← België

Arrest 192099 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 31/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.099 Rolnummer: A. 134123/IX-3734 Zaak: Arrest 192099 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 31/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-06 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-30 01:00 Fiche Arrest nr 192.099 van 31 maart 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.099 van 31 maart 2009 in de zaak A. 134.123/IX-

  1. In zake : Johan VAN DESSEL, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan
  2. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Buitenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij advocaten A. VERRIEST en P. DE MAEYER, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johan VAN DESSEL op 13 maart 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: - het koninklijk besluit van 18 november 2002 waarbij Jan DE BOCK en Marc VAN RYSSELBERGHE worden bevorderd tot de eerste administratieve klasse van de carrière Buitenlandse Dienst; - de impliciete weigering om de verzoeker tot de eerste administratieve klasse te bevorderen; Gelet op het arrest nr. 120.627 van 16 juni 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 17 juli 2003 door de verzoekende partij; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; IX-3734-1/24 Gelet op de beschikking van 23 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 augustus 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 oktober 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat Th. EYSKENS die, loco advocaat D. LINDEMANS, verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat E. DE LANGE die, loco advocaten A. VERRIEST en P. DE MAEYER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
  4. De verzoeker is op 1 september 1976 in dienst getreden in de carrière buitenlandse dienst bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, thans de federale overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikke- lingssamenwerking. Sinds 1 januari 1995 behoort hij tot de tweede administratieve klasse. Hij bezet van oktober 1992 tot juli 2000 onafgebroken diplomatieke posten in het buitenland: van oktober 1992 tot november 1994 is hij consul-generaal in Sydney; van november 1994 tot december 1997 is hij ambassadeur te Kinshasa; van januari 1998 tot juli 2000 is hij ambassadeur te Buenos Aires. IX-3734-2/24 Bij koninklijk besluit van 12 augustus 2000 wordt hij ontheven uit zijn functie van ambassadeur te Buenos Aires en teruggeroepen naar het hoofdbestuur. Dit besluit wordt op verzoek van de verzoeker door de Raad van State vernietigd bij arrest nr. 95.664 van 21 mei 2001, op grond van het ontbreken van een formele motivering. Op 5 februari 2002 neemt de verwerende partij een nieuw overplaatsingsbesluit, met hetzelfde dispositief. Het wordt nu wel formeel gemotiveerd. Ook dit besluit wordt door de Raad van State vernietigd, bij arrest nr. 113.419 van 9 december
  5. Ondertussen bleef de verzoeker geaffecteerd bij het hoofdbestuur, waar hij werkzaam was in de dienst Europees Veiligheids- en Defensiebeleid - Nato (P21). Van eind januari 2003 tot half 2006 is hij ambassadeur te Helsinki, waarna hij opnieuw teruggeroepen wordt naar het hoofdbestuur. 2.
  6. Begin 2002 worden twee betrekkingen in de Nederlandse taalrol in de eerste administratieve klasse van de carrière buitenlandse dienst vacant verklaard. Er zijn 27 diplomaten die, gelet op hun anciënniteit, aan de voorwaarden voldoen, waaronder de verzoeker. 2.
  7. In zijn vergadering van 28 maart 2002 onderzoekt de directieraad de verschillende kandidaturen. Volgens de notulen gebeurt dat op basis van de volgende criteria: dossierkennis, beschikbaarheid, inzet, prestaties en bekwaamheid om te beheren en leiding te geven. Vooraf merkt de voorzitter op dat de directieraad zich in zijn vergadering van 10 oktober 2001 reeds heeft uitgesproken over 19 van de 27 kandidaten. Dienvolgens zal de directieraad de professionele ervaringen en dienststaten van die kandidaten niet meer exhaustief opsommen, maar zal hij in eerste instantie onderzoeken of er over hen sinds de laatste bevorderingsprocedure markante en feitelijke elementen kunnen worden aangebracht die resulteren in een andere geschiktheidsbeoordeling. De raad acht het ook niet nodig van de overige acht kandidaten in detail alle professionele ervaringen en dienststaten te vermelden, gelet op het feit dat de leden over de dienststaten van alle kandidaten beschikken. Alleen bepaalde markante feiten, zowel positief als negatief, worden in de beoordeling opgenomen, om de mate waarin de kandidaten beantwoorden aan de vooropgestelde criteria te staven of te illustreren. De directieraad bespreekt dan elk van de 27 kandidaten, in de volgorde van hun dienstanciënniteit. Over Marc Van Rysselberghe, Jan De Bock en de verzoeker wordt het volgende gezegd: IX-3734-3/24 “
  8. Marc Van Rysselberghe: In november 1971 trad de heer Van Rysselberghe in dienst van het departement. Bij zijn promotie tot de tweede administratieve klasse op 1 maart 1991 was hij in functie bij het Kabinet van de Secretaris-generaal. Nadien was hij van augustus 1992 tot augustus 1996 ambassadeur in Jakarta en vervolgens ambassadeur in Rabat. Sedert augustus 2000 is hij opnieuw als inspecteur van de posten toegevoegd aan het hoofdbestuur bij de diensten van de Secretaris- generaal. Zijn loopbaan getuigt van een grote beschikbaarheid. Bij zijn ambtsuitoefening in Rabat vielen zijn oordeelsvermogen en dossierkennis op: enerzijds wordt zijn scherpe aandacht voor de visaproblematiek vermeld, naast zijn bekommernis om aan landgenoten in Marokko een optimale bijstand te verlenen. Hij hecht grote aandacht aan de discrepantie tussen het personen- en familierecht in Marokko en België en de gevolgen die hieruit voortvloeien voor onze landgenoten (o.a. gemengde huwelijken). De Raad drukt zijn waardering uit voor de grote aandacht en zorg die de heer Van Rysselberghe besteedde aan de consulaire dossiers. Anderzijds wordt ook gewag gemaakt van zijn kwaliteiten inzake postbeheer. De Raad heeft kunnen vaststellen dat zijn inzet bij ministeriële en andere bezoeken zeer groot is. Op de inspectiedienst is hij specifiek belast met het verder uitwerken en aanpassen van het postvergoedingssysteem. Zo werd bijvoorbeeld de vergoeding voor het beheer van de residenties overgeheveld naar het werkingsfonds van de posten, hetgeen een element te meer betekent op het pad van de boekhoudkundige autonomie van de posten. De administratieve afhandeling van de individuele onkostenstaten van de agenten is aanzienlijk versneld. Daarnaast werd hem opgedragen de Copernicushervorming te volgen, meer bepaald werd hem gevraagd deze hervorming in overeenstemming te brengen met de specificiteit van het departement Buitenlandse Zaken. Hij doet dit alles met toewijding, grote inzet en efficiëntie; hij heeft oog voor vernieuwing en weet voor tal van zaken concrete oplossingen voor te stellen in een materie die toch niet duidelijk afgelijnd is.
