id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.082 Rolnummer: A. 117826/X-10859 Zaak: Arrest 192082 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 31/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-14 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 00:54 Fiche Arrest nr 192.082 van 31 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.082 van 31 maart 2009 in de zaak A. 117.826/X-10.
- In zake :
- Maurice MASSANGE DE COLLOMBS,
- Murielle DE TORNACO, die woonplaats kiezen bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
- tussenkomende partij : de n.v. AQUAFIN, die woonplaats kiest bij advocaten B. ASSCHERICKX en I. COOREMAN, kantoor houdende te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Maurice MASSANGE DE COLLOMBS en Murielle DE TORNACO op 7 maart 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 24 oktober 2001 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan de n.v. AQUAFIN de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het delven van een nieuwe waterloopbedding, de aanleg van een nieuwe waterloopbehuizing, bijbehorende opbraak- en wegherstellingswerken, en beekbegeleidende aanplantingen op percelen gelegen te Schoten, Afkoppeling Eethuisbeek, kadastraal bekend sectie C, nrs. 462/H, 461/C, 517/K, 492/A, 489/C, 491/F, 515/B, 516, 498/A, 509/G, 511/C, 513/A, 512/A en 521/V/2; Gelet op het arrest nr. 111.618 van 16 oktober 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; X-10.859-1/9 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 12 november 2002 ingediend door Maurice MASSANGE DE COLLOMBS en Murielle DE TORNACO; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 11 december 2002 ingediend door de n.v. AQUAFIN; Gelet op de beschikking van 16 december 2002 die de tussenkomst van de n.v. AQUAFIN toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 4 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 1 oktober 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 31 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DE PRETER, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat J. CLAES, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat L. PEETERS, die loco advocaten B. ASSCHERICKX en I. COOREMAN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-10.859-2/9 OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Op 20 april 2000 dient de n.v. AQUAFIN bij de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een aanvraag in tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning voor het delven van een nieuwe waterloopbedding, de aanleg van een nieuwe waterloopbehuizing, bijbehorende opbraak- en wegherstellingswerken, en beekbegeleidende aanplantingen, op gronden gelegen te Schoten, Afkoppeling Eethuisbeek, kadastraal bekend sectie C, nrs. 462/H, 461/C, 517/K, 492/A, 489/C, 491/F, 515/B, 516, 498/A, 509/G, 511/C, 513/A, 512/A en 521/V/
- Deze gronden zijn volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij het koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen deels gelegen in respectievelijk industriegebied, woongebied, bosgebied, reservatiestrook voor de aanleg van de grote ring en parkgebied. Zij zijn niet gelegen binnen het beheersingsgebied van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan, en maken evenmin deel uit van een behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling. 1.
- Tijdens het openbaar onderzoek, dat wordt gehouden van 1 februari tot en met 3 maart 2001, dient de eerste verzoeker een bezwaarschrift in. 1.
- Na gunstige adviezen van de afdeling Wegen en Verkeer Antwerpen, van de afdeling Natuur Antwerpen, van de afdeling Bos en Groen, van het provinciebestuur van Antwerpen, van het Instituut voor het archeologisch patrimonium en van de afdeling Monumenten en Landschappen, beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Schoten op 8 mei 2001 het bezwaar van de eerste verzoeker te verwerpen en een gunstig advies te verlenen over de aanvraag. 1.
- Bij het bestreden besluit van 24 oktober 2001 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. X-10.859-3/9
- Ontvankelijkheid ratione temporis 2.
- Standpunt van de partijen 2.1.
- De tussenkomende partij werpt op dat het beroep onontvankelijk is wegens laattijdigheid. Zij zet deze exceptie uiteen als volgt: “Het verzoek tot nietigverklaring is onontvankelijk wegens laattijdigheid aangezien de bouwvergunningsaanvraag dateert van 20 april 2000 en aangezien de stedenbouwkundige vergunning zelf dateert van 24 oktober 2001 (dit is 8 maanden later) en aangezien uit het dossier blijkt dat verzoekende partijen kort na 24.10.2001 op de hoogte waren van de afgeleverde bouwvergunning, gezien de gemeente Schoten op 22 december 2001 een brief ontving van de Heer De Grelle waarin deze, verwijzend naar een telefonisch onderhoud van 19 december 2001, op grond van een volmacht, hem verleend door eerste verzoekende partij, o.a. een kopie verzocht van de bouwvergunning. Trouwens de burger heeft de verplichting om waakzaam te zijn en zich te informeren over de bouwvergunning. De burger moet zelf ook aan informatiewinning doen. Hieruit blijkt dat verzoekende partijen sinds 19 december 2001 op de hoogte waren van het feit dat een bouwvergunning was afgeleverd, zodat de termijn van 60 dagen reeds was verstreken op 17 februari
- Gezien het verzoekschrift slechts werd ingediend op 7 maart 2002, is het ingediend buiten de termijn van 60 dagen en bijgevolg onontvankelijk wegens laattijdigheid”. 2.1.
