeen niet de bedoeling was die voorzien werd in het bijzonder plan van aanleg. 1.4. Op 28 december 1999 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint- Genesius-Rode een vergunningsaanvraag in tot “bestemmingswijziging van ambacht naar wonen” voor het betrokken goed gelegen te Sint-Genesius-Rode, Lindestraat 38 A, kadastraal bekend sectie C, nr. 677/w. 1.5. Bij besluit van 21 januari 2000 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning om de volgende redenen : “Naar aanleiding van een princiepsaanvraag door dezelfde aanvrager oordeelde het Schepencollege op 18.9.1998 dat het voorstel van de heer Lefèvre een interessante oplossing biedt voor het betrokken pand en zich perfect zou integreren in de woonomgeving. Aangezien de grenslijn tussen gesloten bebouwing (straatkant) en koeren en hovingen (tuinzijde) volgens het BPA De Kom diagonaal door het pand loopt, werd advies ingewonnen van de Afdeling ROHM. Bij brief van 11.12.1998 werd geantwoord dat het voorstel niet aanvaard kan worden. Bijgevolg moet het Schepencollege de bouwaanvraag weigeren”. X-10.603-3/11 1.6. Bij besluit van 28 september 2000 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het beroep van de verzoeker tegen voormeld weigeringsbesluit in, in essentie om de volgende redenen : “Overwegende dat voor de plaats een Bijzonder Plan van Aanleg bestaat, nr. 1 ‘De Kom’; dat langs de Lindestraat een bestemmingsstrook voor gesloten bebouwing werd aangeduid; dat hierachter een zone voor koeren en hovingen is gelegen; dat het gebouw, voorwerp van het beroep, te paard staat ingeplant op de grens tussen beide bestemmingszones; Overwegende dat er tegenstrijd is met de bepalingen van het BPA, dat dit betekent dat ingrijpende verbouwingswerken, die het gebouw voor een lange periode zouden bestendigen, niet kunnen worden aanvaard; dat de beoogde wijziging van gebruik evenwel niet gepaard gaat met ingrijpende verbouwingen; dat het gelijkvloers geheel, als werkplaats en garage, ongewijzigd blijft; dat op de verdieping de woongelegenheid wordt ondergebracht; dat geen wanden worden gebouwd, behoudens een paar lichte wandjes die deel uitmaken van de keuken- en badkamerinstallatie; dat de grote bedrijfsruimte als een open woonruimte wordt benut en enkel in de achtergevel een paar vensters worden aangebracht,- dat voorts een makkelijk te verwijderen metalen buitentrap wordt geïnstalleerd en de ramen en poorten vervangen, zonder wijziging van de vensteropeningen; Overwegende dat de stedenbouwkundige voorschriften bij het BPA bepalen (artikel 1-
- b)dat bestaande gebouwen hun bestemming van werkplaats of woning mogen behouden met normale onderhouds- en herstellingswerken, tot op het ogenblik dat de eigenaar de bestemming, voorzien in het BPA, inroept; dat deze stelling in acht genomen de voorgestelde wijziging van gebruik kan worden gerechtvaardigd; dat de spoedige verwezenlijking van het BPA niet kan worden verwacht, gezien de twee vleugels van de voormalige schrijnwerkerij als afzonderlijke eigendommen werden verkocht en dat de configuratie van de gebouwen niet toelaat dat op één van beide percelen de ordening volgens het BPA wordt verwezenlijkt; dat hiertoe de samenvoeging van de eigendommen zal noodzakelijk zijn; dat anderzijds de bestendiging van het gebouw als atelier voor de vestiging van een ambachtelijk bedrijf of een onderneming, niet aangewezen wordt geacht, gelet op de inplanting in een residentieel dorpsweefsel; dat het beoogde gebruik als woning een meer geschikte inpassing in de omgeving betekent, zonder de hinder die normaal te verwachten valt met een bedrijfsgebruik; Overwegende dat de omvorming niet leidt tot een tweede woonorde; dat de tweede vleugel gedeeltelijk voor de betrokken vleugel staat; dat in deze constructie voorlopig geen woongelegenheid is ondergebracht; dat de twee vleugels zich, samen met de links aanpalende woning, als een U-vormig geheel voordoen, gegroepeerd rond een kleine open ruimte, aansluitend bij de straat; dat deze opstelling een rustiger toegankelijkheid van de woongelegenheden toelaat en de woonkwaliteit bevordert; Overwegende dat, gelet op wat voorafgaat, de gebruikswijziging als een aanmerkelijke verbetering van de woonomgeving zal worden ervaren, zonder dat de verwezenlijking van het BPA voor de toekomst in het gedrang wordt gebracht; dat het voorstel bijgevolg gunstig kan worden geadviseerd; Overwegende dat het dossier werd aangevuld met een reeks plannen, conform aan die gevoegd bij de aanvraag en dan ook door de stedenbouwkundig architect werden voorzien van het nodige visum; dat dergelijke plannen geenszins in strijd zijn met de in het gewestplan voorziene bestemming; dat het beroepsschrift dan ook kan bijgetreden worden, aangezien het ingediend ontwerp de goede stedenbouwkundige aanleg van de omgeving X-10.603-4/11 niet in het gedrang brengt; dat dientengevolge het weigeringsbesluit d.d. 21 januari 2000 van het college van burgemeester en schepenen van SINT-GENESIUS-RODE niet dient bevestigd te worden”. 