← België

Arrest 192190 - Tucht (openbaar ambt) - 02/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.190 Rolnummer: A. 191893/IX-6275 Zaak: Arrest 192190 - Tucht (openbaar ambt) - 02/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-07 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 01:27 Fiche Arrest nr 192.190 van 2 april 2009 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.190 van 2 april 2009 in de zaak A. 191.893/IX-

  1. In zake : Ulrich DE BUNDEL, die woonplaats kiest bij advocaat P. JACOBS, kantoor houdende te Aalst, Leopoldlaan 32A tegen : de politiezone Denderleeuw-Haaltert. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Ulrich DE BUNDEL op 23 maart 2009 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 11 maart 2009 van het politiecollege van de politiezone Denderleeuw-Haaltert, waarbij hem de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. Gelet op de beschikking van 24 maart 2009 waarbij de terechtzit- ting wordt bepaald op 27 maart 2009, om 10.00 uur; Gezien de nota van de verwerende partij; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. JACOBS, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat T. DE SUTTER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur J. NEUTS bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; IX-6275-1/14 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak 1.
  2. De verzoeker is inspecteur van politie, aanvankelijk bij de lokale politie van Aalst. Met toepassing van een mobiliteitsprocedure is hij op 1 december 2007 overgeplaatst naar de politiezone Denderleeuw-Haaltert. Ter gelegenheid van deze overplaatsing, heeft de lokale politie van Aalst aan de politiezone Denderleeuw-Haaltert een tuchtdossier overgedragen dat, naar aanleiding van een gerechtelijke klacht, ten laste van de verzoeker was samengesteld. 1.
  3. Bij vonnis van 3 maart 2008 wordt de verzoeker door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden en een geldboete van 100 euro, met uitstel gedurende een periode van drie jaar, wegens valsheid in geschrifte en het gebruik van valse stukken. 1.
  4. Met een brief van 6 maart 2008 stelt de procureur des Konings te Dendermonde de korpschef van de politiezone Denderleeuw-Haaltert in kennis van deze strafrechtelijke veroordeling van de verzoeker. Met een brief van 20 mei 2008 deelt de procureur aan de korpschef mee dat het voormelde vonnis kracht van gewijsde heeft verkregen. 1.
  5. Op 16 juli 2008 beslist het politiecollege van de politiezone Denderleeuw-Haaltert, als hogere tuchtoverheid van de verzoeker, om tegen de betrokkene een tuchtprocedure in te leiden. 1.
  6. Op 10 september 2008 stelt het politiecollege een inleidend verslag op, dat door de verzoeker één dag later voor kennisneming en ontvangst wordt ondertekend. IX-6275-2/14 Het inleidend verslag zet als volgt de feiten uiteen waarvoor de verzoeker strafrechtelijk is veroordeeld en die hem tuchtrechtelijk ten laste worden gelegd: “In het gerechtelijk dossier valt te lezen dat Ulrich De Bundel op 22/02/06 een schuifraam bestelde in de zelfbouwmarkt te Ninove ten bedrage van 2.865,14 euro. Het schuifraam werd op 12/06/06 geplaatst. Ulrich De Bundel verklaart op 14/07/06 de resterende som van 2.015,14 euro cash betaald te hebben. De kassierster zou de bon voor ontvangst hebben afgetekend. De zaakvoerder stelde in augustus 2006 echter vast dat de factuur nog niet betaald was. Na contact met Ulrich De Bundel ontving de zaakvoerder als bewijs van betaling een factuur met de vermelding ‘casch 14-7-06’. De normale procedure voor het aftekenen van een factuur bestaat uit de vermelding ‘voldaan’, de datum en de stempel van de zaak. Een intern onderzoek in de zaak brengt aan het licht dat geen enkele kassierster het woord ‘casch’ op deze manier schrijft. Niemand kan zich De Bundel herinneren. De Bundel kan de kassierster niet herkennen aan wie hij de som zou betaald hebben. Later zal Ulrich De Bundel toegeven dat hij zelf deze vermelding heeft aangebracht. Hij blijft er echter bij dat hij het schuifraam cash heeft betaald en de kassierster een handtekening aanbracht en hij het woord ‘casch’ schreef en de datum. Op 11/10/06 werd Ulrich De Bundel gedagvaard voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde. Op de zitting van 04/02/08 geeft Ulrich een derde versie van de feiten. Hij zou de vermeldingen zelf pas later aangebracht hebben op een kopie van de factuur. Hij deed dit om een onderzoek uit te lokken. [...] Ulrich De Bundel werd op 03/03/2008 schuldig bevonden aan valsheid in geschriften door het valselijk aanbrengen van het woord ‘casch’ en datum, terwijl er geen betaling gebeurde en voor het gebruik van deze stukken, wetende dat deze vervalst zijn.” Het inleidend verslag vermeldt voorts het standpunt van het politiecollege dat deze feiten vaststaan, aan de verzoeker kunnen worden toegerekend en een tuchtvergrijp uitmaken, alsook het voorstel van het politiecollege om de verzoeker op grond van deze feiten de zware tuchtstraf van het ontslag op te leggen. IX-6275-3/14 1.
