← België

Arrest 192136 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 02/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.136 Rolnummer: A. 106526/XII-3178 Zaak: Arrest 192136 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 02/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-14 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-30 01:17 Fiche Arrest nr 192.136 van 2 april 2009 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.136 van 2 april 2009 in de zaak A. 106.526/XII-

  1. In zake : de STAD PEER, die woonplaats kiest bij advocaat W. Mertens, kantoor houdende te Beringen, Scheigoorstraat,
  2. tegen : de GOUVERNEUR VAN DE PROVINCIE LIMBURG. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de stad Peer op 28 juni 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 24 april 2001 van de gouverneur van de provincie Limburg waarin haar bijdrage in de kosten van de brandbestrijding voor het jaar 1999 definitief wordt vastgelegd op 6.850.224 frank; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 9 november 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag en gezien de laatste memorie van verwerende partij; Gelet op de beschikking van 16 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-3178-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Beelen, die loco advocaat W. Mertens verschijnt voor verzoekster, en van bestuurssecretaris T. Roosen, die verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak
  3. De wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming regelt in hoofdstuk II de gemeentelijke en de gewestelijke brandweerdiensten. Overeenkomstig artikel 10 worden de gemeenten van iedere provincie voor de algemene organisatie van brandweerdiensten in gewestelijke groepen ingedeeld. Deze bestaan uit, eensdeels, een gemeente die er als gewestelijk groepscentrum toe gehouden is over een brandweerdienst te beschikken en, anderdeels, de overige gemeenten die ertoe gehouden zijn hetzij een brandweerdienst te behouden of op te richten, hetzij een beroep te doen op de brandweerdienst van de gemeente die het centrum van die groep vormt. De gemeenten die niet over een eigen brandweerdienst beschikken en een beroep doen op die van de gemeente-gewestelijk groepscentrum, de “beschermde” gemeenten, betalen daarvoor een forfaitaire en jaarlijkse bijdrage. Volgens de formule in artikel 8 van het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 tot vaststelling van de normen voor het bepalen van de forfaitaire en jaarlijkse bijdrage bedoeld in artikel 10 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming, gebeurt de berekening van die bijdrage rekening houdende met de “kosten van al de gemeenten-gewestelijk groepscentrum van de categorie waartoe de gemeente behoort, [...] na aftrek van de aandelen gedragen door de gemeente- gewestelijke groepcentra van bedoelde categorie”.
  4. Verzoekster wordt inzake brandbestrijding bediend door de brandweerdienst van de stad Bree, die door de gouverneur van de provincie Limburg aangewezen is als centrum van de gewestelijke groep. Die gewestelijke XII-3178-2/11 brandweerdienst is door de minister van Binnenlandse Zaken ingedeeld bij categorie Z. Tot deze categorie Z behoort ook de gemeente-gewestelijk groepscentrum Heusen-Zolder.