1.7. Op 19 oktober 2000 stelt de gemachtigde ambtenaar beroep in bij de Vlaamse regering tegen voormeld inwilligingsbesluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. Van het integrale beroepschrift wordt op 19 oktober 2000 een afschrift toegestuurd aan de verzoeker. Een afschrift wordt tevens bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Genesius-Rode en aan de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant. 1.8. Met een schrijven van 23 oktober 2000 deelt de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Genesius-Rode mede dat een administratief beroep werd ingesteld, wordt aan het college van burgemeester en schepenen een kopie van het verzoekschrift bezorgd en wordt het college van burgemeester en schepenen onder meer verzocht zo spoedig mogelijk en ten laatste binnen de 15 dagen alle gemeentelijke stukken betreffende de zaak naar hen toe te sturen. 1.9. Met een schrijven van 26 oktober 2000 laat de raadsman van de verzoeker de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen weten dat zijn cliënt “uitdrukkelijk wenst (...) gebruik te maken van zijn hoorrecht”. 1.10. Met een op 30 oktober 2000 ter post aangetekende brief bezorgt de gemeente Sint-Genesius-Rode de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen de gevraagde stukken van het dossier. 1.11. Op 15 november 2000 stelt verzoekers raadsman een verweernota met bijlagen op. 1.12. Met een op 24 januari 2001 ter post aangetekende brief wordt de voormalige raadsman van de verzoeker, Mr. M. van Dievoet, door Johan Vandewalle, adjunct van de directeur bij de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, ter kennis gebracht “dat de heer Vlaamse Minister in deze zaak opdracht heeft gegeven een hoorzitting te houden overeenkomstig artikel 53 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996”. X-10.603-5/11 1.13. Op 19 februari 2001 worden de verzoeker, zijn raadsman en zijn architect gehoord. Blijkens het verslag van de hoorzitting van diezelfde datum vond de hoorzitting plaats in aanwezigheid van de adjunct van de directeur van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen, Johan Vandewalle. 1.14. Bij het thans bestreden besluit van 28 juni 2001 willigt de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media het beroep van de gemachtigde ambtenaar in en vernietigt hij de aan de verzoeker door de bestendige deputatie toegekende vergunning. Dit besluit is gemotiveerd als volgt : “Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, gelegen is in een woongebied; dat overeenkomstig artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen de woongebieden bestemd zijn voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven; dat deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen echter maar mogen worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving; Overwegende dat betreffende aanvraag tevens gesitueerd is binnen de grenzen van het bij koninklijk besluit van 6 juni 1980 goedgekeurde en niet vervallen bijzonder plan van aanleg ‘De Kom’; dat dit bijzonder plan van aanleg de grond in een zone voor gebouwen in gesloten bebouwing én in een zone voor koeren en hovingen situeert; dat het grootste deel van de betreffende constructie in de zone voor koeren en hovingen is gelegen; dat in deze zone enkel bijgebouwen mogen worden opgetrokken à rato van 15% van het bestaande woonoppervlak van de bestaande woning; Overwegende dat een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, dat de ruimtelijke aanleg van die plaats tot in de details heeft vastgelegd en waaraan de overheid haar uitdrukkelijke goedkeuring heeft gehecht, een verordenend karakter heeft en bindend blijft zowel voor de vergunningverlenende overheid als voor de aanvrager die binnen de zonering van het bijzonder plan van aanleg wenst te bouwen, te verbouwen of functiewijzigingen aanvraagt; Overwegende dat, in tegenstelling tot wat meermaals in de procedure tot vergunning wordt gesteld, niet zomaar kan aangenomen worden dat het ontwerp een verbetering van de woonomgeving impliceert; dat immers door het voorzien van een woonfunctie enkel de woonkwaliteit naar de aanpalenden toe wordt verzekerd doch vanuit ruimtelijk stedenbouwkundig oogpunt de aanvraag in geen enkele verbetering of tegemoetkoming aan de hic en nunc vigerende voorschriften van het voornoemd detaillerend ordeningsplan resulteert; dat de vergunningverlenende overheid uitdrukkelijk in het ordeningsplan de