← België

Arrest 192101 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 31/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.101 Rolnummer: A. 170809/IX-5257 Zaak: Arrest 192101 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 31/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-06 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-30 01:01 Fiche Arrest nr 192.101 van 31 maart 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.101 van 31 maart 2009 in de zaak A. 170.809/IX-

  1. In zake : Johan VAN DESSEL, die woonplaats kiest bij advocaten D. LINDEMANS en T. EYSKENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan
  2. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Buitenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij advocaten A. VERRIEST en P. DE MAEYER, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johan VAN DESSEL op 7 maart 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van: - het koninklijk besluit van 17 september 2005 waarbij Mark GELEYN en Johan VERBEKE worden bevorderd tot de eerste administratieve klasse van de carrière buitenlandse dienst; - de impliciete weigering om de verzoeker tot de eerste administratieve klasse te bevorderen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. WEEKERS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 7 augustus 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 oktober 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-5257-1/22 Gehoord de opmerkingen van advocaat T. EYSKENS die, loco advocaat D. LINDEMANS, verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat E. DE LANGE die, loco advocaten A. VERRIEST en P. DE MAEYER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. WEEKERS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten
  4. De verzoeker is op 1 september 1976 in dienst getreden in de carrière buitenlandse dienst bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, thans de federale overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikke- lingssamenwerking. Sinds 1 januari 1995 behoort hij tot de tweede administratieve klasse.
  5. Begin 2002 worden twee betrekkingen in de Nederlandse taalrol in de eerste administratieve klasse van de carrière buitenlandse dienst vacant verklaard. De bevorderingsprocedure leidt tot het koninklijk besluit van 18 november 2002 waarbij J.D.B. en M.V.R. worden bevorderd. Tegen dat besluit stelt de verzoeker een beroep tot nietigverklaring in, dat bij arrest nr. 192.099 van heden wordt verworpen.
  6. Naar aanleiding van latere vacatures worden G.V. en L.W. bij koninklijk besluit van 4 juli 2004 bevorderd tot de eerste administratieve klasse bij de carrière buitenlandse dienst. Tegen dat besluit stelt de verzoeker een beroep tot vernietiging in, waarover de Raad van State bij arrest nr. 192.100 van heden uitspraak doet. 4.
  7. Begin 2005 worden andermaal twee betrekkingen in de Nederlandse taalrol in de eerste administratieve klasse van de carrière buitenlandse IX-5257-2/22 dienst vacant verklaard. Er zijn 38 diplomaten die, gelet op hun anciënniteit, aan de voorwaarden voldoen, waaronder de verzoeker. Gerangschikt naar anciënniteit is Mark Geleyn de 1ste kandidaat, de verzoeker de 13de kandidaat en Johan Verbeke de 36ste kandidaat. 4.
  8. In zijn vergadering van 4 februari 2005 onderzoekt het directiecomité de verschillende kandidaturen. Volgens de notulen gebeurt dat op basis van de volgende criteria: dossierkennis, beschikbaarheid, inzet, prestaties sinds de bevordering naar de tweede klasse, en bekwaamheid om te beheren en leiding te geven. Het directiecomité houdt in zijn beraadslagingen vooreerst rekening met de verdiensten van de kandidaten in het licht van deze criteria, maar het kan ook rekening houden met de anciënniteit. Het directiecomité acht het voorts niet nodig om in detail alle professionele ervaringen en dienststaten van de kandidaten te vermelden, gelet op het feit dat de leden over de dienststaten van alle kandidaten beschikken. Bepaalde markante feiten, zowel positief als negatief, worden in de beoordeling opgenomen, om de mate waarin de kandidaten beantwoorden aan de vooropgestelde criteria te staven of te illustreren. Het directiecomité bespreekt dan elk van de 38 kandidaten, in de volgorde van hun dienstanciënniteit. Over de verzoeker wordt het volgende gezegd: “
  9. Johan Van Dessel: De heer Van Dessel trad in september 1976 toe tot de carrière Buitenlandse Dienst en werd bevorderd tot de tweede administratieve klasse op 1 januari
  10. Op dat ogenblik was hij Ambassadeur te Kinshasa. Van januari 1998 tot juli 2000 was hij Ambassadeur te Buenos Aires. Nadien werd hij toegevoegd aan het Hoofdbestuur, in de dienst Europees Veiligheids- en Defensiebeleid - Nato (P21). Sinds januari 2003 is hij Ambassadeur in Helsinki. De posten in verschillende continenten die de heer Van Dessel heeft uitgeoefend in de loop van zijn carrière geven aan dat de beschikbaarheid in zijn hoofde aanwezig is. De Directieraad van 28 maart 2002 oordeelde met betrekking tot het functioneren van de heer Van Dessel als Ambassadeur in Kinshasa dat zijn verblijf ‘geen onverdeeld succes’ was. Als voorbeeld wordt aangehaald hoe hij tijdens de moeilijke periode die hij moest doormaken, de chaos die in Zaïre heerste te zwaar in de verf zette, zodat op het Hoofdbestuur de indruk werd gewekt dat hij te gestresseerd reageerde. In januari 1998 werd hij Ambassadeur te Buenos Aires, waar hij zich een zeer actief posthoofd toonde. Volgens het verslag van de Postinspectie van 18 tot 23 januari 2000 werden evenwel een aantal instructies niet steeds naar behoren en tot voldoening van het departement uitgevoerd. Dit inspectieverslag was niet onverdeeld positief t.a.v. betrokkene en werd door hem hevig gecontesteerd. Het Comité wenst te onderlijnen dat het inspectieverslag het voorwerp heeft uitgemaakt van grondig onderzoek, van een gedetailleerd antwoord van de secretaris-generaal, evenals van een commentaar en reactie van de heer Van Dessel. IX-5257-3/22 In 2000 werd de heer Van Dessel teruggeroepen naar het departement, wat het voorwerp uitmaakte van een procedure bij de Raad van State. Van half 2000 tot begin 2003 was de heer Van Dessel toegevoegd aan het Hoofdbestuur, met name in de dienst Europees Veiligheids- en Defensiebeleid – Nato (P21). Binnen die dienst was hij belast met de civiele aspecten van de EVDB-WEU. Zijn dossierkennis binnen dit domein was eveneens goed. Zowel tijdens het voorzitterschap als nadien heeft hij voldoende inzet betoond, goed gewerkt en op degelijke wijze zijn bekwaamheid om te beheren en leiding te geven bewezen. Wel is het Comité van mening dat zijn rationele maar strakke denken soms leidt tot stugheid en afwezigheid van professionele contacten met collega's en medewerkers. Ook als Ambassadeur in Helsinki, functie die hij sinds januari 2003 uitoefent, staat de goede dossierkennis van de heer Van Dessel buiten kijf. Tot september 2004, toen in Tallinn een Belgische Ambassade werd geopend, was hij ook geaccrediteerd in Estland en verzorgde hij over beide landen van zijn rechtsgebied een accurate rapportering. Hij verschaft het Departement goede informatie over het Finse beleid. De heer Van Dessel leverde als eerste een opgemerkte bijdrage over de wijze waarop het EU-beleid beter kan betrokken worden bij het werk van de bilaterale posten. Vanuit zijn belangstelling voor projecten ter optimalisering van het postbeheer nam de heer Van Dessel, in Helsinki en op eigen initiatief, deel aan de BPR-oefeningen. Zijn voorstellen dienaangaande zijn opgenomen in zijn ‘mission statement’ terwijl de door hem voorgestelde boordtabel over het beheer van de eigen post als voorbeeld kan dienen voor onze andere vertegenwoordigingen.” Vervolgens stemmen de leden in een geheime stemming over de kandidaten. Mark Geleyn en Johan Verbeke krijgen de eerste en de tweede plaats, de verzoeker wordt gerangschikt op de 25ste plaats. Het directiecomité stelt dan ook voorlopig voor om Mark Geleyn en Johan Verbeke te bevorderen. 4.