- In de memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen: “Volgens vaste rechtspraak van uw Raad volgt uit het feit dat stedenbouwkundige vergunningen niet bekendgemaakt noch aan derden betekend moeten worden, dat de termijn waarbinnen derden tegen deze vergunning met een annulatieberoep kunnen optreden ingaat op de dag waarop zij kennis kregen van de vergunning of er ten gemeentehuize kennis van hebben kunnen nemen (...). De stedenbouwkundige vergunning werd bij brief van 7 januari 2002, samen met enkele andere documenten, overgemaakt aan de heer Le Grelle. De heer Le Grelle is in deze procedure geen partij. Hij is de neef van de eerste verzoekende partij. Het is de heer Le Grelle die de heer Massange een afschrift van de vergunning heeft bezorgd. Het beroep werd ingesteld binnen een termijn van 60 dagen na ontvangst van de vergunning door de heer Le Grelle, en a fortiori dus ook na ontvangst van de vergunning door de eerste verzoekende partij. De heer Le Grelle had op 19 december 2001 een telefoongesprek met de technische dienst van de gemeente Schoten. In dit telefoongesprek werd hem gezegd dat er een vergunning zou zijn verleend. Op 21 december 2001 begaf de heer Le Grelle zich naar de technische dienst, waar hij inzage noch afschrift verkreeg van de vergunning, maar hem werd gezegd dat hij dit diende aan te vragen bij het college van burgemeester en schepenen. X-10.859-4/9 Pas op 22 december 2001 (een zaterdag) kreeg de heer Massange via zijn neef kennis van het bestaan van deze vergunning, en vroeg hij zijn neef om schriftelijk een afschrift van de vergunning op te vragen, hetgeen deze ook deed middels een fax van dezelfde datum. Volgens vaste rechtspraak van de Raad van State beschikt de burger die weet dat er een vergunning is afgeleverd, over een redelijke termijn om het nodige te doen om kennis te krijgen van die vergunning. Uw Raad heeft reeds 15 dagen als een redelijke termijn aangenomen (...) en heeft zelfs 18 dagen aanvaard (...). In deze zaak heeft de heer Massange onmiddellijk na kennisname een fax laten schrijven, waarin hij via een lasthebber om kennisgeving van de vergunning verzocht. Dit is zeker binnen een redelijke termijn. Zelfs indien uw Raad van mening zou zijn dat de heer Massange het nodige diende te doen om de vergunning op het gemeentehuis te gaan inkijken, moet worden gezegd dat de redelijke termijn van 15 dagen pas afliep op zondag 6 januari
- Indien de termijn van zestig dagen op die dag ingaat, verstrijkt deze termijn op 7 maart 2002, datum van indiening van het verzoekschrift. Bovendien was op 21 december 2001 gebleken dat inzage en afschrift van deze vergunning slechts op aanvraag te verkrijgen was. Deze aanvraag werd ook onmiddellijk ingediend. In deze zaak zijn er geen elementen die erop wijzen dat deze redelijke termijn moet worden verkort. Integendeel. De heer Massange kreeg kennis van het bestaan van de vergunning op zaterdag 22 december
- Het gemeentehuis was die dag gesloten, en bleef gesloten tot donderdag 27 december 2001, om dan opnieuw twee dagen te openen, en vervolgens opnieuw te sluiten tot 3 januari
- Sinds het ogenblik van kennisname van het bestaan van de vergunning en het aflopen van de termijn van 15 dagen is het gemeentehuis slechts 4 dagen open geweest. Alleen al die gegevens zouden de ontvankelijkheid verantwoorden van een verzoekschrift dat nog later zou zijn ingediend. Eén en ander doet echter niet ter zake. Zelfs indien de redelijke termijn beperkt is tot 15 dagen en deze termijn onmiddellijk ingaat, is het verzoekschrift nog tijdig. De tweede verzoekende partij werd door de eerste verzoekende partij op de hoogte gebracht na ontvangst van de vergunning door de heer Le Grelle, zodat het beroep in haren hoofde zeker ontvankelijk is”. 2.1.