  7. De verzoeker dient op 24 september 2008 een verweerschrift in en wordt op 1 oktober 2008 door het politiecollege gehoord. 1.
  8. Op 22 oktober 2008 beslist het politiecollege de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege voor te stellen. De verzoeker ondertekent dat voorstel diezelfde dag nog voor kennisneming en ontvangst. 1.
  9. Met een aangetekende brief van 27 oktober 2008 dient de verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de tuchtraad. 1.
  10. Op 12 december 2008 adviseert de inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie dat de feiten bewezen zijn, aan de verzoeker kunnen worden toegerekend en een tuchtvergrijp uitmaken en dat de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege een gepaste straf is. 1.
  11. Na de verzoeker en de vertegenwoordiger van de hogere tuchtoverheid te hebben gehoord, adviseert de tuchtraad op 20 februari 2009 eveneens dat de feiten bewezen zijn en een tuchtvergrijp uitmaken en dat de voorgestelde zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege kan worden opgelegd. 1.
  12. Op 11 maart 2009 neemt het politiecollege de thans bestreden beslissing om de verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. De verzoeker ondertekent deze beslissing diezelfde dag nog voor kennisneming en ontvangst. Grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid
  13. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst IX-6275-4/14 dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. De voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid 3.
  14. De verzoeker voert ter verantwoording van de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering vooreerst aan dat hij “huidig verzoekschrift zo vlug mogelijk [heeft] opgesteld”. Hij wijst er te dezen op dat de bestreden beslissing hem op 11 maart 2009 werd overhandigd en dat “de vakbond [...] op dinsdag 17 maart 2009 [heeft] bevestigd [...] op basis van interne reglementeringen toch geen initiatief [te kunnen] nemen om een verzoekschrift tot nietigverklaring op te stellen”. Voorts laat hij gelden dat de uiterst dringende noodzakelijkheid blijkt uit “de noodzaak om [hem] zo vlug mogelijk opnieuw actief te laten zijn in zijn functie”, zowel om morele als materiële redenen. Met betrekking tot die redenen vermeldt de verzoeker onder de rubrieken “belang” en “moeilijk te herstellen ernstig nadeel” van zijn verzoekschrift vooreerst dat hij door het ontslag “moreel zwaar [wordt] getroffen” en voorts dat hij “van vandaag op morgen zonder inkomen valt [waardoor] hij [...] de gezinswoning niet verder kan afbetalen”. Ingevolge dit laatste dreigt ook het werk van zijn echtgenote, die beroepshalve onthaalmoeder voor kinderen is, teloor te gaan. 3.2.
