id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.090 Rolnummer: A. 95413/IX-2527 Zaak: Arrest 192090 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 31/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-14 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-30 00:57 Fiche Arrest nr 192.090 van 31 maart 2009 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.090 van 31 maart 2009 in de zaak A. 95.413/IX-
- In zake : Raphaël VAN MIEGHEM, wonende te ERPE-MERE, Paardestraat 25 tegen : het Gemeenschapsonderwijs. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Raphaël VAN MIEGHEM op 8 september 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 30 juni 2000 van de directieraad van het Gemeenschapsonderwijs waarbij hem een loopbaanvertraging wordt toegekend; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VAN DER GUCHT; Gelet op de beschikking van 16 oktober 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 december 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 maart 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, en van advocaat R. ROMBAUT, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-2527-1/6 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. VAN DER GUCHT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten
- Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker technicus bij het Gemeenschapsonderwijs, afdeling Infrastructuur Regio West (IRW), sector Gebouwendienst Gent.
- Op 22 februari 2000 vindt een evaluatiegesprek met de verzoeker plaats, in het kader van diens evaluatie over het jaar
- Er wordt een evaluatieverslag opgesteld, dat de verzoeker op 27 maart 2000 voor kennisneming ondertekent. De verzoeker merkt op dat hij niet akkoord gaat met de bespreking van de resultaatgebieden. Op 12 juni 2000 stelt de tweede evaluator voor om aan de verzoeker een loopbaanvertraging op te leggen. Op 30 juni 2000 wordt de verzoeker over dat voorstel door de directieraad gehoord. Dezelfde dag beslist de directieraad om aan de verzoeker een loopbaanvertraging toe te kennen. Deze beslissing, die bij schrijven van 20 juli 2000 aan de verzoeker ter kennis wordt gebracht, vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. Ontvankelijkheid van het beroep 3.
- In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie van onontvankelijkheid op, afgeleid uit het ontbreken van een persoonlijk belang. IX-2527-2/6 Zij verklaart “het gevoel (te hebben) dat in deze zaak een actio popularis wordt gevoerd”. Eerder heeft zij zich reeds dienen te verantwoorden voor en schade geleden omwille van het al dan niet gebrekkig zijn van de personeelsstatuten die gelden voor het Gemeenschapsonderwijs. Zij stelt voorts dat de verzoeker met zijn verzoekschrift kennelijk heeft gepoogd het besluit van de Vlaamse regering van 30 juni 2000 houdende de regeling van de rechtspositie van het personeel van sommige Vlaamse openbare instellingen voor te zijn. 3.
- De bestreden beslissing beïnvloedt de administratieve rechtstoestand van de verzoeker, in een voor hem nadelige zin. Het vertraagd opbouwen van zijn schaalanciënniteit beïnvloedt zijn geldelijke rechten, waardoor hij een materieel belang heeft bij zijn beroep. Daarnaast kan de verzoeker ook een moreel belang bij zijn beroep doen gelden. Een loopbaanvertraging houdt onmiskenbaar een negatieve beoordeling van de betrokken ambtenaar in, en vormt aldus een afkeuring van de wijze waarop deze zijn functie uitoefent. De bestreden beslissing kan door de verzoeker als moreel krenkend worden ervaren. De vaststelling dat de verzoeker een persoonlijk belang heeft, volstaat voor de ontvankelijkheid van het beroep. Noch het feit dat de verzoeker zich beroept op een gebrek in de door de Vlaamse regering vastgestelde regeling van de rechtspositie van het personeel van het Gemeenschapsonderwijs, noch het feit dat die regelgeving ondertussen gewijzigd is, doen aan die conclusie afbreuk. De exceptie kan niet worden aangenomen. Ten gronde 4.
- In een enig middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 25, 8/, van het koninklijk besluit van 26 september 1994 tot bepaling van de algemene principes van het administratief en geldelijk statuut van de rijksambtenaren die van toepassing zijn op het personeel van de diensten van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen en van de Colleges van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en van de Franse IX-2527-3/6 Gemeenschapscommissie, alsook op de publiekrechtelijke rechtspersonen die ervan afhangen (hierna : APKB). De verzoeker voert aan dat hij, in strijd met de genoemde bepaling van het APKB, ingevolge de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 10 mei 1995 houdende organisatie van de administratieve diensten van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs en de regeling van de rechtspositie van het personeel, niet de mogelijkheid heeft gehad om de beslissing tot loopbaanvertraging aan te vechten voor een commissie die voor de helft is samengesteld uit leden aangewezen door de representatieve vakorganisaties van het personeel. 4.
