← België

Arrest 192189 - Rechten, plichten en onverenigbaarheden - 02/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.189 Rolnummer: A. 189956/IX-6094 Zaak: Arrest 192189 - Rechten, plichten en onverenigbaarheden - 02/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-16 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 01:26 Fiche Arrest nr 192.189 van 2 april 2009 Openbaar ambt - Rechten, plichten en onverenigbaarheden Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.189 van 2 april 2009 in de zaak A. 189.956/IX-6094. In zake : Daniël VERRET, die woonplaats kiest bij het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt (VSOA), gevestigd te BRUSSEL, Boudewijnlaan 11 tegen : het Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen, dat woonplaats kiest bij advocaten A. VANDENBERGEN, J. DE VREESE en J. DEBIÈVRE, kantoor houdende te BRUSSEL, Havenlaan 86c b113. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Daniël VERRET op 9 oktober 2008 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring te vorderen van : “de administratieve beslissing van verwerende partij, gedateerd 24 juni 2008 [...] houdende volgende beslissingen met onmiddellijk nadelige rechtsgevolgen voor verzoeker: A. de instructie aan pensioenverzekeraar FORTIS AG N.V. om de uitbetaling aan verzoeker op te schorten van belangrijke onderdelen van zijn pensioen ‘tot wanneer daarover duidelijkheid zou geschapen worden via een vonnis van een Belgische rechtbank of via een wetswijziging. Inmiddels werd door één van uw rechtsvoorgangers een procedure ingespannen voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel’. Instructie die in de bestreden beslissing als volgt is geformuleerd: ‘op het moment dat FIT met de vaststellingen van het Rekenhof werd geconfronteerd, kon zij niet anders dan voorlopig de betaling van de betwiste onderdelen door FORTIS AG te laten opschorten’ De uitbetaling van volgende onderdelen uit het reglement van de groepsver- zekering, plan ‘leven’ van FORTIS AG N.V.- Export Vlaanderen [...] aan verzoeker wordt door die beslissing voor onbepaalde termijn opgeschort: 1. de jaartoelage als onderdeel van het baremieke jaarloon (punt 8, nr. 1 reglement groepsverzekering); 2. een aanvullende weduwe- of weduwnaarsrente bij overlijden van de aangeslotene na de voorziene pensioendatum (punt 3, tweede streepje, punt 8, nr. 2 en punt 20

  1. b)‘in geval van vervroegde pensionering’ reglement groepsverzekering): IX-6094-1/11 3. de wiskundige reserve van het extralegale weduwen/weduwnaars- pensioen (punt 3, derde streepje en punt 13 reglement groeps- verzekering) (de deelname in de winst is hierin inbegrepen) 4. de deelname in de winst leven (punt 10 reglement groepsverzekering) B. de uitbetaling van de indexering en perequaties op het gedeelte van het pensioen dat door verwerende partij niet wordt betwist, zal eveneens worden opgeschort voor onbepaalde termijn [...].” Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, opgemaakt door eerste auditeur J. STEVENS; Gelet op de beschikking van 18 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2008; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, die verschijnt in persoon, en van advocaat J. DEBIÈVRE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. STEVENS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.1. De verzoeker werd, naar eigen zeggen, op 1 maart 1975 benoemd bij de Belgische Dienst voor de Buitenlandse Handel. IX-6094-2/11 Het pensioenstelsel van de vastbenoemde personeelsleden van de genoemde dienst omvatte toentertijd, naast het wettelijke werknemerspensioen, een “complementair extralegaal pensioen op basis van kapitalen ‘leven’ en ‘overlijden’ via een extern groepsverzekeringscontract”. Op 1 januari 1991 werd de verzoeker overgedragen aan het Vlaamse Gewest en toegewezen aan de Vlaamse Dienst voor de Buitenlandse Handel (hierna: VDBH), later “Export Vlaanderen” genoemd en op 1 juli 2005 opgevolgd door het Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen (VLAIO), dit is de verwerende partij. De verzoeker stelt geopteerd te hebben “voor de rechten opgebouwd onder de pensioenverzekering die zou worden verder gezet bij VDBH/Export Vlaanderen” en ingevolge deze keuze ambtshalve te zijn ondergebracht in het “uitdovend contractueel kader”. 