← België

Arrest 192085 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 31/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.085 Rolnummer: A. 106758/X-10413 Zaak: Arrest 192085 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 31/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-03 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-30 00:55 Fiche Arrest nr 192.085 van 31 maart 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.085 van 31 maart 2009 in de zaak A. 106.758/X-10.413. In zake : 1. de v.z.w. NATUURRESERVATEN, thans de v.z.w. NATUURPUNT, 2. de v.z.w. VERENIGING VOOR BOS IN VLAANDEREN, 3. de v.z.w. BOND BETER LEEFMILIEU VLAANDEREN, 4. Jan VAN REUSEL optredend namens de gemeente MAASMECHELEN, 5. Jan VAN REUSEL, 6. Marianne KUIPERS, 7. de v.z.w. DE BELGISCHE NATUUR - EN VOGELRESERVATEN, thans de v.z.w. NATUURPUNT BEHEER, die woonplaats kiezen bij advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij, advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27. tussenkomende partij : de v.z.w. BISDOM HASSELT, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. NATUURRESERVATEN, de v.z.w. VERENIGING VOOR BOS IN VLAANDEREN, de v.z.w. BOND BETER LEEFMILIEU VLAANDEREN, Jan VAN REUSEL optredend namens de gemeente MAASMECHELEN met toepassing van artikel 271 van de Nieuwe Gemeentewet, Jan VAN REUSEL, Marianne KUIPERS en de v.z.w. DE BELGISCHE NATUUR- EN VOGELRESERVATEN, op 2 juli 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 13 april 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media X-10.413-1/52 waarbij het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt verworpen en aan Paul SCHRUERS voor het bisdom Hasselt de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van een abdij met aanhorigheden op een perceel gelegen te Maasmechelen (Opgrimbie), kadastraal bekend sectie E, nrs. 282/w/2/deel en 3/deel; Gelet op het arrest nr. 182.997 van 19 mei 2008 waarbij de debatten worden heropend en waarbij het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 december 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERMEIRE, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaten H. SEBREGHTS en F. SEBREGHTS die verschijnen voor de verwerende partij, en van advocaat D. LINDEMANS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. Op 29 juli 1994 (datum van het ontvangstbewijs) dient de tussenkomende partij een aanvraag in voor “het bouwen van een abdij met aanhorigheden” op gronden gelegen te Maasmechelen (Opgrimbie), kadastraal X-10.413-2/52 bekend sectie E/3, nrs. 282/s, 294/a (deel), 297/d, 297/f, 297/e, 302/v/3, 302/l/3, 302/a/4 (deel), 302/y/3, 302/k/3 (deel), 302/m/3 (deel), 302/n/3 (deel), 302/p/3 (deel), 302/z/3 (deel), 302/a/4 (deel) en 302/b/4 (deel), en te Lanaken (Rekem), kadastraal bekend sectie A1, nrs. 1/m, 1/n (deel), 1/p (deel), 1/r (deel), 1/s, 1/t (deel), 1/v en 3/2/a (deel). Uit de bouwplannen blijkt dat het de bedoeling is om een poortgebouw, een multifunctionele “schuur”, een gasten- en familiehuis en een onthaalklooster te bouwen op het grondgebied van de gemeente Maasmechelen (Opgrimbie) en een slotklooster op het grondgebied van de gemeente Lanaken (Rekem). De percelen die het voorwerp uitmaken van het bestreden besluit en van de huidige procedure, zijn volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij het koninklijk besluit van 1 september 1980 vastgestelde gewestplan Limburgs Maasland, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse executieve van 10 juli 1991, gelegen in een “zone voor Koninklijk Domein”. Artikel 13 van de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften van dat gewestplan bepaalt dat “de hoofdbestemming van deze zone (...) groengebied (is)” en dat “werken en handelingen worden toegelaten die nodig of nuttig zijn voor de inrichting van het gebied als Koninklijk Domein”. 1.2. Nadat de aanvraag aan het hoofdbestuur is toegezonden, verleent de gemachtigde ambtenaar van de minister, met toepassing van artikel 48 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna: de stedenbouwwet), op 14 december 1994 aan de tussenkomende partij de gevraagde bouwvergunning. 1.3. Tegen die vergunning dienen onder andere Jan VAN REUSEL en Nicole NOTE, beiden optredend namens de gemeente Maasmechelen met toepassing van artikel 271 van de Nieuwe Gemeentewet, op 13 februari 1995 een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een verzoekschrift tot nietigverklaring in. Bij arrest nr. 55.959 van 20 oktober 1995 wordt hun vordering tot schorsing verworpen. Bij arrest nr. 78.465 van 1 februari 1999 wordt de vergunning vernietigd, en dit omwille van de onbevoegdheid van de gemachtigde ambtenaar om op grond van artikel 48 van de stedenbouwwet een bouwvergunning te verlenen. Het arrest overweegt dat “de beslissing over de bouwaanvraag met toepassing van artikel 44 van dezelfde wet toekwam aan het college van burgemeester en schepenen”. X-10.413-3/52 1.4. Op 5 februari 1999 stuurt de afdeling Bouwinspectie van de AROHM een brief aan de tussenkomende partij waarin is vermeld: “Betreft: Maasmechelen (Opgrimbie) en Lanaken bouwaanvraag van 19.09.94 voor het bouwen van een abdij met aanhorigheden. Monseigneur, Naar aanleiding van voormelde bouwaanvraag werd op 14 december 1994 bouwvergunning verleend door de heer A. Vermeulen, toenmalig Directeur- generaal, handelend in zijn hoedanigheid van gemachtigde ambtenaar voor het gehele Vlaamse Gewest. Ik kreeg kennis van het op 1 februari 1999 door de Xe kamer van de Raad van State uitgesproken arrest (...). De Raad van State besliste tot vernietiging van de op 14 december 1994 verleende bouwvergunning. Bijgevoegd treft u afschrift aan van het vernietigingsarrest. Het arrest heeft als onmiddellijk pra(k)tisch gevolg dat thans geen verdere uitvoering meer mag gegeven worden aan de op 14 december 1994 verleende bouwvergunning. Aan de gemachtigde ambtenaar wordt gevraagd de stopzetting te bevelen van de werken die na de betekening van het arrest nog zouden worden uitgevoerd. Ik neem mij voor, met het oog op het herstel van de wettigheid op bestuursrechtelijk vlak, ter vervanging van de door de Raad van State vernietigde beslissing, nadat het bij de Raad van State ingediende dossier mij zal zijn terugbezorgd, een nieuwe beslissing voor te bereiden waarin de bouwaanvraag onontvankelijk verklaard wordt. Voor zover de destijds ingediende bouwaanvraag gehandhaafd blijft, zal het dossier vervolgens aan de ingevolge het arrest van de Raad van State bevoegd te achten gemeentebesturen worden toegezonden voor beslissing, na voorafgaand advies van de gemachtigde ambtenaar voor de provincie Limburg. (...)”. 1.5. Als reactie daarop zendt de raadsman van de tussenkomende partij op 3 maart 1999 een ter post aangetekende brief naar de afdeling Bouwinspectie waarin onder meer wordt meegedeeld: “(...) Mijn cliënten menen dat de aanvraag die destijds werd ingediend op het gemeentehuis van Maasmechelen (en waarvoor trouwens op 3 augustus 1994 een ontvangstbewijs werd afgegeven) nog steeds de basis kan vormen voor de afhandeling van de aanvraag om vergunning na nietigverklaring van de vergunning d.d. 14 december 1994. (...) Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd blijft in de huidige stand van zaken beperkt tot de constructies die op het grondgebied van Maasmechelen gelegen zijn. De aanvrager verzaakt dus aan het gedeelte van het project dat gelegen is op het grondgebied van de gemeente Lanaken. (...) De vergunning werd aangevraagd door Mgr. SCHRUERS namens Bisdom Hasselt v.z.w. met als bijzondere bestemming dat het beheer van de inrichting zal geschieden door de kloosterorde ‘Monastieke familie van Bethleem en Maria-ten-Hemel-Opgenomen’. De v.z.w. is eigenares van het terrein. X-10.413-4/52 (...)”. 1.6. Na terugzending van een deel van het dossier aan haar, neemt de gemeente Maasmechelen het dossier opnieuw in behandeling. Daarop bezorgt het college van burgemeester en schepenen van die gemeente zonder preadvies, op 24 januari 2000 het dossier aan de AROHM Limburg voor advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.7. Op 25 april 2000 brengt de gemachtigde ambtenaar ongunstig advies uit over de aanvraag. Hij stelt daartoe onder andere dat “het voorwerp van de vergunningsaanvraag in strijd is met de hoofdbestemming groengebied”, dat “om toelaatbaar te zijn op grond van (...) (het) bestemmingsvoorschrift, de beoogde bouwwerken betrekking moeten hebben op gebouwen die bestemd zijn voor het gebruik door de koninklijke familie” en “een abdij met aanhorigheden vanzelfsprekend niet beantwoordt aan deze bestemming”, alsook dat, “zelfs indien het bouwproject als een gemeenschapsvoorziening kan worden aangemerkt, moet worden vastgesteld dat het niet voldoet aan de in (...) (artikel 20 van het KB van 28 december 1972) gestelde vereiste van verenigbaarheid met de algemene bestemming van het betrokken gebied”. 1.8. Gelet op het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar, weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen bij besluit van 5 mei 2000 de vergunning. 1.9. Bij een ter post aangetekende brief van 15 juni 2000 tekent de tussenkomende partij daartegen administratief beroep aan bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg. 1.10. In vergadering van 22 november 2000 besluit de bestendige deputatie dit beroep in te willigen en de gevraagde vergunning te verlenen : “Overwegende dat de bestendige deputatie het standpunt inneemt dat de voorgestelde werken in oppervlakte en ruimtelijke impact, gezien het feit dat ze midden een zeer groot gebied van honderden hectare beboste percelen worden uitgevoerd, de ruimtelijke draagkracht van (het) betreffende groengebied zeker niet overschrijden en dat ze derhalve verenigbaar zijn met de algemene bestemming van het groengebied, dat dit standpunt tevens gebaseerd is op de ministeriële omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en toepassing van de gewestplannen, waarin de toelichting bij artikel 20 stelt dat bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen waaronder ook een kloostergebouw ressorteert, X-10.413-5/52 buiten de daartoe speciaal bestemde gebieden bij uitzondering kunnen worden toegestaan, voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming van het betrokken gebied en waarbij tevens als voorwaarde voor de toepassing van artikel 20 wordt gesteld dat er een dwingende en absolute noodzaak bestaat (om te beslissen), en dat niet kan gewacht worden op de procedure tot wijziging van het gewestplan of van het opstellen van een gemeentelijk aanlegplan; dat de bestendige deputatie van oordeel is dat in casu alleszins de voorwaarde van hoogdringendheid en absolute noodzaak kan ingeroepen worden, overwegende dat enerzijds reeds omvangrijke ruwbouwwerken werden uitgevoerd op basis van een bouwvergunning, en dat anderzijds door het vernietigingsarrest van de Raad van State een acuut juridisch-stedenbouwkundig probleem is ontstaan hetwelk binnen de thans van toepassing zijnde reglementering inzake ruimtelijke ordening (als alternatief) enkel zou kunnen verholpen worden door een wijziging van het gewestplan middels een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan”. 1.11. Op 21 december 2000 tekent de gemachtigde ambtenaar tegen dat vergunningsbesluit administratief beroep aan bij de bevoegde Vlaamse minister. 1.12. De Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media besluit op 13 april 2001 dat “het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt verworpen” en dat “bijgevolg (...) de beslissing van 22 november 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg, houdende toekenning van de vergunning aan Bisschop SCHRUERS voor het Bisdom (Hasselt) haar rechtskracht (herneemt), voor zoveel als nodig met aanvulling van motieven conform de huidige beslissing”. Het ministerieel besluit is op de volgende wijze gemotiveerd: “(...) Overwegende dat vooreerst moet worden onderzocht of het dossier van de aanvraag als volledig kon en kan worden beschouwd; dat de gemachtigde ambtenaar terzake een grief formuleert, weliswaar in ondergeschikte orde, maar dat de beoordeling van deze grief niet alleen logisch eerst aan bod moet komen maar ook bepalend kan zijn voor de beoordeling of het project kan worden vergund; dat terzake de aanvrager doet gelden dat het project moet worden beoordeeld op basis van de oorspronkelijke aanvraag die heeft geleid tot de beslissing die door de Raad van State werd vernietigd; dat het noodzakelijk rechtsherstel na nietigverklaring door de Raad van State inhoudt dat het bestuur -spontaan- daarover opnieuw uitspraak moest doen, ditmaal zonder de fout te begaan die door de Raad van State werd vastgesteld in het arrest nr. 78.465 van 1 februari 1999; dat daarom de aanvraag ook niet als een zogenaamde regularisatieaanvraag kan worden beschouwd; dat de Raad van State dit zo heeft beslist in een arrest (...), nr. 37.677 van 20 september 1991; dat de aanvrager van oordeel is dat de bepalingen van het decreet houdende organisatie van de ruimtelijke ordening met betrekking tot regularisatieaanvragen dan ook niet van toepassing zijn; Overwegende dat de aanvrager verder betoogt dat, vermits de aanvraag in 1994 volledig werd bevonden, latere regelgeving daaraan niet(

  1. s)kan afdoen zonder het verbod van retroactieve werking dat geldt ten aanzien van die X-10.413-6/52 nieuwe regels te schenden; dat hij betoogt dat de Raad van State dit beslist heeft in onder meer de arresten (...), nr. 43.178 van 4 juni 1993, (...), nr. 44.142 van 21 september 1993 en (...), nr. 44.734 van 27 oktober 1993 in verband met de MER-verplichting in Wallonië; Overwegende dat dit standpunt kan worden bijgevallen; dat inderdaad een volledig bevonden dossier waarover de overheid uitspraak moet doen niet zonder meer na een nietigverklaring van de op grond van die aanvraag verleende vergunning, ten gevolge van nieuwe regelgeving als onvolledig kan worden beschouwd, zeker niet wanneer in die latere regelgeving niet uitdrukkelijk is bepaald dat de nieuwe regels van toepassing zijn op de hangende, volledig bevonden aanvragen; dat dit formele aspect te onderscheiden is van het materiële toetsingskader; dat die vaststelling van formele volledigheid niet(
