← België

Arrêt / Arrest 192102 - Fonction publique locale - Recrutement et carrière / Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 31/03/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.102 Rolnummer: A. 183297/AGAV-110 Zaak: Arrêt / Arrest 192102 - Fonction publique locale - Recrutement et carrière / Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 31/03/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-02 Raadplegingen: 132 - laatst gezien 2026-06-30 01:01 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 192.102 van 31 maart 2009 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing Nederlandse tekst (titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973). RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. Nr. 192.102 van 31 maart 2009 A.183.297/g-110 In zake : BEQUET Freddy, route de Mons 45 7130 Binche, tegen : de naamloze vennootschap van publiek recht De Post, die woonplaats heeft gekozen bij Mr. Chris VAN OLMEN, advocaat, Louizalaan 221 1050 Brussel. ------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE ALGEMENE VERGADERING VAN DE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VAN DE RAAD VAN STATE, Gezien het op 15 mei 2007 ingediende verzoekschrift, waarbij Freddy BEQUET de nietigverklaring vordert van de beslissing om hem af te zetten, op 19 maart 2007 genomen door Mark MICHIELS, "Employee & Union Relations Director"; Gelet op het arrest nr. 173.120 van 3 juli 2007, waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de genoemde beslissing wordt gelast; Gelet op de beschikking van 27 februari 2009, waarvan aan de partijen kennis is gegeven en waarbij wordt bepaald dat de zaak voorkomt op de terechtzitting van 17 maart 2009; Gehoord het verslag van de heer CAMBIER, staatsraad; AV - 110n - 1/5 Gehoord de opmerkingen van Mr. M. DETRY, advocaat, die voor verzoeker verschijnt, en van Mr.V. VUYLSTEKE, loco Mr. Chr. VAN OLMEN, advocaat, die voor de verwerende partij verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van de heer NEURAY, eerste auditeur- afdelingshoofd; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de ter zake dienende feiten uiteengezet zijn in het voornoemde arrest nr. 173.120 van 3 juli 2007; Overwegende dat verzoeker een eerste middel ontleent aan de schending van het principe van het parallellisme der vormen en procedures, en aan de onbevoegdheid van de steller van de handeling; dat hij onderstreept dat de beslissing om hem af te zetten genomen is door een persoon in dienst genomen met een arbeidsovereenkomst, terwijl het voorstellen of het opleggen van een tuchtstraf aan een statutair lid, volgens hem, de uitoefening inhoudt van een deel van het openbaar gezag en een zodanige beslissing dus niet kan worden genomen door een contractueel personeelslid; dat hij in zijn pleidooi voorts aanvoert dat krachtens het beginsel van de parallelle bevoegdheden de bevoegdheid om een personeelslid af te zetten moet toekomen aan de benoemingsgerechtigde overheid; dat verzoeker in dit opzicht de delegatie betwist die aan de steller van de bestreden handeling is verleend; dat hij, nog steeds in zijn pleidooi, betwist dat de persoonsgerichte akte van delegatie die op 15 februari 2007 is vastgesteld, die hem niet ter kennis is gebracht en waarvan hij geen kennis heeft kunnen nemen, tegenstelbaar is; Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de omstandigheid dat de humanresourcesmanager een contractueel personeelslid is, conform het bepaalde in artikel 4, § 1, van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken; dat voorts, nog steeds volgens haar, de handelingen die de humanresourcesmanager dient te stellen in de uitoefening van zijn taken niet zouden ressorteren onder de prerogatieven verbonden aan het openbaar gezag; Overwegende dat verzoekers standpunt omtrent de grenzen van de prerogatieven van een contractueel personeelslid geen enkele grondslag ontleent aan de Grondwet, een wet of verordening; dat voor zover het onderscheid dat historisch is ontstaan tussen de organen en de aangestelden nog steeds actueel is, wordt aanvaard dat AV - 110n - 2/5 de hoedanigheid van orgaan niet kan worden ontzegd aan een personeelslid op de grond dat het bij contract in dienst is genomen; dat niet kan worden betwist dat een contractueel personeelslid niettegenstaande de contractuele aard van zijn rechtsverhouding het openbaar gezag waarvoor hij werkt, kan verbinden; dat men zich weliswaar vragen kan stellen omtrent de bevoegdheid van een contractueel personeelslid om handelingen van openbaar gezag te stellen; dat een handeling van openbaar gezag traditioneel wordt gedefinieerd in het licht van de eraan verbonden prerogatieven, waaronder "het privilège du préalable" en het "voorrecht van ambtshalve tenuitvoerlegging"; dat een tuchtstraf uitgesproken ten aanzien van een statutair personeelslid weliswaar een bestuurshandeling is waaraan de voornoemde voorrechten zijn verbonden, maar dat daaruit niet kan worden afgeleid dat die handeling