1.2. Op 3 februari 2006 rapporteert het Rekenhof aan het Vlaams Parlement over “[de] pensioenverzekering van uitdovend contractuelen bij [Export Vlaanderen]”: “De uitdovend contractuelen van Export Vlaanderen kunnen na hun actieve loopbaan genieten van een werknemerspensioen aangevuld met uitkeringen in het kader van een groepsverzekering. Dit extralegale pensioen bestond al bij de BDBH en moest het verschil tussen een werknemerspensioen en een overheidspensioen overbruggen. Het bijzondere ervan ligt in het feit dat de privé-groepsverzekeraar een eenmalige kapitaalsuitkering kan doen en dat ook andere bezoldigingselementen in aanmerking komen. Dat is meteen de reden waarom de betrokkenen ervoor kozen niet toe te treden tot het statutair kader. De statutairen hebben immers recht op een overheidspensioen [...]. Bij de BDBH mocht het extralegale pensioenvoordeel nooit voordeliger zijn dan het ambtenarenpensioen. Het ISB-EV heeft deze regeling geconsolideerd en bepaalt dat de gezamenlijke voordelen van de groepsverzekering het ambtenarenpensioen nooit mogen overschrijden. Op verscheidene punten biedt het extralegale pensioen de uitdovend contractuelen echter wel een voordeel tegenover het stelsel van de staatspen- sioenen: • Zo bestaat de uitkering van de verzekeraar voor de gehuwde aangeslotenen (zowel bij de uitbetaling van een eenmalig kapitaal als bij de uitkering van een rente) meteen ook al voor een gedeelte uit het overlevingspensioen. De verzekeraar betaalt dit aan de uitdovend contractueel en niet aan de weduwe of weduwnaar. Een overlevingsstaatspensioen kan daarentegen nooit bekomen worden terwijl de partner nog leeft. Het stelsel houdt evenmin rekening met het eventueel hertrouwen van de begunstigde en de cumulatiebeperkingen van het overlevingspensioen. • Bovendien ontvangen de uitdovend contractuelen een deelname in de winst leven. Het gaat om een bedrag dat de verzekeraar jaarlijks IX-6094-3/11 vaststelt, kapitaliseert en samen met het extralegale pensioen uitbetaalt. Deze winstdeelname komt bovenop het extralegale surplus dat het verschil met een ambtenarenpensioen moet overbruggen en is dus voordeliger dan een statutair pensioen. • Ten slotte telt de jaartoelage voor de bepaling van het gemiddelde van het salaris van de laatste vijf jaar mee voor de berekening van het extralegale pensioen. In zoverre dit, zoals gesteld in punt 2.8.1, geen deel kan uitmaken van het ambtenarenpensioen, overschrijdt het extralegale pensioen op die manier ook het wettelijke ambtenarenpensioen. Volgens het agentschap bestaat het doel van de groepsverzekering erin voorzieningen te waarborgen gelijkwaardig met die van het staatspersoneel. Gelijkwaardig zou evenwel niet identiek betekenen, gelet op de aard van het pensioen. Bovendien zou niet kunnen geraakt worden aan de verworven rechten van de aangeslotenen. De wijze van uitbetaling van het overlevingspensioen zou ingegeven zijn door wat van toepassing is in de privé-sector en de semi- publieke sector, zoals bij de universiteiten. Deze elementen kunnen echter geen rechtvaardiging vormen voor het feit dat het extralegale pensioen voordeliger is dan het staatspensioen [...]. Het KB van 27 maart 2003 dat de pensioenwaarborg voor de gewezen BDBH-personeelsleden vastlegt regelt overigens dat bij het vaststellen van die waarborg eerst de BDBH-wedde moet worden gecorrigeerd. 