  15. De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid verstoort het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State op ernstige wijze, beperkt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en brengt de uitoefening van de rechten van de verdediging van de verwerende en eventueel tussenkomende partij aanzienlijk in het gedrang. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, IX-6275-5/14 ofwel door de verzoekende partij op een duidelijke en onbetwistbare wijze wordt aangetoond. Op de verzoekende partij die meent een beroep te kunnen doen op de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, rust te dezen een dubbele bewijslast. Zij moet niet alleen aantonen dat zij bij het instellen van de vordering met de vereiste spoed en diligentie is opgetreden, maar zij moet tevens aan de hand van precieze, pertinente en concrete gegevens aannemelijk maken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden bevolen, onherroepelijk te laat zou komen om het gevreesde ernstig nadeel op te vangen, omdat het zich op dat ogenblik zal hebben gerealiseerd en niet of nog slechts zeer moeilijk zal kunnen worden hersteld. 3.2.
  16. De verzoeker heeft allicht de vereiste spoed en diligentie aan de dag gelegd om de voorliggende vordering binnen een zo kort mogelijke tijd bij de Raad van State in te dienen. Hij blijft evenwel in gebreke aan te tonen dat een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bevolen volgens de gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat zou komen om het door hem aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel op te vangen. Zoals de Raad van State onder meer in zijn arresten nrs. 131.180 en 131.181 van 10 mei 2004 inzake Depreytere en De Jonghe heeft geoordeeld, is een vordering -ook in politietuchtzaken- niet evident hoogdringend omdat ze gericht is tegen de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege. Het is immers, voor de beoordeling van de hoogdringendheid, niet de vraag of de verzoeker zwaar wordt getroffen door de bestreden beslissing, maar enkel of een schorsing volgens de gewone procedure te laat zal komen om nog soelaas te bieden. De verzoeker stelt dat hij moreel zwaar wordt getroffen door de bestreden beslissing. Dat gegeven refereert weliswaar aan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat de verzoeker ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing kan lijden, maar toont op zich niet aan dat een schorsing bevolen volgens de gewone schorsingsprocedure dat nadeel niet volledig zou kunnen goedmaken. IX-6275-6/14 De verzoeker laat voorts gelden dat hij ingevolge zijn ontslag zonder inkomen valt, waardoor hij de gezinswoning niet kan afbetalen en ook de beroepswerkzaamheden van zijn echtgenote als onthaalmoeder in het gedrang komen. De verzoeker voert dienaangaande in zijn verzoekschrift echter geen enkel concreet gegeven aan. Ter terechtzitting vermeldt hij wel het bedrag van zijn leninglast enerzijds en van het netto-inkomen dat hij ingevolge de bestreden beslissing verliest anderzijds. Daargelaten of deze gegevens nog in aanmerking kunnen worden genomen, nu de verzoeker er geen melding van heeft gemaakt in zijn verzoekschrift, moet hoe dan ook worden vastgesteld dat de verzoeker geen enkel bewijsstuk overlegt en ook niet het minst aannemelijk maakt dat de precaire financiële situatie waarin hij ingevolge de bestreden beslissing is verzeild, al in de korte periode die een arrest volgens de gewone schorsingsprocedure voorafgaat, onherstelbare gevolgen zou hebben. Dat de verzoeker zo snel mogelijk opnieuw als inspecteur van politie actief wil zijn, rechtvaardigt ten slotte evenmin het beroep op de uitzonderingsprocedure van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Derhalve moet worden besloten dat de verzoeker de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering niet aantoont. De voorwaarde van de ernstige middelen 4.1.
  17. De verzoeker voert in een eerste middel aan dat “de opgelegde sanctie [...] niet proportioneel [is]”. Hij argumenteert dat de verwerende partij reeds op 11 december 2007 kennis had van de gerechtelijke klacht tegen hem, maar dat het feit waarvoor hij werd vervolgd, toen geen aanleiding heeft gegeven tot een preventieve schorsing. Hij leidt voorts uit de chronologie van de tuchtprocedure af dat het feit dat aan de basis ligt van de tuchtsanctie door de verwerende partij nooit dermate ernstig werd beschouwd dat zich onmiddellijke maatregelen opdrongen. Hij besluit hieruit dat dit feit niet van die aard is dat het een verdere samenwerking onmogelijk maakt. IX-6275-7/14 4.1.