  11. Het verslag van de vergadering van het directiecomité wordt met een brief van 25 mei 2005 ter kennis van de verzoeker gebracht. Op 7 juni 2005 dient de verzoeker een bezwaarschrift in tegen het bevorderingsvoorstel. 4.
  12. In zijn vergadering van 14 juli 2005 onderzoekt het directiecomité de bezwaarschriften die werden ingediend tegen het bevorderingsvoorstel van 4 februari
  13. Met betrekking tot het bezwaarschrift van de verzoeker overweegt het directiecomité het volgende: IX-5257-4/22 “Het Directiecomité neemt nota van de opmerkingen van de heer Van Dessel. Het Comité heeft reeds in zijn zitting van 13 februari 2004 geantwoord op het bezwaarschrift in bijlage bij verslag 329 van 5 december
  14. Voor wat betreft de anciënniteit, heeft het Comité voor het onderzoek van de titels en verdiensten van de kandidaten geen andere criteria gehanteerd dan degene die in het verslag van de vergadering van 4 februari 2005 werden vermeld. Daar de anciënniteit niet behoort tot de vijf criteria waarop de kandidaten werden beoordeeld, is het Comité niet verplicht hiermee rekening te houden. Het Comité beoordeelt de periode sinds de benoeming van de kandidaat in zijn of haar huidige administratieve klasse. Een langere graadanciënniteit kan, door het feit dat, in een aantal gevallen, meer periodieke beoordelingselementen beschikbaar zijn, een genuanceerder beeldvorming over het loopbaanverloop van de kandidaat bevorderen. Wat betreft het opnemen van zijn initiatieven in zijn persoonlijk beoordelingsdossier stelt het Comité dat, indien een initiatief niet vermeld wordt in de beoordeling, dit niet betekent dat het niet in het persoonlijk beoordelingsdossier zou zijn opgenomen. Het is niet de bedoeling in detail de volledige carrière van de kandidaten exhaustief weer te geven. Het niet vermelden van volgens de heer Van Dessel markante elementen is geenszins gericht op een negatieve beeldvorming in hoofde van betrokkene. Het Comité wenst ook op te merken dat het niet noodzakelijk zo is dat de indruk die het heeft over het functioneren van een kandidaat tot in de details door stukken of exhaustief opgesomde feiten dient te worden gestaafd. Leden van het Directiecomité kunnen immers ervaringen hebben opgedaan in de betrokken periode die op gegronde - maar niet noodzakelijk geschreven - directe waarneming zijn gebaseerd. Het Directiecomité heeft reeds eerder kennis kunnen nemen van de initiatieven en opmerkingen door de heer Van Dessel vermeld in bijlage van verslag 329 van 5 december 2003 maar neemt nota van een aantal nieuwe punten zoals onder het punt IV d, Finland. Bepaalde markante feiten, zowel positief als negatief, worden in de beoordeling opgenomen om de mate waarin de kandidaten beantwoorden aan de vooropgestelde criteria te staven of te illustreren. Voor wat betreft Buenos Aires neemt het Directiecomité nota van het door de heer Van Dessel vermelde vonnis van 12 mei 2005 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel betreffende de overplaatsing van de heer Van Dessel vanuit Buenos Aires naar het Hoofdbestuur. De Belgische Staat tekent beroep aan tegen dit vonnis. Voor wat betreft de bemerking door de heer Van Dessel dat hij op het Hoofdbestuur de functie van ‘civiel crisisbeheer’ heeft gecreëerd, neemt het Comité nota van deze opmerking. Inzake Helsinki onderlijnt het Comité dat zijn beoordeling over het functioneren van de heer Van Dessel te Helsinki positief was. Er werd wel degelijk rekening gehouden met de ideeën van de heer Van Dessel bij het opstellen van het ‘mission statement’. Het Comité onderlijnt dat het aan de hand van de criteria oordeelt of de kandidaten de voorwaarden vervullen om tot de hoogste administratieve klasse toegelaten te kunnen worden. Het Comité ziet, op basis van de vergelijking met de andere kandidaten voor bevordering naar de eerste klasse en op basis van de door de heer Van Dessel aangebrachte elementen, geen reden om de voorgestelde rangschikking en het bevorderingsvoorstel te wijzigen.” IX-5257-5/22 Na bespreking van de bezwaren besluit het directiecomité dat de bezwaarschriften geen nieuwe elementen bevatten om zijn rangschikking en zijn voorstel te herzien. In een geheime stemming bevestigt het comité eenparig die initiële rangschikking. Mark Geleyn en Johan Verbeke worden definitief voor bevordering voorgesteld. 4.
