← België

Arrêt / Arrest 192199 - Militaires et corps spéciaux - Recrutement et carrière / Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 02/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.199 Rolnummer: A. 117529/IX-3240 Zaak: Arrêt / Arrest 192199 - Militaires et corps spéciaux - Recrutement et carrière / Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 02/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-15 Raadplegingen: 525 - laatst gezien 2026-07-02 19:09 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 192.199 van 2 april 2009 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Verwijzing naar alg.rol Voortzetting gewone procedure Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.199 van 2 april 2009 in de zaak A. 117.529/g-107 In zake : Tom TRAPPENIERS, Zeypestraat 79 D 1910 KAMPENHOUT, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, ALGEMENE VERGADERING VAN DE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK, Gezien het verzoekschrift dat Tom TRAPPENIERS op 1 maart 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van "de beslissing van de Defensiechef (nota JSP-A/C/PROM/S-02-000736 van 7 januari 2002 [...])" waarbij hem de toekenning van een informaticatoelage wordt geweigerd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 16 oktober 2008 waarbij de IXe kamer wordt ontlast van de zaak nr. G/A 117.529/IX-3240 en deze zaak wordt verwezen naar de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak; Gelet op de beschikking van 13 november 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 december 2008; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; AV - g-107n -1/11 Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, en van de heer R. GERITS, kolonel militair administrateur, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT: Feiten

  1. De verzoeker is beroepsonderofficier bij de Krijgsmacht. Hij heeft de graad van eerste sergeant.
  2. Hoofdstuk IV van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen (hierna: de wet van 20 mei 1994), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 21 juni 1994, bevat een regeling inzake de toelagen en de vergoedingen aan de militairen. Artikel 11, §§ 2 en 3, van deze wet, zoals in de voorliggende zaak van toepassing, luiden: "§
  3. De Koning kan [...] ten gunste van de militairen «in werkelijke dienst» in periode van vrede het recht scheppen op toelagen, vergoedingen en andere geldelijke voordelen of voordelen in natura. Dit recht kan slechts geschapen worden op grond van bekwaamheidsbewijzen, bijzondere prestaties en gedragen kosten waarop artikel 10 geen toepassing vindt. §
  4. De Koning bepaalt de tarieven en regelt de toekenning van de in § 2 bedoelde voordelen. Hij mag evenwel in de gevallen die Hij bepaalt de Minister van Landsverdediging met die taak belasten."
  5. Ter uitvoering van deze wetsbepalingen heeft het koninklijk besluit van 2 juni 2000 houdende toekenning van een toelage aan militairen belast met informaticataken (hierna: het koninklijk besluit van 2 juni 2000), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 juni 2000, een regeling uitgewerkt waarbij de militairen, belast met informaticataken tijdens de periodes van 1 september 1998 tot en met 31 december 1998, 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999, 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 en 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001, AV - g-107n -2/11 een toelage ontvangen. Blijkens de aanhef van het koninklijk besluit wordt deze regeling gemotiveerd door de druk op de arbeidsmarkt van het informaticapersoneel, die nog zal verhogen ten gevolge van de overgang naar het jaar 2000 en de invoering van de euro. Er wordt tevens verwezen naar een gelijkaardige toelage die reeds aan het burgerpersoneel van het departement Landsverdediging is toegekend. Artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 2 juni 2000 stelt een toelage in ten voordele van de militairen die belast zijn met informaticataken, dewelke betrekking