  18. De verwerende partij antwoordt dat de verzoeker louter poneert dat de bestreden tuchtstraf onredelijk is, maar de motivering ervan niet betwist of weerlegt. Zij laat gelden dat het middel een zeer beperkte herhaling is van hetgeen de verzoeker reeds voor de tuchtoverheid heeft aangevoerd en waarop in de bestreden beslissing is geantwoord. Zij stelt voorts dat de bestreden beslissing is tot stand gekomen na een zeer ernstige afweging die vervolgens uitvoerig is gemotiveerd. Volgens de verwerende partij kan de verzoeker de opgelegde tuchtstraf als streng ervaren, maar impliceert dit niet dat de straf kennelijk onredelijk of onwettig is. 4.1.
  19. Op grond van het evenredigheidsbeginsel moet een tuchtstraf in redelijke verhouding staan tot de ernst van de begane fout en de graad van verstoring van de orde binnen de dienst. De Raad van State beschikt terzake slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid, wat betekent dat hij enkel een straf die volkomen in wanverhouding staat tot de bewezen feiten, als onwettig kan kwalificeren, dit wil zeggen een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die feiten zou opleggen. De verzoeker is bij in kracht van gewijsde getreden vonnis van 3 maart 2008 door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden en een geldboete van 100 euro, weliswaar met uitstel, wegens valsheid in geschrifte en het gebruik van valse stukken. De bestreden beslissing overweegt dat de aan de verzoeker ten laste gelegde feiten zo ernstig zijn dat ze, ook al hebben ze zich voorgedaan buiten de dienst, de waardigheid van het ambt dermate hebben gekrenkt dat een verdere samenwerking tussen de overheid en de verzoeker onmogelijk wordt. Voorts verwijst de bestreden beslissing, “wat de straf betreft”, naar het advies van de tuchtraad, waarachter de hogere tuchtoverheid zich schaart en waarvan zij de motieven aldus tot de hare maakt. In dat advies wordt onder meer de geloofwaardigheid benadrukt die van een politieambtenaar mag worden verwacht, gelet op de bewijskracht van de processen-verbaal welke hij vermag op te stellen, en die essentieel is voor het vertrouwen van de burger in de politie. Vervolgens wordt vastgesteld dat de verzoeker, om te ontsnappen aan de betaling van een factuur, er niet voor is teruggeschrokken om valsheid in geschrifte te plegen en die IX-6275-8/14 valse geschriften te gebruiken in een door hemzelf uitgelokte strafprocedure wegens oplichting tegen een handelaar die nochtans slechts de betaling beoogde van geleverde en geplaatste goederen, en dat de verzoeker daarbij zelfs geen oog heeft gehad voor de mogelijke gevolgen van zijn valse beschuldigingen voor minstens één van de kassiersters van de betrokken handelaar. De tuchtraad besluit daaruit dat het noodzakelijke vertrouwen in de verzoeker fundamenteel is geschokt en dat ook het vertrouwen van de burgers in de politie wezenlijk in het gedrang komt. Met die motieven voor ogen lijkt de verwerende partij niet op een kennelijk onredelijke wijze tot het besluit te zijn gekomen dat de verzoeker met de hem ten laste gelegde feiten een zodanige misstap heeft begaan dat hij niet langer in dienst kan blijven. De omstandigheid dat de verzoeker nadat de verwerende partij kennis had genomen van de strafklacht en ook nog tijdens het verloop van de tuchtprocedure naar behoren is blijven werken en, in afwachting van het resultaat van de tuchtprocedure, niet preventief werd geschorst, doet daaraan geen afbreuk. De wet- of regelgever heeft de voorafgaande preventieve schorsing van het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid niet tot een voorwaarde gemaakt die vervuld moet zijn opdat de betrokkene bij tuchtmaatregel definitief uit de dienst zou kunnen worden verwijderd. Het niet gebruikmaken van de mogelijkheid om een personeelslid preventief uit de dienst te verwijderen omdat zijn aanwezigheid tijdens het tuchtonderzoek niet kan worden geduld, belet het bestuur niet om, na diepgaand onderzoek van de zaak en het aanhoren van de verdediging - ook ten aanzien van de impact van de feiten op de werking van de dienst -, toch te besluiten dat de betrokkene daar niet langer kan functioneren. Ook het blanco strafrechtelijke en tuchtrechtelijke verleden van de verzoeker - waarop hij in de uiteenzetting van zijn tweede middel wijst, maar dat eerder bij de beoordeling van de evenredigheid van de tuchtstraf betrokken lijkt te moeten worden dan bij de in het tweede middel aangevoerde schending van wetsbepalingen- doet aan het voorgaande geen afbreuk. Het eerste middel is derhalve niet ernstig. IX-6275-9/14 4.2.