2.8.3 Conclusies De rechtszekerheid over de pensioenregeling en haar budgettaire impact is bij FIT aangetast door de onzekerheid van de statutaire personeelsleden over het meetellen van de jaartoelage voor de berekening van het staatspensioen. De extralegale groepsverzekering biedt de uitdovend contractuelen onterecht uitzicht op betere pensioenvoordelen dan hun vastbenoemde collega's.” 1.3. Ten gevolge van deze bevindingen van het Rekenhof en op basis van een analyse uitgevoerd door externe raadgevers, beslist de raad van bestuur van de verwerende partij op 12 maart 2007 onder meer dat een actieplan moet worden uitgeschreven, waarbij “maximale aandacht [dient] te worden besteed aan risicobeheersing, uitklaring van eventuele onwettelijkheid en correcte opmaak van de reglementering”, en dat “de berekening van wat onbetwistbaar en vaststaand verschuldigd is inzake pensioengelden aan betrokkenen [...] zo snel mogelijk [dient] te worden gemaakt, waarna onmiddellijk tot uitbetaling dient te worden overgegaan”. De gedelegeerd bestuurder wordt gemandateerd om “over te gaan tot regularisering en implementering waar nodig en vereist”. 1.4. In uitvoering van de voormelde beslissing van de raad van bestuur organiseert de verwerende partij op 9 mei 2007 voor de betrokken personeelsleden, waaronder de verzoeker, een informatiesessie over de pensioenproblematiek. 1.5. In een brief van 4 januari 2008 schrijft de gedelegeerd bestuurder aan de verzekeraar Fortis Insurance Belgium: IX-6094-4/11 “Wij verwijzen naar onze bespreking van 28 maart ll. waarop de bevindingen uit het Verslag van het Rekenhof van [februari 2006], en uit het bijkomend onderzoek uitgevoerd in opdracht van de raad van bestuur werden besproken. Ten gevolge hiervan staat de wettigheid van een aantal aspecten van de pensioentoezegging gedaan door [VLAIO] aan haar medewerkers ter discussie. In bijlage vindt u kopie van de brieven die [VLAIO] richt aan haar gewezen medewerkers, de heren L. en D. G., die met vervroegd pensioen zijn vertrokken. Wij hebben uw aangepaste berekeningen goed ontvangen. Zoals afgesproken hebt u de berekeningen opnieuw uitgevoerd zonder rekening te houden met de jaartoelage. Mogen wij u vragen om het ‘extralegaal pensioen’ op deze wijze berekend uit te betalen onder voorbehoud aan de betrokkenen. Voor het extralegaal overlevingspensioen en de wiskundige reserve van de extralegale weduwerente stellen wij voor, zoals u zal lezen in de brieven in bijlage, dat u voorlopig deze sommen onder zich houdt, tenminste indien de twee betrokkenen het daarmee eens zijn, en dit in afwachting van de uitspraak van de rechter. Indien betrokkenen het er niet mee eens zijn, dan is ons voorstel dat er tot kantonnement wordt overgegaan.” Eén van de in die brief genoemde, oprustgestelde personeelsleden dagvaardt op 30 januari 2008 Fortis Insurance Belgium, alsook de verwerende partij en haar gedelegeerd bestuurder voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel teneinde de uitbetaling van het betwiste gedeelte van zijn aanvullend pensioen te verkrijgen. 1.6. Op 1 februari 2008 wordt ook de verzoeker op rust gesteld. 1.7. In een brief van 4 mei 2008 schrijft hij aan de gedelegeerd bestuurder: “Op 1 februari 2008 ben ik door VLAIO op rust gesteld en tot op heden mocht ik nog steeds geen uitkering van mijn aanvullend pensioen ontvangen. Ik heb in de voorbije drie maanden van uw diensten hieromtrent geen enkele verklaring of toelichting mogen ontvangen en zie dan ook geen enkele reden waarom mijn aanvullend pensioen nog niet integraal is uitbetaald. Bijgevolg zou ik U met aandrang willen verzoeken mij vóór 19/05/2008 alle details te willen bezorgen van de renteberekening, die door uw diensten werd overgemaakt aan Fortis Employee Benefits, teneinde Fortis in staat te stellen over te gaan tot de integrale uitbetaling van mijn aanvullend pensioen. Begin 2008 werden de lonen, sociale uitkeringen en pensioenen aangepast aan de index. Dit is blijkbaar nog niet gebeurd voor het pensioencomplement dat [VLAIO] mij verschuldigd is. Mag ik U verzoeken ook hieromtrent de nodige schikkingen te willen treffen.” IX-6094-5/11 1.8. Met een aangetekende brief van 24 juni 2008 antwoordt de algemeen directeur van de verwerende partij: “Voorafgaand aan uw pensioen werd u via de voorlichtingssessie van 9 mei 2007 en het gesprek met mezelf (wat de heer Verret betreft), ingelicht over de problematiek die zich stelt inzake de uitbetaling van het extralegale pensioen. De problematiek is, samengevat, drieërlei: 1. mag/moet de vroegere variabele vergoeding meegenomen worden als loon in de basisberekening van het extralegale pensioen, terwijl dit niet het geval is bij het RSZ werknemerspensioen? 