  15. Bij koninklijk besluit van 17 september 2005 worden Mark Geleyn en Johan Verbeke bevorderd tot de eerste administratieve klasse van de carrière buitenlandse dienst. Dit besluit steunt op de volgende motieven: “Overwegende dat de heer Geleyn, in dienst van het departement vanaf november 1969, Ministerraad was in Parijs toen hij in augustus 1990 bevorderd werd tot de tweede administratieve klasse; dat hij van september 1992 tot november 1996 werkzaam was bij het Hoofdbestuur, waar hij eerst hoofd van de dienst P/01 Westerse landen was en nadien de chef van de dienst P/40, Transatlantische en Veiligheidszaken (nu de Directie Europese Veiligheid); dat hij van december 1996 tot september 2000 Ambassadeur was in Tel Aviv; dat hij daarna werd toegevoegd aan het Hoofdbestuur om er opnieuw de Directie Europese Veiligheid (P20) te leiden; dat de heer Geleyn sinds 20 december 2002 de functie van Directeur-generaal van de Directie-generaal Bilaterale Zaken bekleedt; Overwegende dat reeds in 2002 de beschikbaarheid werd benadrukt van deze ambtenaar, die in al zijn functies een grote inzet en werkkracht betoond heeft; dat hiervoor onder meer verwezen werd naar zijn inspanningen naar aanleiding van het Belgisch WEU-Voorzitterschap in 1996; dat zijn dossierkennis zeer grondig en uitgediept is gebleken, en zijn zin voor analyse voorbeeldig, met een trefzeker oordeelsvermogen; Overwegende dat ook de prestaties van de heer Geleyn in Tel Aviv positief geëvalueerd werden; dat hij er zich grondig en met veel professionalisme in de uiterst complexe problematiek van het land ingewerkt heeft en zich ook grote inspanningen getroost heeft om in Tel Aviv een nieuwe Residentie en een nieuwe Kanselarij te vinden en in te richten; Overwegende dat de opmerkelijke en zeer grote beschikbaarheid van betrokkene herhaaldelijk tot uiting gekomen is, niet alleen omdat hij slechts na één postaanwijzing aanvaardde om terug te komen naar het Hoofdbestuur maar ook omdat hij zonder aarzelen bereid was zijn oude functie weer op te nemen als hoofd van de directie Europese Veiligheid (P20); dat, mede dank zij zijn ervaring en zijn grote kennis van de dossiers, o.a. de coördinatie met Defensie tijdens het Belgisch EU-Voorzitterschap zeer goed verlopen is; Overwegende dat de heer Geleyn in 2002 duidelijk blijk gaf van een zeer grote geschiktheid om tot de eerste en hoogste administratieve klasse te worden bevorderd en dat deze evaluatie in 2003 werd herbevestigd; Overwegende dat hij zich als Directeur-generaal van de Directie-generaal Bilaterale Zaken zeer snel vertrouwd heeft gemaakt met de hem toevertrouwde dossiers, met name wat betreft de exportproblematiek in het algemeen en de exportfinanciering in het bijzonder; dat zijn capaciteiten een breed veld van zowel politieke als economische aspecten bestrijken; dat zijn dossierkennis evenals zijn inzet zeer groot zijn; dat hij zijn functie als Directeur-generaal zeer IX-5257-6/22 ter harte neemt; dat de heer Geleyn beschikt over een grote bekwaamheid om te beheren en leiding te geven; dat hij een goede coördinatie tussen de verschillende diensten van zijn directie-generaal verzekert en zijn menselijk leiding geven als zeer positief ervaren wordt; dat hij gemotiveerd en enthousiast is en in complexe dossiers een ‘no nonsense’-benadering huldigt; dat hij, wat zijn prestaties betreft, het initiatief neemt "te velde" bij de bedrijven te gaan, en zo gestalte geeft aan de economische diplomatie, één van de prioriteiten van de Minister; dat hij tijdens de talrijke bilaterale diplomatieke consultaties erover waakt ook de multilaterale dimensie niet te vergeten; dat hij vertrouwensvolle contacten onderhoudt met de Gemeenschappen en Gewesten; Overwegende dat de heer Geleyn in 2002 heeft deelgenomen aan verschillende assessments voor een managementfunctie -1 in het kader van het hervormingsproces van de federale overheid; Overwegende dat de heer Verbeke sinds september 1981 tot de carrière Buitenlandse Dienst behoort en in oktober 1998 bevorderd werd tot de tweede administratieve klasse; dat hij als adjunct-directeur-generaal van de Politiek werkte vanaf september 1998; dat hij in september 2000 benoemd werd tot Kabinetschef van de Staatssecretaris voor Buitenlandse Handel en daarna tot Kabinetschef van de Staatssecretaris toegevoegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken, vanaf 2001 de Minister toegevoegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken, belast met Landbouw; dat hij aangewezen was als Ambassadeur in Tokio in 2002, maar in september 2002 tot Directeur van de Beleidscel Buitenlandse Zaken werd benoemd; dat hij sedert augustus 2004 Permanente Vertegenwoordiger bij de UNO te New York is; Overwegende dat de heer Verbeke zeer gewaardeerd wordt om zijn beschikbaarheid en zijn inzet; dat deze onder meer geïllustreerd wordt door zijn bereidheid om de beleidscel van de nieuwe Minister te helpen in de beginperiode niettegenstaande hij zijn functie bij de Permanente Vertegenwoordiging te New York reeds had opgenomen; Overwegende dat de dossierkennis van de heer Verbeke uitzonderlijk is; dat hij moeilijke problemen op een briljante wijze kan conceptualizeren en vereenvoudigen; dat hij een solide academische kennis omzet in de dagelijkse realiteit en zeer belezen is; dat hij zeer snelle en zeer goede resultaten aflevert en blijk geeft van een enorm werkvermogen; dat zijn inzet tijd noch uur kent; dat hij een zeer vriendelijke collega is, met een voorbeeldige toewijding aan zowel het Departement als aan de diplomatie; Overwegende dat, op basis van de vergelijking tussen alle ambtenaren van de tweede administratieve klasse van de carrière Buitenlandse Dienst die op 4 februari 2005 de statutaire voorwaarden vervulden, het Directiecomité van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken van oordeel was dat twee kandidaten, te weten de heren Mark Geleyn en Johan Verbeke, over bekwaamheden beschikken die het best beantwoorden aan de criteria die werden vastgesteld door het Directiecomité om over te gaan naar de eerste administratieve klasse van de carrière Buitenlandse Dienst; dat het resultaat van deze vergelijking is dat de andere kandidaten niet aan deze criteria beantwoorden op een wijze die hen zou doen uitstijgen boven deze twee kandidaten; dat deze vaststelling bevestigd werd door de resultaten van de geheime stemming.” Het koninklijk besluit van 17 september 2005, dat bij uittreksel wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 januari 2006, vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. IX-5257-7/22 Ontvankelijkheid van het beroep 5.