- De verwerende partij antwoordt hierop als volgt: “In context met één en ander en zeker in het kader van wat de verwerende partij onder het belang heeft uiteengezet dient dit verzoekschrift te worden gezien. Verzoeker beoogt immers zoals andere ambtenaren die eerder Uw Raad hebben gevat dat de appreciatie die hij thans heeft gekregen teniet wordt gedaan, en eerder dan zich te verantwoorden eventueel voor een raad van beroep zoals hij kennelijk beoogt, verzoekt hij de opgebouwde waardering ongedaan te maken. Waar verzoeker zegt dat hij recht heeft op beroep kan dit alleszins in twijfel worden getrokken en worden verwezen naar het nieuwe besluit van de Vlaamse regering d.d. 30.06.2000 dat alleszins al de argumenten van verzoeker (of van degenen die hij meent te moeten vertegenwoordigen) geruststelt. De opbouw van het evaluatieverslag in casu is reeds genuanceerd en beperkt zich niet tot enkel een eindbeoordeling. Het evaluatieverslag maakt een onderscheid tussen ‘resultaatsgebieden, functioneringscriteria en evaluatie van de persoonlijke doelstellingen/afspraken’. Overigens heeft de verzoeker op het evaluatieverslag enkel aangegeven dat hij niet akkoord ging ‘wat betreft resultaatsgebieden’.” 4.3.
- Artikel 25, eerste lid, 7/ en 8/, van het APKB, in de versie ten tijde van de bestreden beslissing, verleent de ambtenaar het recht om beroep in te stellen, hetzij bij de directieraad in al de gevallen waarin hij er niet mee kan instemmen dat hij niet de meest positieve waardering heeft gekregen (7/), hetzij bij een paritair samengestelde commissie indien hij niet kan instemmen met de hem meegedeelde evaluatie wat inhoud en vorm betreft (8/). In beide gevallen heeft de ambtenaar het recht om te worden gehoord en te worden bijgestaan door een persoon naar eigen keuze. IX-2527-4/6 4.3.
- Artikel VII 27, § 1, van het te dezen toepasselijke besluit van de Vlaamse regering van 10 mei 1995 houdende organisatie van de administratieve diensten van de Autonome Raad van het Gemeenschapsonderwijs en de regeling van de rechtspositie van het personeel bepaalt daarentegen dat de ambtenaren van het Gemeenschapsonderwijs, wat de evaluatie betreft, alleen beroep kunnen instellen “indien het beschrijvend evaluatieverslag wordt besloten met de vermelding ‘onvoldoende’”. 4.3.
- Door de partijen wordt niet betwist dat de loopbaanvertraging gevolgen heeft voor de opbouw van de schaalanciënniteit van de verzoeker, meer bepaald in die zin dat de in aanmerking komende diensten gelijk zijn aan de helft van de werkelijke diensten. Evenmin wordt betwist dat tot een loopbaanvertraging kan worden besloten op basis van de functioneringsevaluatie van de betrokken ambtenaar. Een functioneringsevaluatie die, zoals in het geval van de verzoeker, ertoe leidt dat de loopbaansnelheid met de helft verminderd wordt, kan bezwaarlijk als “de meest positieve waardering” worden beschouwd. Het gaat integendeel om een negatieve waardering. 4.3.
- Uit het bovenstaande volgt dat de verzoeker, vooraleer hem op basis van zijn evaluatie definitief een loopbaanvertraging werd opgelegd, die evaluatie zowel wat de vorm als wat de inhoud betreft had moeten kunnen aanvechten voor een paritair samengestelde commissie als bedoeld in artikel 25, eerste lid, 8/, van het APKB. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 30 juni 2000 van de directieraad van het Gemeenschapsonderwijs waarbij aan Raphaël Van Mieghem een loopbaanvertraging wordt toegekend. IX-2527-5/6 Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 31 maart 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-2527-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.090 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.