  9. Jan De Bock: De heer De Bock begon zijn diplomatieke carrière in december
  10. Hij werd bevorderd tot de tweede administratieve klasse op 1 januari
  11. Op dat ogenblik was hij kabinetschef van de Minister van Buitenlandse Zaken, de sterkst beleidsbepalende functie binnen het departement. De heer De Bock had een duidelijk inzicht in de prioriteiten van zijn Minister en zorgde als hoofd van het kabinet voor een uitstekende organisatie met duidelijke taakverdelingen. Onder zijn leiding was het kabinet zeer toegankelijk voor leden van de administratie en bestond er een goede doorstroming van informatie in beide richtingen. Hij had een gedegen dossierkennis, een zeer sterke wil om naar resultaat te neigen en vertoonde interesse in alle domeinen van departement. De heer De Bock was een begrijpend kabinetschef die problemen eerder regelde dan ze te compliceren. In augustus 1997 werd hij benoemd tot Secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking. Van in het begin heeft hij geïnvesteerd in de klantvriendelijkheid van het departement, meer in het bijzonder ook op het IX-3734-4/24 consulaire domein, en het departement de nodige impulsen gegeven om het voor te bereiden op de toekomst. De heer De Bock heeft een duidelijke toekomstvisie en probeert het departement ook in die richting te laten evolueren. Hij is een goed vertolker van het standpunt van de administratie bij de Minister. Op organisatorisch vlak heeft betrokkene zeer originele ideeën, waardoor Buitenlandse Zaken een voorloper was ten opzichte van andere ministeries. De introductie van het wachtsysteem, waardoor de reactiesnelheid in geval van problemen sterk verhoogde, de uitbouw van het crisiscentrum, de transparantie van het postvergoedingssysteem, het opstarten van B-Fast, het zijn slechts enkele voorbeelden. De heer De Bock komt zowel tussen op politiek als op administratief vlak en vindt daarin probleemloos zijn evenwicht, wat niet evident is. Hij weet de politieke gevoeligheden tegenover zijn buitenlandse gesprekspartners op een perfect diplomatieke manier te verwoorden en te verdedigen. Ook wat betreft het recente succesvolle Belgische EU- voorzitterschap heeft hij de nodige verdiensten, alleen al door het feit dat hij zich met uitstekende medewerkers wist te omringen, waarbij hij eens te meer bewees over een goed oordeelsvermogen te beschikken. In het kader van de beweging 2002 werd hij aangewezen als Permanent Vertegenwoordiger bij de Europese Unie te Brussel.
  12. Johan Van Dessel: De heer Van Dessel trad in september 1976 toe tot de carrière Buitenlandse Dienst en werd bevorderd tot de tweede administratieve klasse op 1 januari
  13. Op dat ogenblik was hij ambassadeur te Kinshasa. Van januari 1998 tot juli 2000 was hij ambassadeur te Buenos Aires. Nadien werd hij toegevoegd aan het Hoofdbestuur. Hij had in de carrière Buitenlandse Dienst een zeer goede reputatie opgebouwd, onder meer als adviseur bilaterale zaken op het kabinet Eyskens, als diensthoofd Westerse landen op de DGP en door zijn zeer actieve invulling van de post van Consul-generaal in Sydney. Hij werd op die basis in 1994 aangewezen als ambassadeur te Kinshasa. Zijn verblijf in deze post werd echter geen onverdeeld succes. In Kinshasa bleek dat hij iets te rationeel was om in een chaotische Afrikaanse omgeving de nodige flexibiliteit aan de dag te leggen om stressbestendig te functioneren met een team, wat in crisissituaties uiteraard van kapitaal belang is. Tijdens de moeilijke periode die hij moest doormaken, heeft hij de chaos die in Zaïre heerste te zwaar in de verf gezet, zodat op het Hoofdbestuur de indruk werd gewekt dat hij te gestresseerd reageerde. In januari 1998 werd hij ambassadeur te Buenos Aires. Hij toonde zich een zeer actief posthoofd in een land dat oorspronkelijk als één van de doellanden van het Belgisch buitenlands beleid was voorzien. Een aantal acties werden correct uitgewerkt. Volgens het verslag van de Postinspectie van 18 tot 23 januari 2000 werden evenwel een aantal instructies niet steeds naar behoren en tot voldoening van het departement uitgevoerd. Het inspectieverslag was niet onverdeeld positief t.a.v. betrokkene. Omwille van het nakende Europese voorzitterschap werd in het voorjaar 2000 een aantal diplomaten, waaronder de heer Van DesseI, teruggeroepen naar het departement. Het besluit dat hem toevoegde aan het Hoofdbestuur werd door de Raad van State op 21 mei 2001 vernietigd wegens gebrek aan motivatie. Ondertussen werd reeds een nieuw besluit genomen. Op het Hoofdbestuur is de heer Van Dessel actief in de dienst Europees Veiligheids- en Defensiebeleid - Nato (P21). Hij houdt zich binnen P21 bezig IX-3734-5/24 met de civiele aspecten van de EVDB - WEU. Over zijn werk tijdens het voorzitterschap binnen dat beperkte domein bestond tevredenheid.” Na een onderlinge afweging en vergelijking van de respectieve geschiktheden, deelt de directieraad de kandidaten in vier groepen in: - eerste groep: de kandidaten die volledig alle criteria vervullen en die duidelijk blijk geven van een zeer grote geschiktheid om tot de eerste administratieve klasse te worden bevorderd. In deze groep bevinden zich, naast anderen, Jan De Bock en Marc Van Rysselberghe; - tweede groep: de kandidaten die hoog scoren op de vooropgestelde criteria, maar die in vergelijking met hun collega's behorend tot de eerste groep iets minder geschikt zijn; - derde groep: degelijke ambtenaren, met dien verstande dat voor sommigen enkele nuanceringselementen zijn aangegeven. Hierin wordt de verzoeker, samen met anderen, gerangschikt; - vierde groep: ambtenaren die duidelijk een minder grote geschiktheid vertonen. Vervolgens stemmen de leden in een geheime stemming over de kandidaten. Jan De Bock en Marc Van Rysselberghe krijgen de eerste en de tweede plaats, de verzoeker wordt gerangschikt op de negentiende plaats. De directieraad stelt dan ook voorlopig voor om Jan De Bock en Marc Van Rysselberghe te bevorderen. 2.