  2. s)afdoet aan de verplichting om de aanvraag inhoudelijk te toetsen aan de regels, van toepassing op het ogenblik dat de overheid uitspraak doet over de aanvraag; Overwegende dat, wat de hoofdgrief van de gemachtigde ambtenaar betreft, vastgesteld moet worden dat het terrein waarop de aanvraag betrekking heeft gelegen is in het bij Koninklijk Besluit van 1 september 1980 goedgekeurd gewestplan Limburgs Maasland, gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse Executieve van 10 juli 1991, met bestemming Koninklijk Domein; dat door dit bestemmingsgebied als voorschrift geldt: De hoofdbestemming van deze zone is groengebied. Werken en handelingen worden toegelaten die nodig of nuttig zijn voor de inrichting van het gebied als Koninklijk Domein; Overwegende dat de aanvrager stelt dat dit voorschrift niet in abstracto kan worden beoordeeld, maar in concreto moet worden geïnterpreteerd in het licht van de bedoeling van de auteur van het planvoorschrift, te weten de wens van de Koning om een deel van het Domein in te richten voor een kloosterorde waarin de stilte en natuurverbondenheid voorop staan; dat die doelstelling bevestigd wordt door de notariële akte van schenking van 8 december 1992 van de Koning aan de aanvrager, waarin overigens een erfdienstbaarheid is ingesteld die de rust en de stilte bij het gebruik van het klooster moeten waarborgen; dat die wens ook in het testament van de Koning voorkomt; Overwegende dat hij verder stelt dat de slechts summier ontwikkelde stelling van de gemachtigde ambtenaar in zijn beroepschrift als zou een abdij niet in overeenstemming zijn met deze bestemming van groenzone niet overtuigt, noch zijn stelling dat artikel 20 van het Inrichtingsbesluit van 28 december 1972 niet nuttig kan worden ingeroepen omdat een abdij in geen geval verenigbaar kan zijn met de algemene bestemming van groengebied; dat de aanvrager daartoe verwijst naar onder meer het feit dat talrijke abdijen -de meerderheid naar hij stelt- in de zeventiger jaren werden ingetekend in de gewestplannen in een groengebied, bosgebied of parkgebied; dat hij ter staving van die stelling tientallen uittreksels uit gewestplannen waarbij dit het geval is, overgelegd heeft; dat volgens de aanvrager het niet de bedoeling van de gewestplanmakers kan zijn geweest om alle abdijen met één pennentrek zonevreemd te maken; Overwegende dat hij verder aanvoert dat kloosters gemeenschapsvoorzieningen kunnen zijn, hetgeen door de gemachtigde ambtenaar niet wordt betwist, en wat trouwens door de ministeriële omzendbrief van 8 juli 1997 wordt bevestigd; dat de stelling van de gemachtigde ambtenaar als zou er voor de toepassing van artikel 20 van het Inrichtingsbesluit moeten getoetst worden aan de verenigbaarheid van het project met de algemene bestemming op zichzelf wel juist is, maar dat deze toetsing correct moet gebeuren, dit wil zeggen dat niet moet gezocht worden of het project beantwoordt aan de bepalingen die gelden voor het betrokken gebied, maar wel dat er geen tegenstrijdige functies mogen ontstaan door de inplanting van het vergund project; dat de aanvrager terzake verwijst naar het arrest (...) en herhaalt dat precies het feit dat in het verleden zovele abdijen en X-10.413-7/52 kloosters werden ingetekend in parkgebied, groengebied of bosgebied, aantoont dat deze functies niet tegenstrijdig zijn; dat hij verder erop wijst dat de abdij voor een belangrijk deel een onthaalinfrastructuur voor het publiek omvat, en dat deze infrastructuur openstaat voor iedereen die in stilte, in de geest van de kloosterorde, aldaar tot rust wil komen; dat hij verder benadrukt dat deze onthaalinfrastructuur niet met winstgevend doel wordt opengesteld; dat hij tenslotte ook wijst op het feit dat onder meer door de gebruikte materialen en de typische formatie van de oude kloosters, zonder hoogbouw, de architectonische integratie in het gebied is bewerkstelligd; dat hij verder verwijst naar de notitie die hij heeft ingediend; dat hij tenslotte ook verklaart alle redelijke voorwaarden met betrekking tot verfraaiingswerken, aanplantingen en dergelijke te aanvaarden; Overwegende dat deze zienswijze met betrekking tot de vergunbaarheid van het project - die grotendeels parallel loopt met deze van de Bestendige Deputatie, maar explicieter en omstandiger is gemotiveerd - kan worden aangenomen; dat een onderzoek van het dossier leert dat de architectuur en de gekozen materialen een architectonisch met de omgeving verenigbaar project opleveren, waarbij geen functies worden gerealiseerd die geacht moeten worden tegenstrijdig te zijn met de bestemming Koninklijk Domein, noch met de bestemming groengebied in het bijzonder; Overwegende dat het project stedenbouwkundig aanvaardbaar is en beantwoordt aan de voorwaarden gesteld door het gewestplanvoorschrift Koninklijk Domein en ook beantwoordt aan de toepassingsvereisten van artikel 20 van het Inrichtingsbesluit; Overwegende dat de aanvraag voor vergunning vatbaar is en dienvolgens het beroep van de gemachtigde ambtenaar moet worden verworpen; (...)”. 1.13. Op 3 april 2005 deelt de verwerende partij, als antwoord op een vraag van het auditoraat, onder meer het volgende mee : “(...) Voor de uitvoering van de stand van zaken op de kwestieuze terreinen werd op 27 april jl. een plaatsbezoek gebracht. (...) Ter plaatse kon vastgesteld worden dat enkel het onthaalklooster inmiddels werd opgericht. Dit onthaalklooster bestaat aan de buitenzijde uit een kloosteromgang, aan de binnenzijde uit een kloosteromgang, de binnentuin, tussen de 2 kloostergangen de individuele kluizen, de kloosterkerk aan de noordzijde, de bibliotheek en de keuken. Een gedeelte van de kloosteromgang aan de buitenzijde is inmiddels wel ingestort en maakt thans het voorwerp uit van een gerechtelijke procedure met de aannemer (...). Het poortgebouw met bijhorende cilindervormige kapel, de multifunctionele schuur en het gasten- en familiehuis werden evenwel niet opgericht. (...)”. 2. Ontvankelijkheid van het annulatieberoep 2.1. Voorafgaand X-10.413-8/52 2.1.1. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij de “kennelijke onontvankelijkheid door niet tijdige neerlegging van het dossier” op. Ze voert daartoe concreet aan dat het dossier van de verzoekende partijen pas op 10 juli 2001 ter beschikking was, zodat ze niet “de volheid van de termijnen” had om haar “rechten van de verdediging” te laten gelden. 2.1.2. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie betreft dezelfde als degene die ze reeds in de schorsingsprocedure heeft opgeworpen. Echter is ze in het kader van de huidige procedure niet meer relevant. De verwerende partij betwist immers niet dat ze voor het opstellen van haar memorie van antwoord beschikte over alle stukken die de verzoekende partijen aanvoeren. De exceptie dient dan ook te worden verworpen. 2.2. Wat betreft de eerste verzoekende partij 2.2.1. Procesbevoegdheid 2.2.1.1.1. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat de eerste verzoekende partij niet rechtsgeldig in rechte is getreden. Ze voert daartoe aan dat in “het uittreksel uit de notulen van de Raad van Bestuur van Natuurreservaten v.z.w. van 22 mei 2001” “geen opdracht tot in rechte treding bij de Raad van State (wordt) gegeven”, “noch wordt gemotiveerd welke beslissing men aanvecht en op welke motieven”, “noch (...) een raadsman (wordt) aangesteld of wordt geoordeeld dat men in personam zal optreden bij de Raad van State”. De “notulen maken”, aldus de verwerende partij, “enkel duidelijk dat een advies werd gevraagd aan een raadsman” en dat “naar aanleiding van dit advies zal dienen geoordeeld te worden of het opportuun is hiertegen te ageren bij de Raad van State”, wat “bij afzonderlijke beslissing tot in rechte treding (dient) te worden vastgesteld”. De eerste verzoekende partij maakte, naar mening van de verwerende partij, “aldus (...) haar procedurele stappen voorwaardelijk, terwijl de opdracht tot in rechte treding onvoorwaardelijk dient te geschieden” en “brengt (...) bovendien geen stuk voor, daterend van na de aanstelling inzake het advies, waarin de Raad van Bestuur oordeelt dat het ingewonnen advies een procedure bij de Raad van State noodzakelijk maakt en dat zij daarbij, onvoorwaardelijk, het nodige doet om op rechtgeldige wijze in rechte te treden”. 2.2.1.1.2. De tussenkomende partij werpt in haar memorie ook op dat het beroep in hoofde van de eerste verzoekende partij onontvankelijk is omdat, naar X-10.413-9/52 haar mening, op 22 mei 2001 “niet (werd) beslist om in rechte te treden, maar enkel om het instellen van een procedure te laten afhangen van het advies van de raadsman”. Daarnaast stelt ze nog dat “in de notulen van de vergadering van 17 april 2001 (...) weliswaar (wordt) gesteld dat (
  3. de)eerste (verzoekende partij) een schorsings- en annulatieberoep zal indienen, maar aangezien de raad van bestuur op 22 mei 2001 besliste om het instellen van een vordering te laten afhangen van het advies van de advocaat, (...) de beslissing van 17 april 2001 als ingetrokken (moet) worden beschouwd”. Ook voert ze aan dat uit de notulen van 22 mei 2001 “blijkt dat van de 21 bestuursleden slechts 18 (...) aanwezig of verontschuldigd waren”, dat er “slechts 9 (...) aanwezig (waren)” en dat het feit dat “statutair (...) een aanwezigheid van minimaal een derde (zou volstaan), (...) (afwijkt) van de basisregel van beraadslagende organen dat minstens de helft van de leden moet aanwezig zijn om geldig te kunnen stemmen”. Ze geeft daarbij nog aan hoe, “afgaand op de publicaties van de laatste 3 jaar”, de Raad van Beheer er op 22 mei 2001 “zou (...) moeten uitgezien hebben”. 2.2.1.2.1. Artikel 13 van de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend (hierna: de v.z.w.-wet) bepaalt op het ogenblik van het instellen van het annulatieberoep: “De beheerraad leidt de zaken der vereniging en vertegenwoordigt deze bij elke gerechtelijke en buitengerechtelijke akte. Hij kan, onder zijn verantwoordelijkheid, zijn bevoegdheden overdragen aan een zijner leden of zelfs, indien de statuten of de algemene vergadering het toelaten, aan een derde. Hij is verplicht jaarlijks de rekening over het verlopen dienstjaar en de begroting voor het volgende dienstjaar aan de goedkeuring der algemene vergadering te onderwerpen”. Artikel 35 van de destijds geldende statuten van de eerste verzoekende partij bepaalt: “De Raad van Bestuur, of zijn afgevaardigde daartoe aangewezen conform art. 34, treedt op als eiser of als verweerder in de rechtsgedingen waarin de Vereniging betrokken partij is”. De raad van bestuur van de eerste verzoekende partij was derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring bevoegd om de beslissing tot het in rechte treden te nemen. X-10.413-10/52 2.2.1.2.2. Overeenkomstig artikel 28 van de toentertijd geldende statuten van de eerste verzoekende partij, kan de raad van bestuur enkel geldig beraadslagen wanneer ten minste één derde van zijn leden, met een minimum van drie, aanwezig zijn, waarbij de beslissingen bij gewone meerderheid worden genomen en bij staking van stemmen, de stem van de voorzitter doorslaggevend is. Die statutaire bepaling is niet in strijd met de destijds geldende v.z.w.-wet. De tussenkomende partij poneert wel, doch argumenteert niet, dat deze statutaire bepaling zou afwijken van een “basisregel van beraadslagende organen”. 2.2.1.2.3. In het “uittreksel uit de notulen van de Raad van Bestuur van Natuurreservaten v.z.w. van 22 mei 2001” wordt vermeld: “Na beraadslaging beslist de Raad van Bestuur om: -Mr. Gwijde Vermeire, advocaat aan de balie te Gent, aan te stellen om advies te verlenen in het dossier Opgrimbie; - overeenkomstig het advies van de raadsman, een procedure tot schorsing en/of tot annulatie in te stellen bij de Raad van State tegen de bouwvergunning verleend door Minister Van Mechelen inzake het bouwen van een klooster te Opgrimbie; - Mr. Gwijde Vermeire aan te stellen om de belangen van de vereniging voor de Raad van State te behartigen”. Blijkens dat uittreksel waren de volgende 9 personen, die - zoals de tussenkomende partij in haar memorie terecht aangeeft - destijds beheerder waren van de eerste verzoekende partij, aanwezig: Walter ROGGEMAN (voorzitter), An CLIQUET, Karin DE ROO, Jos RAMAEKERS, Filip VANLOMMEL, Peter VANLOMMEL, Jan VERHEEKE, Toon WASSENBERG en Carine WILS. Aangezien er toen -zoals alweer de tussenkomende partij correct aangeeft- 21 bestuurders waren en er daarvan 9 aanwezig waren op de vergadering van 22 mei 2001, heeft de raad van bestuur van de eerste verzoekende partij geldig beraadslaagd. 2.2.1.2.4. Op de raad van bestuur van 17 april 2001 waren 11 bestuurders aanwezig. Het door artikel 28 van de statuten vereiste aantal aanwezige bestuurders om geldig te kunnen beraadslagen, was dus ook toen bereikt. In het integraal verslag ervan staat onder de hoofding “B. BESLIS- EN DISCUSSIEPUNTEN”: “B.4 Bouwvergunning klooster Opgrimbie De Raad beslist om een procedure in te spannen bij de Raad van State tot schorsing en annulatie van de bouwvergunning. Aangezien onze vereniging beheerder is van een natuurgebied te Opgrimbie zijn er argumenten om het belang aan te tonen. Er zal verder worden overlegd met BBL”. X-10.413-11/52 In het integraal verslag van de raad van bestuur van 22 mei 2001 is onder de hoofding “C. BESLIS- EN DISCUSSIEPUNTEN” vermeld: “3. Instellen juridische procedures
  4. a)Procedure Opgrimbie De Raad van Bestuur beslist om een procedure voor de Raad van State in te leiden en Mr. Vermeire aan te stellen als raadsman”. 2.2.1.2.5. Uit de voormelde gegevens kan -in tegenstelling tot hetgeen de tussenkomende partij stelt- niet worden afgeleid dat de beslissing van 17 april 2001 ingevolge de beslissing van 22 mei 2001 als ingetrokken moet worden beschouwd. Die laatstgenoemde beslissing houdt daarentegen een bevestiging in van de eerstgenoemde beslissing. Daarenboven geeft de beslissing van 22 mei 2001 aan dat “Mr. Gwijde Vermeire” wordt aangesteld “om de belangen van de vereniging voor de Raad van State te behartigen”, zodat bezwaarlijk kan worden gesteld dat erin geen raadsman wordt aangesteld. Voorts blijkt uit de integrale verslagen, dat onvoorwaardelijk door de raad van bestuur is beslist om een procedure voor de Raad van State in te leiden. Daarnaast wordt aangegeven welke vergunning wordt aangevochten, namelijk “de bouwvergunning verleend door Minister Van Mechelen inzake het bouwen van een klooster te Opgrimbie”, waaronder moeilijk een andere vergunning kan worden begrepen dan degene die in casu wordt bestreden. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat in de beslissing om in rechte te treden niet moet worden aangegeven op welke motieven het beroep tegen het betreden besluit is gesteund. 2.2.1.2.6. De eerste verzoekende partij is bijgevolg rechtsgeldig in rechte getreden. De excepties dienaangaande zijn niet gegrond. 2.2.2. Belang en hoedanigheid 2.2.2.1.1. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij ook op dat het beroep in hoofde van de eerste verzoekende partij niet ontvankelijk is wegens gebrek aan belang en hoedanigheid. Daartoe stelt ze vooreerst dat “het (...) aan de verzoekende partij toe(komt) om het bestaan van” het door artikel 19, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste “belang aan te tonen en eventuele twijfel daaromtrent weg te nemen”, dat “het belang bovendien (dient) te worden X-10.413-12/52 uiteengezet in het verzoekschrift tot nietigverklaring”, dat de “Raad (van State) oordeelde dat het belang bij de vernietiging niet voor het eerst in de laatste memorie kan worden uiteengezet, aangezien hierdoor tekort wordt gedaan aan ‘de eisen van het behoorlijk verloop van het contradictoir debat’” en dat “het (...) vaste rechtspraak (