  20. In het tweede middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 28 en 32 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de Politietuchtwet). Hij verwijt de hogere tuchtoverheid de korpschef niet te hebben gehoord, diens initiatief niet te hebben afgewacht, de evocatie van de tuchtzaak niet te hebben gemotiveerd, niet te kunnen aantonen dat op rechtmatige wijze kennis werd genomen van het gerechtelijk dossier nu de procureur des Konings niet met die hogere tuchtoverheid, maar met de korpschef briefwisseling heeft gevoerd, een deskundige te hebben geraadpleegd - namelijk hoofdinspecteur van politie D.D.- die niet zonder schending van artikel 28 van de Politietuchtwet van het gerechtelijk dossier kennis heeft kunnen nemen. 4.2.
  21. De verwerende partij antwoordt dat de verzoeker de weerlegging van zijn grieven dienaangaande tijdens de administratieve procedure volkomen negeert. Zij betoogt voorts dat de verzoeker artikel 38 van de Politietuchtwet uit het oog verliest, hetwelk aan de hogere tuchtoverheid volheid van bevoegdheid verleent, en dat artikel 28 van de Politietuchtwet betrekking heeft op het doorgeven van informatie aan onbevoegde derden, waarvan te dezen geen sprake is. Volgens de verwerende partij toont de verzoeker niet aan dat bepaalde personen hun discretieplicht zouden hebben geschonden, laat staan dat zijn rechten van verdediging door een dergelijke schending zouden zijn miskend of zijn toestand zou zijn bezwaard. 4.2.3.
  22. De artikelen 32 en 38 van de Politietuchtwet luiden als volgt: - artikel 32: “De gewone tuchtoverheid die feiten die mogelijk een tuchtvergrijp uitmaken, vaststelt of er kennis van krijgt, stelt een inleidend verslag op na eventueel een onderzoek te hebben bevolen. Oordeelt de gewone tuchtoverheid dat de feiten niet moeten leiden tot een tuchtstraf, dan stelt zij dat vast. Die beslissing wordt formeel gemotiveerd en wordt ter kennis gebracht van de betrokkene door betekening tegen ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief. Oordeelt de gewone tuchtoverheid dat de feiten in aanmerking kunnen komen voor een lichte tuchtstraf, dan leidt zij een tuchtprocedure in. Oordeelt de gewone tuchtoverheid dat de feiten in aanmerking komen voor een zware tuchtstraf, dan verzendt zij het inleidend verslag met alle stukken van het dossier naar de hogere tuchtoverheid. Tegelijkertijd deelt ze haar de redenen IX-6275-10/14 mee waarom zij meent dat de feiten van aard zijn om te worden gestraft met een zware tuchtsanctie.” IX-6275-11/14 - artikel 38: “De hogere tuchtoverheid die feiten die mogelijk een tuchtvergrijp uitmaken, vaststelt of er kennis van krijgt, of die een zaak evoceert, stelt een inleidend verslag op na eventueel een onderzoek te hebben bevolen. Wanneer de hogere tuchtoverheid zich rechtstreeks belast met de feiten of de zaak evoceert, stelt zij de gewone tuchtoverheid daarvan in kennis. Deze kennisgeving brengt onttrekking van de zaak mee voor de gewone tuchtoverheid. Werd haar reeds een inleidend verslag toegestuurd, dan stelt zij eventueel een bijkomend onderzoek in en vult zij het inleidend verslag zonodig aan. Oordeelt de hogere tuchtoverheid dat de feiten niet moeten leiden tot een tuchtstraf, dan stelt zij dat vast. Die beslissing wordt formeel gemotiveerd en wordt ter kennis gebracht van de betrokkene. Oordeelt de hogere tuchtoverheid dat de feiten in aanmerking komen voor een lichte tuchtstraf, dan handelt zij