niet tot de bevoegdheid van een contractueel personeelslid kan behoren; Overwegende dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 89/2008 van 11 juni 2008 voor recht gezegd heeft dat artikel 29, § 1, tweede lid, 2/, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt voor zover het aldus geïnterpreteerd wordt dat een humanresourcesmanager bij contract in dienst kan worden genomen; dat de mogelijkheid tot een zodanige indienstneming geen enkele nuttige werking zou hebben indien aan die manager de bevoegdheid wordt ontzegd om dwingende persoonsgerichte maatregelen te nemen ten aanzien van het personeel waarvan hem het beheer is toevertrouwd; dat het middel derhalve niet gegrond is in zoverre het de uitoefening van tuchtrechtelijke bevoegdheid door een contractueel personeelslid laakt; Overwegende dat de regel van het "parallellisme der vormen en procedures", aangevoerd door verzoeker, enkel betekent dat de overheid die bevoegd is om een administratieve beslissing te nemen, bij ontstentenis van een andersluidende bepaling ook de overheid is die bevoegd is om, naargelang van het geval met of zonder terugwerkende kracht, een einde te maken aan de gevolgen van die beslissing en dat ze daarbij een soortgelijke procedure moet volgen als die welke gevolgd is om de beslissing te nemen; dat ze geen enkel verband in het leven roept tussen de persoonlijke situatie - statutair of contractueel - van een personeelslid en die van de personen ten aanzien van wie de beslissingen worden genomen die dat personeelslid gerechtigd is te nemen; dat het middel niet gegrond is in zoverre het op die regel steunt; Overwegende dat artikel 118, § 2, van het statuut van de personeelsleden van De Post bepaalt dat de tuchtrechtelijke bevoegdheid ten aanzien van de personeelsleden met een graad lager dan rang 15 wordt uitgeoefend door de AV - 110n - 3/5 gedelegeerd bestuurder of diens gemachtigde; dat in het onderhavige geval de gedelegeerd bestuurder bij een beslissing van 15 februari 2007 aan de "Employee & Union Relations Director" de bevoegdheid heeft overgedragen om zich uit te spreken omtrent het tuchtdossier opgesteld ten laste van verzoeker; dat een zodanige delegatie persoonsgericht is daar ze alleen verzoekers tuchtdossier betreft; dat een zodanige delegatie ten aanzien van verzoeker tegenstelbaar moet zijn wil ze een geldige grondslag kunnen opleveren met betrekking tot de bevoegdheid van de steller van de bestreden handeling; dat het ondenkbaar is dat, gelet op het vertrouwelijke karakter van tuchtprocedures, de beslissing van 15 februari 2007 houdende persoonsgerichte delegatie zou zijn bekendgemaakt door aanplakking of zou zijn ter kennis gebracht van het volledige personeel van De Post; dat in die omstandigheden de verwerende partij verzoeker in kennis had moeten stellen van de beslissing tot delegatie die voor het behandelen van zijn tuchtdossier was genomen; dat een zodanige kennisgeving bovendien moet voorafgaan aan het nemen van de tuchtstraf; dat de omstandigheid dat een personeelslid ervan op de hoogte moet zijn welke tuchtoverheid bekleed is met beslissingsbevoegdheid, immers een corollarium is van de rechten van verdediging, daar zulks onder meer een weerslag heeft op de eventuele uitoefening van het recht tot wraking; dat de verwerende partij nalaat aan te tonen dat de akte van delegatie ten aanzien van verzoeker tegenstelbaar is; dat het middel derhalve gegrond is in zoverre het de tegenstelbaarheid ter discussie stelt van de delegatie die de steller van de handeling aanhaalt als grondslag voor zijn bevoegdheid; BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing om Freddy BEQUET af te zetten, op 19 maart 2007 genomen door Mark MICHIELS, "Employee & Union Relations Director". Artikel 2. De kosten, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting, op eenendertig maart tweeduizend en negen door de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarop aanwezig waren: Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van state, AV - 110n - 4/5 de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, M. LEROY, kamervoorzitter, J. MESSINNE, kamervoorzitter, R. STEVENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. O. DAURMONT, staatsraad, de HH. P. LEWALLE, staatsraad, J. VANHAEVERBEEK, staatsraad, J. LUST, staatsraad, Fr. DAOUT, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, I. KOVALOVSZKY, staatsraad, J. CLEMENT, staatsraad, Mevr. P. VANDERNACHT, staatsraad, de HH. M. PAQUES, staatsraad, St. DE TAEYE, staatsraad, L. CAMBIER, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. D. LANGBEEN, hoofdgriffier. De Hoofdgriffier, De Voorzitter van de Raad van State, D. LANGBEEN. M.-R. BRACKE. AV - 110n - 5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.102 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.173.120 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.033 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.329 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.