  16. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, in zoverre het gericht is tegen de impliciete weigering om de verzoeker te bevorderen. Zij stelt dat uit geen enkel gegeven blijkt dat in hoofde van de verwerende partij een rechtsplicht zou bestaan om de verzoeker te benoemen. 5.
  17. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat hij wel degelijk een belang heeft bij het aanvechten van de impliciete weigering om hem te bevorderen en dit ongeacht of hij kan aantonen dat er in hoofde van het bestuur een rechtsplicht bestaat om hem te bevorderen. Het volstaat, aldus de verzoeker, dat hij aantoont dat hij bevorderd kan worden en dat de verwerende partij op een onregelmatige wijze heeft besloten tot de bevordering van andere kandidaten. Enkel wanneer het bestuur onmogelijk een voor de verzoeker gunstige beslissing zou kunnen nemen zou hij het vereiste belang missen. De verzoeker stelt dat te dezen uit niets blijkt dat het bestuur in het kader van het te verlenen rechtsherstel onmogelijk tot zijn bevordering zou kunnen overgaan, of dat geen andere voor hem gunstige beslissing genomen zou kunnen worden. De verzoeker voert voorts aan dat een verzoeker niet noodzakelijk zijn belang verliest bij het bestrijden van de impliciete weigering om hem te benoemen, als het bestuur niet de rechtsplicht heeft om hem te bevorderen. Artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat voorziet in het vereiste van een belang, maakt het belang bij een beroep immers niet afhankelijk van een rechtsplicht tot benoemen. 5.
  18. In zijn verslag stelt de auditeur-verslaggever dat deze exceptie slechts onderzocht moet worden indien blijkt dat de bestreden bevorderingen moeten worden vernietigd. 5.
  19. In zijn laatste memorie handhaaft de verzoeker de stelling dat hij een belang heeft bij het aanvechten van de impliciete weigering om hem te bevorderen. IX-5257-8/22 Voorts suggereert de verzoeker dat de IXde kamer, in zoverre zij op dit punt een andere rechtspraak heeft dan andere kamers van de Raad van State, het rechtspunt overeenkomstig artikel 92 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State verwijst naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak, om de eenheid van de rechtspraak te verzekeren. 5.
  20. Behalve indien een teleurgestelde kandidaat kan aantonen dat in hoofde van de overheid een rechtsplicht bestaat om hem te benoemen of te bevorderen, kan een afzonderlijk beroep tegen de impliciete weigering om die kandidaat te benoemen of te bevorderen in beginsel niet tot een ruimer herstel leiden dan het herstel dat voortvloeit uit de vernietiging van de beslissing waarbij een concurrent is benoemd of bevorderd. De bewijslast ter zake rust op de verzoeker. Noch uit de ter zake geldende reglementering, noch uit de door de verzoeker aangevoerde middelen blijkt evenwel dat ter zake een dergelijke rechtsplicht zou bestaan. In beginsel heeft de verzoeker dan ook geen belang bij het beroep gericht tegen de impliciete weigering om hem tot de eerste administratieve klasse van de carrière buitenlandse dienst te bevorderen. Weliswaar kunnen er uitzonderlijk omstandigheden zijn die met zich brengen dat een verzoeker wel belang heeft bij het bestrijden van de impliciete beslissing om hem niet te bevorderen. De verzoeker voert echter geen dergelijke omstandigheden aan. Uit het dossier blijkt ook niet dat dergelijke omstandigheden te dezen voorhanden zijn. Gelet op het voorgaande ziet de kamer geen aanleiding om de zaak voor te leggen aan de voorzitter van de afdeling bestuursrechtspraak, met het oog op de verwijzing van de zaak naar de algemene vergadering van die afdeling. Zij stelt vast dat het beroep onontvankelijk is, in zoverre het is gericht tegen de impliciete weigering om de verzoeker te bevorderen. De exceptie is gegrond. IX-5257-9/22 Gegrondheid van het beroep Eerste middel 6.
  21. De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het daarin vervatte beginsel van de gelijke toegang tot de openbare ambten, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, artikel 19 van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, de materiële motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” als algemene rechtsbeginselen van behoorlijk bestuur, doordat, [eerste onderdeel,] de Koning, zich steunende op het voorstel van het directiecomité, de bestreden beslissing zonder kennis van zaken heeft genomen, nu de titels en de verdiensten van de verzoeker door het directiecomité ten onrechte overwegend negatief zijn beoordeeld en verzoekers kandidatuur om onverklaarbare, minstens onbegrijpelijke, redenen niet werd vergeleken met het criterium van de anciënniteit, terwijl een bevorderingsbeslissing moet worden genomen op grond van een redelijke, nauwgezette en zorgvuldige afweging en vergelijking van de titels en de verdiensten van de kandidaten, wat veronderstelt dat de titels en de verdiensten van de kandidaat worden getoetst aan al de vooraf vastgestelde criteria, en terwijl het bestuur dat een concreet bezwaar in overweging neemt, aan dit bezwaar moet tegemoetkomen door de beoordeling over te doen en de titels en de verdiensten aan het bestaande criterium te toetsen, maar niet door het toetsingscriterium waarop dat bezwaar betrekking heeft te schrappen, minstens niet zonder hiervoor deugdelijke en afdoende motieven op te geven, en terwijl het bestuur de vooraf vastgestelde toetsingscriteria die voor alle kandidaten gelden, op grond waarvan het een voorlopig bevorderingsvoorstel formuleert en op grond waarvan de betrokkene zijn bezwaarrecht weet uit te oefenen, niet vermag te wijzigen teneinde een bezwaar te IX-5257-10/22 weerleggen, doch moet vasthouden aan de criteria die het bestuur zichzelf vooraf heeft opgelegd, en doordat, [tweede onderdeel,] het directiecomité -en zo ook de Koning- verzoekers concreet onderbouwd bezwaarschrift in zijn beraadslaging van 14 juli 2005 op onjuiste gronden, minstens op grond van niet afdoende motieven, zoals de nietszeggende verwijzing naar de mogelijkheid dat leden van het directiecomité ervaring kunnen hebben opgedaan die op gegronde -maar niet noodzakelijk geschreven- directe waarneming zijn gebaseerd, als ongegrond heeft verworpen en zijn initiële beoordeling heeft