of haar afgevaardigde, voor zover als nog nodig zoals de gewone tuchtoverheid. Oordeelt de hogere tuchtoverheid dat de feiten in aanmerking komen voor een zware tuchtstraf, dan zet zij een tuchtprocedure in.” Krachtens artikel 38 van de Politietuchtwet heeft de hogere tuchtoverheid -te dezen het politiecollege- een eigen bevoegdheid om met betrekking tot feiten waarvan zij kennis krijgt een vooronderzoek te bevelen en een inleidend verslag op te stellen. Van een exclusieve bevoegdheid van de korpschef, waarop de verzoeker lijkt te alluderen, is op het eerste gezicht geen sprake, evenmin als van een verplichting voor de hogere tuchtoverheid om de korpschef te horen. Overeenkomstig de hem toegewezen bevoegdheid, kon het politiecollege van de politiezone Denderleeuw-Haaltert op 16 juli 2008 wettig beslissen om ten laste van de verzoeker een tuchtprocedure in te leiden. 4.2.3.
  23. Artikel 28 van de Politietuchtwet luidt als volgt: “De tuchtoverheden alsmede de voorzitters, de bijzitters en de secretaris van de tuchtraad en hun plaatsvervangers mogen onder meer geen ruchtbaarheid geven aan de feiten en documenten waarvan zij in die hoedanigheid kennis hebben gekregen.” Het valt niet in te zien dat de hogere tuchtoverheid niet rechtmatig kennis heeft kunnen nemen van het gerechtelijk dossier van de verzoeker dat door de gerechtelijke overheid aan de korpschef als gewone tuchtoverheid was medegedeeld. Op het eerste gezicht kan in die kennisneming alleszins geen schending van artikel 28 van de Politietuchtwet worden onderkend, vermits die bepaling erop gericht lijkt aan de leden van de tuchtoverheden een discretieplicht IX-6275-12/14 op te leggen ten aanzien van derden en niet aan de ene tuchtoverheid ten aanzien van de andere. Daarbij dient te worden bedacht dat de hogere tuchtoverheid moet worden ingelicht over de informatie waarover de korpschef beschikt en die tot een tuchtrechtelijke vervolging van een personeelslid kan leiden, opdat zij de tuchtbevoegdheid die haar door artikel 38 van de Politietuchtwet is toegewezen, nuttig zou kunnen uitoefenen. Voorts lijkt de discretieplicht opgelegd door artikel 28 van de Politietuchtwet niet eraan in de weg te hebben gestaan dat de hogere tuchtoverheid zich bij de behandeling van verzoekers tuchtzaak liet bijstaan door een deskundige ambtenaar, te dezen de hoofdinspecteur van politie die in de betrokken politiezone verantwoordelijk is voor het interne toezicht. Ten slotte maakt de verzoeker niet aannemelijk en ligt het niet voor de hand dat een schending van de discretieplicht door een tuchtoverheid of een lid van de tuchtoverheid in het kader van een tuchtprocedure, ertoe zou nopen te besluiten dat de opgelegde tuchtstraf als zodanig onwettig is. 4.2.3.
  24. Ook het tweede middel is dus niet ernstig.
  25. Uit wat voorafgaat moet worden besloten dat alvast aan twee van de drie in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bedoelde grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet is voldaan. OM DIE REDENEN BESLIST de Wnd. VOORZITTER : Artikel
  26. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. IX-6275-13/14 Artikel
  27. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 2 april 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. B. THYS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. B. THYS. IX-6275-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.190 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.