wens heeft uitgedrukt ter hoogte van het betreffende pand een zone voor gesloten bebouwing te betrachten, met achtergelegen zone voor koeren en hovingen; dat de aanvraag een bestendiging betekent van deze stedenbouwkundig weinig aan- vaardbare situatie; dat de aanvraag, door zijn situering ietwat achterin tussen bestaande bebouwing, zich distantieert van deze wens en van de feitelijk bestaande toestand ter plaatse; dat in casu kan vastgesteld worden dat de X-10.603-6/11 overheersende bebouwing aan de Lindestraat zich aan de straatzijde situeert, en niet zoals in huidig geval vanaf ongeveer 11 m van de straat; Overwegende dat de aanvraag om voornoemde redenen strijdt met de vigerende stedenbouwkundige voorschriften van het bijzonder plan van aanleg zodat de aanvraag niet voor vergunning in aanmerking kan komen; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar dient te worden ingewilligd”. 1.15. Met een op 16 augustus 2001 ter post aangetekende brief wordt dit besluit aan de verzoeker alsook aan zijn raadsman ter kennis gebracht, evenals aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Genesius- Rode, en aan de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant en aan de gemachtigde ambtenaar van de afdeling ROHM Vlaams-Brabant. 2. Ten gronde - tweede middel 2.1. Standpunt van de partijen 2.1.1. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van “het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, van het beginsel van de rechten van de verdediging en van art. 53 van het Decreet op de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22.10.96”. Hij zet dit middel uiteen als volgt: “In zoverre art. 53 van gezegd decreet voorziet dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar terzelfder tijd ter kennis wordt gebracht van de aanvrager; Terwijl uit de betekening aan verzoeker niet blijkt welke stukken aan de Minister werden meegedeeld, daar waar het beroep duidelijk verwijst naar een ‘dossier’; Overwegende dat de toelichting die de bestendige ambtenaar aan de Minister geeft, aan verzoeker de mogelijkheid dient te geven om zijn rechten van de verdediging te laten gelden en derhalve conform het decreet ook aan hem dienen betekend te worden. Dat het gaat om een substantiële vormvereiste; Dat dit terzake niet het geval was. Uw Raad heeft reeds meermaals deze vereiste benadrukt (...) Overwegende dat terzake weliswaar de beroepsakte werd meegedeeld, doch niet de stukken waarnaar de beroepsakte verwijst; Dat verzoeker derhalve onwetende was omtrent de vraag welke stukken of argumenten door de gemachtigde ambtenaar werden bekendgemaakt; Dat de aangevochten akte derhalve het beroep als onontvankelijk had dienen af te wijzen wegens schending van substantiële vormvereisten; Het middel is manifest gegrond”. 2.1.2. De verwerende partij beantwoordt dit middel als volgt: X-10.603-7/11 “In een tweede middel stelt verzoeker dat verweerster enkel het beroepsverzoek van de gemachtigde ambtenaar is overgemaakt (...) maar niet het bijhorend dossier waarnaar het beroepsverzoek zou verwijzen. Het tweede middel is niet correct. Vooreerst verwijst het beroep van de gemachtigde ambtenaar helemaal niet naar een dossier. Dit is niet meer dan logisch. Het enige wat de gemachtigde ambtenaar heeft ingediend bij verweerster is zijn beroepsverzoek, waarvan verzoeker een kopie heeft verkregen. In de mate dat de gemachtigde ambtenaar toch een dossier zou overgemaakt hebben, dan had hij geenszins de verplichting om zijn dossier eveneens in bijlage aan verzoeker toe te zenden. Artikel 53 van het Coördinatiedecreet legt enkel de verplichting op in hoofde van de gemachtigde ambtenaar om een afschrift van zijn beroepsverzoek over te maken aan de aanvrager. Dit laatste is niet meer dan normaal. Het staat verzoeker immers vrij om inzage van zijn dossier te vragen en meteen het dossier van de gemachtigde ambtenaar in te zien. Het tweede middel is bijgevolg ongegrond”. 2.1.3. In de memorie van wederantwoord dupliceert de verzoeker: “Als het zonlicht hier wordt ontkend is dat wel door tegenpartij die blijft stellen dat de gemachtigde ambtenaar niet verwezen heeft naar een dossier... Waarom staat dan in de brief aan de Vlaamse Minister aangeduid onder ‘bijlagen’ DOSSIER? Waarom vermeldt de betekening van de aangevochten beslissing aan de gemachtigde ambtenaar onder hoofding bijlage ministerieel besluit + dossier ? Dit kwestieus dossier werd nooit meegedeeld, noch werd er melding gemaakt dat dit ter inzage lag. Het middel blijft dus gehandhaafd”. 