  5. Op 13 december 2000 ondertekent de gouverneur van de provincie Limburg de staat betreffende de forfaitaire bijdragen van de gemeenten in de kosten van de brandweerdiensten van de provincie Limburg voor het jaar
  6. Blijkens die staat wordt, om het aandeel vast te stellen dat de gemeenten-gewestelijke groepscentra zelf jaarlijks bijdragen in de in aanmerking komende kosten van hun brandweerdiensten, een zogenaamde “inspanningsindex” gehanteerd, die berekend wordt volgens een vastgestelde formule, en waarbij verder op het eigen aandeel van de centrumgemeenten van de Z-korpsen een korting wordt toegepast van maximum 25 % voor zover de inspanningsindex van deze centrumgemeenten hoger ligt dan een door een Z-korps beschermde gemeente, en het eigen procentueel aandeel van de groepscentra die te weinig inspanningen leveren ten opzichte van hun beschermde gemeenten wordt opgetrokken tot maximum -25 % van het eigen procentueel aandeel. Met een brief van 15 januari 2001 deelt de gouverneur aan het college van burgemeester en schepenen van de stad Peer de berekening mee van de bijdrage van de stad Peer in de kosten voor brandbestrijding voor het jaar
  7. Die bijdrage beloopt 6.850.224 frank. Op 21 februari 2001 besluit de gemeenteraad van de stad Peer een ongunstig advies te geven omtrent de vaststelling van de bijdrage van de stad in de kosten voor brandbestrijding voor het dienstjaar 1999, omdat de inspanningsindex van de Z-korpsgemeente Heusden-Zolder beduidend lager ligt in vergelijking met alle andere Z-gemeenten, waardoor de bijdrage van de gemeente Heusden-Zolder onrechtmatig lager is in vergelijking met de andere Z-gemeenten. Volgens de gemeenteraad moet het uiteindelijk resultaat zijn “dat de inspanningsindex van de groepscentrum-gemeenten nooit lager mag liggen dan deze van de door hen beschermde gemeenten”. XII-3178-3/11 Op 24 april 2001 besluit niettemin de gouverneur van de provincie Limburg de bijdrage van de stad Peer in de kosten van de brandbestrijding voor het jaar 1999 definitief vast te leggen op 6.850.224 frank. Dit is de bestreden beslissing. De motivering luidt : “Gelet op het besluit van 21 februari 2001 van de gemeenteraad van de stad Peer, waarbij ongunstig advies wordt gegeven omtrent de vaststelling van de bijdrage in de kosten voor brandbestrijding voor het dienstjaar 1999 omdat de inspanningsindex van de Z-korpsgemeente Heusden-Zolder beduidend lager ligt in vergelijking met alle andere Z-gemeenten, zowel de korpsgemeenten als de door hen beschermde gemeenten; dat meer bepaald Heusden-Zolder een inspanningsindex van 46 heeft, terwijl de andere Z-gemeenten allen een inspanningsindex hebben van minimaal 75 waardoor de bijdrage over het jaar 1999 van de gemeente Heusen-Zolder onrechtmatig lager is in vergelijking met de andere Z-gemeenten; Gelet op de wiskundig-technische implicaties van de door artikel 8 van het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 tot vaststelling van de normen voor het bepalen van de forfaitaire en jaarlijkse bijdrage bedoeld in artikel 10 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming, voorziene vaste berekeningsformules; Gelet op de bevoegdheid die de provinciegouverneur wordt toegekend in artikel 5 van bovenvermeld ministerieel besluit om de in aanmerking komende kosten van de gemeente-gewestelijk groepscentrum van categorie Z te verhogen met een som welke niet boven 25 % van de kosten mag uitgaan en bestemd is tot dekking van de eventuele interventies ter versterking van de Y-centra; Gelet op de bevoegdheid die de provinciegouverneur wordt toegekend in artikel 7 van bovenvermeld ministerieel besluit om het aandeel in de in aanmerking komende kosten van de gemeente-gewestelijk groepscentrum vast te stellen rekening houdend met de regionale en lokale omstandigheden; Overwegende dat mijn ambt het eigen aandeel van de gemeenten- gewestelijk groepscentrum heeft vastgesteld gebruik makende van de bevoegdheid haar toegekend door artikel 7 voornoemd; dat hierbij geen rekenkundige formule wordt voorgeschreven en dat mijn ambt daarom sedert 1996 de inspanningsindex hanteert op het eigen aandeel van de gemeenten-gewestelijk groepscentrum; dat deze inspanningsindex alleen maar een correctie kan zijn op het door mijn ambt vastgestelde percentage eigen aandeel van de gemeenten- gewestelijk groepscentrum, waarbij als norm werd vastgesteld minimum 50% voor de Z-korpsen en minimum 60% voor de Y-korpsen; dat deze lineaire toepassing van verhoging van eigen