id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.186 Rolnummer: A. 168087/IX-5142 Zaak: Arrest 192186 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 02/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-17 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-30 01:25 Fiche Arrest nr 192.186 van 2 april 2009 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.186 van 2 april 2009 in de zaak A. 168.087/IX-
- In zake : Jacques JANSSENS, wonende te KOKSIJDE, ‘t Riethuise, Pioenrooslaan 7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat I. DE VROE, kantoor houdende te GENT, Begijnhoflaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jacques JANSSENS op 24 november 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 17 september 2005 dat een einde stelt aan de functie van verzoeker, als lid van de examencommissie belast met het afnemen van de examens over de kennis van de Franse of de Nederlandse taal voor de kandidaten voor het ambt van griffier, adjunct-griffier, opsteller en beambte in een griffie; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur M. CELIS, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 9 februari 2009 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 23 maart 2009; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; IX-5142-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat S. VAN HOECKE, die loco advocaat I. DE VROE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
- Verzoeker was lid van de examencommissie belast met het afnemen van de examens over de kennis van de Franse of de Nederlandse taal voor de kandidaten voor het ambt van griffier, adjunct-griffier, opsteller en beambte in een griffie. Op 24 november 2004, tijdens een examen, zou verzoeker racistische uitdrukkingen hebben gebruikt ten overstaan van een kandidate, die op 25 november 2004 klacht indiende bij de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk van de FOD Justitie. Naar aanleiding van deze klacht werden verschillende personen die op de dag van het examen aanwezig waren, ondervraagd. Het betreft, onder meer de voorzitter van de examencommissie en de collega van verzoeker. Deze personen bevestigden de racistische uitlatingen van verzoeker. Verzoeker zelf, die eveneens werd ondervraagd, stelde zich hieromtrent niets te herinneren en was van oordeel niemand te hebben beledigd. Gelet op de verschillende getuigenissen maar ook rekening houdend met het gedrag van verzoeker tijdens deze ondervraging, bevestigde de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk dat het om racistische uitlatingen vanwege verzoeker ging. 1.
- Om die reden en daar dergelijke houding onverenigbaar is met de beginselen tot regeling van de werking van een examencommissie en van aard is om de naam van de FOD Justitie in diskrediet te brengen, werd bij koninklijk besluit van 17 september 2005 een einde gesteld aan de functie van verzoeker als lid van de examencommissie. IX-5142-2/4 1.
- Dit is het thans bestreden besluit. Ontvankelijkheid van het beroep 2.
- In zijn verzoekschrift tot nietigverklaring formuleert verzoeker enkel een aantal opmerkingen “over de feiten vermeld in brief gedateerd 20-10-2005 en uitgaande van het Directoraat-generaal rechterlijke organisatie en steundienst”. De verwerende partij werpt in dit verband een exceptie van niet-ontvankelijkheid op. 2.2.
- Artikel 2, §1, 3/, van het Besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vereist dat het verzoekschrift tot nietigverklaring “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” bevat. De uiteenzetting van een rechtsmiddel vereist dat zowel de rechtsregel of het rechtsbeginsel wordt aangeduid dat zou geschonden zijn, als de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door het bestreden besluit wordt geschonden. Een rechtsmiddel bestaat uit de voldoende en duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel of rechtsbeginsel, zonder dat het vereist is dat in het verzoekschrift de wetsbepalingen worden aangegeven die zouden zijn geschonden. Het is wel nodig dat eventueel summier doch duidelijk de beweerde schending van een rechtsregel of rechtsbeginsel door het besluit wordt aangegeven opdat een middel ontvankelijk zou zijn. 2.2.
- Verzoeker beperkt zich in zijn uiteenzetting in het verzoekschrift tot nietigverklaring tot het formuleren van enkele kritische bedenkingen met betrekking tot het bestreden besluit. Hij duidt in het geheel niet aan welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel hij geschonden acht door het bestreden besluit. In zijn memorie van wederantwoord geeft verzoeker een beschrijving van de samenstelling en werking van de examencommissie en van het verloop van het examen van de kandidate die klacht heeft ingediend tegen verzoeker. Vervolgens herneemt hij het verslag van de Interne Dienst voor Preventie en Bescherming op het Werk van de FOD Justitie en formuleert hieromtrent zijn opmerkingen. Verzoeker duidt aldus evenmin in zijn memorie van wederantwoord aan, welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel hij geschonden acht door het bestreden besluit. Bovendien kan in de regel, het gebrek aan de uiteenzetting van IX-5142-3/4 een rechtsmiddel in het verzoekschrift niet worden rechtgezet door aanvullingen in de memorie van wederantwoord. 2.2.
- Aangezien verzoeker geen rechtsregel en/of rechtsbeginsel aanduidt die volgens hem door het bestreden besluit wordt geschonden, is de exceptie van de verwerende partij gegrond en is het beroep tot nietigverklaring niet ontvankelijk. 2.2.
- Bijgevolg kan terecht een beroep worden gedaan op de “korte debatten procedure”. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 2 april 2009, door : de H. D. MOONS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. D. MOONS. IX-5142-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.186 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.