bevestigd, terwijl een bevorderingsbeslissing moet worden genomen op grond van een redelijke, nauwgezette en zorgvuldige afweging en vergelijking van de titels en de verdiensten van de kandidaten, wat veronderstelt dat, zo het al mogelijk is dat de beoordeling van de titels en de verdiensten van de kandidaat gebeurt op grond van de directe waarneming van leden van het directiecomité, eveneens op een afdoende wijze moet worden aangetoond in het kader van welke concrete omstandigheden het nader gespecificeerd lid van het directiecomité de vermeende directe waarneming heeft gedaan, zodat de betrokken kandidaat zijn bezwaarrecht op een redelijke wijze kan uitoefenen, en zodat de overige leden van het directiecomité met kennis van zaken een oordeel kunnen vormen over de draagkracht van de directe waarneming van het lid of de leden onder hen, en doordat, [derde onderdeel,] het directiecomité -en zo ook de Koning- nota neemt van het vonnis [van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel] van 12 mei 2005, doch zonder de inhoud ervan in zijn beoordeling te betrekken, terwijl het bestuur niet enkel nota dient te nemen van een rechterlijke uitspraak met verbindende kracht en gezag van gewijsde, waarvan de inhoud kennelijk in verband moet worden gebracht met de te beoordelen titels en verdiensten, doch ook op een afdoende wijze moet verantwoorden of, en zo ja in welke mate, deze uitspraak noopt tot een wijziging van de vergelijking van de titels en verdiensten. In de toelichting bij het eerste onderdeel wijst de verzoeker erop dat hij in de rangschikking door het directiecomité wordt voorgestoken door verscheidene collega’s met minder anciënniteit, waaronder Johan Verbeke. IX-5257-11/22 Uit de toelichting bij het tweede onderdeel blijkt dat de verzoeker zich met name stoort aan de bewering dat hij in Kinshasa “gestresseerd” zou hebben gereageerd en dat hij op het hoofdbestuur “stug” zou zijn en geen professionele contacten zou hebben onderhouden. Volgens de verzoeker gaat het om “subjectieve indrukken” die elke grond missen. In zijn bezwaarschrift heeft hij aangevoerd dat er blijkbaar “iemand” is op het Hoofdbestuur die een verkeerde inschatting heeft gemaakt van de ernst van bepaalde feiten. Het directiecomité heeft hierop geantwoord met een boutade, namelijk: “Leden van het directiecomité kunnen [...] ervaringen hebben opgedaan in de betrokken periode die op gegronde -maar niet noodzakelijk geschreven- directe waarneming zijn gebaseerd.” In de toelichting bij het derde onderdeel zet de verzoeker uiteen dat de rechtbank van eerste aanleg vaststelt dat hij een onwettige en vernederende overplaatsing naar het Hoofdbestuur heeft moeten ondergaan. In de beoordeling van de titels en verdiensten wordt echter niet ingegaan op de vernederende, en dus uitermate moeilijke, omstandigheden waarin de verzoeker gedurende 2,5 jaar prestaties op het Hoofdbestuur heeft geleverd. De verzoeker legt in dit verband ook een kopie voor van een brief van de raadslieden van de Belgische Staat aan de federale overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, van 13 juni 2005, waarin die raadslieden opmerken dat de Belgische Staat de vaststellingen in het vonnis zou moeten eerbiedigen, niettegenstaande daartegen hoger beroep is ingesteld. De verzoeker wijst op de commentaar die een agent van de verwerende partij in de rand heeft aangebracht: “Aangezien we dit contesteren, gaan we toch onze evaluatie van VD [niet] wijzigen?!” Volgens de verzoeker wijst dit erop dat het bestuur bij zijn beoordeling geen rekening heeft willen houden met de verbindende kracht van het vonnis. 6.2.
  22. De verwerende partij antwoordt, met betrekking tot het eerste onderdeel, dat de anciënniteit een voorwaarde is om tot het vergelijkend onderzoek te worden toegelaten, maar ze is op zich geen criterium in het licht waarvan de kandidaturen moeten worden onderzocht. De notulen van het directiecomité van 4 februari 2005 wijzen weliswaar op de mogelijkheid om met de anciënniteit rekening te houden bij de beoordeling van de kandidaturen, maar uit het bestreden besluit en de stukken van het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. Zij moest dat ook niet doen. De verwerende partij concludeert dat zij het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” IX-5257-12/22 niet heeft geschonden, en dat zij terecht geantwoord heeft op het bezwaarschrift van de verzoeker. 6.2.
  23. In verband met het tweede onderdeel stelt de verwerende partij vast dat het directiecomité op 14 juli 2005 heeft overwogen, met betrekking tot het functioneren van de verzoeker in Kinshasa, in Buenos Aires, op het Hoofdbestuur en in Helsinki, dat het niet de bedoeling is om in detail op de carrière van de kandidaten in te gaan, en dat de beoordeling door het directiecomité steunt, niet enkel op stukken of exhaustief opgesomde feiten, maar ook op persoonlijke ervaringen van leden van het comité, gesteund op directe waarneming. Dit antwoord volstaat ter weerlegging van het bezwaarschrift van de verzoeker, temeer daar diens kritiek reeds eerder, in de vorige bevorderingsprocedures, werd weerlegd. De verwerende partij merkt voorts op dat de verzoeker omtrent de beoordeling van zijn optreden als ambassadeur in Buenos Aires geen opmerkingen heeft geformuleerd na het verkrijgen van een antwoord op zijn bezwaarschrift, terwijl die beoordeling volstaat om de plaats van de verzoeker in de rangschikking te verantwoorden. 6.2.
  24. In verband met het derde onderdeel begrijpt de verwerende partij de kritiek van de verzoeker op de beoordeling van zijn functioneren op het Hoofdbestuur niet, nu die beoordeling overwegend positief is. Zij stelt dat de verzoeker deze beoordeling verkeerd interpreteert. De bedoelde beoordeling kan uiteraard geen wijziging ondergaan ten gevolge van het door de verzoeker aangehaalde vonnis, daar het voorwerp van de vordering waarover de rechter uitspraak heeft gedaan, namelijk de rechtmatigheid van het terugroepen van de verzoeker uit Buenos Aires, vreemd is aan de beoordeling van de titels en de verdiensten van de kandidaten met het oog op een bevordering. Er is dan ook geen sprake van een miskenning van de verbindende kracht en van het gezag van gewijsde van het bedoelde vonnis. 6.3.