- In de laatste memorie laten de verzoekende partijen met betrekking tot de opgeworpen exceptie nog gelden wat volgt: “De auditeur stelt in zijn verslag dat het verzoek tot nietigverklaring laattijdig ingediend zou zijn, omdat de beroepstermijn zou zijn ingegaan op 21 december
- Dit zou de dag zijn waarop de volmachtdrager van de verzoekende partijen kennis zou hebben gekregen van de inhoud van de vergunning. Dit is echter niet correct. Vooreerst moet opgemerkt worden dat de datum die overeenkomstig de vaste rechtspraak van uw Raad relevant is, niet de datum is waarop de verzoekende partij kennis kreeg van het bestaan van de vergunning, maar wel van de inhoud ervan. Het is daarbij aan de verwerende of de tussenkomende partij om die datum aan te tonen. X-10.859-5/9 De heer Le Grelle, neef van de eerste verzoekende partij, en geenszins algemeen gevolmachtigde van de eerste verzoekende partij, laat staan van de tweede verzoekende partij, kreeg op 19 december 2001 kennis van het bestaan van de vergunning, door een telefoongesprek met de technische dienst. Hij is op 21 december 2001 naar de technische dienst gegaan, maar kreeg op dat ogenblik geenszins kennis van de inhoud van de vergunning. Zoals gesteld in de memorie van wederantwoord kreeg hij op dat ogenblik noch inzage, noch kopie van deze beslissing. Het is aan de verwerende partij of de tussenkomende partij om te bewijzen dat dit wel zo was. De heer Le Grelle had op 19 december 2001 een telefoongesprek met de technische dienst van de gemeente Schoten. In dit telefoongesprek werd hem gezegd dat er een vergunning zou zijn verleend. Op 21 december 2001 begaf de heer Le Grelle zich naar de technische dienst, waar hij inzage noch afschrift verkreeg van de vergunning, maar hem werd gezegd dat hij dit diende aan te vragen bij het college van burgemeester en schepenen. Pas op 22 december 2001 (een zaterdag) kreeg de heer Massange via zijn neef kennis van het bestaan van deze vergunning, en vroeg hij zijn neef om schriftelijk een afschrift van de vergunning op te vragen, hetgeen deze ook deed middels een fax van dezelfde datum. In de gegeven omstandigheden hebben de verzoekende partijen wel degelijk hun plicht tot waakzaamheid vervuld. Daarbij komt dat de heer Le Grelle op het ogenblik van zijn bezoek aan het gemeentehuis geenszins de lasthebber was van de eerste verzoekende partij, laat staan van de tweede verzoekende partij. Hij kreeg zijn volmacht van de eerste verzoekende partij pas op 22 december 2001, een zaterdag, en is nooit de gevolmachtigde geweest van de tweede verzoekende partij. Stellen dat de kennis van de inhoud van de vergunning in hoofde van de heer Le Grelle op 21 december 2001 - kennis die ten zeerste wordt betwist en ook niet wordt aangetoond - zich automatisch en onmiddellijk overzet op diens neef, en op de nicht van die neef, gaat te ver. De heer Massange wist pas op 22 december 2001 van het bestaan van de vergunning. Zelfs als hij op dat ogenblik had kunnen denken dat de vergunning vrij ter inzage lag op het gemeentehuis - hetgeen niet het geval was - moet worden gezegd dat er hier redenen zouden zijn om de redelijke termijn voor het nemen van inzage te verlengen. 22 december 200
(1)was een zaterdag, voor Kerstmis, waarbij het gemeentehuis sloot tot 27 december 2001, om dan opnieuw twee dagen te openen, en vervolgens opnieuw te sluiten tot 3 januari
- Sinds het ogenblik van kennisname van het bestaan van de vergunning en het aflopen van een termijn van 15 dagen is het gemeentehuis slechts 4 dagen open geweest. Wat er ook van zijn, de verzoekende partijen hebben als uitgangspunt 6 januari 2002 genomen. Het verzoekschrift werd 60 dagen later ingediend, en is dus tijdig”. 2.1.