2.1.4. In de laatste memorie laat de verwerende partij nogmaals gelden dat er geen sprake is van een bijbehorend dossier noch van enige bijlagen of inventaris bij het beroepschrift van de gemachtigde ambtenaar, hetgeen blijkt uit het administratief dossier dat door haar integraal werd overgelegd, zodat dient te worden geconcludeerd dat de gemachtigde ambtenaar een zuiver materiële vergissing heeft begaan door onder de hoofding “bijlagen” het woord “dossier” te noteren. 2.2. Onderzoek van het middel 2.2.1. Artikel 53, § 2, eerste lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), zoals het van toepassing was op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, bepaalt wat volgt : X-10.603-8/11 “§ 2. Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Vlaamse Regering in beroep komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van de vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse Regering gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college”. 2.2.2. Deze wetsbepaling schrijft voor dat de gemachtigde ambtenaar het beroep terzelfder tijd aan de aanvrager en de Vlaamse regering ter kennis brengt. Hiermee is bedoeld het beroep zelve, dit is de integrale tekst van het aangetekend schrijven met al zijn bijlagen. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1970, die onder meer artikel 55 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw -nadien artikel 53 van het gecoördineerde decreet- grondig heeft gewijzigd, blijkt dat het verhoor van de aanvrager, van het college van burgemeester en schepenen, en van de gemachtigde ambtenaar bedoeld is als een middel om in de twee trappen van beroep “de gelegenheid te geven tot een behandeling van de aanvraag op tegenspraak”, waarbij genoemde partijen “op gelijke voet worden gesteld”. Dienvolgens dient de bouwaanvrager, ten aanzien van de aanzegging van het beroep, op gelijke voet te worden gesteld met de minister, hetgeen betekent dat de aanvrager moet beschikken over het beroepschrift waarover de minister beschikt, inclusief de bijlagen waarnaar in dit beroepschrift wordt verwezen. 2.2.3. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de gemachtigde ambtenaar met een op 19 oktober 2000 ter post aangetekende brief beroep heeft ingesteld bij de Vlaamse minister bevoegd voor Ruimtelijke Ordening tegen het besluit van 28 september 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams- Brabant waarbij het beroep van de verzoeker wordt ingewilligd, en dat dit beroepschrift met een ter post aangetekende brief van dezelfde datum aan de verzoeker ter kennis werd gebracht. 2.2.4. In zijn beroepschrift verwijst de gemachtigde ambtenaar onder de hoofding “bijlagen” naar een “dossier”, zonder daarbij nader aan te geven welke stukken dit “dossier” precies bevat. De verwerende partij betwist niet dat het “dossier” waarvan sprake in het beroepschrift onder de hoofding “bijlagen” niet was gevoegd bij het afschrift van dat beroepschrift dat aan de aanvrager werd verzonden. X-10.603-9/11 In zoverre de verwerende partij vooreerst stelt dat “het enige wat de gemachtigde ambtenaar heeft ingediend bij verweerster (...) zijn beroepsverzoek (is), waarvan verzoeker een kopie heeft verkregen”, is het verweer in duidelijke tegenspraak met het vermelde in het beroepschrift zelf. Voorts kan het argument van de verwerende partij dat, “in de mate dat de gemachtigde ambtenaar toch een dossier zou overgemaakt hebben, (...) hij geenszins de verplichting (had) om zijn dossier eveneens in bijlage aan verzoeker toe te zenden”, aangezien artikel 53 van het gecoördineerde decreet aan de gemachtigde ambtenaar enkel de verplichting oplegt om “een afschrift van zijn beroepsverzoek over te maken aan de aanvrager”, om de hiervoor onder 2.2.2. uiteengezette redenen niet worden aangenomen. 2.2.5. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar is ingesteld met schending van artikel 53, § 2, eerste lid van het gecoördineerde decreet, zoals deze bepaling van toepassing was op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 28 juni 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media houdende, eensdeels, de inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 28 september 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams- Brabant waarbij hem de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het “verbouwen en wijzigen van de bestemming van een industrieel gebouw naar een woning” te Sint-Genesius-Rode, Lindestraat 38/A, kadastraal bekend sectie C, nr. 677/w, anderdeels, de vernietiging van voornoemd besluit van 28 september 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. X-10.603-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig maart 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-10.603-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.050 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.108.597 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div