hebben op de conceptie en/of de coördinatie en/of de analyse en/of de programmatie en/of de productie van informaticatoepassingen, en die hun functies voltijds uitoefenen en gemiddeld 80% van hun werktijd aan informaticataken besteden. De Minister van Landsverdediging en de Minister van Begroting dienen de bedoelde informaticataken nader te bepalen. Luidens artikel 1, § 2, stelt de Chef van de Generale Staf de lijst op van de militairen die aan de gestelde voorwaarden voldoen. Dat kunnen militairen zijn die "een ambt van informaticus" bekleden, wat volgens artikel 1, § 3, blijkt uit "de organieke tabellen van de krijgsmacht", maar ook militairen die een dergelijk ambt niet bekleden. In dat laatste geval moet de opname van de betrokkenen op de lijst worden gemotiveerd met inachtneming van de criteria vastgesteld door de Minister van Landsverdediging en de Minister van Begroting. Krachtens artikel 1, § 2, tweede lid, moet de lijst van gegadigden "voorzien worden van een visum van de Inspecteur van Financiën". Artikel 2, §§ 1 tot 4, bepaalt het bedrag van de toelage als een vast percentage van de brutojaarwedde van de betrokken militair: 6,25% voor de taken vervuld tijdens het jaar 1998, 18,75% voor de taken vervuld tijdens het jaar 1999 en 12,5% voor de taken vervuld tijdens de jaren 2000 en
  6. Luidens artikel 2, § 5, wordt onder "jaarwedde" verstaan: "de wedde, eventueel verhoogd met de haard- of standplaatstoelage". De jaarwedde die in aanmerking wordt genomen, is deze verschuldigd voor de maand januari van het uitbetalingsjaar. Artikel 2, § 6, bepaalt dat de helft van het bedrag van de toelage onmiddellijk aan de betrokken militair wordt toegekend. De andere helft wordt toegekend na beslissing van de Chef van de Generale Staf, op basis van "de verhouding waarin de betrokken militair heeft bijgedragen in de informaticataken", en nadat de voornoemde chef kennis heeft genomen van een rapport over de activiteiten uitgevoerd door de betrokken militair en na advies van diens korpscommandant. Artikel 4 somt de gevallen op waarin de toelage niet of slechts proportioneel wordt toegekend. AV - g-107n -3/11 Artikel 5 bepaalt welke verloven en afwezigheden geen invloed hebben op het bedrag van de toelage.
  7. Het koninklijk besluit van 2 juni 2000 is uitgevoerd bij ministerieel besluit van 6 juni 2000, eveneens bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 juni
  8. Artikel 1 van dat ministerieel besluit bepaalt nader de informaticataken, bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 2 juni
  9. Artikel 2 stelt de criteria vast die de Chef van de Generale Staf in acht moet nemen bij het opstellen van de lijst van de militairen die, zonder informaticus te zijn, informaticataken uitvoeren, namelijk vooreerst toegewezen zijn aan een cel van een stafsectie of van een korps bevoegd voor informatica en voorts informaticataken uitoefenen waarvan sprake in artikel 1, §
  10. Luidens artikel 3 "attesteert" de Chef van de Generale Staf of zijn gemandateerde "de affectatie van gemiddeld 80% van de totale werktijd", bedoeld in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 2 juni 2000, na advies van de korpscommandant van de betrokken militair.
  11. Een reglement IF 190 van de Generale Staf van de Krijgsmacht "met betrekking tot de toekenning van een informaticatoelage voor militairen belast met informaticataken" werkt de reglementering verder uit. Het zet de voorwaarden uiteen waaraan moet voldaan zijn om de toelage te kunnen genieten. Voorts wordt het besluitvormingsproces nader bepaald. De militair moet een aanvraag indienen, waarin hij "omstandig de uitgevoerde informaticataken beschrijft". Bij die aanvraag moet de betrokkene een "rapport" voegen, waaruit duidelijk blijkt dat hij aan "de 80%-regel" heeft voldaan (§§ 401, c, en 402, a, van het reglement). De korpscommandant moet advies geven over de aanvraag. Hij moet bevestigen dat "de aanvrager wel degelijk gemiddeld 80% van zijn totale werktijd heeft besteed aan informaticataken [...] die recht geven