← België

Arrest 192051 - Plannen van aanleg - 31/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.051 Rolnummer: A. 125134/X-11073 Zaak: Arrest 192051 - Plannen van aanleg - 31/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-16 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 00:53 Fiche Arrest nr 192.051 van 31 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.051 van 31 maart 2009 in de zaak A. 125.134/X-11.

  1. In zake : Hans TIBERGYN, die woonplaats kiest bij advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 6, bus 24 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Y. FRANÇOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hans TIBERGYN op 8 augustus 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het ministerieel besluit houdende goedkeuring van het Bijzonder Plan van Aanleg nr. 14 ‘Bergkapel’ van de gemeente Lendelede, doch enkel in de mate wordt uitgesloten van de goedkeuring, het op het bestemmingsplan met een blauwe rand omzoomde en met diagonaal kruis gekenmerkte gedeelte betrekking hebbende op de zone 4 in het zuidelijke plangebied, palend aan de Heulsestraat, met inbegrip van de aanpalende zone 13 voor visueel scherm”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 17 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; X-11.073-1/8 Gelet op de beschikking van 19 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 december 2008; Gelet op de beschikking van 5 december 2008 waarbij de beschikking van 19 november 2008 wordt ingetrokken en de zaak voor onbepaalde tijd wordt uitgesteld; Gelet op de beschikking van 9 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. VAN HEUVEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat Y. FRANÇOIS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. Feiten 1.
  4. De verzoeker is samen met zijn echtgenote eigenaar van percelen gelegen aan de Heulsestraat te Lendelede, kadastraal bekend sectie C, nrs. 193/f en 193/g. 1.
  5. Deze percelen zijn overeenkomstig het gewestplan Kortrijk, vastgesteld bij koninklijk besluit van 10 november 1977, zoals gewijzigd op 10 november 1998, gelegen in een bufferzone. 1.
  6. Volgens de toelichtingsnota wil de gemeente Lendelede met de opmaak van het BPA nr. 14 “Bergkapel” (hierna : het BPA), in overeenstemming met het gewestplan, “een ruimtelijk kader scheppen voor de exploitatie van het X-11.073-2/8 kleiontginningsgebied” en “na de ontginning en voltooiing van de opvullingwerken de (na)bestemming zone voor groenvoorziening en bos” toekennen. Daarnaast wil de gemeente in het BPA in een aantal nieuwe, van het gewestplan afwijkende, bestemmingen voorzien. De percelen van de verzoeker betreffen de afwijkingszone 4 en worden als een zone voor kleine bedrijven ingekleurd. Onder het punt 7.
  7. “Afwijking t.o.v. het gewestplan - motivering - algemeen” van de toelichtingsnota wordt terzake de afwijkingen van het gewestplan het volgende gesteld : “Het nieuwe decreet op ruimtelijke ordening (18.05.1999) bepaalt dat tot zolang een gemeentebestuur niet vervuld de randvoorwaarden vastgelegd in dit decreet om over te schakelen naar de ruimtelijke uitvoeringsplannen (RUP) (sic), blijven de bepalingen van het gecoördineerd decreet op de ruimtelijke ordening (22.10.1996) van toepassing (sic). Art. 14 van dit decreet bepaalt in het voorlaatste lid dat een BPA desnoods kan van het gewestplan afwijken. De betrokken bepaling van het art. 14 wordt aangevuld met het art. 165 uit het nieuwe decreet (18.05.1999), dat bepaalt dat BPA’s kunnen slechts van het gewestplan afwijken indien voldaan (sic) aan de volgende voorwaarden : C de gemeente beslist heeft een ruimtelijk structuurplan op te maken C er een afweging gebeurt, op basis van de principes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (Dat betekent onder meer dat de drie randvoorwaarden, bepaald door de Raad van State voor de afwijking van het gewestplan, niet meer van toepassing zijn en hoeven als dusdanig niet meer in de motivering van de afwijking behandeld worden.) Het voorliggende BPA voldoet aan de twee voormelde voorwaarden : C de gemeenteraad van Lendelede heeft op 22.10.1998 beslist om het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan op te maken. C het BPA is het resultaat van een globale ruimtelijke afweging, waarbij het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en het voorstel van ontwerp provinciaal ruimtelijk structuurplan West-Vlaanderen gerespecteerd werden”. 1.
  8. Het BPA wordt bij gemeenteraadsbesluit van 23 november 2000 voorlopig en bij gemeenteraadsbesluit van 20 september 2001 definitief aangenomen. 1.