aandeel voor sommige korpsgemeenten te zwaar werd ervaren en dat daarom bijkomend een ander criterium wordt aangewend om de verdeling van de kosten tussen de gemeenten-gewestelijk groepscentrum en de beschermde gemeenten billijker te verdelen; Overwegende dat op de staat betreffende de forfaitaire bijdragen van de gemeenten in de kosten van de brandweerdiensten van de provincie Limburg voor het jaar 1999 de invloed van de inspanningsindex op het eigen aandeel van de korpsgemeenten duidelijk te merken is; dat in concreto het percentage eigen aandeel van de gemeente Heusden- Zolder is gestegen van 51% (wat normaal reeds boven de 50% is) tot 68%; dat de gemeente Heusden-Zolder daarmee het hoogste percentage eigen aandeel heeft van de Z-korpsgemeenten, centrum van een groep met beschermde gemeenten; XII-3178-4/11 Overwegende dat mijn ambt, naar analogie van de beperking van 25% zoals bedoeld in artikel 5 van bovenvermeld ministerieel besluit, ook bij de inspanningsindex een grendel van 25% heeft gezet op de verhoging of verlaging van het percentage eigen aandeel; dat mijn ambt deze grendel heeft ingebouwd om te voorkomen dat onredelijke disproporties zouden ontstaan in de vaststelling van het percentage eigen aandeel van de gemeenten-gewestelijk groepscentrum; Overwegende dat mijn ambt voor de berekening van de bijdragen voor het jaar 1999 op maximale wijze een bijsturing heeft gedaan om de druk op de beschermde gemeenten te verlichten, dat wil zeggen dat verdere bijsturing disproporties doet ontstaan ten nadele van de korpsgemeenten die niet meer redelijk en derhalve ook niet meer verdedigbaar zijn; Overwegende dat het aandeel van de stad Peer in de kosten van de brandbestrijding voor 1999 derhalve dient te worden behouden, zoals door ons is vastgesteld op 13 december 2000; Gelet op artikel 9 van bovenvermeld ministerieel besluit”. De grond van de zaak Standpunt van de partijen
  8. Verzoekster leidt een eerste middel af uit “de schending van artikel 3, artikel 7 en artikel 8 van het Ministerieel Besluit van 10 oktober 1977 tot vaststelling van de normen voor het bepalen van de forfaitaire en jaarlijkse bijdrage, bedoeld in artikel 10 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming”. Toegelicht wordt in essentie dat de verwerende partij de door haar gehanteerde inspanningsindex ter bepaling van de aandelen te dragen door de gemeenten-gewestelijke groepscentra, in het bestreden besluit louter en alleen verantwoordt op grond van de zinsnede “rekening houdend met de regionale en lokale omstandigheden” in artikel 7 van voormeld ministerieel besluit, terwijl noch aan dit artikel noch aan de overige door het middel geschonden geachte artikelen enige concrete rechtsgrond kan worden ontleend om de toepassing van de inspanningsindex te ondersteunen.
  9. De verwerende partij betoogt in de memorie van antwoord dat zij, gelet op artikel 7 van het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 dat bepaalt dat het aandeel van de centrumgemeenten moet worden vastgesteld “rekening houdend met de regionale en lokale omstandigheden”, een ruime appreciatiebevoegdheid heeft bij de vaststelling van de aandelen te dragen door de centrumgemeenten, dat zij de inspanningsindex dan ook wettig mag en mocht hanteren als beleidsrichtlijn bij het invullen van die ruime discretionaire bevoegdheid, dat er voor het overige immers geen voorschriften zijn opgenomen inzake de berekening van de aandelen te dragen XII-3178-5/11 door de centrumgemeenten, dat de inspanningsindex onrechtstreeks ook zijn weerslag heeft op de bijdragen die door de beschermde gemeenten moeten worden betaald, dat dit verband evenwel volledig voortvloeit uit de artikelen 2, 7 en 8 van het ministerieel besluit, vermits conform de formule vermeld in artikel 8 de bijdrage van de beschermde gemeenten onder meer afhankelijk is van de aandelen gedragen door de gemeenten-groepscentra van de betrokken categorie (factor “F”), dat de door haar gehanteerde berekeningswijze geenszins in strijd is met het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 vermits zij het aandeel van de gemeenten-gewestelijke groepscentra in de kosten van de brandbestrijding, en onrechtstreeks dus ook de bijdragen van de beschermde gemeenten, wettig kan berekenen “rekening houdend met de regionale en lokale omstandigheden”, dat deze zinsnede een ruime appreciatiebevoegdheid impliceert, en dat verzoekster in haar advies geen kritiek had op de toepassing als dusdanig van de inspanningsindex.