2. mag het overlijdenskapitaal uitbetaald worden op het ogenblik van pensionering of dient dit pas te worden betaald aan de weduwe/weduwnaar na overlijden van de gewezen werknemer? 3. indien op beide vragen positief moet geantwoord worden, quid met de toepassing van de Wet Wijninckx die de pensioenen aftopt in zoverre zij overschrijden wat de werknemer zou hebben ontvangen indien hij ambtenaar zou zijn geweest en dus dito pensioen zou hebben gekregen. [VLAIO], als rechtsopvolger van BDBH, VDBH en Export Vlaanderen, heeft deze problemen niet zelf gecreëerd. Na het klokkenluiderdossier formuleerde het Rekenhof in zijn verslag zoals dit werd meegedeeld aan het Vlaams Parlement op 3 februari 2006 over de pensioenregeling van de uitdovend contractuelen het volgende: [...] Op het moment dat [VLAIO] met de vaststellingen van het Rekenhof werd geconfronteerd, kon zij niet anders dan voorlopig de betaling van de betwiste onderdelen door FORTIS AG te laten opschorten tot wanneer daarover duidelijkheid zou geschapen worden via een vonnis van een Belgische rechtbank of via een wetswijziging. Inmiddels werd door één van uw voorgan- gers een procedure ingespannen voor de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel. Inmiddels heb ik op 4 januari 2008 alle gegevens overgemaakt aan de makelaar Vanbreda en de verzekeraar FORTIS AG zodat uw pensioen (minstens het onbetwiste gedeelte) zo snel mogelijk kon worden uitbetaald. Dank zij de briefwisseling van collega Verret diende ik vast te stellen dat dit nog niet was gebeurd, waarna ik onmiddellijk FORTIS AG in gebreke heb gesteld namens u beiden. Zij verklaarden zich akkoord om verwijlintrest te betalen op de laattijdig uitbetaalde kapitalen, zoals ik u reeds eerder schreef. FORTIS AG meldt mij wel dat zij kopie nodig hebben van het uittreksel van uw eerste RSZ-pensioenbetaling, zodat zij het exacte bedrag van het onbetwiste gedeelte van het extralegale pensioen kunnen berekenen. Mag ik u vragen mij dit per kerende post te willen overmaken? Rest tenslotte de vraag naar de indexering/perequatie van het gedeelte pensioen waarvoor u het onbetwiste gedeelte van het kapitaal zal ontvangen. Ik heb de vraag gesteld aan de vroegere verantwoordelijke op basis van welke bepaling op reeds uitbetaalde kapitalen (waarin rentevoet begrepen zit en die inmiddels kunnen worden belegd, wat een voordeel uitmaakt tegenover de werknemers met een gewoon ambtenarenpensioen). Ik heb hierop geen inhoudelijk antwoord ontvangen, zodat dit juridisch moet worden onderzocht en desnoods bij uitbreiding van de vordering eveneens aan de rechter moet worden voorgelegd. IX-6094-6/11 Conform de opdracht van de Raad van Bestuur van [VLAIO] doen wij al het mogelijke om het dossier binnen de kortst mogelijke termijn op te lossen, en aan alle thans reeds gepensioneerden maar ook aan onze nog in dienst zijnde werknemers die zich in dezelfde of aanverwante onzekerheid nopens hun pensioen bevinden, zekerheid en duidelijkheid te bieden. Ik zal u dan ook stipt op de hoogte houden van de beslissing van de rechtbank, eens die bekend zal zijn.” De verzoeker onderkent in deze brief de bestreden beslissing. 