  9. De bestendige deputatie verleent op 8 november 2001 een gunstig advies. 1.
  10. Bij schrijven van 29 januari 2002 geeft de gemachtigde ambtenaar wat betreft de realisatie van de voormelde zone voor kleine bedrijven aan de afdeling Ruimtelijke Planning het volgende advies : X-11.073-3/8 “Wat betreft de nieuwe zone voor stapelplaatsen en kleine bedrijven in het zuidwesten van het plangebied, langsheen de Heulsestraat, is er vanuit onze dienst wel een fundamenteel bezwaar. De aangebrachte motivatie is ruim onvoldoende om deze zone, die als bufferzone is ingetekend in het gewestplan en gelegen is nabij de Haezebeek, op te offeren voor de vestiging van nieuwe lokale bedrijven. De Haezebeek wordt als een belangrijk structurerend element van de natuurlijke structuur op gemeentelijk niveau naar voor geschoven. Het verder aantasten van niet bebouwde delen van de oeverzones van die beek is in strijd met het versterken van de natuurlijke structuur. Bovendien is het onderzoek van de behoefte aan, en naar een geschikte plaats voor, een lokaal bedrijventerrein een belangrijk onderdeel van het structuurplanningsproces. Het is op z’n minst voorbarig om deze locatie nu al vast te leggen in BPA Bergkapel. Ons voorstel is dan ook om ter hoogte van de Heulsestraat het gedeelte dat in het gewestplan als bufferzone is ingetekend en in het ontwerp-BPA buiten de ‘groene’ bestemming valt, van goedkeuring te onthouden”. 1.
  11. In het advies van de afdeling Ruimtelijke Planning van 28 februari 2002 wordt in verband met die zone voor kleine bedrijven het volgende gesteld : “rekening houdende met de algemeen aanvaarde principes van een goede ruimtelijke ordening (tegen nieuwe bebouwing in valleigebieden en tegen het verdere uitzwermen van lintbebouwing in open ruimtegebied) en in het licht van de aldaar voorziene bestemmingen in het gewestplan, wordt tevens voorgesteld om de zone 4 voor KMO nabij de Haezebeek (met inbegrip van de aanpalende zone 13 voor visueel scherm) en een beperkt gedeelte van de zone 1 langs de Kuurnsestraat (met inbegrip van de aanpalende zone 12 voor tuinen) uit de goedkeuring te sluiten”. 1.
  12. Met het bestreden besluit van 23 mei 2002 wordt het BPA goedgekeurd met uitzondering van onder meer “de zone 4 in het zuidelijk plangebied, palend aan de Heulsestraat, met inbegrip van de aanpalende zone 13 voor visueel scherm”.
  13. Ontvankelijkheid 2.
  14. De verwerende partij werpt een onontvankelijkheidsexceptie ratione personae op. Zij betoogt meer bepaald het volgende : “De verzoekende partij is zelfstandig conducteur die derhalve normaliter zouden moeten ingeschreven zijn in het handelsregister te Kortrijk (art. 4 van het K.B. van 20 juli 1964 tot coördinering van de wetten betreffende het handelsregister, B.S., 8 augustus 1964). Krachtens art. 40 en 41 van datzelfde K.B. moet elke dagvaarding op straffe van onontvankelijkheid het nummer van de inschrijving in het handelsregister vermelden. In zijn arrest dd. 25.06.1996 heeft de Raad van State aangenomen dat deze verplichting en sanctie ook geldt voor de gedinginleidende akten in de procedures voor de Raad van State (...). X-11.073-4/8 In het verzoekschrift dd. 08.08.2002 wordt van dergelijk inschrijvingsnummer echter geen melding gemaakt, zodat het verzoekschrift onontvankelijk is”. 2.
  15. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat de exceptie faalt omdat deze procedure volgens hem geen uitstaans heeft met zijn functie als zelfstandig conducteur, hij ageert als eigenaar van de grond en niet als zelfstandig conducteur en hij bovendien wel ingeschreven is in het handelsregister te Kortrijk onder het nummer 135.403, wat ook reeds het geval was op het ogenblik van het inleiden van het verzoekschrift. 2.
  16. Uit de gegevens van de zaak blijkt niet dat de verzoeker het beroep instelt in het raam van zijn hoedanigheid als zelfstandig conducteur. 2.
  17. De exceptie wordt verworpen. Het beroep is ontvankelijk.
  18. Ten gronde 3.1.
  19. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 14, vijfde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : het gecoördineerde decreet) “en aangevuld met artikel 165 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening”. De verzoeker betoogt dat “in de bestreden beslissing wordt verwezen naar artikel 14 DRO om te stellen dat een BPA ‘desnoods’ kan afwijken van de bestemming van een gewestplan” wat “betekent dat verwerende partij is overgegaan tot een toetsing ex artikel 14, 4e lid DRO” terwijl “het BPA (...) niet gesteund (is) op artikel 14, 4e lid DRO maar wel op artikel 14, 5e lid DRO”. 3.1.