  25. In verband met het eerste onderdeel, waarin de verzoeker kritiek uitoefent op het feit dat bij de beoordeling van zijn kandidatuur het criterium anciënniteit niet in aanmerking is genomen, blijkt uit de notulen van het directiecomité van 4 februari 2005 dat het comité de kandidaturen onderzoekt “van alle ambtenaren van de tweede administratieve klasse die de IX-5257-13/22 anciënniteitsvoorwaarden vervullen”. Voorts blijkt uit die notulen dat het directiecomité bij de beoordeling van elk van de kandidaturen “vooreerst” rekening houdt met vijf criteria, te weten “de dossierkennis, de beschikbaarheid, de inzet, de prestaties, sinds de bevordering naar de 2de klasse, de bekwaamheid om te beheren en leiding te geven”, en dat het daarnaast ook rekening “kan” houden met de anciënniteit. De vijf met name genoemde criteria zijn aldus de eigenlijke beoordelingscriteria, terwijl de anciënniteit een facultatief bijkomend beoordelingsgegeven is. Op zich is het hanteren van de anciënniteit als een facultatief gegeven niet kennelijk onredelijk. In zijn bezwaarschrift voor het directiecomité voerde de verzoeker het volgende aan: “Het Directiecomité heeft op 4 februari 2005 beslist dat het ook rekening kan houden met de anciënniteit van de kandidaat. Het is mij niet duidelijk waarom dat in mijn geval niet is gebeurd.” Dit bezwaar wordt op 14 juli 2005 door het directiecomité beantwoordt als volgt: “Voor wat betreft de anciënniteit, heeft het Comité voor het onderzoek van de titels en verdiensten van de kandidaten geen andere criteria gehanteerd dan degene die in het verslag van de vergadering van 4 februari 2005 werden vermeld. Daar de anciënniteit niet behoort tot de vijf criteria waarop de kandidaten werden beoordeeld, is het Comité niet verplicht hiermee rekening te houden. Het Comité beoordeelt de periode sinds de benoeming van de kandidaat in zijn of haar huidige administratieve klasse. Een langere graadanciënniteit kan, door het feit dat, in een aantal gevallen, meer periodieke beoordelingselementen beschikbaar zijn, een genuanceerder beeldvorming over het loopbaanverloop van de kandidaat bevorderen.” De verzoeker betwist niet dat de anciënniteit voor geen enkele van de kandidaten als criterium is gehanteerd. Het administratief dossier doet ook niet van het tegendeel blijken. Uit de aangehaalde overweging van de notulen van de vergadering van het directiecomité van 14 juli 2005 kan worden afgeleid dat het directiecomité het niet nodig vond om de anciënniteit als criterium in zijn beoordeling te betrekken, omdat voor kandidaten met een grotere graadanciënniteit over het algemeen ook meer beoordelingselementen in verband met de opeenvolgend uitgeoefende functies beschikbaar zijn, zodat voor die kandidaten een genuanceerder beeldvorming over het verloop van hun loopbaan mogelijk is. IX-5257-14/22 Impliciet, doch zeker, geeft het directiecomité aan dat het genoeg heeft aan de beoordelingselementen die steunen op de vijf criteria om zich een beeld te vormen over de wijze waarop de kandidaten zich tijdens hun loopbaan hebben gedragen, en voorts dat het meer belang hecht aan een genuanceerde beeldvorming over het loopbaanverloop dan aan het mathematische gegeven van de anciënniteit. Ook al zou de laatste volzin uit de hiervóór aangehaalde overweging van de notulen van 14 juli 2005 duidelijker geredigeerd kunnen zijn, toch is die zin, bekeken in zijn context, niet onbegrijpelijk. De door het directiecomité gevolgde werkwijze bij de beoordeling van de kandidaturen getuigt ook niet van een onzorgvuldig optreden. Het eerste onderdeel kan niet worden aangenomen. 6.3.
  26. In verband met het tweede onderdeel, waarin de verzoeker kritiek uitoefent op het feit dat het directiecomité de beoordeling van zijn kandidatuur mede steunt op subjectieve indrukken, blijkt uit de toelichting bij dat onderdeel dat de verzoeker die kritiek met name richt op de volgende beoordelingen in de notulen van de vergadering van het directiecomité van 4 februari 2005: - in verband met het functioneren van de verzoeker als ambassadeur te Kinshasa: de verzoeker “(zette) de chaos die in Zaïre heerste te zwaar in de verf [...], zodat op het Hoofdbestuur de indruk werd gewekt dat hij te gestresseerd reageerde”; - in verband met het functioneren van de verzoeker op het Hoofdbestuur: “zijn rationele maar strakke denken [leidt soms] tot stugheid en afwezigheid van professionele contacten met collega’s en medewerkers”. In zijn bezwaarschrift voor het directiecomité verwees de verzoeker onder meer naar het bezwaarschrift dat hij op 5 december 2003 had ingediend in het kader van de bevorderingsprocedure die heeft geleid tot het koninklijk besluit van 4 juli 2004 houdende bevordering van G.V. en L.W. De verzoeker voegde een kopie van dat vroegere bezwaarschrift bij zijn nieuw bezwaarschrift, en stelde dat de eerder geformuleerde bezwaren ook in de voorliggende procedure geldig bleven. In het bezwaarschrift van 5 december 2003 voerde de verzoeker onder meer aan: - in verband met zijn functioneren als ambassadeur te Kinshasa: dat het directiecomité, door te verwijzen naar de “indruk” die de verzoeker bij het IX-5257-15/22 Hoofdbestuur gewekt had, steunde op subjectieve beoordelingen, die geen draagkrachtig motief konden uitmaken; - in verband met zijn functioneren op het Hoofdbestuur: dat de opmerking over zijn stugheid en het beweerde gebrek aan professionele contacten een louter subjectieve bewering was. Dit bezwaar wordt op 14 juli 2005 door het directiecomité beantwoordt als volgt: “Het Comité wenst [...] op te merken dat het niet noodzakelijk zo is dat de indruk die het heeft over het functioneren van een kandidaat tot in de details door stukken of exhaustief opgesomde feiten dient te worden gestaafd. Leden van het Directiecomité kunnen immers ervaringen hebben opgedaan in de betrokken periode die op gegronde - maar niet noodzakelijk geschreven - directe waarneming zijn gebaseerd.” Het is het directiecomité niet verboden te steunen op persoonlijke waarnemingen door sommige leden, mits het uitlegt waarin die waarnemingen bestaan. Te dezen heeft de directieraad in de notulen van 4 februari 2005 uitgelegd dat het verblijf van de verzoeker in Kinshasa “geen onverdeeld succes” was, in het bijzonder omdat de verzoeker de chaos te zwaar in de verf zette, waardoor hij op het Hoofdbestuur de indruk wekte dat hij te gestresseerd reageerde. Die uitleg is voldoende precies. Ook de beschouwingen van het directiecomité in verband met het functioneren van de verzoeker op het Hoofdbestuur bevatten een voldoende precieze beschrijving van wat werd waargenomen. Noch het feit dat over die waarnemingen geen concrete details worden gegeven, noch het feit dat die waarnemingen uiteraard subjectief gekleurd zijn, brengen met zich dat de beoordeling door het directiecomité van de titels en de verdiensten van de verzoeker kennelijk onredelijk of onzorgvuldig zou zijn. Het tweede onderdeel kan niet worden aangenomen. 6.3.