  10. In de laatste memorie doet verwerende partij bijkomend gelden dat het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 wel degelijk concrete normen heeft bepaald voor de vaststelling door de gouverneurs niet alleen van de forfaitaire en jaarlijkse bijdragen die de zogenaamde beschermde gemeenten moeten betalen voor de kosten van de brandweerdiensten, maar ook voor de vaststelling van de eigen aandelen die de gemeenten-gewestelijke groepscentra zelf moeten dragen in deze kosten, dat voormeld besluit een “samenhangend geheel van normen” vaststelt, dat artikel 7 van voormeld besluit weliswaar een ruime discretionaire bevoegdheid heeft verleend aan de gouverneur voor wat het aandeel betreft van de centrumgemeenten, doch dit geenszins betekent dat dit artikel 7 onwettig zou zijn en buiten toepassing gelaten moet worden, dat nergens uit artikel 10 van de wet van 31 december 1963 blijkt dat de wetgever de bedoeling had aan de minister op te dragen “concrete en precieze” normen vast te stellen voor de omslag van de brandweeruitgaven van de betrokken gemeenten, in die zin dat de gouverneur zijn bevoegdheid zou moeten uitoefenen op grond van een geheel van “normen” die elke appreciatie van zijn ambt in functie van regionale en lokale omstandigheden zou uitsluiten, dat er voor de minister afdoende redenen waren om artikel 7 te formuleren als hij deed aangezien in het vroegere ministerieel besluit van 24 januari 1973 voor de berekening van het eigen aandeel wél vaste percentages waren opgelegd en deze regeling bij de opheffing van dit ministerieel besluit niet werd behouden in het nieuwe ministerieel besluit van 10 oktober 1977, waaruit volgt dat er dus bewust voor gekozen werd om terzake een ruime discretionaire bevoegdheid toe te kennen aan de gouverneur, en XII-3178-6/11 dat ook op andere punten een ruime discretionaire bevoegdheid is verleend aan de gouverneur. Tevens stelt verwerende partij dat in het ministerieel besluit wel degelijk parameters, criteria en berekeningsformules zijn bepaald voor de vaststelling van de bijdragen van de beschermde gemeenten en daardoor dus ook voor de eigen aandelen van de centrumgemeenten, dat de Raad van State in het arrest nr. 81.871 van 16 juli 1999 heeft overwogen dat de gemeenten zelf niet meer bevoegd zijn om te beslissen over het belang dat ze kunnen hebben bij de brandweeruitgaven of over de mate waarin ze daarin moeten bijdragen “gelet op de nauwkeurigheid van de normen voor de bepaling van de bijdrage die de bediende gemeenten moeten betalen - en bijgevolg van het aandeel van de gemeente die het centrum van de groep vormt” en dat daarin eveneens werd bepaald dat niet alleen de criteria voor de berekening van de jaarlijkse en forfaitaire bijdrage van de beschermde gemeenten, maar ook “de criteria met betrekking tot de in aanmerking te nemen kosten en het aandeel dat ten laste blijft van de gemeente die het centrum van de groep vormt” zijn “vastgesteld”. Bijgevolg werden er, aldus verwerende partij, wel degelijk door de minister “normen” vastgesteld voor de bepaling door de gouverneur van het aandeel van de centrumgemeenten en was er wel degelijk daarvoor een rechtsgrond voorhanden; er anders over oordelen, in die zin dat onder normen enkel “concrete en precieze” normen kunnen worden verstaan, strijdt overigens met de filosofie van artikel 10 van de wet van 31 december 1963, dat immers net de bevoegdheid om het aandeel van de gemeenten-gewestelijke groepscentra in de kosten van hun brandweerdiensten te bepalen aan de gouverneur toewees om de verdeling van bijdragen te kunnen moduleren in functie van regionale en lokale omstandigheden. Beoordeling