  5. is)dat het belang, als één van de ontvankelijkheidsvoorwaarden, de openbare orde raakt”. Voorts voert ze aan dat de “Raad (van State) (aan)neemt (...) dat een procesbekwame vereniging namens een groep wiens collectieve belangen zijn bedreigd of geschaad, kan optreden zodra zij voor die groep representatief kan worden genoemd”, dat “een van de belangrijke criteria inzake de representativiteit van een vereniging (...) de penetratiegraad (...) (ervan) (
  6. is)in de groep die zij voorgeeft te vertegenwoordigen”, dat “de bewijslast inzake de voldoende representativiteit rust bij de verzoekende partij”, dat uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat “de effectieve aanhang bij de leden (...) als determinerend (wordt) beschouwd om de representativiteit, penetratiegraad, te meten van een vereniging” en dat “geen enkel document met betrekking tot de penetratievereiste wordt voorgelegd”. Daarnaast betoogt ze dat er “niet is voldaan aan de specialiteitsvereiste”. Daartoe stelt ze dat de eerste verzoekende partij - net als de tweede, derde en zevende verzoekende partij - een koepelvereniging is, dat haar “vordering betrekking heeft op een bouwvergunning waarvan de voorgehouden ‘milieuverstorende gevolgen’ zich niet uitstrekken over het Vlaamse Gewest hoewel nochtans dat (alsook het mondiale (...) ) precies (haar) werk- en actieterrein is” en dat “blijkens artikel 4 van de statuten van (
  7. de)eerste verzoekende partij (...) haar werkterrein zich uit(strekt) tot het Nederlandse taalgebied” waaronder -naar haar mening- “uiteraard zonder twijfel het volledige Vlaamse grondgebied” wordt verstaan, en, aangezien er in de statuten “uitdrukkelijk sprake (
  8. is)(...) (van) ‘grensoverschrijdend en (
  9. in)Europees en mondiaal verband’”, zelfs “meer dan (dat)”, met name “ook het grondgebied van het Koninkrijk Nederland en de Nederlandse overzeese gebieden”. 2.2.2.1.2. Ook de tussenkomende partij werpt op dat het beroep in hoofde van de eerste verzoekende partij niet ontvankelijk is wegens gebrek aan belang en hoedanigheid. Vooreerst voert ze daartoe aan dat de eerste verzoekende partij niet voldoet aan de voorwaarden die de Raad van State oplegt aan verenigingen zonder winstoogmerk, en in het bijzonder milieuverenigingen, om voor de Raad van State in rechte te kunnen optreden. X-10.413-13/52 Vervolgens stelt ze -na artikel 4 van de statuten van de eerste verzoekende partij, zoals het gold op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep, te hebben geciteerd- dat de eerste verzoekende partij “in wezen de behartiging van het algemeen belang na(streeft)”, waardoor “zij (...) de vereiste hoedanigheid (mist), minstens een eigen belang dat niet samenvalt met het algemeen belang”. Ze voert daarbij aan dat geen adequate relatie bestaat tussen het doel en het voorwerp van de vordering. Voorts betoogt ze dat “niet (valt) in te zien hoe het in rechte opkomen tegen de bouwvergunning verleend voor een klooster kadert in het statutair doel dat beperkt is tot de ‘volksontwikkeling’, waarbij slechts ‘in dit verband’ naar de natuurbescherming en bescherming van het leefmilieu wordt gestreefd”. Tot slot poneert ze dat “de statutaire doelstellingen en het werkingsgebied dusdanig ruim geformuleerd zijn, dat het bestrijden van een vergunning voor een lokaal klooster te specifiek is om aan (...) (de eerste verzoekende partij) het vereiste specifieke belang toe te kennen”. 2.2.2.2.1. De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de v.z.w.-wet in rechte optreden ter verdediging van het doel of de doeleinden waarvoor ze zijn opgericht. Voor de Raad van State kunnen die verenigingen in rechte optreden op voorwaarde dat ze de rechtspersoonlijkheid bezitten en mits te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor alle andere fysieke en rechtspersonen, te weten doen blijken van een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en geoorloofd belang alsmede van de vereiste hoedanigheid. Een vereniging getuigt van de vereiste hoedanigheid wanneer de ingestelde vordering kan worden ingepast in het doel dat ze zich heeft gesteld, dit doel niet samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf en evenmin samenvalt met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging, en er een band van evenredigheid bestaat tussen het materieel en territoriaal actieterrein van de verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van het bestreden besluit anderzijds. 2.2.2.2.2. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat de eerste verzoekende partij in haar verzoekschrift alsook in haar memorie van wederantwoord uitvoerig haar belang en hoedanigheid heeft uiteengezet. 2.2.2.2.3. De eerste verzoekende partij beroept zich in hoofdorde op artikel 4 van haar statuten, zoals dit gold op het ogenblik van het inleiden van het annulatieberoep, luidend als volgt: X-10.413-14/52 “De vereniging heeft tot doel in het Nederlands taalgebied en in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad aan volksontwikkelingswerk te doen en streeft in dit verband naar de ontwikkeling en de uitstraling van de natuurbehoudsgedachte en de bevordering van het natuurbehoud, de natuurbescherming, de natuurontwikkeling en de landschapszorg en de daartoe noodzakelijke bescherming van het leefmilieu. Tot het verwezenlijken van haar doel kan zij, ook grensoverschrijdend en in Europees en mondiaal verband, alle daartoe noodzakelijke middelen aanwenden en initiatieven ontplooien, onder meer de organisatie van activiteiten en vorming ten behoeve van kaderleden en leden van de vereniging en het publiek, sensibilisering en vorming van de publieke opinie, verwerving, huur en/of beheer van landschapselementen, van gebieden en van cultuur-historisch waardevolle gebouwen die zich in deze gebieden bevinden, alsook beleidsbeïnvloeding”. 2.2.2.2.4. Uit de voormelde statutaire bepaling blijkt dat de eerste verzoekende partij als territoriaal actieterrein “het Nederlands taalgebied en (...) het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad” heeft. Daarbinnen streeft ze onder meer naar “de bevordering van het natuurbehoud, de natuurbescherming, de natuurontwikkeling en de landschapszorg en de daartoe noodzakelijke bescherming van het leefmilieu”. Gelet op deze doelstellingen, kan niet worden gesteld dat het maatschappelijk doel van de eerste verzoekende partij samenvalt met de behartiging van het algemeen belang zelf. Evenmin blijkt het doel samen te vallen met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging. 2.2.2.2.5. Gelet op de omvang van de bij het bestreden besluit vergunde bouwwerken en van de hiermee gepaard gaande ontbossing (zie nr. 2.3.3.2.4 en de bespreking van het eerste middel), en de ligging van de kwestieuze percelen middenin een vogelrichtlijngebied en een habitatrichtlijngebied, kan de ingestelde vordering worden ingepast in het doel dat de eerste verzoekende partij zich heeft gesteld. 2.2.2.2.6. De aanduiding van terreinen als vogelrichtlijn- en/of als habitatrichtlijngebied, zoals in casu, gebeurt op grond van de door de Europese wetgever aangereikte en opgelegde wetenschappelijke criteria, die de betrokken lidstaat verplichten om de beschermingszone af te bakenen. Concreet behoren de bouwpercelen tot de op het grondgebied van de gemeenten Maasmechelen en Lanaken aangeduide beschermingszone van “de Mechelse Heide en de vallei van de Ziepbeek”, waar onder andere de roerdomp, de wespendief, de bruine kiekendief, het korhoen, de nachtzwaluw, de ijsvogel, de zwarte specht, de boomleeuwerik en de blauwborst broeden, maar ook de witoogeend, de visarend en de kraanvogel voorkomen (vogelrichtlijnsoorten), en X-10.413-15/52 waar als waardevolle habitats ondermeer open grasland met landduinen, verschillende heidetypes, overgangs- en trilveen, slenken in veengronden, oude zuurminnende bossen en alluviale bossen worden teruggevonden (habitatrichtlijn). Vanuit het Europese beleidsniveau wordt de bescherming van deze soorten en het behoud en de instandhouding van deze gebieden derhalve van primordiaal belang geacht, waarmee meteen ook vaststaat dat hetgeen in deze aangeduide zones gebeurt en wordt vergund het louter lokaal belang overstijgt. Mede gelet op de hierboven reeds vermelde omvang van de met het bestreden besluit gepaard gaande ontbossing bestaat er dan ook een voldoende band van evenredigheid tussen het -weliswaar ruime- materieel en territoriaal actieterrein van de eerste verzoekende partij enerzijds en de draagwijdte van het bestreden besluit anderzijds. 2.2.2.2.7. De eerste verzoekende partij geeft blijk van een duurzame en effectieve werking overeenkomstig het vooropgestelde doel in haar statuten. Er wordt niet betwist dat de vereniging ongeveer 50.000 leden telt, waarvan enkele duizenden in de provincie Limburg, dat verschillende bestuursleden in Limburg wonen (o.a. in Halen, Diepenbeek en Hamont-Achel), dat er een “zeer representatieve reservatenwerking (
  10. is)in Limburg” waar de vereniging in september 2000 reeds “1342 + 1476 ha” in beheer heeft, dat de eerste verzoekende partij in Maasmechelen het reservaat Maaswinkel (35,4
  11. ha)beheert en in Lanaken het reservaat Daalbroek (55,3
  12. ha)en dat om zoveel reservaten in Limburg te kunnen beheren er op honderden vrijwilligers kan worden gerekend. Het blijkt aldus niet dat de eerste verzoekende partij haar maatschappelijk doel niet of niet langer daadwerkelijk nastreeft. De argumentatie van de verwerende partij met betrekking tot de “representativiteit” van de eerste verzoekende partij kan dan ook niet worden aangenomen. 2.2.2.2.8. Tot slot blijkt dat de eerste verzoekende partij geen afzonderlijke afdeling met eigen rechtspersoonlijkheid heeft die actief is in de regio Maasmechelen en dat de provinciale afdeling “v.z.w. Natuurpunt Limburg”, waarover de tussenkomende partij het in haar laatste memorie heeft, nog niet onder die benaming bestond op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep. Op dat ogenblik had die v.z.w., die is opgericht als “v.z.w. Regionaal Landschap Herk en Mombeek”, immers als benaming “v.z.w. Natuurreservaten Zuid-Limburg”. Gelet op de plaatselijke aanduiding “Zuid-Limburg” in de benaming destijds, kan die vereniging bezwaarlijk worden beschouwd als zijnde actief in Maasmechelen X-10.413-16/52 (gelegen in midden/oost Limburg) of in heel Limburg op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep. 2.2.2.2.9. De excepties inzake het belang en de hoedanigheid zijn niet gegrond. 2.3. Wat betreft de tweede verzoekende partij 2.3.1. Rechtspersoonlijkheid 2.3.1.1.1. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat de vordering in hoofde van de tweede verzoekende partij niet ontvankelijk is omdat “er (...) geen v.z.w. (blijkt) gekend (te zijn) onder de naam v.z.w. Vereniging voor Bos in Vlaanderen”. Ze voert daartoe aan dat ze “er geen statuten (kon) van terugvinden”, “ook niet in de databank van het ministerie van Justitie”, en dat “er (...) blijkbaar wel een Vlaamse Bosbouwvereniging (V.B.V.) (is)” die “niet de verschijnende verzoekende partij (is)”. Ook werpt de verwerende partij op dat de tweede verzoekende partij “zich (...) ten opzichte van (..) (haar) (en de tussenkomende) partij (bevindt) in de toestand van een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid, minstens in een situatie dat omwille van een onregelmatig samengestelde Raad van Beheer, de vordering tot nietigverklaring als niet ontvankelijk moet worden afgewezen”. Ze voert dienaangaande aan dat in casu door de tweede verzoekende partij niet is voldaan aan de “vereisten inzake bekendmaking en de formaliteiten” van artikel 9 van de v.z.w.-wet zodat de rechtspersoonlijkheid van de tweede verzoekende partij niet tegenwerpelijk is “ten aanzien van derden, daar waar deze derden zich echter wel op deze rechtspersoonlijkheid (...) kunnen beroepen”. Ter onderbouwing daarvan verwijst de verwerende partij naar en citeert ze uit een stuk van de tweede verzoekende partij “met betrekking tot de notulen van de gewone algemene vergadering van de Vereniging voor Bos in Vlaanderen dd. 14 maart 2001” waaruit blijkt, inzake de samenstelling van de raad van beheer, dat “ter vervanging van het ontslagnemend lid Hans Scheirlinck (...) Tom Embo (werd) verkozen” en dat “gemandateerden tot de algemene vergadering van 2001, werden vervangen door andere personen”. Die beslissing diende, aldus de verwerende partij, “voor 15 mei 2001 (
  13. te)worden gepubliceerd om de rechtspersoonlijkheid van de v.z.w. aan derden tegenwerpelijk te kunnen maken” en niet op “18 oktober 2001”, zijnde “liefst 7 maanden nadat men in rechte wilde treden en maar liefst 3,5 maanden nadat men het inleidend verzoekschrift bij de Raad van State indiende”. “Zulk gebrek aan X-10.413-17/52 diligentie schept”, aldus nog altijd de verwerende partij, “onvoorwaardelijke en onweerlegbare problemen inzake de tegenwerpelijkheid van de rechtspersoonlijkheid”. De verwerende partij citeert daarbij nog uit het arrest nr. 28/97 van 6 mei 1997 van het Grondwettelijk Hof waarin is overwogen “dat aan de hand van de bekendmaking van de benoeming, ontslagneming of afzetting van de beheerders, overeenkomstig artikel 9, tweede lid, van de v.z.w.-wet, zekerheid wordt verschaft over de identiteit van de leden van de Raad van Beheer die krachtens artikel 13 van de v.z.w.-wet in beginsel bevoegd zijn om de vereniging te vertegenwoordigen” en dat “hieruit volgt dat partijen in een rechtsgeding ten aanzien van een vereniging zonder winstoogmerk die als eisende partij in rechte treedt, mogen vragen dat deze aantoont dat de nodige ijver aan de dag werd gelegd voor de bekendmaking, in de Bijlagen (van) het Belgisch Staatsblad, van de identiteit van de leden van de Raad van Beheer die hebben beslist tot het instellen van dat geding”. 2.3.1.1.2. In haar memorie werpt de tussenkomende partij dienaangaande ook een exceptie op. Zij stelt dat “voor zover (...) (ze het kon) nagaan (...) de statuten (...) niet (werden) gepubliceerd in de Bijlagen tot het Belgisch Staatsblad”, dat “op 1 januari 1998 wel statuten (werden) bekendgemaakt van een v.z.w. Vlaamse Bosbouwvereniging met zetel te 9090 Gontrode”, dat “de tweede verzoekende partij lijkt te willen beweren dat zij die vereniging is, nu zij deze statuten voorlegt als haar statuten” en dat de tweede verzoekende partij “eerst wel uitleg (zal) willen geven over deze naamkwestie”. Voorts voert ze aan dat “de web-site van de Vereniging voor Bos in Vlaanderen (...) (op 22 november 2002) nergens (vermeldt) dat het zou gaan om een v.z.w.” en “het briefpapier (...) (ervan) dit evenmin (vermeldt)”, zodat “deze vereniging - als zij dan al als v.z.w. zou zijn opgericht - zich niet op haar rechtspersoonlijkheid (kan) beroepen”. 