  27. In verband met het derde onderdeel, waarin de verzoeker aanvoert dat het directiecomité slechts “nota neemt” van het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 12 mei 2005, zonder de inhoud ervan in zijn beoordeling te betrekken, moet vooreerst opgemerkt worden dat dit vonnis uitspraak doet over een vordering van de verzoeker tegen de verwerende partij, strekkend tot het verkrijgen van een vergoeding voor de schade ten gevolge van zijn overplaatsing van Buenos Aires naar het Hoofdbestuur. Verwijzend naar twee arresten van de IX-5257-16/22 Raad van State in verband met die overplaatsing, is de rechtbank van oordeel dat de overplaatsing foutief is, en kent ze de verzoeker voor de geleden schade een vergoeding toe. De verwerende partij heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het Hof van Beroep te Brussel. Door de partijen is verklaard dat dit beroep nog aanhangig is. In zijn bezwaarschrift voor het directiecomité heeft de verzoeker naar dat vonnis verwezen om de aandacht van het directiecomité te vestigen op de tegenspraak tussen de inhoud van het beoordelingsverslag over zijn verblijf in Buenos Aires en de vaststelling in het vonnis dat zijn overplaatsing op niets berustte. Dit bezwaar wordt op 14 juli 2005 door het directiecomité beantwoordt als volgt: “Voor wat betreft Buenos Aires neemt het Directiecomité nota van het door de heer Van Dessel vermelde vonnis van 12 mei 2005 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel betreffende de overplaatsing van de heer Van Dessel vanuit Buenos Aires naar het Hoofdbestuur. De Belgische Staat tekent beroep aan tegen dit vonnis.” In het derde onderdeel gaat de verzoeker niet in op de beoordeling door het directiecomité van zijn verblijf in Buenos Aires. Uit de toelichting bij het onderdeel blijkt integendeel dat zijn kritiek zich geheel toespitst op de beoordeling die het directiecomité geeft van zijn verblijf op het Hoofdbestuur, volgend op zijn terugkeer uit Buenos Aires. De verzoeker voert aan dat “nergens enige appreciatie te ontwaren [valt] van het feit dat [hij] gedurende een periode van twee en een half jaar in deze vernederende -en dus uitermate moeilijke- omstandigheden ‘prestaties’ heeft geleverd en zich op het Hoofdbestuur heeft ‘ingezet’”. Die in het onderdeel ontwikkelde grief blijkt niet te zijn voorgelegd aan het directiecomité. Daargelaten de vraag of de verzoeker de grief op een ontvankelijke wijze voor het eerst voor de Raad van State kan ontwikkelen, heeft het directiecomité in elk geval niet kennelijk onredelijk of onzorgvuldig gehandeld door zich niet op eigen initiatief te buigen over de weerslag van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg op de beoordeling van verzoekers presteren op het Hoofdbestuur. Door dat niet te doen, heeft het directiecomité ook de verbindende kracht van dat vonnis niet miskend. Het derde onderdeel kan niet worden aangenomen. IX-5257-17/22 Tweede middel 7.
  28. De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het daarin vervatte beginsel van de gelijke toegang tot de openbare ambten, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, artikel 19 van het koninklijk besluit van 25 april 1956 tot vaststelling van het statuut der personeelsleden van het ministerie van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel, de materiële motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” als algemene rechtsbeginselen van behoorlijk bestuur, doordat de Koning de heer Verbeke bevordert op grond van het voorlopig en definitief bevorderingsvoorstel, terwijl de Koning zijn beslissing steunt op het voorstel van zijn directiecomité en dus ook op de daarin bepaalde bevorderingscriteria, en terwijl de Koning een door zijn directiecomité voorgestelde kandidaat enkel kan bevorderen voor zover hij na een zorgvuldig onderzoek van dit voorstel in redelijkheid kan oordelen dat de bedoelde kandidaat in het licht van de gestelde beoordelingscriteria beschikt over de beste titels en verdiensten. Het middel, dat uitsluitend gericht is tegen de bevordering van Johan Verbeke, wordt toegelicht als volgt: “De titels en verdiensten van de heer Verbeke zijn niet afgewogen tegen het criterium van de ‘prestaties’, noch van dat van de ‘bekwaamheid om te beheren en leiding te geven’. In wezen is de heer Verbeke nog maar recent, nl. sinds eind 1998, bevorderd tot de tweede administratieve klasse. Sinds medio 2000 is de heer Verbeke nagenoeg ononderbroken kabinetsmedewerker geweest, nl. een taak waarvan niet geweten is of en zo ja in welke mate, zij enige verwantschap heeft met het takenpakket van een ambtenaar van de tweede administratieve klasse. Vanaf medio 2004 is de heer Verbeke permanent vertegenwoordiger bij de VN. Het bovenstaande verklaart ook waarom er eigenlijk geen woord wordt gerept over +s mans ‘prestaties’ en ‘bekwaamheid om te beheren en leiding te geven’; over de titels en verdiensten van de heer Verbeke valt niets te zeggen omdat hij noemenswaardige praktijkervaring op dit terrein mist, minstens dat zijn ervaring te pril is om hiervan een deugdelijke inschatting te maken. Zo het bovenstaande op zich al niet tot de nietigverklaring van het bestreden besluit moet leiden, dan minstens toch de vaststelling dat het kennelijk IX-5257-18/22 onredelijk is om de kandidaat te bevorderen waarvan de titels en verdiensten getoetst aan twee van de vijf beoordelingscriteria, niet hoog worden ingeschat. Het wekt verbazing dat de heer Verbeke ‘een voorbeeldige toewijding’ zou betonen ‘aan de diplomatie’. Er zijn onder de kandidaten diplomaten die reeds véél langer en ononderbroken zo'n toewijding betonen, in het bijzonder verzoekende partij. In alle redelijkheid kunnen de kabinetstaken die de heer Verbeke heeft waargenomen, moeilijk worden verzoend met de kwalificatie van een voorbeeldige toewijding aan de diplomatie. Ministens is niet duidelijk waarom dit het geval zou zijn. En er is meer. Het is volstrekt onduidelijk op welke wijze de beoordeling van titels en verdiensten van de heer Verbeke überhaupt kan worden betrokken op één van de toetsingscriteria. Deze beoordeling is een onverkorte boutade: er valt niet uit te maken in welk of welke concrete dossiers de dossierkennis van de heer Verbeke uitzonderlijk is. Evenmin is geweten op welke wijze hij heeft bijgedragen tot ‘zeer snelle en zeer goede resultaten’, die zouden zijn bereikt op niet nader gepreciseerde domeinen.” 7.