  14. De notulen van de vergadering van de directieraad worden met een brief van 7 mei 2002 ter kennis van de verzoeker gebracht. Op 23 mei 2002 dient de verzoeker een bezwaarschrift in tegen het bevorderingsvoorstel. In het kader daarvan vraagt hij afschrift van een hele reeks documenten waarvan sprake in de notulen van de vergadering van de directieraad, onder meer de notulen van de vergadering van 10 oktober 2001 waarop de directieraad reeds 19 van de 27 kandidaturen heeft onderzocht. Met een fax van 4 juni 2002 worden alle door de verzoeker gevraagde documenten hem meegedeeld, behalve de notulen van de vergadering van 10 oktober
  15. Die weigering wordt verantwoord door het feit dat de verzoeker op dat ogenblik nog niet aan de voorwaarden voldeed om tot de eerste klasse te worden bevorderd, zodat hij geen belanghebbende partij was. IX-3734-6/24 Op 4 juli 2002 stuurt de verzoeker een verzoek tot heroverweging van die weigering naar de minister van Buitenlandse Zaken en een verzoek tot het uitbrengen van een advies naar de Commissie voor de toegang tot bestuurs- documenten. In een brief van 6 augustus 2002 zet hij uitvoerig zijn bezwaren uiteen tegen de wijze waarop de directieraad zijn titels en verdiensten heeft onderzocht. Met een schrijven van 16 augustus 2002 verschaft hij enkele verduidelijkingen. 2.
  16. In zijn vergadering van 22 augustus 2002 onderzoekt de directieraad de bezwaarschriften die werden ingediend tegen het bevorderings- voorstel van 28 maart
  17. Hij gaat daarbij onder meer uitgebreid in op de diverse kritieken die de verzoeker in zijn brieven van 23 mei en 6 en 16 augustus 2002 heeft geuit. Deze bespreking wordt als volgt weergegeven in de notulen: “De Raad heeft kennis genomen van de diverse bezwaarschriften die de heer Van Dessel heeft overgemaakt. Het betreft de brieven opgesteld door zijn advocaat d.d. 23 mei 2002, 6 augustus 2002 en 16 augustus
  18. Enkel het eerste document werd ingediend binnen de voorziene termijn van twintig dagen, maar de Raad is bereid gevonden eveneens de andere argumenten te onderzoeken. De brief d.d. 16 augustus behandelt onder meer een procedure-element, met name de vraag of de Directieraad geldig kan beraadslagen als het beroep van de heer Van Dessel voor de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten nog niet werd behandeld. Gezien het enige document waarover dit beroep handelt een PV van een vorige directieraad betreft, dat werd opgesteld toen betrokkene nog niet de anciënniteitsvoorwaarden vervulde om tot de eerste klasse te worden bevorderd, is de Raad van oordeel dat dit procedure-element geenszins van aard is om hem te verhinderen een gefundeerd en volledig bezwaarschrift in te dienen. De Raad is van oordeel dat de procedure dus kan worden verder gezet zonder dat op enige wijze de rechten van de verdediging worden geschaad, daar het betreffende PV geen elementen bevat die de beoordeling anders kunnen beïnvloeden. Wat de diverse argumenten ten gronde betreft die werden aangehaald in het bezwaarschrift, stelt de Raad vast dat de heer Van Dessel zijn bezwaarschrift vooral baseert op het feit dat de evaluatie stoelt op beweringen die niet door documenten worden ondersteund, of, als die documenten er zijn, op onjuiste informatie in die documenten. De Raad wenst ook hier te benadrukken dat het niet de bedoeling was om tijdens zijn onderzoek alle professionele ervaringen en dienststaten van de kandidaten exhaustief op te noemen, gelet op het feit dat de leden tijdens de bespreking over de dienststaten van alle kandidaten beschikten, en dat bepaalde markante feiten, zowel positief als negatief, in de beoordeling worden IX-3734-7/24 opgenomen om de mate waarin de kandidaten beantwoorden aan de vooropgestelde criteria te staven of te illustreren. Aangaande de verschillende concrete opmerkingen stelt de raad vast: - Wat de precaire situatie betreft van de heer Van Dessel na het schorsingsarrest d.d. 24 juni 2002 van de Raad van State, is de Raad [zich] bewust van het feit dat de heer Van Dessel zo spoedig mogelijk terug in een juridische situatie moet worden geplaatst conform art. 27 van het KB van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel en rekening houdend met het arrest [...]. - Er is geenszins een contradictie tussen het geven van een opdracht in een 'beperkt domein' en de belangrijkheid van dit domein. - De heer Van Dessel haalt een citaat inzake zijn kabinetservaring uit de context. Het gaat hier om een duidelijk positieve evaluatie met referentie naar verscheidene beroepservaringen die betrokkene bezit. Ook voor sommige andere kandidaten wordt kabinetservaring vermeld. - Het niet expliciet vermelden van de diverse weerhouden elementen per criterium houdt niet in dat met de diverse criteria geen rekening wordt gehouden. Hieruit kan dus zeker niet geconcludeerd worden dat dit een negatieve beoordeling inhoudt (zoals in punt 3.5 van de brief d.d. 6/08/02 gesuggereerd wordt). - Gezien het inspectieverslag het voorwerp heeft uitgemaakt van grondig onderzoek, een gedetailleerd antwoord van de secretaris-generaal, van een commentaar en reactie van de heer Van Dessel, heeft de Raad met al deze elementen rekening kunnen houden nadat alle partijen werden gehoord. De rechten van de heer Van Dessel zijn hier dus geenszins geschonden. - Wat de indruk betreft die de Directieraad over zijn functioneren in Kinshasa had, dient te worden opgemerkt dat het niet noodzakelijk zo is dat deze indruk tot in de details door de stukken dient te worden gestaafd. Leden van de Directieraad kunnen immers ervaringen hebben opgedaan in de betrokken periode die op gegronde - maar niet noodzakelijk geschreven - directe waarneming zijn gebaseerd. De door de raadsman van de heer Van Dessel aangehaalde beoordelings- verslagen (opgesteld door de posthoofden te Pretoria, Kaapstad en Kinshasa) hebben geen betrekking op de periode 1994-1997, periode waarin betrokkene Ambassadeur was te Kinshasa. Daarenboven gaat het om beoordelingen van het functioneren van de heer Van Dessel als diplomatiek medewerker, niet als posthoofd, een totaal ander gegeven. De op zijn verblijf te Kinshasa volgende aanwijzing van de heer Van Dessel als Ambassadeur te Buenos Aires houdt anderzijds geen bewijs in van het ongenuanceerd goed functioneren van de agent in zijn voorgaande post. Ten slotte wenst de raad te benadrukken dat nergens wordt beweerd dat heer Van Dessel ‘slecht’ zou hebben gefunctioneerd, zoals de raadsman van betrokkene onterecht stelt.” IX-3734-8/24 Na bespreking van de bezwaren besluit de directieraad dat de bezwaarschriften geen gegevens bevatten die ertoe nopen de initiële rangschikking te herzien. In een geheime stemming bevestigt de raad eenparig die initiële rangschikking. Jan De Bock en Marc Van Rysselberghe worden definitief voor bevordering voorgesteld. Op 25 oktober 2002 wordt een afschrift van de notulen aan de verzoeker toegestuurd. 2.