  11. Verzoekster is het niet eens met de wijze waarop de bijdragen van de gemeenten-gewestelijke groepscentra, inzonderheid die van de gemeente Heusden-Zolder, worden berekend, en daardoor ook haar eigen bijdrage. Volgens het middel mist de berekening van die bijdragen een concrete rechtsgrond ter ondersteuning van de toepassing van de inspanningsindex. XII-3178-7/11
  12. Naar de bestreden beslissing zelf aangeeft, zoekt verwerende partij die rechtsgrond in het artikel 7 van het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 tot vaststelling van de normen voor het bepalen van de forfaitaire en jaarlijkse bijdrage bedoeld in artikel 10 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming. Luidens artikel 10, vierde lid, van de wet van 31 december 1963 “neemt de gemeente-centrum van een gewestelijke groep deel in de kosten van de brandweerdiensten met een aandeel, vastgesteld door de provinciegouverneur overeenkomstig de normen die zijn bepaald door de minister tot wiens bevoegdheid de Binnenlandse Zaken behoren”. Artikel 7, tweede zin, van het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 bepaalt: “Dit aandeel [van de gemeente-gewestelijk groepscentrum in de in aanmerking komende kosten van haar brandweerdienst] wordt door de gouverneur van de provincie vastgesteld rekening houdend met de regionale en lokale omstandigheden”.
  13. Gewis spoort het artikel 7 met het vierde lid van artikel 10 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming in zoverre in dat vierde lid wordt bepaald dat het aandeel van de gemeente-centrum van een gewestelijke groep in de kosten van de brandweerdiensten door de provincie- gouverneur wordt vastgesteld. Anders is het in zoverre volgens datzelfde lid de provinciegouverneur het aandeel van de gemeente-centrum van een gewestelijke groep vaststelt “overeenkomstig de normen die zijn bepaald door de minister tot wiens bevoegdheid de Binnenlandse Zaken behoren”. Wat dat betreft schrijft immers het artikel 7 van het ministerieel besluit van 10 oktober 1977, waarvan de betreden beslissing toepassing maakt, alleen voor dat het aandeel wordt vastgesteld “rekening houdend met de regionale en lokale omstandigheden”. Zoals de Raad van State reeds meermaals oordeelde, laatst in zijn arrest nr. 180.934 van 12 maart 2008, en zoals ook te dezen wordt aangenomen, maakt een dergelijk vage en onprecieze formulering geen norm uit, in de zin van artikel 10, vierde lid, van de wet van 31 december 1963, die van aard is de door dat lid aan de gouverneur toebedeelde bevoegdheid op een voldoende nauwkeurige XII-3178-8/11 wijze te omschrijven. Dat is des te meer waar, gelet op het feit dat met betrekking tot de bijdrage verschuldigd door de beschermde gemeenten -welke bijdrage volgens artikel 10, vijfde lid, van de wet van 31 december 1963 evengoed door de provinciegouverneur moet worden vastgesteld overeenkomstig de normen bepaald door de minister tot wiens bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoort-, het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 dan weer wél de criteria bepaalt die in aanmerking genomen moeten worden (artikel 3) en de daarop gebaseerde mathematische formule die de gouverneur moet toepassen voor de berekening van de bijdrage (artikel 8).