  29. De verwerende partij antwoordt dat de verzoeker uit de veronderstelling dat bepaalde criteria voor de benoemde kandidaat niet zouden zijn besproken, ten onrechte afleidt dat het bestreden besluit tot stand gekomen is zonder een deugdelijke vergelijking van titels en verdiensten. Volgens de verwerende partij was het voor het directiecomité niet nodig om voor elke kandidaat uitdrukkelijk elk van de vijf door het comité gehanteerde criteria te bespreken. Het was voldoende om een criterium alleen uitdrukkelijk te vermelden indien een kandidatuur voor dat criterium bijzondere aandacht verdiende in positieve of negatieve zin, zodat dat criterium onderscheidend werkte ten overstaan van de andere kandidaturen. Voorts voert de verwerende partij aan dat uit het bestreden besluit zeer duidelijk blijkt om welke redenen de dossierkennis, de beschikbaarheid, de inzet, de prestaties en de bekwaamheid om te beheren van Johan Verbeke onderscheidend werken ten overstaan van de andere kandidaturen. 7.3.
  30. In de notulen van de vergadering van 4 februari 2005 overweegt het directiecomité dat het zich voorneemt niet in detail alle professionele ervaringen en dienststaten van de kandidaten exhaustief op te noemen, gelet op het feit dat de leden over de dienststaten van alle kandidaten beschikken. Bepaalde markante feiten, zowel positief als negatief, zullen wel in de beoordeling worden opgenomen, om de mate waarin de kandidaten beantwoorden aan de vooropgestelde criteria te staven of te illustreren. Anders dan de verzoeker aanvoert, kan een schending van de verplichting tot behoorlijke vergelijking van de kandidaten niet afgeleid worden uit het enkele feit dat in verband met een bepaald criterium alleen dan een uitdrukkelijke vermelding wordt gemaakt bij de bespreking van een kandidaat, IX-5257-19/22 indien de kandidatuur voor dat criterium bijzondere aandacht verdient in positieve of negatieve zin, derwijze dat dit criterium onderscheidend werkt ten overstaan van de andere kandidaturen. Evenmin leidt die werkwijze ertoe dat de beoordeling van de kandidaten de rechtens vereiste feitelijke grondslag mist. In zoverre de verzoeker aan de beoordeling van de titels en de verdiensten van Johan Verbeke verwijt dat ze niet uitdrukkelijk ingaat op elk van de vijf criteria, kan het middel niet worden aangenomen. 7.3.
  31. Het middel bevat ook een aantal precieze grieven tegen de motieven vervat in het bestreden koninklijk besluit. Die grieven komen erop neer dat de verzoeker aan dat besluit verwijt dat het op een aantal punten feitelijke grondslag mist, minstens dat het niet duidelijk is welke de feitelijke grondslag zou zijn. De Raad van State zal de desbetreffende grieven één na één onderzoeken. 7.3.2.
  32. De verzoeker verwijt aan het bestreden besluit dat het overweegt dat Johan Verbeke een collega is “met een voorbeeldige toewijding [...] aan de diplomatie”. Volgens de verzoeker zijn er onder de kandidaten diplomaten die reeds veel langer en ononderbroken zo'n toewijding betonen, en kunnen de kabinetstaken die Johan Verbeke heeft waargenomen, moeilijk worden verzoend met de kwalificatie van een voorbeeldige toewijding aan de diplomatie. In de motieven van het bestreden besluit wordt, wat de loopbaan van Johan Verbeke betreft, verwezen naar zijn opeenvolgende functies van adjunct- directeur-generaal van de Politiek, kabinetschef van de Staatssecretaris voor Buitenlandse Handel, de Staatssecretaris toegevoegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister toegevoegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken, belast met Landbouw, directeur van de beleidscel Buitenlandse Zaken en permanent vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties te New York. Het is juist dat die functies, met uitzondering van de laatstgenoemde, niet rechtstreeks de functies van een diplomaat zijn. Dit neemt echter niet weg dat het niet kennelijk onredelijk is om te oordelen dat Johan Verbeke bij het uitoefenen van de kabinetstaken en de taken op het Hoofdbestuur blijk heeft gegeven van toewijding aan de diplomatie. De IX-5257-20/22 verzoeker brengt geen concrete gegevens aan die wijzen op het onredelijke van die beoordeling. De omstandigheid dat andere kandidaten, waaronder de verzoeker, evenveel of zelfs meer toewijding aan de diplomatie hebben betoond, doet geen afbreuk aan de beoordeling die desaangaande over Johan Verbeke wordt gegeven. 7.3.2.
  33. Voorts verwijt de verzoeker aan het bestreden besluit dat het overweegt dat “de dossierkennis van de heer Verbeke uitzonderlijk is”, zonder dat verwezen wordt naar concrete dossiers. De beoordeling van de dossierkennis van Johan Verbeke is een beoordeling van algemene aard. Voor de regelmatigheid van die beoordeling is niet vereist dat verwezen wordt naar concrete dossiers. De verzoeker van zijn kant voert geen concrete gegevens aan waaruit zou moeten blijken dat die beoordeling kennelijk onredelijk is. 7.3.2.
  34. Ten slotte verwijt de verzoeker aan het bestreden besluit dat het overweegt dat Johan Verbeke “zeer snelle en zeer goede resultaten aflevert”, zonder dat verwezen wordt naar concrete resultaten. Ook deze beoordeling is er een van algemene aard. Voor de regelmatigheid van die beoordeling is niet vereist dat verwezen wordt naar concrete resultaten. De verzoeker van zijn kant voert geen concrete gegevens aan waaruit zou moeten blijken dat die beoordeling kennelijk onredelijk is. 7.3.2.
  35. In zoverre het middel bepaalde onderdelen van de beoordeling van Johan Verbeke bekritiseert, kan het evenmin worden aangenomen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  36. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  37. IX-5257-21/22 De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 31 maart 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, B. THYS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-5257-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.101 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.536 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.