  19. Op 30 augustus 2002 geeft de Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten haar advies over het verzoek tot het verkrijgen van een afschrift van de notulen van de vergadering van de directieraad van 10 oktober
  20. De Commissie herinnert eraan dat een derde het vereiste belang heeft om toegang te krijgen tot bevorderingsdossiers wanneer hijzelf in aanmerking komt voor de bevordering. Voor zover de beoordeling van de ambtenaren waarover de directieraad zich heeft uitgesproken een invloed heeft op de uiteindelijke bevordering van de kandidaten, heeft de verzoeker volgens de Commissie het vereiste belang. Er zal (ten gronde) wel onderzocht moeten worden of een of meer uitzonderingsgronden niet van toepassing zijn. Met een fax van 27 september 2002 deelt de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst aan de verzoeker het advies van de Commissie mee. Hij stelt voorts dat, vermits de verzoeker op 10 oktober 2001 nog niet aan de voorwaarden voor bevordering tot de eerste klasse voldeed, hij niet over het vereiste belang beschikt om inzage te krijgen in de notulen van die vergadering. Bovendien heeft de beoordeling die op 10 oktober 2001 van een aantal kandidaten is gegeven, geen invloed gehad op het bevorderingsvoorstel dat de directieraad op 28 maart 2002 heeft geformuleerd. In die omstandigheden weigert de voorzitter in te gaan op het verzoek tot heroverweging van zijn beslissing van 4 juni
  21. Tegen deze weigering stelt de verzoeker bij de Raad van State een vordering tot schorsing en een beroep tot vernietiging in. Op 10 december 2002 laat de verzoeker weten dat hij een afschrift van de gevraagde notulen heeft gekregen. Bij arrest nr. 118.564 van 24 april 2003 stelt de Raad van State dan ook vast dat de vordering tot schorsing en het beroep tot vernietiging doelloos geworden zijn. 2.
  22. Ondertussen worden Jan De Bock en Marc Van Rysselberghe bij koninklijk besluit van 18 november 2002 bevorderd tot de eerste administratieve IX-3734-9/24 klasse van de carrière buitenlandse dienst. Dit besluit, dat bij uittreksel wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 februari 2003, vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. 3.
  23. Naar aanleiding van latere vacatures worden G.V. en L.W. bij koninklijk besluit van 4 juli 2004 bevorderd tot de eerste administratieve klasse bij de carrière buitenlandse dienst. Tegen dat besluit stelt de verzoeker een beroep tot vernietiging in, waarover de Raad van State bij arrest nr. 192.100 van heden uitspraak doet. 3.
  24. Nog later, bij koninklijk besluit van 17 september 2005, worden M.G. en J.V. bevorderd tot de eerste administratieve klasse bij de carrière buitenlandse dienst. Ook tegen dat besluit stelt de verzoeker een beroep tot vernietiging in. Hierover doet de Raad van State bij arrest nr. 192.101 van heden uitspraak. Ontvankelijkheid van het beroep 4.
  25. In zijn verslag werpt de auditeur-verslaggever ambtshalve een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, in zoverre het gericht is tegen de impliciete weigering om de verzoeker te bevorderen. Hij stelt dat de vernietiging van de impliciete weigering om te benoemen of aan te stellen maar zinvol is wanneer de overheid de rechtsplicht heeft om de verzoeker te benoemen of aan te stellen. De verzoeker voert het bestaan van een dergelijke rechtsplicht niet aan, en de auditeur kan die ook niet uit de reglementering afleiden. 4.
  26. In zijn laatste memorie repliceert de verzoeker dat hij wel degelijk een belang heeft bij het aanvechten van de impliciete weigering om hem te bevorderen en dit ongeacht of hij kan aantonen dat er in hoofde van het bestuur een rechtsplicht bestaat om hem te bevorderen. Het volstaat, aldus de verzoeker, dat hij aantoont dat hij bevorderd kan worden en dat de verwerende partij op een onregelmatige wijze heeft besloten tot de bevordering van andere kandidaten. Enkel wanneer het bestuur onmogelijk een voor de verzoeker gunstige beslissing zou IX-3734-10/24 kunnen nemen zou hij het vereiste belang missen. De verzoeker stelt dat te dezen uit niets blijkt dat het bestuur in het kader van het te verlenen rechtsherstel onmogelijk tot zijn bevordering zou kunnen overgaan, of dat geen andere voor hem gunstige beslissing genomen zou kunnen worden. De verzoeker voert voorts aan dat een verzoeker niet noodzakelijk zijn belang verliest bij het bestrijden van de impliciete weigering om hem te benoemen, als het bestuur niet de rechtsplicht heeft om hem te bevorderen. Artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat voorziet in het vereiste van een belang, maakt het belang bij een beroep immers niet afhankelijk van een rechtsplicht tot benoemen. 4.
  27. De verwerende partij repliceert in haar laatste memorie dat de verzoeker ten onrechte uit het auditoraatsverslag afleidt dat de reden van de onontvankelijkheid van het beroep gelegen zou zijn in het gebrek aan belang in hoofde van de verzoeker bij de vernietiging van de impliciete weigering tot bevordering. Zoals uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt, is de vernietiging van een impliciete weigering om iemand te benoemen niet zinvol als de overheid over een discretionaire bevoegdheid beschikt. In een dergelijk geval volstaat de vernietiging van de expliciete beslissing, waarna de overheid opnieuw moet appreciëren. De Raad van State zou zijn bevoegdheid overschrijden door een impliciete weigeringsbeslissing te vernietigen in het geval de overheid waarvan de beslissing vernietigd wordt slechts over een discretionaire bevoegdheid beschikt. 4.