2.3.1.2.1. Wat betreft de “naamkwestie” blijkt uit het door de tweede verzoekende partij per brief van 29 augustus 2001 aangebrachte aanvullende stuk nr. II/4, dat in de Bijlage tot het Belgisch Staatsblad van 30 november 1999 een beslissing van de “buitengewone algemene vergadering van 27 februari 1999” is bekendgemaakt van de “Vlaamse Bosbouwvereniging” waarbij “de benaming ‘Vereniging voor Bos in Vlaanderen - (V.B.V.)’ met onmiddellijke ingang (...) (is goedgekeurd)”. Hieruit blijkt op zich al voldoende dat de “Vlaamse Bosbouwvereniging” wel degelijk de tweede verzoekende partij is. Daarenboven blijkt uit de gegevens van de “referentiedatabank V.Z.W.” en de “referentiedatabank X-10.413-18/52 Rechtspersonen” dat voor zowel de Vlaamse Bosbouwvereniging, als voor de Vereniging voor Bos in Vlaanderen dezelfde identificatienummers (nummer van de vereniging: 6749/71 - ondernemingsnummer: 411.088.374) worden gebruikt bij de diverse en opeenvolgende bekendmakingen in het Belgisch Staatsblad, waaruit trouwens ook ontegensprekelijk de rechtsvorm van v.z.w. blijkt van de tweede verzoekende partij. Wat dit betreft, zijn de excepties alvast niet gegrond. 2.3.1.2.2. Artikel 9 van de v.z.w.-wet, zoals het gold op 14 maart 2001 alsook op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep, luidt als volgt: “Elke wijziging in de statuten moet, binnen één maand nadat er toe besloten is, in de bijlagen van het Staatsblad bekendgemaakt worden. Hetzelfde geldt voor elke benoeming, ontslagneming of afzetting van een beheerder”. Artikel 26 van diezelfde wet bepaalde destijds: “Ingeval de bekendmakingen en de formaliteiten, voorgeschreven door de artikelen 3, 9, 10 en 11, werden verzuimd, kan de vereniging zich niet op de rechtspersoonlijkheid beroepen tegenover derden; deze zijn echter wel gerechtigd ze in te roepen tegenover de vereniging”. 2.3.1.2.3. De beslissing van 14 maart 2001 houdende ontslagneming en benoeming is pas in de Bijlage tot het Belgisch Staatsblad van 18 oktober 2001 bekendgemaakt. Dit is niet binnen de door artikel 9 van de v.z.w.-wet voorgeschreven termijn van één maand. Echter betreft het geen vervaltermijn, zodat dit verzuim, zonder dat er een probleem ontstaat qua tegenstelbaarheid van de rechtspersoonlijkheid, kan worden goedgemaakt. Daarenboven wordt de bewering van de tweede verzoekende partij dat ze wel degelijk met de nodige ijver de diensten van het Belgisch Staatsblad heeft gecontacteerd om de nodige bekendmaking te doen, maar dat de vertraging te wijten is aan het “overzet” zijn van deze diensten, niet weerlegd. Ook deze excepties kunnen niet worden aangenomen. 2.3.2. Procesbevoegdheid 2.3.2.1.1. In haar laatste memorie werpt de tussenkomende partij op dat inzake de tweede verzoekende partij niet rechtsgeldig is beslist tot het voortzetten van de procedure, na de betekening van het arrest nr. 105.340, van 29 maart 2002, X-10.413-19/52 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen. Daartoe voert ze vooreerst aan dat het mandaat van bestuurder van Bart MUYS en Lieven “NACHTEGAELE” (lees: NACHTERGALE), die de voortzettingsbeslissing van 29 april 2002 “respectievelijk in hun hoedanigheid van voorzitter en penningmeester van (...) (
  14. de)vereniging” hebben ondertekend, blijkens “een publicatie in het Belgisch Staatsblad van 30 november 1999” “tot aan de algemene vergadering van 2001” liep en de “Vereniging voor bos in Vlaanderen” “nooit heeft beslist tot het verlengen van de mandaten van haar bestuurders” “tot 2004”, aangezien uit “een uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 18 oktober 2001” blijkt dat die beslissing “nog steeds melding (maakt) van de naam ‘Vlaamse Bosbouwvereniging’ ” terwijl “de naam van de vereniging”, blijkens het uittreksel in het Belgisch Staatsblad van 30 november 1999, “op 27 februari 1999 werd gewijzigd in de ‘Vereniging voor bos in Vlaanderen’”. Bovendien stelt ze dienaangaande dat de voortzettingsbeslissing die “ondertekend werd door twee bestuurders niet volstaat” aangezien “artikel 12 van de statuten (...), zoals gewijzigd op 7 maart 1992, (bepaalt) dat de vereniging naar derden toe wordt vertegenwoordigd door de handtekening van drie bestuurders”. 2.3.2.1.2. Ook betoogt ze dat, “zoals (dit) het geval is voor de voortzetting (...) de beslissing tot het instellen van het beroep slechts (
  15. is)ondertekend door twee bestuurders, terwijl het bewijs van deze beslissing enkel rechtsgeldig kan geleverd worden door de handtekening van drie bestuurders”. 2.3.2.2.1. Artikel 14 van de in de Bijlage tot het Belgisch Staatsblad van 1 januari 1998 bekendgemaakte statuten van de tweede verzoekende partij, zoals het op het ogenblik van de beslissing van 21 juni 2001 tot het in rechte treden gold alsook ten tijde van het indienen van het annulatieberoep, bepaalt ondermeer dat “de beheerraad (...) de zaken van de vereniging (leidt) en (...) deze (vertegenwoordigt) bij elke gerechtelijke en buitengerechtelijke akte”. Artikel 18 van die statuten bepaalt: “De raad van beheer treedt in rechte op voor de vereniging. Voor alle akten uitgaande van de raad van beheer en opdat de vereniging rechtsgeldig vertegenwoordigd weze tegenover derden, volstaan de gezamenlijke handtekeningen van drie beheerders”. X-10.413-20/52 Overeenkomstig artikel 17 van die statuten “neemt (de raad van beheer) geldig beslissingen bij aanwezigheid of vertegenwoordiging van de helft van de beheerders” en “worden (de beslissingen) genomen bij gewone meerderheid” en “geacteerd in het verslagboek van de raad van beheer”. 2.3.2.2.2. Uit de diverse stukken die door de tweede verzoekende partij werden neergelegd blijkt afdoende dat haar raad van bestuur, op 21 juni 2001, in een samenstelling met meer dan de helft van het aantal bestuurders, bij unanimiteit heeft beslist tot het instellen van de voorliggende vordering. Het feit dat het uittreksel van de desbetreffende notulen slechts door twee bestuurders werd ondertekend, doet hieraan geen afbreuk. De bevoegdheid tot het ondertekenen van stukken dient immers te worden onderscheiden van de eigenlijke beslissingsbevoegdheid. In zoverre de exceptie betrekking heeft op het instellen van het beroep dient ze bijgevolg te worden verworpen. 2.3.2.2.3. Voor zover de exceptie betrekking heeft op de beslissing tot voortzetting van de procedure, dient te worden opgemerkt dat de beslissing die de raad van bestuur van de tweede verzoekende partij op 21 juni 2001 heeft genomen, op alle proceshandelingen slaat die nodig zijn om de procedure tot een einde te brengen, met inbegrip van het verzoek tot voortzetting van de procedure. Er is, met andere woorden, geen afzonderlijke beslissing om in rechte te treden nodig voor de voortzetting van de procedure. De exceptie wordt bijgevolg ook wat dit betreft verworpen. 2.3.3. Belang en hoedanigheid 2.3.3.1.1. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord dezelfde exceptie van gebrek aan belang en hoedanigheid op ten aanzien van de tweede verzoekende partij als deze die ze ten aanzien van de eerste verzoekende partij heeft opgeworpen. 2.3.3.1.2. De tussenkomende partij werpt ook ten aanzien van de tweede verzoekende partij een exceptie wegens gebrek aan belang op. Net zoals ten aanzien van de eerste verzoekende partij, voert ze daartoe vooreerst aan dat niet is voldaan aan de voorwaarden om in rechte op te treden voor de Raad van State. In het vervolg van haar uiteenzetting citeert ze eerst het doel en het actiegebied zoals het is omschreven in artikel 3 van de statuten van de vereniging “Vlaamse Bosbouwvereniging”. Voorts stelt ze dat “dit doel samenvalt met het algemeen X-10.413-21/52 belang”, zodat de tweede verzoekende partij “dan ook geen hoedanigheid (heeft) om op te komen tegen een in gevolgen perfect lokaliseerbaar gebeuren van lokaal belang zoals de bouw van een klooster in een bebost gebied”. Daarbij voert ze aan dat “het particuliere probleem van de rooiing van ongeveer 2,5 hectare bos (...) volledig anders (
  16. is)gedimensionaliseerd dan de algemene betrachting vermeld in de statuten”. 2.3.3.2.1. Er dient voldaan te zijn aan de voorwaarden die hierboven onder randnummer 2.2.2.2.1 zijn vermeld. 2.3.3.2.2. De tweede verzoekende partij heeft in haar verzoekschrift alsook in haar memorie van wederantwoord uitvoerig haar belang en hoedanigheid uiteengezet. 2.3.3.2.3. Artikel 3 van de statuten van de tweede verzoekende partij, zoals dit gold op het ogenblik van het inleiden van het annulatieberoep, luidt als volgt: “Het doel van de vereniging bestaat erin bij te dragen tot het voeren van een dynamische bos- en groenpolitiek, tot het behoud en ontwikkeling van volwaardige bosecosystemen door middel van een duurzaam bosbeheer en tot het opvoeren van de bosoppervlakte in Vlaanderen. Daardoor sluit de vereniging zich aan bij de algemene actie tot bescherming van het natuurlijk leefmilieu van mensen, dieren en planten. Zij kan meewerken aan de initiatieven die een gezond leefmilieu en een duurzaam gebruik van de bossen in de wereld beogen. Om dit doel te bereiken kan de vereniging werkgroepen oprichten. Zij kan alle bijkomende verrichtingen doen die bij haar doelstellingen aansluiten, alle nuttige en noodzakelijke initiatieven nemen en steunen tot het verwezenlijken van deze doelstellingen en ook roerende en onroerende goederen huren, verkrijgen, verhuren of vervreemden.” 2.3.3.2.4. Voormeld statutair doel, gericht op de bescherming en uitbreiding van de nog aanwezige bossen in Vlaanderen, is voldoende specifiek om niet samen te vallen met de behartiging van het algemeen belang. Ook valt het niet samen met het persoonlijk belang van de leden van de vereniging. Aangezien de tweede verzoekende partij onder meer tot doel heeft om “bij te dragen (...) tot het behoud en (
  17. de)ontwikkeling van volwaardige bosecosystemen door middel van een duurzaam bosbeheer en tot het opvoeren van de bosoppervlakte in Vlaanderen” en het bestreden besluit tot gevolg heeft dat, zonder boscompensatie (zie eerste middel), ongeveer 2,5 hectare bos wordt gerooid voor de bouw van het kloostercomplex, kan de vordering van de tweede X-10.413-22/52 verzoekende partij wel degelijk worden ingepast in het doel dat zij zich heeft gesteld. Voorts blijkt het bos te zijn aangeduid als Europees vogelrichtlijngebied en habitatrichtlijngebied, waardoor, zoals reeds hoger is vermeld, hetgeen in die zones wordt vergund het louter lokaal belang overstijgt. Er bestaat aldus een voldoende band van evenredigheid tussen, enerzijds, het materieel en territoriaal actieterrein van de tweede verzoekende partij, en anderzijds, de draagwijdte van het bestreden besluit. De argumentatie van de tweede verzoekende partij met betrekking tot haar activiteiten en haar werking wordt niet weerlegd. Het blijkt niet dat de tweede verzoekende partij haar maatschappelijk doel niet of niet langer daadwerkelijk nastreeft. 2.3.3.2.5. De excepties inzake het belang en de hoedanigheid zijn niet gegrond. 2.4. Wat betreft de derde verzoekende partij 2.4.1. Belang en hoedanigheid 2.4.1.1.1. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord dezelfde exceptie van gebrek aan belang en hoedanigheid op ten aanzien van de derde verzoekende partij als deze die ze ten aanzien van de eerste verzoekende partij heeft opgeworpen. 2.4.1.1.2. De tussenkomende partij werpt ook ten aanzien van de derde verzoekende partij een exceptie wegens gebrek aan belang en hoedanigheid op. Net zoals ten aanzien van de eerste verzoekende partij, voert ze daartoe vooreerst aan dat niet is voldaan aan de voorwaarden om in rechte op te treden voor de Raad van State. Ze werpt onder meer op dat de derde verzoekende partij als “koepelvereniging” niet de vereiste kwaliteit heeft om de voorliggende vordering in te stellen. 2.4.1.2.1. De derde verzoekende partij is luidens artikel 1 van haar statuten, zoals die golden ten tijde van het instellen van het annulatieberoep een “koepel van natuur- en milieuverenigingen”. Uit artikel 3, §2 van diezelfde statuten blijkt dat de BBL-Vlaanderen haar statutair doel wil verwezenlijken door onder meer “het X-10.413-23/52 uitbouwen van een koepelwerking op gewestelijk niveau”, “het stimuleren van provinciale en regionale structuren”, “het oprichten van of meewerken aan thematische netwerken, platformen en ad hoc samenwerkingsverbanden” en “samenwerking met andere milieuverenigingen en koepels uit te bouwen op federaal, Europees en internationaal niveau”. Artikel 8, §1 van die statuten bepaalt: “BBL-Vlaanderen is samengesteld uit non-for-profit verenigingen en instellingen met rechtspersoonlijkheid en natuurlijke personen die een feitelijke vereniging vertegenwoordigen. De verenigingen en instellingen zijn opgericht op particulier initiatief. Hun doelstellingen stroken met het verenigingsdoel van BBL Vlaanderen zoals bepaald in artikel 3. De verenigingen en instellingen moeten blijk geven van werkelijke activiteit in Vlaanderen. Indien de verenigingen en instellingen nog andere doelstellingen nastreven, mogen deze niet strijdig zijn met die van BBL-Vlaanderen”. De derde verzoekende partij heeft niet de mogelijkheid om in rechte op te treden ter behartiging van de belangen van één of meerdere van haar individuele leden. De eerste en de tweede verzoekende partij zijn beide lid van de derde verzoekende partij en zijn zelf ten deze in rechte getreden. Zoals hierboven is vastgesteld, raakt het bestreden besluit de belangen van die leden. Het beroep is derhalve niet ontvankelijk in hoofde van de derde verzoekende partij. 2.5. Wat betreft de vierde verzoekende partij 2.5.1. Belang en procesbevoegdheid 2.5.1.1.1. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat de vordering van de vierde verzoekende partij “niet ontvankelijk (
  18. is)bij gebreke aan gemeentelijk belang” en “gebrek aan procesbevoegdheid”. In haar uiteenzetting stelt de verwerende partij daartoe vooreerst, dat “uit het feit dat in (...) artikel (271, §1 van de Nieuwe Gemeentewet) als enige voorwaarde wordt gesteld dat de ‘gemeente niet in rechte optreedt’, volgt dat het beroep van een inwoner slechts dan niet ontvankelijk is indien bij het onderzoek ervan blijkt dat het college van burgemeester en schepenen wel in rechte is opgetreden” en “dat de ratio legis van artikel 271 precies is om in het geval dat er geen uitdrukkelijke wettelijke verplichting bestaat om in rechte op te treden, aangezien de gemeente niet kan worden gedwongen in rechte op te treden, aan een X-10.413-24/52 inwoner van die gemeente de mogelijkheid te geven dan maar zelf namens die gemeente op te treden”. Voorts voert de verwerende partij aan: “De vraag rijst of in casu de gemeente de bevoegdheid tot optreden had. In het licht van die vraag is (het) belangrijk vast te stellen dat in het verslag van de hoorzitting werd genoteerd dat aanwezig waren de bisschop van Hasselt, diens secretaris en een zuster, vergezeld van hun raadsman, Mr. D. Lindemans, de burgemeester namens de gemeente en een afgevaardigde namens de Bestendige Deputatie. Wat het standpunt van de bouwheer betreft wordt verwezen naar de door hem bijgebrachte stukken. Wat het standpunt van de gemeente betreft wordt genotuleerd: ‘sociale consensus tot behoud van klooster’. Zulks kan moeilijk anders worden verstaan dan dat de gemeente vaststelt dat er binnen haar bevolking een sociale consensus tot behoud van het klooster was, zij zich als bestuur er bij aansloot, dienvolgens het beroep van de gemachtigde ambtenaar niet volgde en de vergunning van de Bestendige Deputatie bijtrad. Zij bevestigde hiermee haar gunstig advies dat voorheen bij de eerste indiening van het dossier werd gegeven. Het houdt in dat zij een bouwvergunning goedkeurt van de Bestendige Deputatie, die zij eerst gunstig had geadviseerd, doch die ze nadien diende te weigeren omwille van een bindend negatief advies van de gemachtigde ambtenaar. Het houdt meteen in dat ze, t.a.v. de aan de minister voorliggende vraag over het beroep van de gemachtigde ambtenaar, adviseert dit niet in te willigen. Anders zou ze immers zelf beroep aangetekend hebben. Verwerende partij verwijst desbetreffend naar de rechtspraak van uw Raad met arrest (...). De gemeente, derhalve het college van burgemeester en schepenen dat optreedt namens de gemeente, heeft geen belang bij dergelijke procedure. Wanneer de gemeente zelf daartoe geen belang heeft, kan een derde in haar plaats niet geacht worden te kunnen voorhouden wel een gemeentelijk belang te hebben. Wie optreedt namens een derde kan nooit een belang doen gelden dat de derde niet zelf heeft. De vraag rijst welke te dezen de bevoegdheid van de gemeente Maasmechelen is en hoe zij is opgetreden m.b.t. de aangevochten en bekrachtigde bouwvergunning. Het is duidelijk dat het college van burgemeester en schepenen daarbij is opgetreden als orgaan van actief bestuur en zonder bevoegdheidsoverschrijding. Het besluit a quo is een vergunning in laatste aanleg verleend door de minister. Het college van burgemeester en schepenen brengt voorafgaandelijk advies uit. De gemeente heeft dat (positief) advies verleend. Zij is op de hoorzitting voor de minister verschenen om mee te delen dat er, wat haar betreft, geen bezwaar was tegen (