1.9. Met een aangetekende brief van 3 september 2008 stelt de verzoeker Fortis Employee Benefits in gebreke wegens “niet-uitvoering reglement groepsverzekering Export Vlaanderen - VLAIO”. De verzoeker betoogt in deze brief: “lk ging met vervroegd pensioen op 1 februari 2008, voldeed aan alle formele procedures en vereiste kennisgevingen en ontving nog steeds niet de uitbetaling van mijn extralegaal pensioen waarvan de referenties onder rubriek vermeld worden. Ik opteerde voor de uitbetaling van de voordelen verzekerd door het contract (deel werkgever en deel aangeslotene) onder de vorm van een kapitaal, verhoogd met desbetreffende deelname in de winst. Ik heb met mijn voormalige werkgever geen arbeids-, noch andere relatie meer. U bent mijn enige aanspreekpartner voor de uitvoering van het reglement groepsverzekering zoals in rubriek vermeld. Ik ben formeel eigenaar van het op mijn naam staande geïndividualiseerd contract bij uw verzekeringsmaatschappij, met een door uw maatschappij gewaarborgd minimumrendement. Het plan leven dient te worden nagekomen, namelijk: 1. een ouderdomsrente, berekend volgens de formule opgenomen in artikel 8, waarbij S, het in aanmerking genomen baremieke loon zoals omschreven in artikel 8, en gelijk is aan 12 maal het geïndexeerde maandloon, in voege op de aansluitingsdatum en nadien op 1 januari van het berekeningsjaar, inclusief de jaartoelage voorzien in het ISB-EV en 2. een aanvullende weduwerente bij overlijden van de aangeslotene na de voorziene pensioendatum 3. de deelname in de winst die bovenop de hierboven bepaalde renten komt, zoals beschreven in punt 10 van het reglement groepsverzekering Export Vlaanderen Bovendien moet ook de wiskundige reserve waarvan ik eigenaar ben voorzien in artikel 20 c van het pensioenreglement, eveneens onder vorm van een kapitaal, worden uitbetaald. De plannen leven en overlijden werden niet gewijzigd door de werkgever. Bovendien kunnen eventuele wijzigingen die een vermindering van de verzekerde voordelen met zich brengen nooit een terugwerkende kracht kennen. Er werd me op geen enkele wijze een nieuw plan leven en overlijden meegedeeld. Ik stel FORTIS EMPLOYEE BENEFITS met dit aangetekend schrijven met ontvangstmelding dan ook formeel in gebreke me onverwijld ten laatste op IX-6094-7/11 23 september 2008 de verschuldigde bedragen onder de vorm van een kapitaal, zoals voorzien in het reglement groepsverzekering Export Vlaanderen leven en overlijden, van 1 januari 2003, [...] over te maken, vermeerderd met de wettelijke interest (dus niet 3,25%) en kosten tegelijk met een schrijven van uw maatschappij die me de nodige uitleg verstrekt over de verschillende onderdelen van de betaling.” 1.10. Op19 en 22 september 2008 verkrijgt de verzoeker vanwege Fortis Employee Benefits een gedeeltelijke betaling van zijn aanvullend pensioen. Bevoegdheid van de Raad van State 2.1. De verwerende partij werpt in de nota die zij in het kader van het administratief kort geding heeft ingediend, onder meer een exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State op. Zij stelt met betrekking tot deze exceptie: “Verzoekende partij geeft zelf aan wat het werkelijke voorwerp van zijn klacht is: ‘op instructie van verwerende partij aan de verzekeraar (...) ontvangt verzoeker slechts een deel van het aanvullend pensioen waarop hij recht heeft volgens zijn individueel contract en hun bijvoegsels (...). Tot op vandaag heeft verzoeker (...) nog niet de volledige som waarop hij recht heeft van zijn aanvullend pensioen getrokken. Verwerende partij betaalt de indexering en de perequaties op het door [de verzekeraar] totaal verschuldigde bedrag aan extralegaal pensioen niet’ (pp. 19-20 verzoekschrift, [...]). Verzoekende partij klaagt aldus de schending van een door hem gehouden subjectief recht op betaling van het volledige aanvullende pensioen aan. De aard van het geschonden recht is onbetwistbaar pecuniair. Bijgevolg is niet Uw Raad maar de civiele rechter bevoegd ex artikelen 144 en 145 van de Grondwet. Zulks wordt bevestigd door het feit dat een persoon die zich in dezelfde rechtspositie bevindt als verzoekende partij, zijnde de heer L., verwerende partij heeft gedagvaard voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel.” 2.2.1. Overeenkomstig de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zijn de hoven en rechtbanken uitsluitend of in beginsel bevoegd om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. Onder voorbehoud van een -te dezen niet bestaande- toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Dat is het geval wanneer het beroep tot nietigverklaring strekt tot de erkenning van een subjectief recht waaromtrent het bestuur een volledig gebonden bevoegdheid heeft. IX-6094-8/11 2.2.2. Uit de omschrijving van het voorwerp van het voorliggende beroep blijkt dat de verzoeker gegriefd is, doordat “de uitbetaling van de volgende onderdelen uit het reglement van de groepsverzekering, plan ‘leven’ van FORTIS AG N.V.