  28. Behalve indien een teleurgestelde kandidaat kan aantonen dat in hoofde van de overheid een rechtsplicht bestaat om hem te benoemen of te bevorderen, kan een afzonderlijk beroep tegen de impliciete weigering om die kandidaat te benoemen of te bevorderen in beginsel niet tot een ruimer herstel leiden dan het herstel dat voortvloeit uit de vernietiging van de beslissing waarbij een concurrent is benoemd of bevorderd. De bewijslast ter zake rust op de verzoeker. Noch uit de ter zake geldende reglementering, noch uit de door de verzoeker aangevoerde middelen blijkt evenwel dat ter zake een dergelijke rechtsplicht zou bestaan. In beginsel heeft de verzoeker dan ook geen belang bij het beroep gericht tegen de impliciete weigering om hem tot de eerste administratieve klasse van de carrière buitenlandse dienst te bevorderen. IX-3734-11/24 Weliswaar kunnen er uitzonderlijk omstandigheden zijn die met zich brengen dat een verzoeker wel belang heeft bij het bestrijden van de impliciete beslissing om hem niet te bevorderen. De verzoeker voert echter geen dergelijke omstandigheden aan. Uit het dossier blijkt ook niet dat dergelijke omstandigheden te dezen voorhanden zijn. Het beroep is dan ook onontvankelijk in zoverre het is gericht tegen de impliciete weigering om de verzoeker te bevorderen. Gegrondheid van het beroep Eerste middel 5.
  29. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 19 van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, het algemeen rechtsbeginsel “patere legem quam ipse fecisti”, zoals te dezen vervat in een omzendbrief nr. 500 van 6 december 2000, het zorgvuldigheidsbeginsel, en het redelijkheidsbeginsel, doordat, eerste onderdeel, aan de verzoeker met het oog op het uitoefenen van zijn bezwaarrecht enkel het bevorderingsvoorstel van 28 maart 2002 ter kennis is gebracht, terwijl de verzoeker enkel op een zinvolle wijze een bezwaarschrift zou hebben kunnen indienen indien hij op het nuttige ogenblik eveneens over het bevorderingsvoorstel van de notulen van 10 oktober 2001 beschikt zou hebben, zodat de overheid de redelijke uitoefening van het bezwaarrecht bedoeld in artikel 19 van het koninklijk besluit van 25 april 1956, alsmede de regels die ze zichzelf oplegt, te dezen in de omzendbrief nr. 500 van 6 december 2000, heeft geschonden; en doordat, tweede onderdeel, het bestuur het bestreden besluit neemt op datum van 18 november 2002, en zodoende impliciet maar zeker het veelvuldig verzoek -zoals onder meer dat van 7 oktober 2002- tot overhandiging van de notulen van 10 oktober 2001 afwijst op onwettige grond, en niettemin -na het IX-3734-12/24 lezen van het verzoekschrift van 20 november 2002 [tot nietigverklaring van de beslissing tot weigering van een afschrift van de bedoelde notulen]- het verzoek tot overhandiging van deze notulen op 10 december 2002 inwilligt, en daarmee zelf de onwettigheid van de weigeringsgrond bevestigt, terwijl het onredelijk en onzorgvuldig is een besluitvorming te gronden op het door gebrek aan tegenspraak aangetast resultaat van een procedure van afweging van titels en verdiensten, waar diezelfde benoemende overheid nadien zelf tot de conclusie komt dat hij met het onmogelijk maken van de tegenspraak door weigering van inzage van een bestuursdocument, onwettig heeft gehandeld, zodat de overheid het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. 5.
  30. In verband met het eerste onderdeel antwoordt de verwerende partij dat de verzoeker uitgebreide bezwaarschriften heeft ingediend die door de directieraad werden onderzocht en beantwoord. Vermits de notulen van de directieraad van 10 oktober 2001 geen enkele appreciatie over de verzoeker bevatten, heeft het feit dat hij geen kennis had van deze notulen toen hij zijn bezwaarschriften indiende niet tot gevolg dat deze onvolledig waren. Hij moest zich immers enkel kunnen verweren tegen wat er over hem werd gezegd. De verwerende partij besluit dat verzoekers bezwaarrecht geenszins is uitgehold. In verband met het tweede onderdeel merkt de verwerende partij op dat het feit dat zij de verzoeker uiteindelijk inzage heeft gegeven in de notulen van 10 oktober 200l en zodoende heeft aanvaard dat hij recht had op het verkrijgen van een afschrift van deze notulen, niet inhoudt dat zij aanvaardt dat de directieraad in de onderhavige bevorderingsprocedure niet rechtsgeldig kon beraadslagen over de door de verzoeker ingediende bezwaarschriften. Zij blijft van mening dat deze notulen voor de verzoeker niet werkelijk dienstig waren. 5.3.1.
  31. Wat betreft het eerste onderdeel, merkt de Raad van State vooreerst op dat artikel 19 van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse IX-3734-13/24 Zaken en Buitenlandse Handel onder meer bepaalt dat een ambtenaar die zich benadeeld acht door het voorlopig voorstel van bevordering, het recht heeft daartegen een bezwaar in te dienen. De omzendbrief nr. 500 van de minister van Ambtenarenzaken van 6 december 2000 inzake bevorderingsprocedures, motivatie en recht op bezwaar, bevat de aanbeveling om “voortaan ambtshalve [...], samen met de voorstellen van de directieraad, het deel van de notulen van de vergaderingen van de directieraad te betekenen die er betrekking op hebben en er de uitdrukkelijke motivering van uitmaken”. 5.3.1.