  14. Dat er bij het invoeren van het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 en de opheffing van het vroegere ministerieel besluit bewust voor gekozen zou zijn om de normen voor de vaststelling van het aandeel van de centrumgemeenten in algemene bewoordingen te bepalen en om een ruime discretionaire bevoegdheid toe te kennen aan de gouverneur, doet niet terzake, evenmin als het feit dat het ministerieel besluit “ook op andere punten” -artikelen 4, 5 en 6- een ruime discretionaire bevoegdheid aan de gouverneur zou verlenen. Het gaat er te dezen niet om of de minister bij het nemen van het besluit van 10 oktober 1977 gewild heeft de normen inzake het aandeel van de gemeente-gewestelijk groepscentrum algemeen en vaag te houden, maar wel of hij dat rechtmatig mocht willen en of hij in welbepaald artikel 7 van het besluit van 10 oktober 1977 aan de provinciegouverneurs al dan niet een te ruime bevoegdheid heeft toegekend.
  15. Voorts meent de verwerende partij tevergeefs dat het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 wel degelijk “normen” heeft vastgesteld voor de bepaling van het eigen aandeel van de centrumgemeenten door, namelijk, nauwkeurig de normen voor de bepaling van de bijdrage van de beschermde gemeenten vast te stellen en “bijgevolg” of “daardoor dus ook” van het aandeel van de centrumgemeente. Anders dan alzo gesuggereerd wordt, is immers het eigen aandeel van de centrumgemeenten niet zomaar af te leiden uit de bepaling van de bijdrage van de beschermde gemeenten. Integendeel is de kennis van het aandeel gedragen door de gemeenten-gewestelijke groepscentra (van de categorie waartoe de beschermde gemeente behoort) een voorwaarde om de bijdrage van de beschermde XII-3178-9/11 gemeente te kunnen berekenen. Verwerende partij geeft het met zoveel woorden in de memorie van antwoord toe: “conform de formule vermeld in artikel 8 is de bijdrage van een beschermde gemeente, o.m. afhankelijk van de aandelen gedragen door de gemeenten-groepscentra van de betrokken categorie, zie de factor ‘F’”.
  16. Volledigheidshalve is overigens op te merken dat blijkbaar precies vanwege de klacht dat de delegatie aan de provinciegouverneur in het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 te ruim is en derhalve strijdig met de wet van 31 december 1963, artikel 10 van die wet gewijzigd werd door de wet van 20 juli 2005 houdende diverse bepalingen (Parl. St. Kamer, 2004-2005, 51-1845/19, p. 10 e.v.) en het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 vervangen is geworden door het koninklijk besluit van 25 oktober 2006 tot vaststelling van de normen voor de bepaling van de in aanmerking komende kosten en het aandeel, bedoeld in artikel 10 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming - in welk koninklijk besluit thans gespecificeerd wordt, in artikel 4, dat het aandeel van de gemeente-centrum van een gewestelijke groep in de in aanmerking komende kosten wordt bepaald “op basis van een formule die identiek is voor alle gemeenten die over een brandweerdienst van eenzelfde categorie beschikken” en die tenminste het kadastraal inkomen en het bevolkingscijfer van de betrokken gemeente bevat.
  17. Samenvattend wordt vastgesteld dat artikel 7 van het ministerieel besluit van 10 oktober 1977 de gouverneur een excessieve bevoegdheid toemeet. Door in de bestreden beslissing bij de berekening van het eigen aandeel van de gemeenten-gewestelijk groepscentrum van die bevoegdheid ex artikel 7 toepassing te hebben gemaakt, heeft de gouverneur onwettig gehandeld. Het middel is in deze mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  18. Vernietigd wordt het besluit van 24 april 2001 van de gouverneur van de provincie Limburg waarin de bijdrage van de gemeente Peer in de kosten van XII-3178-10/11 de brandbestrijding voor het jaar 1999 definitief wordt vastgelegd op 6.850.224 frank. Artikel
  19. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee april 2009 , door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3178-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.136 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.