  19. de)vergunning. Zij is in rechte, in zover haar bevoegdheid strekte, als orgaan van actief bestuur opgetreden. Er is geen gebrek m.b.t. de externe wettigheid in dat optreden als orgaan van actief bestuur. Er werd geen enkele inbreuk gepleegd op de materiële of interne wettigheid van de bestreden beslissing of de voorschriften van de aan het mandaat als orgaan van actief bestuur verbonden prerogatieven. De gemeente kan niet zelf in rechte treden m.b.t. haar optreden dat in de lijn ligt van wat de minister besliste. In zoverre zij is opgetreden, en dit correct heeft gedaan, wat niet in vraag is, kan dat optreden niet verder bestreden worden met een vordering bij toepassing van artikel 271 N.Gem.Wet. Namens de gemeente kan niet worden gevorderd wat zij zelf niet kan vorderen”. Ook betoogt de verwerende partij nog dat Jan Van Reusel “niet (aantoont) toepassing te kunnen maken van artikel 271 (van de Nieuwe Gemeentewet)” aangezien hij “geen bewijs van inschrijving (...) in (...) (de X-10.413-25/52 gemeente Maasmechelen) (voorlegt)”, “een voorlegging van een eigendomsakte (...) (niet) volstaat (...) om te voldoen aan de voorwaarden gesteld door artikel 271 van de Nieuwe Gemeentewet”, “hij die dusdanig optreedt (...) inwoner (moet) zijn” en “een eigenaar (...) niet noodzakelijk inwoner (is)”. Daarbij poneert zij dat het voormelde “bewijsdocument (...) bij het verzoekschrift (diende) te worden gevoegd” omdat het “substantieel (...) (
  20. is)voor de vordering”. Er is, naar haar mening, dan ook “geen procesbevoegdheid bewezen”. 2.5.1.1.2. De tussenkomende partij werpt dienaangaande eveneens een exceptie op. Zij voert daartoe vooreerst aan: “In het arrest (...) heeft uw Raad (logischerwijze) geoordeeld dat het nadeel waarop de heer Van Reusel zich kan beroepen om de schorsing te verantwoorden wanneer hij namens de gemeente Maasmechelen optreedt met toepassing van artikel 217, §1 van de Nieuwe Gemeentewet, slechts het nadeel van de gemeente zelf kan zijn. In het arrest nr. (...) heeft uw Raad geoordeeld dat wanneer een gemeentebestuur eerst zelf nalaat om tijdig een weigeringsbeslissing te nemen, zij niet van het rechtens vereiste belang doet blijken om een vergunning te bestrijden die daarop door de gemachtigde ambtenaar is verleend. Deze leer moet vanzelfsprekend ook worden doorgetrokken naar de hypothese waarin een gemeentebestuur een bouwvergunning eerst gunstig adviseert maar de vergunning moet weigeren wegens het bindend negatief advies van de gemachtigde ambtenaar en dan nalaat om een beroep in te stellen - of juister: beslist géén beroep in te stellen - tegen een vergunning verleend door de bestendige deputatie, die daarmee de beslissing van het college vernietigt. Wanneer bovendien datzelfde gemeentebestuur, tijdens de hoorzitting voor de minister uitdrukkelijk ter kennis brengt dat zij gunstig staat tegenover het verlenen van een bouwvergunning, dan kan zij niet zonder kwade trouw een beslissing aanvechten die is gewezen conform de door datzelfde bestuur uitgedrukte wens. Door zich aldus te gedragen doet zij bovendien onmiskenbaar afstand van haar recht om een beroep tot nietigverklaring in te dienen omdat de beslissing beantwoordt aan wat zij van de hogere overheid heeft verlangd. Een individuele burger kan tegen zo’n gemeentelijke beslissing tot aanvaarding en dus berusting niet opkomen met toepassing van artikel 271, §1 van de Gemeentewet (...)”. Voorts betoogt zij: “De heer Van Reusel beroep zich op de leer van het arrest (...) van uw Raad om de ontvankelijkheid van zijn vordering te bewijzen. Dit standpunt moet falen. De vraag rijst immers of de leer van het arrest (...) wel kan worden bijgevallen, en of hij niet aan herziening toe is. Immers, wil een gemeentebestuur in rechte als eiser kunnen optreden, dan moet zij een reeks formaliteiten vervullen: de gemeenteraad moet in beginsel machtiging verlenen aan het college van burgemeester en schepenen, en het college moet een regelmatige beslissing nemen om het beroep in te dienen. X-10.413-26/52 Leest men in *s Raads arrest (...) een onvoorwaardelijke en ongenuanceerde mogelijkheid om als inwoner namens de gemeente rechtsgedingen te voeren, dan kunnen deze wettelijke formaliteiten die de gemeente moet naleven bij het voeren van rechtsgedingen probleemloos worden omzeild. Zelfs een in de minderheid gesteld lid van de gemeenteraad zou, tegen de weigering van de gemeenteraad om toelating tot procederen te verlenen in, op eigen houtje kunnen procederen namens de gemeente, en dit met toepassing van artikel 271, §1 van de Nieuwe Gemeentewet. Een burgemeester zou, zonder zich te storen aan de formaliteiten inzake rechtsgedingen, eigengereid kunnen beslissen te procederen namens de gemeente. Het zou volstaan zekerheid te stellen. Zo’n verregaande toepassing kan aan dit artikel 271, §1 niet worden gegeven, en dus kan dit ook niet de draagwijdte zijn van dit arrest. In het vorige “Opgrimbie-arrest” van uw Raad werd aanvaard dat de vierde verzoeker kon optreden met een beroep op artikel 271 van de Nieuwe Gemeentewet. Maar dit arrest is slechts inpasbaar in ons rechtsstelsel voorzover aanvaard wordt dat dit slechts kon wegens het ingeroepen middel, namelijk de miskenning van de gemeentelijke bevoegdheid door het laten verlenen van de vergunning door de gemachtigde ambtenaar. Er is misschien wel wat te zeggen voor het feit dat een inwoner namens een gemeente mag optreden als de gemeente zelf nalaat haar eigen bevoegdheden te doen eerbiedigen. Een ruimere mogelijkheid voor een inwoner om namens de gemeente elke mogelijke onwettigheid in te roepen tegen de wil van het verkozen bestuur in, moet in elk geval worden verworpen. De interpretatie dat artikel 271 van de Nieuwe Gemeentewet een achterpoortje is om op te treden tegen de wil (en dus het eigenbelang) (
  21. in)van het verkozen gemeentebestuur, is strijdig met artikel 162 van de Grondwet. Deze bepaling verplicht de wetgever om ervoor in te staan dat de gemeentelijke belangen worden behartigd door rechtstreeks verkozen leden van de gemeenteraad. Zij sluit in beginsel uit dat de gemeentelijke belangen worden behartigd door een niet verkozen inwoner. De tussenkomende partij ontleent bovendien aan artikel 162 van de Grondwet een recht om over het lot van de bouwvergunning voor haar bouwproject op gemeentelijk niveau beslist te zien door een democratisch verkozen bestuur. Artikel 271 anders interpreteren zou ongrondwettig zijn. Wordt deze interpretatie niet gevolgd, dan wordt aldus een vraag opgeworpen ten aanzien van de in artikel 26, §1 van de Bijzondere Arbitragehofwet van 6 januari 1989 bepaalde kwesties, en moet de Raad het Arbitragehof verzoeken daarover uitspraak te doen (...)”. Bovendien stelt zij dat “in verband met artikel 271, §1 (moet) bedacht worden wat volgt”: “1. Ratio legis van artikel 271 N.Gem.W. Artikel 271 N.Gem.Wet moet op bijzonder restrictieve wijze worden geïnterpreteerd op basis van de hierna uiteengezette argumenten. 1.1. Artikel 271 N.Gem.Wet is een uitzonderingsbepaling op artikel 270 N.Gem.Wet. (...) De ratio legis van deze bepaling is terug te vinden in de parlementaire voorbereiding van de toenmalige Gemeentewet van 30 maart 1836: ‘Il faut prévoir le cas où un conseil communal refuserait de plaider, laisserait faire des usurpations au préjudice de certains habitants et où ces habitants demanderaient à intenter le procès à leurs frais, et au nom de la commune’. X-10.413-27/52 Inwoners die van artikel 271 willen gebruik maken moeten dus kunnen aantonen dat zij als het ware gediscrimineerd zijn door het gemeentebestuur, dat niet in het voordeel van deze ‘bepaalde burgers’ wil optreden. 1.2. De Gemeentewet van 30 maart 1836 werd door de jaren heen herhaaldelijk gewijzigd. Belangrijk is dat het voormalig artikel 150, eerste lid Gem.W., dat het in rechte optreden van inwoners in de plaats van de gemeente regelde, in een machtigingsprocedure voorzag dat stelde dat een inwoner, ongeacht zijn woonplaats, vooraleer hij in naam van de gemeente in rechte wilde optreden, de machtiging van de bestendige deputatie van de provinciale raad moest vragen. De bestendige deputatie van de provinciale raad moest oordelen over de graad van waarschijnlijkheid van de gegrondheid van de vordering. De machtiging moest worden geweigerd wanneer er geen redelijke twijfel over bestond dat de vordering niet gegrond was. De wetgever heeft met deze machtigingsprocedure een waarborg willen inbouwen tegen de nadelige gevolgen die het in rechte optreden namens een gemeente van een inwoner voor die gemeente zou kunnen hebben. Het oude artikel 150, eerste lid Gem.W. werd reeds door de toenmalige rechtspraak bijzonder restrictief geïnterpreteerd, spijts het bestaan van bovenvermelde machtigingsprocedure. (...) Toenmalige rechtsleer heeft, in navolging van een oud arrest van het Hof van Cassatie van 15 mei 1845, zelfs geoordeeld dat indien de machtiging slechts was verleend om op te treden in eerste aanleg, zij moest worden hernieuwd vooraleer hoger beroep of cassatieberoep kon worden ingesteld. 1.3. De gemeentewet werd tenslotte nogmaals grondig gewijzigd door het koninklijk besluit van 24 juni 1988 tot aanpassing van de Nieuwe Gemeentewet met toepassing van artikel 6 van de wet van 26 mei 1989 tot bekrachtiging van het koninklijk besluit van 24 juni 1988 tot codificatie van de gemeentewet onder het opschrift ‘Nieuwe Gemeentewet’. In het gewijzigd artikel 271, §1 N. Gem.Wet blijft bovenvermelde machtigingsvereiste enkel expliciet behouden voor een beperkt aantal gemeenten. Niet dat de wetgever van oordeel was dat in welbepaalde gemeenten die machtigingsprocedure niet meer noodzakelijk was, in tegenstelling tot andere gemeenten. De enige reden die aan de grondslag van deze wetswijziging lag, was dat de wetgever er is van uitgegaan dat de machtiging van de bestendige deputatie van de provincieraad een maatregel van administratief toezicht is en dat het administratief toezicht ingevolge de staatshervorming geregionaliseerd is. In het Verslag aan de Koning wordt dit trouwens zeer duidelijk bevestigd: ‘Sedert 1 januari 1989 is de normatieve bevoegdheid van het Vlaamse en het Waalse Gewest uitgebreid tot de organisatie van het gewoon toezicht en bijgevolg tot de aanwijzing van de handelingen die onderworpen zijn aan elk van de bij de gemeentewet ingevoerde vormen van toezicht. (...) De bepalingen van de nieuwe gemeentewet die toezichtsmaatregelen instellen moeten bijgevolg worden herzien ten einde de draagwijdte ervan te beperken tot de gemeenten van het Duits taalgebied, de randgemeenten en de gemeenten Komen-Waasten en Voeren die nog als enige onder de nationale bevoegdheid vallen’. De bepalingen die in dit kader moeten worden herzien, worden vervolgens opgesomd. Onder meer het bedoelde artikel 271 wordt uitdrukkelijk genoemd. De federale wetgever heeft derhalve de bestaande machtigingsvereiste in bepaalde gemeenten niet opgeheven en hij was daarvoor ook niet bevoegd. Hij X-10.413-28/52 heeft deze machtigingsvereiste simpelweg niet hernomen in de nieuwe tekst als een uitdrukking van zijn onbevoegdheid om ter zake iets te wijzigen. De Vlaamse decreetgever heeft, al dan niet bewust, in zijn decreet van 28 april 1993 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de gemeenten, geen machtigingsregime meer voorzien voor de toepassing van artikel 271, §1 N.Gem.Wet. De vereiste van machtiging van de bestendige deputatie werd echter nooit expliciet opgeheven. Er wordt evenwel uitgegaan van een impliciete opheffing van de machtiging door de bestendige deputatie, maar ten onrechte; de federale wetgever heeft ze zeker niet impliciet opgeheven, want daarvoor was hij niet bevoegd. Wordt aanvaard dat hij dit wel (impliciet) heeft gedaan, dan moet deze bevoegdheidskwestie aan het Arbitragehof worden voorgelegd met een prejudiciële vraag (...). De Vlaamse decreetgever heeft ze evenmin impliciet opgeheven, nu er geen enkele aanwijzing bestaat dat de decreetgever zelfs maar gedacht heeft aan deze machtiging toen hij het decreet van 28 april 1993 uitvaardigde. Derhalve is de machtiging van de bestendige deputatie nog altijd vereist en is het beroep onontvankelijk”. Tot slot poneert ze dat “de vierde verzoeker (...) enkel namens de gemeente Maasmechelen in rechte (kan) optreden wanneer dit in het belang en het voordeel (