  32. In het eerste onderdeel voert de verzoeker in essentie aan dat hij zijn bezwaarrecht niet op een afdoende en dienstige wijze heeft kunnen uitoefenen doordat hij niet beschikte over de notulen van de vergadering van 10 oktober
  33. In de notulen van de directieraadsvergadering van 28 maart 2002 overweegt de directieraad uitdrukkelijk dat hij de professionele ervaringen en dienststaten van de kandidaten waarover hij zich reeds op 10 oktober 2001 heeft uitgesproken, niet exhaustief zal opsommen, en dat hij in eerste instantie zal nagaan of er sindsdien markante en feitelijke elementen kunnen worden aangebracht die resulteren in een andere geschiktheidsbeoordeling dan die welke op 10 oktober 2001 is gemaakt. Die inleidende beschouwingen lijken erop te wijzen dat een deel van de vergelijking van de kandidaten terug te vinden is in de notulen van de vergadering van 10 oktober
  34. Indien dat inderdaad het geval zou zijn, zouden deze notulen beschouwd moeten worden als een deel van de vergelijking die is gemaakt in het kader van de procedure die heeft geleid tot de bestreden benoemingen. Zoals in de omzendbrief nr. 500 van 6 december 2000 in herinnering is gebracht, heeft de Raad van State in zijn arrest Cormeau, nr. 86.733, van 7 april 2000, waarnaar de verzoeker verwijst, geoordeeld dat de notulen waarin de vergelijking van de kandidaten is gebeurd die heeft geleid tot het voorstel waartegen de kandidaten bezwaar kunnen aantekenen, aan deze kandidaten moeten worden meegedeeld in het kader van de bezwaarprocedure. Te dezen zou dit dus kunnen gelden, niet enkel voor de notulen van de vergadering van 28 maart 2002, maar ook voor die van 10 oktober
  35. IX-3734-14/24 Evenwel blijkt uit een vergelijking van de notulen van 28 maart 2002 en die van 10 oktober 2001 dat alle kandidaten in de vergadering van 28 maart 2002 opnieuw zijn besproken in ten minste dezelfde mate als dat het geval is geweest op 10 oktober
  36. De notulen van 28 maart 2002 blijken aldus de meest volledige bespreking van de kandidaten te bevatten. Wat in het bijzonder de verzoeker en de twee benoemde kandidaten betreft, blijkt dat de verzoeker en Jan De Bock geen kandidaat waren in oktober 2001 en dat over Marc Van Rysselberghe in de notulen van 10 oktober 2001 niets is vermeld dat ook niet over hem is genotuleerd op 28 maart
  37. Uit het voorgaande volgt dat de directieraad zich op 28 maart 2002, anders dan in de inleidende beschouwingen in de notulen wordt overwogen, ten aanzien van de kandidaten die reeds op de vergadering van 10 oktober 2001 werden besproken, niet heeft beperkt tot het enkele aanhalen van de eventuele nieuwe elementen, maar dat hij ten aanzien van die kandidaten de hele bespreking heeft overgedaan. De inleidende beschouwingen lijken overigens eerder een soort van vaste formule te zijn, aangezien ze ook letterlijk voorkomen in de notulen van 10 oktober
  38. Het feit dat de verzoeker geen kennis had van de notulen van 10 oktober 2001 voordat hij zijn bezwaarschrift indiende, heeft in werkelijkheid dus niet tot gevolg gehad dat hem in verband met de door de directieraad in zijn vergadering van 28 maart 2002 gemaakte vergelijking van de kandidaten informatie is onthouden. De verzoeker is dan ook niet beperkt in zijn recht van verdediging. 5.3.1.
  39. In de toelichting bij het middel voert de verzoeker aan dat de verwerende partij, door hem geen inzage in de notulen van 10 oktober 2001 te verlenen, alleszins heeft belet dat hij zich in de bezwaarprocedure zou beroepen op de willekeur van de directieraad bij de voordrachten. Die willekeur blijkt immers uit de vergelijking van de twee notulen. De verzoeker haalt in dit verband een reeks verschillen aan, die vragen doen rijzen. Zelfs zo de vergelijking van de rangschikkingen die zijn opgemaakt op 10 oktober 2001 en 28 maart 2002 vragen zou doen rijzen over de IX-3734-15/24 wijze waarop de directieraad telkens tot zijn voordrachten is gekomen, zou zulks nog geen argument zijn om te besluiten dat de notulen van de vorige bevorderingsronde eveneens aan de verzoeker moesten worden meegedeeld. De verplichting tot mededeling van notulen van de vergaderingen van de directieraad heeft immers enkel betrekking op de notulen waarin een vergelijking van de kandidaturen in het kader van een lopende procedure wordt gemaakt, niet op de notulen van vorige vergaderingen. 5.3.1.
  40. Uit het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de verwerende partij noch artikel 19 van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, noch de regel die het bestuur zichzelf met zijn omzendbrief van 6 december 2000 heeft opgelegd, heeft geschonden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. 5.3.
  41. Met betrekking tot het tweede onderdeel voert de verwerende partij terecht aan dat het feit dat zij de verzoeker uiteindelijk inzage heeft gegeven in de notulen van 10 oktober 2001 en zodoende heeft aanvaard dat hij recht had op het verkrijgen van een afschrift van die notulen, niet inhoudt dat zij ook toegeeft dat de directieraad in de litigieuze bevorderingsprocedure niet rechtsgeldig heeft kunnen beraadslagen over het door de verzoeker ingediende bezwaarschrift. Bij de bespreking van het eerste onderdeel is vastgesteld dat de verwerende partij, door de verzoeker geen inzage te verlenen in de notulen van de vergadering van de directieraad van 10 oktober 2001, hem geen informatie heeft onthouden die hij nodig had om zijn bezwaarrecht op een nuttige wijze te kunnen uitoefenen. Die vaststelling brengt mee dat niet wordt aangetoond dat de verwerende partij onredelijk en onzorgvuldig heeft gehandeld. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. IX-3734-16/24 Tweede middel 6.