  20. Uit de gegevens van het dossier, meer bepaald de voormelde toelichtingsnota, blijkt dat de afwijkingen in het BPA van het gewestplan, werden aangenomen in toepassing van artikel 14, vijfde lid van het gecoördineerde decreet. In het bestreden goedkeuringsbesluit wordt onder meer het volgende gesteld : “Overwegende dat een bijzonder plan van aanleg overeenkomstig artikel 14 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en aangevuld met artikel 165 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, desnoods kan afwijken van de bestemming van het gewestplan; X-11.073-5/8 Overwegende dat voormelde afwijkingsaspecten ten overstaan van het gewestplan in de bij het dossier gevoegde toelichtingsnota omstandig en op een juridisch-stedenbouwkundig aanvaardbare wijze worden verantwoord met uitzondering van de bestemmingen voorzien op volgende twee locaties : - de zone voor kleine en middelgrote bedrijven die langs de Heulsestraat is voorzien binnen de bufferzone van het gewestplan langs de Haezebeek kan planologisch niet worden aanvaard omdat ze de natuurlijke structuur van de beekvallei verstoort; - het meest zuidelijk gedeelte van de woonzone, voorzien langs de Kuurnsestraat kan planologisch niet worden aanvaard omdat het betreffend gedeelte volgens het gewestplan behoort tot een groengebied en het bijzonder plan van aanleg aldaar mogelijkheden biedt voor de oprichting van bijkomende woongelegenheden in een vorm van lintbebouwing, hetgeen dient te worden vermeden”. 3.1.
  21. Uit het voorgaande blijkt dat het bestreden besluit zich aansluit bij de in de toelichtingsnota voor alle afwijkingen gehanteerde juridische toetsingsnorm, meer bepaald artikel 14, vijfde lid van het gecoördineerde decreet. Het feit dat in de voorafgaande overweging de term “desnoods” wordt gehanteerd, doet aan deze vaststelling geen afbreuk. 3.1.
  22. Het middel mist derhalve feitelijke grondslag. 3.2.
  23. Het tweede middel is genomen uit de schending van “artikel 21, 4e lid van het (gecoördineerde decreet)”, “van het algemeen rechtsbeginsel dat elke overheid de plicht oplegt haar beslissingen formeel en materieel te motiveren” en “van de artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet”. De verzoeker betoogt dat “de enige reden (...) in de bestreden beslissing (...) om het perceel van verzoekers uit te sluiten van het BPA is dat de voorgestelde bestemmingswijziging ‘planologisch niet (kan) worden aanvaard omdat ze de natuurlijke structuur van de beekvallei verstoort’” terwijl nergens te lezen valt waarom dat zo zou zijn en de natuurlijke structuur “in de zin van een glooiing of een bijzondere vegetatie” niet is bewezen, het bestreden besluit niet afdoende en draagkrachtig gemotiveerd is waar het “geen steun vindt in welkdanige klacht of advies en al evenmin verwijst naar welkdanig onderliggend stuk én bovendien de feitelijke situatie miskent” en het “ten onrechte gestoeld is op artikel 14, 4e lid DRO in plaats van artikel 14, 5e lid DRO”. 3.2.
  24. Artikel 1 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat voor de toepassing van deze wet onder een bestuurshandeling moet worden verstaan “de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en X-11.073-6/8 die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur”. Een bijzonder plan van aanleg is krachtens artikel 2 van het gecoördineerde decreet een akte met verordenende kracht. De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen is niet van toepassing. Het middel is in zoverre niet gegrond. 3.2.
  25. Er bestaat evenmin een “algemeen rechtsbeginsel” dat aan alle overheden oplegt om hun beslissingen “formeel” te motiveren. Ook in zoverre is het middel niet gegrond. 3.2.
  26. Artikel 21, vierde lid van het gecoördineerde decreet bepaalt : “wanneer aan het plan goedkeuring wordt onthouden, is het besluit met redenen omkleed”. Het bestreden besluit motiveert de niet-goedkeuring van zone 4 in het zuidelijk plangebied als volgt : “Overwegende dat voormelde afwijkingsaspecten ten overstaan van het gewestplan in de bij het dossier gevoegde toelichtingsnota omstandig en op een juridisch-stedenbouwkundig aanvaardbare wijze worden verantwoord met uitzondering van de bestemmingen voorzien op volgende twee locaties : - de zone voor kleine en middelgrote bedrijven die langs de Heulsestraat is voorzien binnen de bufferzone van het gewestplan langs de Haezebeek kan planologisch niet worden aanvaard omdat ze de natuurlijke structuur van de beekvallei verstoort”. Het bestreden besluit geeft bijgevolg de reden aan waarom de goedkeuring wordt onthouden voor dit plandeel. Deze redengeving is gesteund op de voormelde, gemotiveerde adviezen van de gemachtigde ambtenaar en de afdeling Ruimtelijke Planning. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat met de natuurlijke structuur op gemeentelijk niveau gerefereerd wordt aan de “niet bebouwde (...) oeverzones” van de Haezebeek en derhalve de beekvallei. Het bestreden besluit beoogt de aantasting of verstoring ervan te voorkomen door geen goedkeuring te verlenen aan het plan om er een “nieuwe zone voor stapelplaatsen en kleine bedrijven” te voorzien. Het bestreden besluit wordt derhalve gedragen door rechtens verantwoorde motieven. Het middel is ook ongegrond in zoverre het de schending aanvoert van artikel 21, vierde lid van het gecoördineerde decreet en van de materiële motiveringsverplichting. X-11.073-7/8 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  27. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  28. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig maart 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-11.073-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.051 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.