  22. is)van deze gemeente” en dat “de vierde verzoeker (...) echter volledig in gebreke (blijft) het bewijs te leveren dat de indiening van het beroep in het voordeel is van de gemeente Maasmechelen”. 2.5.1.2.1. Artikel 270 van de Nieuwe Gemeentewet, zoals dit gold ten tijde van het indienen van het annulatieberoep, luidt als volgt: “Bij elke tegen de gemeente ingestelde rechtsvordering treedt het college van burgemeester en schepenen als verweerder op. Het stelt de vorderingen in kort geding en de bezitsvorderingen in; het verricht alle handelingen tot bewaring van recht of tot stuiting van verjaring en van verval. Alle andere rechtsvorderingen waarbij de gemeente als eiser optreedt, mogen door het college slechts worden ingesteld na machtiging van de gemeenteraad”. Artikel 271 van dezelfde wet bepaalde destijds: “§1. Wanneer het college van burgemeester en schepenen niet in rechte optreedt, kunnen één of meer inwoners in rechte optreden namens de gemeente, mits zij onder zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordelingen die mochten worden uitgesproken. De gemeente kan ten aanzien van het geding geen dading treffen zonder medewerking van de inwoner of de inwoners die het geding in haar naam hebben gevoerd. §2. Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, evenals de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, is de bevoegdheid bedoeld in §1 afhankelijk van de machtiging van de X-10.413-29/52 bestendige deputatie van de provincieraad die oordeelt of de zekerheid toereikend is. In geval van weigering staat beroep open bij de Koning, indien het gaat om één van de gemeenten van het Duits taalgebied, en bij de Gewestregering indien het gaat om één van de gemeenten genoemd in artikel 7 van de wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, de gemeente Komen-Waasten of de gemeente Voeren”. 2.5.1.2.2. Zoals de tussenkomende partij zelf toegeeft legt deze wetsbepaling, noch een andere, ten deze een voorafgaande machtiging door de bestendige deputatie op. 2.5.1.2.3. Er dient te worden vastgesteld dat bij de memorie van wederantwoord een uittreksel uit het bevolkingsregister is gevoegd van de gemeente Maasmechelen, waaruit blijkt dat Jan VAN REUSEL in die gemeente is ingeschreven. Jan VAN REUSEL is derhalve inwoner van de gemeente. Nergens wordt vereist dat het bewijs van inschrijving bij het verzoekschrift moet worden gevoegd. 2.5.1.2.4. Een inwoner vermag op grond van het bepaalde in artikel 271, § 1 van de Nieuwe Gemeentewet, mits zekerheidstelling -waarover ten deze geen betwisting wordt gevoerd-, in rechte op te treden namens de gemeente, wanneer het college van burgemeester en schepenen niet in rechte optreedt. Gelet op het voorschrift opgenomen in artikel 19, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, is een belang vereist. Vermits wordt opgetreden namens de gemeente moet dit uiteraard een belang in hoofde van de gemeente zijn. De ratio legis van de betrokken regeling bestaat er in aan de inwoners de mogelijkheid te geven namens de gemeente op te treden, wanneer de gemeente zelf nalaat dit te doen. Dit impliceert dat het belang in hoofde van de gemeente moet worden beoordeeld, abstractie makend van de concrete houding die de gemeente heeft aangenomen bij het tot stand komen van de beslissing waarover het door de inwoner namens de gemeente ingeleid rechtsgeding betrekking heeft. Er anders over oordelen zou deze door de wet geboden mogelijkheid grotendeels zinloos maken. Het gegeven dat de gemeente Maasmechelen zich niet heeft verzet tegen de betrokken vergunningsaanvraag, en deze zelfs gunstig heeft geadviseerd, kan dus niet in rekening worden gebracht bij het beoordelen van het belang. In voorliggende zaak heeft de vergunning betrekking op een perceel gelegen in de gemeente Maasmechelen, en het bestreden besluit kan in casu X-10.413-30/52 het ruimtelijk beleid van de gemeente raken. De gemeente Maasmechelen heeft dus het vereiste belang bij de vernietiging van de bestreden vergunning. 2.5.1.2.5. De excepties zijn derhalve ongegrond. De tussenkomende partij verzoekt in haar memorie de Raad van State prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen met betrekking tot de grondwettigheid van artikel 271 van de Nieuwe Gemeentewet. In haar laatste memorie breidt ze dit verzoek nog uit. Aangezien het annulatieberoep ontvankelijk is bevonden in hoofde van meerdere andere verzoekende partijen en -zoals hierna zal blijken- tot de vernietiging van het bestreden besluit wordt besloten, blijkt het antwoord op de gesuggereerde prejudiciële vragen geen relevantie te vertonen voor de oplossing van het voorliggend geschil en zijn de vragen niet pertinent. 2.6. Wat betreft de vijfde verzoeker 2.6.1.1. De verwerende partij werpt inzake de vijfde verzoeker op dat hij niet doet blijken van een “voldoende persoonlijk geïndividualiseerd rechtens vereist belang”, aangezien “de Guillaume Lambertlaan 23 te Maasmechelen”, “(waar hij voorhoudt) te wonen”, “in vogelvlucht op meer dan 4 km van de bouwplaats is gelegen” en hij zodoende niet als een “naburige bewoner”, zijnde “wie er aan paalt, gelegen is naast of tegenover, wie in de onmiddellijke nabijheid van, of met uitzicht op, woont t.o.v. de aanvraag”, kan worden beschouwd. 2.6.1.2. De tussenkomende partij werpt net als de verwerende partij op dat de vijfde verzoeker niet doet blijken van het vereiste belang gezien de “ruime afstand”, namelijk “vier kilometer”, waarop hij van de bouwplaats woont. Daarbij voert ze nog aan, ten eerste, dat “het feit dat (...) (de vijfde verzoeker) vanaf de openbare weg de kerk van het klooster tussen de bomen (kan) ontwaren (...) moeilijk (kan) beschouwd worden als een nadeel dat (...) (hem) een rechtstreeks en persoonlijk belang verschaft bij de nietigverklaring van de bouwvergunning”, ten tweede, dat “het feit dat (...) (hij) wel eens in het domein (...) (gaat) wandelen getuigt van een niet-persoonlijk belang dat samenvalt met het belang van alle wandelaars in het domein”, en ten derde, dat het feit dat “het landschap en de open ruimte zouden worden geschaad, (...) de stilte zou worden verbroken, (...) (hij een natuurliefhebber is en (...) (hij) overeenkomstig de Grondwet recht (...) heeft op een gezond leefmilieu (...), (een) belang (is dat) zich (...) niet X-10.413-31/52 (onderscheidt) van het algemeen en onpersoonlijk belang dat iedereen heeft bij de handhaving van een goede ruimtelijke ordening en een gezond leefmilieu”. 2.6.1.3. Op een bij de memorie van wederantwoord gevoegd kaartje geeft de vijfde verzoeker aan dat hij op “5 km” woont van de bouwplaats van het klooster. Ook geeft de verzoeker, in het verzoekschrift, aan dat hij vanuit zijn woning “geen zicht” heeft op de bouwwerken. Voorts voert de vijfde verzoeker ter onderbouwing van zijn belang aan dat hij “vanaf de openbare wegen die naar de abdij in spe leiden” wel zicht heeft, dat “de recreatieve waarde van het gebied” waar hij “regelmatig (gaat) wandelen” wordt aangetast, dat “een abdij in het natuurgebied (...) (hem grieft)” omdat hij “in het natuurgebied” “geen kerk of klooster (zoekt maar) wel de natuur” die “neutraal (
  23. is)en van alle tijden en standen”, dat “afsluitingen” “een visueel gegeven (...) (vormen) dat (...) (hem) stoort”, dat de schade aan het “vrij authentiek landschap” hem “stoort”, dat hij “een persoonlijk belang (heeft) bij (het) behoud van natuur en rust”, dat “het klooster (...) een schade (
  24. is)aan (zijn) ruimere leefwereld”, dat het statuut van het gebied (“gewestplanbestemming” en “Europese bescherming”) die een bescherming biedt die van openbare orde is hem een “recht van spreken geeft”, dat hij “gegriefd” is omdat hij “geen inspraak” heeft gekregen “(cfr. ook de inspraakmogelijkheid waarvan art. 6.3 Habitatrichtlijn gewag maakt)”, dat hij “gegriefd” is “omdat de minister toepassing maakt van een onwettige bestemming ‘koninklijk domein’ (
  25. en)misbruik maakt van art. 20 van het toepassingsbesluit”, dat hij “gegriefd” is “omdat de beslissing in (...) (zijn) visie neigt naar machtsmisbruik en dienstbetoon”, dat hij “in het bijzonder (...) ook als spreekbuis van vele mensen die protesteren, belanghebbende (is)”, dat er “geen onderzoek (is gebeurd) naar alternatieven” en dat hij “niet (aanvaardt) dat de minister zich heeft laten inspireren door de” “verkeerde voorstelling van zaken” “dat de infrastructuur van het klooster ‘openstaat voor iedereen die in stilte, in de geest van de kloosterorde, aldaar tot rust wil komen’”. In zijn laatste memorie voert de vijfde verzoeker nog aan dat hij “sinds 2006” “ranger” is van “het Nationaal Park Hoge Kempen”. 2.6.2. De vijfde verzoeker kan niet beschouwd worden als bewoner of eigenaar van een perceel gelegen in de onmiddellijke omgeving van het kwestieuze perceel. Iedereen die ooit wenst te komen wandelen in de betrokken omgeving, en iedereen die bezorgd is voor het respecteren in het betrokken gebied X-10.413-32/52 van de toepasselijke interne en supranationale rechtsregels, kan zich beroepen op een “belang” zoals geadstrueerd door die verzoeker. Met zijn betoog toont de verzoeker niet aan over een belang te beschikken dat zich onderscheidt van het belang dat iedere natuurliefhebber heeft bij het zien respecteren van de regelgeving ter bescherming van dergelijke gebieden. Het pas in de laatste memorie ingeroepen argument dat betrekking heeft op het “rangerschap” van de vijfde verzoeker kan niet worden aangenomen, alleen al omdat de verzoeker zelf aangeeft dat hij zich pas vanaf 2006 -dus na het instellen van het beroep- op die hoedanigheid kan beroepen. Het beroep is niet ontvankelijk in hoofde van de vijfde verzoeker. 2.7. Wat betreft de zesde verzoekster 2.7.1.1. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord ook inzake de zesde verzoekster op dat ze “(niet) voldoet (...) aan de vereiste van een voldoende persoonlijk geïndividualiseerd rechtens vereist belang”. Ze voert daartoe aan dat de verzoekster “zelf (stelt) geen zicht te hebben op de bouwwerken vanuit haar woning”, dat “het feit dat de ingang van de ‘abdij in spe’ aan het einde van de openbare weg ligt en (...) (de verzoekster) op die manier wel zicht zou hebben op de betwiste bouwwerken die in de verte liggen (...) moeilijk als een nadeel gezien (kan) worden dat de annulatie van de verleende vergunning kan rechtvaardigen”, dat “de hinder die het gevolg is van vergunde werken (...) inherent (
  26. is)aan dicht (of verder) nabuurschap” en “geen nadeel (
  27. is)dat een voldoende belang genereert”, dat “het aantal bezoekers en de lawaaihinder die deze meebrengen zal (meevallen)” aangezien het “(
  28. de)bedoeling (...) is een klooster te bouwen dat plaats moet bieden voor gebed, bezinning en stilte” en “de gemeenschap die het klooster zal betrekken zal leven als kluizenaars” en dat de “verzoekster (nalaat) precieze elementen te verschaffen van waar zij zich bevindt tegenover de bouwplaats”. 2.7.1.2. De tussenkomende partij werpt inzake het belang van de zesde verzoekster dezelfde exceptie op als degene die ze ten aanzien van de vijfde verzoeker heeft opgeworpen. 2.7.1.3. Uit het bij de memorie van wederantwoord gevoegd kaartje, blijkt dat de verzoekster op iets minder dan 3 km woont van de bouwplaats van het klooster. Zij geeft in het verzoekschrift zelf aan dat zij vanuit haar woning “geen zicht” heeft op de bouwwerken. X-10.413-33/52 Voorts worden in het verzoekschrift met betrekking tot de zesde verzoekster dezelfde belangen aangevoerd als inzake de vijfde verzoeker. In de memorie van wederantwoord wordt daarenboven gesteld dat de zesde verzoekster “er als inwoner van de gemeente belang bij (heeft) dat het natuurlijk leefmilieu beschermd wordt” en dat de “gewestplanbestemming natuurgebied”, die zij geschonden acht, een “subjectief recht (oplevert) voor derden, niet alleen eigenaars, ook wandelaars of natuurrecreanten zoals zij”. 2.7.2. De excepties zijn gegrond om de zelfde redenen als uiteengezet onder punt 2.6.2 hierboven. Het beroep is niet ontvankelijk in hoofde van de zesde verzoekster. 2.8. Wat betreft de zevende verzoekende partij 2.8.1. Belang en hoedanigheid 2.8.1.1.1. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord dezelfde exceptie van gebrek aan belang en hoedanigheid op ten aanzien van de zevende verzoekende partij als deze die ze ten aanzien van de eerste verzoekende partij heeft opgeworpen. Daarbij betoogt ze nog dat hetgeen ze dienaangaande aanvoert met betrekking tot de eerste drie verzoekende partijen, “voor (
  29. de)zevende verzoekende partij (...) nog duidelijker is” aangezien zij “de overkoepelende v.z.w. (
  30. is)die een Vlaamse en een Waalse afdeling bevat, zijnde de v.z.w. Natuurreservaten en de asbl Réserves Naturelles, en zodoende “klaarblijkelijk (...) zeer in het algemeen (streeft) naar het behoud van de natuur in geheel België”. 2.8.1.1.2. De tussenkomende partij werpt ook ten aanzien van de zevende verzoekende partij een exceptie wegens gebrek aan belang en hoedanigheid op. Zoals ten aanzien van de eerste verzoekende partij, voert ze daartoe vooreerst aan dat niet is voldaan aan de voorwaarden om in rechte op te treden voor de Raad van State. In het vervolg van haar uiteenzetting citeert ze eerst het doel en het actiegebied zoals het is omschreven in de statuten van de zevende verzoekende partij. Daarna betoogt ze dat, “evenmin als de drie eerste (verzoekende partijen), (...) de zevende (verzoekende partij) een eigen belang (heeft) bij de nietigverklaring van de bouwvergunning, dat niet samenvalt met het algemeen belang”. Voorts stelt ze dat niet is voldaan aan het specialiteitsbeginsel omdat “de vernietiging van een bouwvergunning voor een klooster (...) niet direct X-10.413-34/52 en specifiek (past) binnen het wel zeer algemeen gestelde statutair doel van (
  31. de)zevende (verzoekende partij)”, namelijk: “streven naar de ontwikkeling en uitstraling van de natuurbehoudsgedachte in de breedste zin in België en Europa”. Tot slot betwist ze het belang dat de zevende verzoekende partij “meent (...) te kunnen putten uit haar huurrecht op het ‘tamelijk dicht’ gelegen natuurreservaat Daalbroek”, nu “(blijkt) uit een luchtfoto die (
  32. is)gevoegd (...) bij het inleidende verzoekschrift (...) dat de bouwplaats op grote afstand van het Daalbroek is gelegen”. 2.8.1.1.3. De zevende verzoekende partij voert aan dat ze huurster is van het “tamelijk dicht gelegen” natuurreservaat “Daalbroek” en dat “het (...) evident (