  42. De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van de materiële motiveringsplicht als algemeen rechtsbeginsel en zoals verwoord in artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat het bestreden besluit blijkbaar gesteund is op het bevorderingsvoorstel van 22 augustus 2002 dat zelf geen afdoende antwoord geeft op het -gedeeltelijk- bezwaarschrift van de verzoeker tegen de beoordeling van 28 maart 2002, terwijl elk eenzijdig besluit met een individuele strekking op een afdoende wijze dient te zijn gemotiveerd, desnoods door verwijzing. In de toelichting bij het middel voert de verzoeker aan dat de motivering waarmee de directieraad op 22 augustus 2002 beslist heeft om zijn bezwaarschrift te verwerpen, niet afdoende is. De verzoeker voert tegen die motivering in het bijzonder de volgende grieven aan: - de directieraad oordeelt ten onrechte dat het feit dat de verzoeker nog geen inzage heeft gekregen in de notulen van 10 oktober 2001 hem niet verhindert een volledig bezwaarschrift in te dienen; - de directieraad stelt dat verzoekers opdracht bij het hoofdbestuur maar “een beperkt domein” betreft, terwijl de verwerende partij eerder, in een memorie van antwoord in een andere door de verzoeker bij de Raad van State aanhangig gemaakte zaak, in verband met dezelfde opdracht heeft gesteld dat de dienst waarbij de verzoeker tewerkgesteld was één van de belangrijkste was binnen het departement met ruime, belangrijke en interessante bevoegdheden. De beoordeling door de directieraad is met die eerdere beoordeling door de verwerende partij in strijd, en doorstaat de toets van de redelijkheid niet; - de directieraad overweegt ten onrechte dat het niet uitdrukkelijk vermelden van de diverse beoordelingselementen per criterium niet inhoudt dat niet met alle IX-3734-17/24 criteria rekening is gehouden. Alle kandidaturen moeten volgens de verzoeker uitdrukkelijk op elk van de aangegeven criteria beoordeeld worden. Zijn kandidatuur is niet getoetst aan de criteria van beschikbaarheid en dossierkennis; - de directieraad verwijst ten onrechte naar het verslag van de postinspectie (over het functioneren van de verzoeker in Buenos Aires), aangezien dit nog maar een voorlopig verslag is. Bovendien heeft de verwerende partij nagelaten dat verslag te onderwerpen aan de procedure van behandeling op contradictoir bezwaar; - de motieven ter verwerping van het bezwaar van de verzoeker dat de negatieve beoordeling van zijn functioneren in Kinshasa geen steun vindt in de stukken, overtuigen niet. De verzoeker herhaalt dat de directieraad hem negatief beoordeelt op het criterium bekwaamheid om te beheren en leiding te geven, terwijl het precies zijn bekwaamheid om te beheren en leiding te geven is die de verwerende partij ertoe gebracht heeft hem later naar het hoofdbestuur over te plaatsen. Met betrekking tot de inzet en de prestaties van de verzoeker, merkt de verzoeker op dat de stukken van zijn persoonlijk dossier uitzonderlijk positief zijn. Ten slotte merkt de verzoeker op dat de directieraad thans overweegt dat de kritiek op het optreden van de verzoeker in Kinshasa steunt, niet enkel op de stukken van het dossier, maar ook op de directe waarneming door leden van de directieraad. Dat standpunt is strijdig met een eerdere mededeling door de verwerende partij, naar luid waarvan de beoordeling door de directieraad, vervat in de notulen van 28 maart 2002, steunt op de stukken van zijn persoonlijk dossier. 6.
  43. De verwerende partij verwijst naar de motieven van het bestreden besluit, en voert aan dat aan de formele motiveringsplicht is voldaan. 6.
  44. Het middel voert een aantal precieze schendingen van de materiële motiveringsplicht aan, welke alle te maken hebben met de motieven vervat in de notulen van de vergadering van de directieraad van 22 augustus
  45. Op die vergadering is het bezwaar van de verzoeker tegen het voorlopige bevorderingsvoorstel verworpen, en is het bevorderingsvoorstel definitief aangenomen. IX-3734-18/24 De Raad van State zal de desbetreffende grieven één na één onderzoeken. 6.3.1.
  46. In zoverre de verzoeker aan de directieraad verwijt dat hij zijn bezwaar heeft verworpen zonder dat zijn beroep bij de Commissie voor de toegang tot de bestuursdocumenten is behandeld, verwijst de Raad van State naar de bespreking van het eerste onderdeel van het eerste middel. Daarin is vastgesteld dat de omstandigheid dat de verzoeker, toen hij zijn bezwaarschrift indiende, geen inzage had in de notulen van 10 oktober 2001, hem niet in de uitoefening van zijn bezwaarrecht heeft gehinderd. De directieraad kon dan ook wettig oordelen dat de aangehaalde omstandigheid de verzoeker niet verhinderd heeft een gefundeerd en volledig bezwaarschrift in te dienen, en dat de procedure verdergezet kon worden zonder dat verzoekers recht van verdediging geschaad werd. 6.3.1.
  47. In zoverre de verzoeker aan de motieven van de directieraad verwijt dat ze, in verband met de beoordeling van de omvang en de belangrijkheid van het activiteitendomein van de verzoeker, in strijd zijn met eerder door de verwerende partij ingenomen standpunten, moet opgemerkt worden dat de verzoeker een tegenstrijdigheid ziet tussen verschillende beoordelingen, gedaan door verschillende organen, in een verschillende context, met verschillende doeleinden. Wat te dezen van belang is, is niet of het oordeel dat de directieraad over verzoekers activiteiten uitbrengt al dan niet verenigbaar is met wat in een andere context en door een ander orgaan over diezelfde activiteiten werd gezegd, maar wel of het oordeel dat de directieraad te dezen heeft uitgebracht als aanvaardbaar kan worden beschouwd. Wat dit laatste betreft moet erop gewezen worden dat de verzoeker zelf in het verzoekschrift tot schorsing dat hij indiende tegen het koninklijk besluit van 5 februari 2002 de belangrijkheid van de taak die hem werd toevertrouwd op het hoofdbestuur in grote mate relativeert. Het enkele feit dat in een andere context een andere beoordeling is gegeven, ontneemt aan de voorliggende beoordeling door de directieraad in elk geval niet haar feitelijke grondslag. IX-3734-19/24 6.3.1.
  48. In zoverre de verzoeker aan het bevorderingsvoorstel van de directieraad verwijt dat het is gedaan, zonder dat de directieraad zijn kandidatuur expliciet toetst aan de criteria van beschikbaarheid en dossierkennis, komt de grief erop neer dat de verzoeker meent dat de directieraad voor elke kandidaat uitdrukkelijk elk van de vijf door de raad gehanteerde criteria moet bespreken. De directieraad herhaalt in de notulen van 22 augustus 2002 dat hij het niet nodig acht van de kandidaten in detail alle professionele ervaringen en dienststaten exhaustief te vermelden, gelet op het feit dat de leden over de dienststaten van de kandidaten beschikken. Hij herhaalt ook dat hij alleen bepaalde markante feiten, zowel positief als negatief, vermeldt, om de mate waarin de kandidaten beantwoorden aan de vooropgestelde criteria te staven of te illustreren. Anders dan de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord suggereert, kan een schending van de verplichting tot behoorlijke vergelijking van de kandidaten niet afgeleid worden uit het enkele feit dat in verband met een bepaald criterium alleen dan een uitdrukkelijke vermelding wordt gemaakt bij de bespreking van een kandidaat, indien de kandidatuur voor dat criterium bijzondere aandacht verdient in positieve of negatieve zin, derwijze dat dit criterium onderscheidend werkt ten overstaan van de andere kandidaturen. Evenmin leidt die werkwijze ertoe dat de beoordeling van de kandidaten de rechtens vereiste feitelijke grondslag mist. Voor het overige brengt de verzoeker geen element aan waaruit zou blijken dat hij op het punt van de beschikbaarheid of van de dossierkennis dermate beter scoorde dan de benoemde kandidaten, dat het voor hem een onderscheidend element zou zijn. 6.3.1.