- Export Vlaanderen [...] door [de bestreden] beslissing voor onbepaalde termijn [is] opgeschort: 1. de jaartoelage als onderdeel van het baremieke jaarloon (punt 8, nr. 1 reglement groepsverzekering); 2. een aanvullende weduwe- of weduwnaarsrente bij overlijden van de aangeslotene na de voorziene pensioendatum (punt 3, tweede streepje, punt 8, nr. 2 en punt 20
  2. b)‘in geval van vervroegde pensionering’ reglement groepsverzekering); 3. de wiskundige reserve van het extralegale weduwen/weduwnaarspensioen (punt 3, derde streepje en punt 13 reglement groepsverzekering) (de deelname in de winst is hierin inbegrepen); 4. de deelname in de winst leven (punt 10 reglement groepsverzekering)”. De verzoeker vermeldt ook de opschorting van “de uitbetaling van de indexering en perequaties op het gedeelte van het pensioen dat door de verwerende partij niet wordt betwist” als voorwerp van zijn beroep. Voorts wijst de verwerende partij er terecht op dat de verzoeker in zijn verzoekschrift ter verantwoording van de ontvankelijkheid van zijn beroep betoogt dat hij, op instructie van de verwerende partij aan de verzekeraar Fortis Employee Benefits, slechts een deel van het aanvullend pensioen ontvangt “waarop hij recht heeft volgens zijn individuele contract en hun bijvoegsels, zoals beschreven in het Reglement Groepsverzekering Leven en Overlijden onderschreven ten voordele van de aangeslotenen” en dat hij “tot op [dat ogenblik] [...], acht maanden na zijn pensionering, nog niet de volledige som waarop hij recht heeft van zijn aanvullend pensioen [heeft] getrokken”. Aldus blijkt dat het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het beroep een geschil betreft aangaande de uitbetaling van het aanvullend pensioen waarop de verzoeker, op grond van een groepsverzekeringsreglement en een individuele overeenkomst, vanwege de verzekeraar meent recht te hebben. Daargelaten of de kwestieuze opschorting van bepaalde onderdelen van de uitbetaling van verzoekers aanvullend pensioen, zoals de verzoeker stelt, vervat is in de zogenaamde beslissing van 24 juni 2008 van de verwerende partij, moet hoe dan ook worden vastgesteld dat verzoekers beroep strekt tot de erkenning van een IX-6094-9/11 subjectief recht van de betrokkene op de uitbetaling van de door hem aangewezen onderdelen van de groepsverzekering. Of de verzoeker dit recht toebehoort, betreft een kwestie van interpretatie van de toepasselijke regeling en niet van appreciatie door het bestuur. Te dezen laat de verzoeker in de middelen die hij tegen de bestreden beslissing aanvoert, overigens gelden dat de verwerende partij “een inbreuk pleegt op haar duidelijk gebonden bevoegdheid”. 2.2.3. Het voorliggende geschil heeft derhalve betrekking op een subjectief recht. Krachtens de artikelen 144 en 145 van de Grondwet valt het beroep niet onder de rechtsmacht van de Raad van State. De opgeworpen exceptie is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel 1. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel 2. Er is geen grond om over de vordering tot schorsing uitspraak te doen. Artikel 3. De kosten van het beroep bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. IX-6094-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 2 april 2009, door : de HH. B. THYS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. B. THYS. IX-6094-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.189 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.