  33. is)dat als een klooster (wordt) gebouwd (...) in het brongebied en kwelzone van het hoogplateau, dan de waterafvoer naar het lager liggende Daalbroek ook, ongunstig (wordt) beïnvloed”. Ook stelt ze dat het gebied “nu reeds te kampen heeft met verdroging” en dat het “gevoelig geheel van verbanden en evenwichten (...) hoe dan ook bijkomend (dreigt) (...) te worden (verstoord) door de bouwwerken”. Naast het voormelde louter ecologisch nadeel, betoogt de zevende verzoekende partij ook dat ze ingevolge “het verlies van kwaliteit” van het natuurreservaat “door externe invloeden zoals (in casu)” eveneens een materieel nadeel dreigt te lijden, aangezien “natuur (...) immers wel eens duurder (wordt) betaald en gehuurd naarmate de natuur meer kwaliteiten heeft”. Door de vernietiging kan volgens de zevende verzoekende partij worden bekomen dat het klooster wordt afgebroken en het biotoop wordt hersteld. 2.8.1.2.1. De voorwaarden inzake belang en hoedanigheid werden hierboven onder randnummer 2.2.2.2.1 uiteengezet. 2.8.1.2.2. Artikel 3 van de statuten van de zevende verzoekende partij, zoals dit gold op het ogenblik van het inleiden van het annulatieberoep, luidt als volgt: “De vereniging heeft tot doel in België en Europa te streven naar de ontwikkeling en de uitstraling van de natuurbehoudsgedachte in de breedste zin. Ze beoogt in het bijzonder de aankoop, het in huur nemen en het beheer van natuurreservaten. Tot het verwezenlijken van haar doel zal zij de meest geschikte middelen aanwenden. Ze kan haar medewerking verlenen aan alle groeperingen en instellingen die een gelijkaardig of complementair doel nastreven en in het bijzonder zal ze nauw samenwerken met de v.z.w. ‘Natuurreservaten’ en de a.s.b.l. ‘Réserves Naturelles’”. X-10.413-35/52 2.8.1.2.3. Er valt niet in te zien hoe het bestreden besluit tot gevolg zou kunnen hebben dat de zevende verzoekende partij niet meer zou kunnen, “in België en Europa”, “streven naar de ontwikkeling en de uitstraling van de natuurbehoudsgedachte in de breedste zin”. Evenmin blijkt dat daardoor “de aankoop, het in huur nemen en het beheer van natuurreservaten” in het algemeen voor de zevende verzoekende partij onmogelijk of veel moeilijker wordt gemaakt. Het beroep is derhalve vreemd aan het maatschappelijk doel van de verzoekende partij. 2.8.1.2.4. In het dossier van de verzoekende partijen bevinden zich stukken (VIII/2, VIII/3 en VIII/7) inzake de hydrologie en de situering van de waterlopen, waaruit ook de ligging van het natuurreservaat “Daalbroek” ten opzichte van de bouwplaats blijkt. Wat betreft die ligging is op het stuk VIII/7 “hydrologie omgeving klooster Opgrimbie” door de zevende verzoekende partij zelf aangegeven dat de afstand tussen de bouwplaats en het natuurreservaat “3.150 m” bedraagt. Wat betreft de door de zevende verzoekende partij aangevoerde ongunstige beïnvloeding van de waterafvoer naar het lager liggende natuurreservaat Daalbroek, blijkt uit de stukken (plannetjes) VIII/2 “situering waterlopen tov klooster Opgrimbie”, VIII/3 “hydrologie omgeving klooster Opgrimbie” en het voormelde stuk VIII/7, dat er ter hoogte van de bouwplaats slechts sprake is van een zeer miniem stukje “zeer vochtig” gebied. De verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat ten gevolge van het bestreden besluit het beheer van het natuurreservaat Daalbroek wordt bemoeilijkt of het reservaat wordt beschadigd. Het beroep van de zevende verzoekende partij is niet ontvankelijk. 3. Gegrondheid van het annulatieberoep 3.1. Het eerste middel 3.1.1. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 (hierna: het bosdecreet) “zoals gewijzigd door (het) decreet van 17 juli 2000 (B.S. 17 augustus 2000)”, de schending van de artikelen 2, 14 en 20 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 tot vaststelling van nadere regels inzake compensatie van ontbossing en ontheffing van het verbod op ontbossing (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001) en de schending van het besluit van de X-10.413-36/52 Vlaamse regering van 5 mei 2000 tot aanwijzing van de werken, handelingen of wijzigingen van algemeen belang en tot regeling van het vooroverleg met de Vlaamse Bouwmeester (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000). Voorts voeren ze nog de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel “als element van het beginsel van behoorlijk bestuur”. Zij stellen dat “in het advies van Jos CASTERMANS van 12 april 2001 (...) de aandacht (was) gevestigd op het feit dat deze wetgeving door het bestuur moet toegepast worden omdat ‘nergens bepaald is dat aanvragen waarvoor een ontvangstbewijs is afgegeven voor de datum van inwerkingtreding daaraan ontsnappen’”. Daarna betogen ze dat het hier niet gaat “om werken van algemeen belang waarvoor artikel 90bis een uitzondering voorziet”, aangezien in het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 is “gespecifieerd” dat “het (...) onder meer (gaat) over werken in opdracht van of door de overheid” en “het bisdom van Hasselt, namens wie de heer SCHRUERS een bouwaanvraag heeft ingediend, (...) geen overheid (is), maar wel een v.z.w., dus een private rechtspersoon”. Volgens hen “was en is” bijgevolg een “ontheffing van het verbod” tot het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing “vereist” vanwege “de minister bevoegd voor het natuurbehoud”. Daarvan is, aldus de verzoekende partijen, in casu geen sprake aangezien die minister “geen aanvraag heeft ontvangen (...) (en dan) ook geen vrijstelling van het verbod (kan) verleend hebben”. Vervolgens poneren ze dat volgens “het p.v. van 12 februari 1999” “minstens 20.000 m² (...) als ontbossing in oorzakelijk verband met de bouwvergunning van 13 april 2001 (moet) worden beschouwd” en dat “in de bouwplannen (...) grote oppervlakte(
  34. n)ontbossing (zijn) vermeld” (“18.981 m² + 3.088 m² + 1.280 m², ...”). Verder stellen de verzoekende partijen dat “tevergeefs zou (...) beweerd worden dat er van ontbossing geen sprake meer kan zijn, omdat de facto de meeste bomen reeds geveld zijn”. Dit kan volgens hen niet “om minstens twee redenen”. Ten eerste, “doordat de vorige bouwvergunning op basis waarvan in feite tot kappen was overgegaan, is vernietigd en dus geen enkel feitelijk of voor de bouwheer gunstig effect of gevolg in rechte kan doorwegen” zonder “de gevolgen van een vernietigingsarrest” te miskennen. Ten tweede, “doordat een ontbossing meer (...) dan alleen (over) het rooien van bomen (...), (maar) ook over het geven van een andere bestemming aan de grond (gaat)” (“i.c. door bouwen en betrekken van constructies”). Wat betreft die tweede reden wordt door hen aangevoerd dat “het (...) door de oprichting en uiteindelijk door het effectief gebruik als residentiële, recreatieve, religieuze instelling (
  35. is)dat deze andere functie een feit wordt” en dat X-10.413-37/52 “deze tweede vereiste (...) op (
  36. de)datum van de bouwvergunning nog niet (was) vervuld”. Zij besluiten dat “bijgevolg (...) de verwerende partij zijn macht (heeft) overschreden en het zorgvuldigheidsprincipe” heeft geschonden onder meer door “geen formeel advies in te winnen bij het bosbeheer in strijd met art. 90bis”, door “niet te onderzoeken of het hier kan gaan om een werk van algemeen belang in de zin van artikel 103 DORO en dus ook van het besluit van 5 mei 2000 van de Vlaamse regering”, door “rustig te beslissen spijts de aandacht die ook reeds in het advies van Bos en Groen van Limburg (van) 11 december 2000 onder punt 3.1 (...) terzake art. 90bis bosdecreet was gevestigd”, door “ook te verwijzen naar het besluit van de bestendige deputatie waarin onder meer gerefereerd werd naar het besluit (van
  37. de)Vlaamse regering (van) 26 november 2000” (lees: 1999), en door “te beslissen, hoewel volgens art. 2 van het besluit (van
  38. de)(Vlaamse) regering (van 16 februari 2001) een voorafgaande goedkeuring of aanpassing van het ontbossingsvoorstel en compensatie vereist was, en er dus ook zelfs een individuele ontheffing vereist was van de minister bevoegd voor het natuurbehoud”. 3.1.2.1. Luidens artikel 4 van het decreet van 17 juli 2000 houdende wijziging van artikel 90bis van het bosdecreet van 13 juni 1990 (hierna: het decreet van 17 juli 2000), bepaalt de Vlaamse regering de datum van inwerkingtreding van dit decreet. In artikel 20 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001, dat de uitvoering is van het voormelde artikel 4, is bepaald dat “het decreet van 17 juli 2000 en dit besluit (...) in werking (treden) op de datum van de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad”. Het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 is op 23 maart 2001 in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Bijgevolg zijn zowel artikel 90bis van het bosdecreet, zoals vervangen door artikel 2 van het decreet van 17 juli 2000, als het besluit van 16 februari 2001 in werking getreden op 23 maart 2001. Dit is vóór de datum van 13 april 2001 waarop het bestreden besluit is genomen. Het voormelde wijzigingsdecreet van 17 juli 2000 bevat, behoudens inzake de bosbehoudsbijdrage, geen enkele overgangsbepaling. In het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 is er enkel wat betreft “de verkavelingsvergunning voor een geheel of ten dele beboste grond” (artikel 2, tweede lid) sprake van “de aanvraag (...) ontvangen na de inwerkingtreding van het decreet van 17 juli 2000”. Met betrekking tot stedenbouwkundige vergunningen tot ontbossing (artikel 2, eerste lid), zoals in casu, is geen overgangsregeling bepaald. Aangezien, in tegenstelling tot wat het bestreden besluit, de verwerende partij en de tussenkomende partij stellen, de vergunningverlenende X-10.413-38/52 overheid, wanneer zij uitspraak doet over een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag, niet gebonden is door de regelgeving die van toepassing is op de datum van de aanvraag, maar zij er integendeel als orgaan van actief bestuur toe is gehouden de regelgeving toe te passen die geldt op het ogenblik van de uitspraak, moest de verwerende partij in casu dan ook artikel 90bis van het bosdecreet, zoals vervangen door artikel 2 van het decreet van 17 juli 2000, alsook het besluit van de Vlaamse regering van 16 februari 2001 toepassen. Dit houdt, in tegenstelling tot hetgeen de tussenkomende partij in haar laatste memorie voorhoudt, en ondanks het feit dat de bouwaanvraag tevoren ontvankelijk werd bevonden, geen retroactieve werking in van die voorschriften. 3.1.2.2. Het standpunt van de verwerende partij dat “in zoverre hier het gewijzigde artikel 90bis wordt ingeroepen, (...) dit geen grond meer (kan) vinden daar er bij wijze van de bestreden vergunning geen sprake meer is van ontbossing”, dat de “verzoekers (...) niet (aantonen) dat de kappingen welke plaatsvonden in 1995 onwettig zouden zijn gebeurd” en dat ze “bezwaarlijk strijdig (kunnen) worden bevonden met artikel 90bis van het dd. 17 juli 2000 gewijzigde bosdecreet, of met het uitvoeringsbesluit dd. 16 februari 2001”, kan niet worden bijgetreden. De destijds uitgevoerde kappingen zijn immers gebeurd op basis van een vergunning van 14 december 1994 die bij het arrest nr. (...) van de Raad van State wegens onwettigheid, weze het op grond van een “procedurefout”, met terugwerkende kracht is vernietigd. Bijgevolg kan met die kappingen geen rekening worden gehouden. De feitelijkheid van de uitgevoerde ontbossing stond geenszins de toepassing van het bosdecreet in de weg. Hierbij dient ook nog vastgesteld te worden dat een en ander hoe dan ook niet zinloos is, nu niets belet om desnoods na de afbraak van de kwestieuze reeds opgerichte bouwwerken bij gebreke aan een rechtsgeldige vergunning, het ontboste gebied te herbebossen. Met betrekking tot de opwerping van de tussenkomende partij dat de ontbossing al was doorgevoerd op het ogenblik van de inwerkingtreding (20 januari 1998) van het bij het decreet van 21 oktober 1997 ingevoegde artikel 90bis van het bosdecreet, moet hetzelfde worden opgemerkt. 3.1.2.3. Artikel 90bis, zoals vervangen door artikel 2 van het decreet van 17 juli 2000, luidt als volgt: “Art. 90bis. § 1. Een stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing kan niet worden verleend tenzij in de hierna vermelde gevallen : X-10.413-39/52 1° ontbossing met het oog op werken van algemeen belang bedoeld in artikel 103 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; 2° ontbossing in zones met de bestemmingen woongebied of industriegebied in de ruime zin; 3° ontbossing in zones die volgens de geldende plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen gelijk te stellen zijn met de bestemmingen woongebied of industriegebied in de ruime zin; 4° ontbossing van de uitvoerbare delen in een niet-vervallen vergunde verkaveling. De stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing wordt verleend na voorafgaand advies van het Bosbeheer. Het advies wordt verleend op verzoek van de vergunningverlenende overheid. Als het advies niet wordt verleend binnen dertig dagen, wordt het geacht gunstig te zijn. Voor andere ontbossingen dan deze genoemd in het eerste lid, kan de Vlaamse regering, op individueel en op gemotiveerd verzoek van diegene die in aanmerking wenst te komen voor een vergunning tot ontbossen, de ontheffing toestaan van het verbod tot het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing, met inachtneming van de wetgeving inzake de ruimtelijke ordening en na advies van het Bosbeheer. De Vlaamse regering bepaalt nadere regelen inzake de ontheffing van dit verbod. § 2. Met het oog op het behoud van een gelijkwaardig bosareaal, 1° wordt door de houder van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossing compensatie gegeven voor de in § 1 bedoelde ontbossing; 2° wordt door de houder van de verkavelingsvergunning compensatie gegeven voor de beboste delen van de verkaveling waarvoor de verkavelingsvergunning wordt aangevraagd na de inwerkingtreding van dit decreet. § 3. (...) § 4. De compensatie wordt gegeven op één van de volgende wijzen : 1° in natura; 2° door storting van een bosbehoudsbijdrage in het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur; 3° door een combinatie van 1° en 2°. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels inzake de wijze en de omvang van de compensatie, waarbij differentiatie mogelijk is. De integrale compensatie in natura betreft ten minste een gelijke oppervlakte. De Vlaamse regering bepaalt de gebieden die in aanmerking komen voor compensatie in natura. § 5. De aanvrager van de stedenbouwkundige vergunning tot ontbossen of van de in § 2, 2°, bedoelde verkavelingsvergunning stelt de compensatie voor overeenkomstig de eisen van het in § 4, tweede lid, bedoelde besluit en dient het voorstel in bij de vergunningverlenende overheid, die het ter goedkeuring voorlegt aan het Bosbeheer. Indien het voorstel niet voldoet aan de eisen van het in § 4, tweede lid, bedoelde besluit of wanneer het voorstel om bosbouwkundige redenen niet aanvaardbaar is, past het Bosbeheer het voorstel aan aan de eisen van dat besluit of, wanneer het een compensatie in natura betreft, aan de eisen van wat bosbouwkundig aanvaardbaar is. Het goedgekeurde of aangepaste voorstel geldt als voorwaarde bij de in § 2, 1° of 2°, bedoelde vergunning. De in § 2, 2°, bedoelde verkavelingsvergunning laat slechts vervreemding van een kavel toe nadat volledige compensatie werd gegeven. § 6. De vergunningverlenende overheid bezorgt een afschrift van haar beslissing inzake de aanvraag tot de in § 2, 1° en 2°, bedoelde vergunning aan het Bosbeheer. X-10.413-40/52 § 7. De in § 2 bedoelde compensatieplicht geldt niet voor gronden die spontaan bebost zijn na het in werking treden van dit decreet, voorzover deze spontane bebossing de leeftijd van tweeëntwintig jaar niet heeft bereikt. Om sociale redenen worden uitzonderingen op de in § 2 bedoelde compensatieplicht toegestaan in functie van de woningbouw in zones met de bestemming woongebied in de ruime zin of in zones die volgens de geldende plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen gelijk te stellen zijn met de bestemming woongebied. De Vlaamse regering bepaalt de voorwaarden waaronder deze uitzonderingen wordt verleend. Werken van algemeen belang worden, ongeacht de bestemming, altijd gecompenseerd.” 3.1.2.4. Op het “liggings- & inplantingsplan (deel 1, 2, 3, 4 - OPGRIMBIE)” zijn drie zones van “ontbossing” aangeduid: 1.280 m² voor het poortgebouw

(1), 3.088 m² voor de multifunctionele schuur
(2)en het gasten- en familiehuis
(3)en 18.981 m² voor het onthaalklooster
(4). In totaal gaat het in casu dus om een ontbossing van 23.349 m². Artikel 90bis van het bosdecreet is derhalve toepasselijk. 3.1.2.