  49. De opwerping van de verzoeker dat het bevorderingsvoorstel van de directieraad ten onrechte verwijst naar het inspectierapport over zijn functioneren als ambassadeur te Buenos Aires, op grond dat dit verslag nog niet definitief is en het nooit is onderworpen aan de procedure van het contradictoir bezwaar, moet beoordeeld worden in het licht van de procedure die met betrekking tot een inspectieverslag gevolgd wordt. Volgens de instructies vervat in een omzendbrief IX-3734-20/24 van de minister van Buitenlandse Zaken van 2 februari 1996, zoals die door de verzoeker werden samengevat in zijn brief van 6 augustus 2002 aan de verwerende partij, wordt het voorlopig postinspectieverslag toegezonden aan de betrokkene, die daarop binnen een bepaalde termijn zijn commentaar kan geven; daarna bespreekt de directieraad het inspectieverslag en de commentaar en geeft hij daaraan de passende gevolgen. Hieruit blijkt dat het de directieraad zelf is die zich definitief uitspreekt over het inspectieverslag. Op 3 juli 2000 werd het betrokken inspectieverslag overgemaakt aan de directieraad, samen met verzoekers commentaar. In het kader van de litigieuze bevorderingsprocedure overweegt de directieraad op 22 augustus 2002, in antwoord op verzoekers bezwaarschrift, dat “gezien het inspectieverslag het voorwerp heeft uitgemaakt van een grondig onderzoek, een gedetailleerd antwoord van de secretaris-generaal, van een commentaar en reactie van de heer Van Dessel, (...) de raad met al deze elementen rekening (heeft) kunnen houden”. Nu het de directieraad is die de passende gevolgen uit een inspectieverslag moet trekken, kan de verzoeker zich niet beklagen over het feit dat dezelfde raad te dezen rekening houdt met bepaalde opmerkingen uit het verslag, ook al had de verzoeker in zijn bezwaarschrift de schrapping van die opmerkingen gevraagd. 6.3.1.
  50. In zoverre de verzoeker aan het advies van de directieraad verwijt dat het zijn functioneren als ambassadeur in Kinshasa beoordeelt op een wijze die geen steun vindt in de gegevens van het dossier, en dat die beoordeling daarmee zelfs in strijd is, gaat de verzoeker ervan uit dat die beoordeling te maken heeft met het criterium bekwaamheid om te beheren en leiding te geven. Volgens de verzoeker wordt de bedoelde negatieve beoordeling tegengesproken door de motivering voor zijn latere overplaatsing naar het hoofdbestuur, aangezien hem op dat ogenblik juist een verregaande vrijheid in het uitstippelen en het uitvoeren van het beleid werd toegekend. Voorts voert de verzoeker aan dat de directieraad op 22 augustus 2002 niet kan stellen dat de beoordeling van het functioneren in Kinshasa mede steunt op de directe waarneming door leden van de directieraad, als de verwerende partij voordien heeft voorgehouden dat alle elementen waarop die beoordeling steunt, zijn terug te vinden in zijn persoonlijk dossier. IX-3734-21/24 De stukken waarnaar de verzoeker verwijst ter ondersteuning van zijn stelling dat hij naar zeggen van de tegenpartij werd teruggeroepen omwille van zijn bekwaamheid om leiding te geven en te beheren, zijn de nota’s met opmerkingen die werden neergelegd in het kader van de schorsingsprocedures die de verzoeker heeft ingesteld tegen de koninklijk besluiten waardoor hij werd teruggeroepen naar het hoofdbestuur. In deze nota’s wordt gesteld dat de verzoeker werd teruggeroepen teneinde een leidinggevende functie op te nemen op het hoofdbestuur. Deze verklaring is niet tegenstrijdig met de vaststelling van de directieraad, in de notulen van 28 maart 2002, dat het verblijf van de verzoeker in Kinshasa “geen onverdeeld succes was”. Met die laatste opmerking wordt de verzoeker door de directieraad niet verweten dat hij niet over de bekwaamheid zou beschikken om leiding te geven of te beheren. Er wordt enkel gezegd dat hij “iets te rationeel was om in een chaotische Afrikaanse omgeving de nodige flexibiliteit aan de dag te leggen om stressbestendig te functioneren met een team, wat in crisissituaties uiteraard van kapitaal belang is”. Dit houdt geenszins een algemeen oordeel omtrent zijn leidinggevende of beheerscapaciteiten in. Er is derhalve geen sprake van tegenstrijdigheid. Het is de directieraad niet verboden te steunen op persoonlijke waarnemingen door sommige leden, mits hij uitlegt waarin die waarnemingen bestaan. Te dezen heeft de directieraad in de notulen van 28 maart 2002 de elementen opgesomd die hem ertoe brachten te concluderen dat het verblijf van de verzoeker in Kinshasa “geen onverdeeld succes” was. In zijn bezwaarschrift trachtte de verzoeker deze ongunstige beoordeling te weerleggen door beoordelingen aan te brengen die hij had gekregen als eerste secretaris in andere posten. Deze beoordelingen waren volgens de verzoeker alle uitzonderlijk positief. Zoals de directieraad evenwel opmerkt in de notulen van 22 augustus 2002, hebben die beoordelingen betrekking op verzoekers functioneren in een ondergeschikte functie, niet als posthoofd. In het licht van die vaststelling is er geen tegenspraak tussen de beoordeling van verzoekers functioneren in Kinshasa, als ambassadeur, en de eerdere beoordelingen van zijn functioneren op andere posten, als eerste secretaris. IX-3734-22/24 6.3.
  51. Het tweede middel kan niet worden aangenomen. Kosten 7.
  52. In zijn laatste memorie vraagt de verzoeker dat de verwerende partij verwezen zou worden in de kosten, daar zij minstens de indruk heeft gewekt dat de bestreden beslissing onregelmatig is. Alleen al het feit dat de directieraad zijn voorstel formeel steunt op de notulen van 10 oktober 2001, die de verwerende partij niet heeft willen overmaken, verantwoordt dat de kosten ten laste van de verwerende partij worden gelegd. 7.
  53. Zoals bij de bespreking van het eerste onderdeel van het eerste middel is overwogen, heeft het feit dat de verzoeker geen kennis had van de notulen van 10 oktober 2001 hem geen informatie betreffende de door de directieraad in zijn vergadering van 28 maart 2002 gemaakte vergelijking van de kandidaten onthouden. Voorts blijkt uit niets dat de verwerende partij de verzoeker misleid zou hebben. Op verzoekers verzoek kan dan ook niet worden ingegaan. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  54. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  55. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoeker. IX-3734-23/24 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 31 maart 2009 door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-3734-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.099 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.120.627 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.