- In haar laatste memorie laat de verwerende partij met betrekking tot de opgeworpen exceptie nog gelden wat volgt: “Het verzoek tot nietigverklaring is inderdaad onontvankelijk wegens laattijdigheid aangezien de bouwvergunningsaanvraag dateert van 20 april 2000 en aangezien de stedenbouwkundige vergunning zelf dateert van 24 oktober 2001 (dit is
(1)8 maanden later) en aangezien uit het dossier blijkt dat verzoekende partijen kort na 24.10.2001 op de hoogte waren van de afgeleverde bouwvergunning, gezien de gemeente Schoten op 22 december 2001 een brief X-10.859-6/9 ontving van de Heer De Grelle waarin deze, verwijzend naar een telefonisch onderhoud van 19 december 2001, op grond van een volmacht, hem verleend door eerste verzoekende partij, o.a. een kopie verzocht van de bouwvergunning; Trouwens de burger heeft de verplichting om waakzaam te zijn en zich te informeren over de bouwvergunning; De burger moet zelf ook aan informatiewinning doen; Hieruit blijkt dat verzoekende partijen sinds 19 december 2001 op de hoogte waren van het feit dat een bouwvergunning was afgeleverd, zodat de termijn van 60 dagen reeds was verstreken op 17 februari 2002; Het verslag van het auditoraat stelt terecht dat het wachten op een schriftelijke mededeling via de postdiensten van de stedenbouwkundige vergunning geen gebruik maken is van de redelijke termijn; Gezien het verzoekschrift slechts werd ingediend op 7 maart 2002, is het ingediend buiten de termijn van 60 dagen en bijgevolg onontvankelijk wegens laattijdigheid”. 2.
- Onderzoek van de exceptie 2.2.
- Aangezien een stedenbouwkundige vergunning niet bekendgemaakt, noch aan derden betekend dient te worden, gaat voor een derde belanghebbende de in artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalde beroepstermijn van zestig dagen in met de dag waarop hij kennis heeft van de vergunning. Dit is, hetzij de dag de derde een voldoende kennis heeft van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de vergunning, hetzij de dag waarop hij kennis heeft kunnen nemen van de vergunning door binnen een redelijke termijn gebruik te maken van zijn inzagerecht. Het is daarbij niet vereist dat de derde kennis heeft van de precieze inhoud van de vergunning. 2.2.
- De eerste verzoeker heeft deel genomen aan het openbaar onderzoek over de aanvraag tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunning en een bezwaarschrift ingediend. Hij verklaart in zijn memorie van wederantwoord op 22 december 2001 van zijn neef Le Grelle kennis te hebben gekregen van het bestaan van de vergunning. Hieruit blijkt dat de eerste verzoeker op dat ogenblik kennis had van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de thans bestreden stedenbouwkundige vergunning. De beroepstermijn van zestig dagen is derhalve verstreken op woensdag 20 februari
- De omstandigheid dat de verzoeker niet onmiddellijk inzage en een afschrift van het bestreden besluit heeft verkregen doet aan deze vaststelling geen afbreuk. Het op 7 maart 2002 ingestelde annulatieberoep is derhalve laattijdig. X-10.859-7/9 2.2.
- In het auditoraatsverslag wordt wat betreft de ontvankelijkheid van het beroep in hoofde van de tweede verzoekster gesteld wat volgt: “De tweede verzoekende partij dient hetzelfde lot te ondergaan daar waar deze partij, zoals uit het dossier en het beroepsschrift zelf blijkt, in wezen haar belangen volledig laat behartigen door de eerste verzoekende partij die trouwens de helft van lot 1, oorspronkelijk eigendom van de tweede verzoekende partij, verworven heeft. Naar recht en redelijkheid is de exceptie ook aan te nemen in hoofde van de tweede verzoekende partij”. In de laatste memorie van de verzoekende partijen wordt voormeld standpunt van het auditoraat niet betwist. Er is in die omstandigheden geen reden om de ontvankelijkheidsexceptie in hoofde van de tweede verzoekster anders te beoordelen dan in het voormelde auditoraatsverslag. Het beroep is om de voormelde redenen ook in hoofde van de tweede verzoekster niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-10.859-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenendertig maart 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-10.859-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.082 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.111.618 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div