  1. In haar laatste memorie werpt de verwerende partij nog op dat er geen sprake meer is van een actueel belang bij het middel. Daartoe voert ze vooreerst aan “dat de gebouwen zijn opgericht rekening houdend met de uitvoerbaarheid van een niet geschorste vergunning in de helft van de jaren *90”, dat “later (...) die vergunning (werd) vernietigd omwille van een procedurefout”, dat “de aanvraag werd heroverwogen en opnieuw vergund”, dat “de gebouwen (...) aanwezig (bleven)”, dat “er (...) op generlei wijze (blijkt) dat er sedert de oprichting van de gebouwen een aantasting is waargenomen van beschermde soorten of habitats in de speciale beschermingszone, de kwaliteit ervan aldaar verslechterd is zodat zou kunnen geoordeeld worden dat de gebouwen een storende factor zijn voor de soorten waarvoor de zone is aangewezen” en dat “de aangemelde natuurwaarden (...) op dezelfde wijze aanwezig (zijn) als voorheen”. Het betoog van de verwerende partij betreft het derde middel, dat hieronder besproken wordt, en is geheel vreemd aan het hier besproken middel afgeleid uit de schending van het bosdecreet. Er valt geenszins in te zien hoe het een gebrek aan belang bij het eerste middel kan schragen. De exceptie kan niet worden aangenomen. 3.1.2.
  2. De Raad van State vermag niet in de plaats van de bevoegde overheid, die er van uit is gegaan dat de ingeroepen bepalingen van het bosdecreet ten deze niet toepasselijk zijn, de aanvraag te toetsen aan het bosdecreet. In die mate is het middel niet ontvankelijk. X-10.413-41/52 3.1.2.
  3. Het eerste middel is in de aangegeven mate ontvankelijk en gegrond. 3.
  4. Het derde middel 3.2.
  5. In een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen “3.2.B, 4.1, 4.4” en 13 van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: de vogelrichtlijn), van het besluit van de Vlaamse executieve van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van speciale beschermingszones in de zin van artikel 4 van de Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (hierna: het besluit van de Vlaamse executieve van 17 oktober 1988), van de artikelen “6.2, 6.3, 6.4” en 7 van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: de habitatrichtlijn), van artikel 10 EEG-verdrag “(loyauteitsprincipe)” en van de motiveringsplicht opgelegd in artikel 53, §3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet). De verzoekende partijen zetten dit middel uiteen als volgt: “A. Situering van de ingeroepen bepalingen. 1.De Europese richtlijnen inzake natuurbehoud. Art. 3.2.b. eist dat de lidstaten zorgen voor een onderhoud en ruimtelijke ordening overeenkomstig de ecologische eisen van leefgebieden binnen en buiten de beschermingszones. Art. 4.
  6. en art. 13 van de vogelrichtlijn formuleren het stand-still principe, zodanig dat de leefgebied-situatie voor vogelpopulaties in bijzonder van de bijlage I er niet op achteruitgaat. Soorten van de bijlage I die in het betrokken gebied voorkomen zijn onder meer de wespendief, de nachtzwaluw, de zwarte specht, de boomleeuwerik, de ijsvogel, ... Art. 4.4 legt aan de lidstaten de plicht op om passende maatregelen te nemen om de status quo van de leefgebieden van zowel bijlage I als bijlage II vogelsoorten, binnen en buiten de speciale beschermingszones te vrijwaren. De verplichtingen die wegen op speciale beschermingszones, in de zin van art. 4.4 eerste lid van de vogelrichtlijn zijn vervangen door art. 6.
  7. tot 6.4 van de habitatrichtlijn. Dit volgt uit de substituerende bepaling van art. 7 van deze richtlijn. Art. 6.2 van de habitatrichtlijn formuleert een stand-still principe van de natuurlijke habitats en soorten in de speciale beschermingszones. Art. 6.3 vergt een passend onderzoek en een openbaar onderzoek indien een niet habitatgericht plan of project significante gevolgen kan hebben voor zo een gebied, en vergt dat de overheid slechts toestemming verleent indien dit plan of project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aantast. En desgevallend na inspraak. X-10.413-42/52 Art. 6.4 van deze richtlijn vereist dat de nodige compenserende maatregelen worden genomen indien om dwingende redenen van groot openbaar belang, dat plan of project toch moet worden gerealiseerd. Art. 10 van het EEG-verdrag is van belang omdat zelfs als uw Raad van oordeel zou zijn dat bv. de vogel- en/of habitatrichtlijn nog niet rechtsgeldig zijn omgezet in Vlaams of Belgisch recht, het loyauteitsprincipe met zich meebrengt dat lidstaten geen handelingen mogen stellen waardoor het beoogde beschermingsniveau van deze richtlijnen aangetast wordt. De wetgeving inzake openbaarheid van bouwaanvragen is tweeërlei: het K.B. 6 febr. 1971 ingeval dient aangenomen dat het ontvangstbewijs rechtsgeldig werd afgeleverd voordat het besluit van 5 mei 2000 van kracht werd (gelet op art. 13 van dit besluit) In beide gevallen zijn er redenen tot openbaar onderzoek geweest. 2.Uitvoeringsbesluiten Europese richtlijnen. De Vlaamse regering heeft op 17 oktober 1988 een aantal speciale beschermingszones (SBZ) aangeduid ter uitvoering van art. 4.1 van de vogelrichtlijn. Eén van deze speciale beschermingszones is de ‘Mechelse heide en de vallei van de Ziepbeek’. (...). Daarbinnen is de betwiste bouwplaats van het klooster gelegen. Volgens art. 2 van dit besluit kan de minister bevoegd voor het natuurbehoud, specifieke maatregelen treffen na advies van de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud, om de natuurwaarden in stand te houden en te herstellen. Uit de toelichting in ‘Natuur voor de Toekomst’, 1999, blijkt dat criteria voor de aanduiding waren: broedgebied van roerdomp, wespendief, bruine kiekendief, grauwe kiekendief, korhoen, kwartelkoning, goudplevier, zwartkopmeeuw, velduil, nachtzwaluw, ijsvogel, zwarte specht, boomleeuwerik, duinpieper, blauwborst en grauwe klauwier. En omdat het een belangrijk doortrek- en overwinteringsgebied is voor de blauwe kiekendief, de visarend, het smelleken en de kraanvogel. Zie in dezelfde zin het verslag van onder meer E. Kuijken van 1986 bij stuk (...). Met besluit van 14 februari 1996 heeft de Vlaamse regering ook een aantal speciale habitatrichtlijngebieden afgebakend. Ook in het kader van dit uitvoeringsbesluit is de Mechelse Heide beschermd. Om reden onder meer dat bedreigde habitats er voorkomen, zoals de noordatlantische vochtige heide met Erica tetralix, de droge heide, overgangs- en trilveen, ... en ook omdat er een zeer zeldzaam soort libelle voorkomt. (...) Het is dus zo dat de habitatrichtlijn ook bijzondere soorten wil beschermen uit het rijk van de amfibieën, reptielen, insecten, zoogdieren, ... De Europese Commissie heeft ten aanzien van dit gebied geen bemerkingen gemaakt. Uit de studie van de Europese Commissie over de habitatrichtlijngebieden en ook uit een brief van afdeling Natuur Oost-Vlaanderen blijkt dat de aanduiding van deze gebieden verworven is en bindend is voor de overheid. (...) B.Waarom de voormelde materiële bepalingen geschonden zijn.
  8. ****Strijdigheid met art. 3.2.b van de vogelrichtlijn in samenhang met het BVLR 17 oktober
  9. Omdat een bouwvergunning een middel is om de ruimtelijke ordening uit te voeren in de zin van art. 3.2.b. De ruimtelijke ordening is niet enkel een kwestie van plannen van aanleg. Omdat de bouwvergunning in casu duidelijk is aangewend om het leefgebied van een aantal zeldzame vogelsoorten aan te tasten in plaats van te beschermen. Het gaat over onder meer het leefgebied van de wespendief, de havik en de nachtzwaluw. X-10.413-43/52 Ook omdat de bouwvergunning steunt op een gewestplanherziening uit het jaar 1991, waarbij een bestemming koninklijk domein werd toegevoegd, terwijl deze bestemming er is gekomen nadat de vogelrichtlijn in dit gebied van toepassing was, temeer gelet op art. 4.4 laatste zin van de vogelrichtlijn. De gewestplanherziening moest als teken van ruimtelijke ordening nog meer op natuurbehoud / vogelpopulaties afgestemd geweest zijn, wat niet is gebeurd.
  10. ****Strijdigheid met het behoudprincipe in art. 4.
  11. en 4.
  12. en 13 van de vogelrichtlijn. Omdat de lidstaten volgens die bepalingen maatregelen moeten treffen opdat de leefgebieden in bijzonder van de bijlage I soorten er niet zou op achteruitgaan. Als bijlage I soorten komen i.c. in aanmerking: minstens de wespendief en de nachtzwaluw. Voor deze soorten is de Mechelse heide en vallei van de Ziepbeek nog een echt paradijs. De uitvoering van de bouwvergunning zal zelfs met de beste wil en zorg voor stilte, hoe dan ook de bouwplaats niet kunnen teruggeven aan deze vogelsoorten. De negatieve uitstraling naar de omgeving, waar de voormelde vogelsoorten ook voorkomen, is onvermijdelijk door onder meer menselijke aanwezigheid, gaan en komen van bezoekers, dienstverleners, ... via de openbare weg en dreven.
  13. ****Strijdigheid met art. 6.
  14. en 6.
  15. en 7 van de habitatrichtlijn. Omdat duidelijk is dat het bouwproject een significant effect heeft op leefgebieden van Bijlage I vogelsoorten. En in ieder geval op de kwaliteit en omvang van de sinds 17 oktober 1988 vastgestelde speciale beschermingszone. En dus ‘niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied’ (art. 6.3 van de HRL). Bijgevolg diende een passende beoordeling te gebeuren, wat volgens het H.v.J. betekent dat er een milieu-effectenrapport moest opgesteld worden. Nu blijkt er wel een informeel rapport te bestaan, genoemd ‘milieurapport over de inplanting van de abdij Onze Lieve Vrouw Het Fiat’, zonder datum, en waarvan niet duidelijk is wie de opdrachtgever is, voor wie het bestemd was, enz. Ook ontbreken tal van elementen noodzakelijk voor een MER: bv. de studie van de alternatieven, de effecten op zoogdieren, de effecten op water, de maatregelen tegen brandgevaar, de wisselwerking met aanpalende natuurzones, de impact op het landschap en reliëf, verkeersaspecten, enz. Ook is in casu niet aangetoond dat overeenkomstig art. 6.4 van de HRL er dwingende redenen (...) van groot openbaar belang zijn. Nog minder zijn er compenserende maatregelen in de bouwvergunning van Minister Van Mechelen opgenomen. Dus deze schending is duidelijk. **** C. Motivering? Meteen is ook duidelijk dat de motiveringsplicht bedoeld in art. 53 par. 3 DRO onvervuld is gebleven. De voormelde beschermingsplicht uit vogelrichtlijn met alle gevolgen vandien, komt nauwelijks aan bod”. 3.2.2.
  16. Artikel 3, tweede lid, b), artikel 4, eerste en vierde lid en artikel 13 van de vogelrichtlijn, zoals ze golden ten tijde van het bestreden besluit, luiden als volgt: X-10.413-44/52 - Artikel 3 “2.Voor de bescherming, de instandhouding en het herstel van biotopen en leefgebieden worden in de eerste plaats de volgende maatregelen getroffen: (...) b) onderhoud en ruimtelijke ordening overeenkomstig de ecologische eisen van leefgebieden binnen en buiten de beschermingszones; (...)”. - Artikel 4 “1.Voor de leefgebieden van de in bijlage I vermelde soorten worden speciale beschermingsmaatregelen getroffen, opdat deze soorten daar waar zij nu voorkomen, kunnen voortbestaan en zich kunnen voortplanten. In dat verband wordt gelet op: a) soorten die dreigen uit te sterven; b) soorten die gevoelig zijn voor bepaalde wijzigingen van het leefgebied; c) soorten die als zeldzaam worden beschouwd omdat hun populatie zwak is of omdat zij slechts plaatselijk voorkomen; d) andere soorten die vanwege de specifieke kenmerken van hun leefgebied speciale aandacht verdienen. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de tendensen en de schommelingen van het populatiepeil. De Lid-Staten wijzen met name de naar aantal en oppervlakte voor de instandhouding van deze soorten meest geschikte gebieden als speciale beschermingszones aan, waarbij rekening wordt gehouden met de bescherming die deze soorten in de geografische zee- en landzone waar deze richtlijn van toepassing is, behoeven. (...) 4.De Lid-Staten nemen passende maatregelen om vervuiling en verslechtering van de woongebieden in de in de leden 1 en 2 bedoelde beschermingszones te voorkomen, alsmede om te voorkomen dat de vogels aldaar worden gestoord, voor zover deze vervuiling, verslechtering en storing, gelet op de doelstellingen van dit artikel, van wezenlijke invloed zijn. Ook buiten deze beschermingszones zetten de Lid-Staten zich in om vervuiling en verslechtering van de woongebieden te voorkomen”. - Artikel 13 “De toepassing van de krachtens deze richtlijn getroffen maatregelen mag niet leiden tot verslechtering van de huidige situatie met betrekking tot de instandhouding van alle in artikel 1 bedoelde vogelsoorten”. Artikel 6, tweede tot vi

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.