op een toelage". Hij moet ook "een appreciatie [...] geven van de mate waarin betrokkene persoonlijk bijgedragen heeft tot het vervullen van zijn opdracht". Indien hij van oordeel is dat de aanvrager "ten gevolge van een onvoldoende persoonlijke bijdrage" geen recht heeft op de volledige tweede helft van de toelage, dan moet hij een omstandig gemotiveerd voorstel formuleren "dat hem in functie van de geleverde bijdrage billijk lijkt" (§§ 401, d, 2 en 3, en 402, b, 2 en 3, van het reglement). Voorts moet de korpscommandant, voor de militairen die geen ambt van informaticus bekleden, maar wel informaticataken uitvoeren, "aantonen dat betrokkene toegewezen is aan AV - g-107n -4/11 een cel van een stafsectie of van een korps dat bevoegd is voor informatica" en omstandig motiveren dat de uitgevoerde informaticataken wel degelijk behoren tot deze opgenomen in de lijst die voor de betrokkene van toepassing is (§ 402, c, van het reglement). De aanvraag wordt voorgelegd aan een aanvaardingscommissie, die op basis van de gegevens verstrekt door de aanvrager en de korpscommandant vaststelt of de aanvrager recht heeft op de toelage. De voornoemde commissie bepaalt tevens de periodes waarvoor het recht op de toelage verworven is, alsook het percentage van het variabele gedeelte van de toelage (§ 403, b, van het reglement). De militair wiens aanvraag aldus is aanvaard, wordt ingeschreven op een nominatieve lijst, die door de Inspecteur van Financiën moet worden geviseerd "alvorens het recht op de toelage verworven is" (§ 403, d, van het reglement). Een militair wiens aanvraag geheel of gedeeltelijk werd afgewezen, kan binnen 15 dagen na de ontvangst van de beslissing over zijn aanvraag, beroep instellen bij een beroepscommissie. In het geval van een gunstige afloop van dat beroep, wordt de militair alsnog ingeschreven op de lijst die voor het verkrijgen van een visum aan de Inspecteur van Financiën zal worden voorgelegd (§§ 501 tot 507 van het reglement).
  12. Op 19 april 2000 vraagt de verzoeker, met verwijzing naar het reglement IF 190 van de Generale Staf van de Krijgsmacht, dat hem de informaticatoelage zou worden toegekend voor de periode van 1 september 1998 tot 31 december 1998 en voor de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december
  13. De verzoeker, die geen ambt van informaticus uitoefent, vermeldt dat hij in de voormelde periodes wel informaticataken heeft uitgevoerd, die hij omstandig beschrijft. De korpscommandant van de verzoeker verleent een gunstig advies. Hij bevestigt dat de verzoeker effectief informaticataken voltijds heeft uitgevoerd en gemiddeld 80% of meer van zijn werktijd aan die taken heeft besteed. Hij bevestigt dat het variabele gedeelte van de toelage, "gezien de bijdrage [van de verzoeker]", volledig mag worden toegekend. Hij brengt tevens een aantal gegevens aan, waaruit moet blijken dat de cel waartoe de verzoeker behoort, "bevoegd is voor informatica" en hij bevestigt dat de taken die door de verzoeker ter staving van zijn aanspraken op de toelage worden aangevoerd, wel degelijk behoren tot de informaticataken die bepaald zijn in de reglementering. AV - g-107n -5/11
  14. Op 26 oktober 2000 neemt de verzoeker kennis van de beslissing van de aanvaardingscommissie dat de informaticatoelage hem niet wordt toegekend. Luidens die beslissing stemmen de vermelde taken niet overeen met de informaticataken die bepaald zijn in de reglementering of is het louter gebruik van software ter ondersteuning van specifieke beroepsactiviteiten onvoldoende om te kunnen worden beschouwd als de uitvoering van informaticataken.
  15. Na beroep van de verzoeker tegen deze beslissing, beslist de beroepscommissie op 17 april 2001 dat de toelage om de volgende redenen niet aan de verzoeker wordt toegekend: "- De opgegeven taken stemmen niet overeen met deze hernomen in § 204.b. of enkel het gebruik van software die de beroepsactiviteiten ondersteunt is onvoldoende (§ 205.a.) - Het gebruik van bestaande software bestemd voor specifieke toepassingen gelinkt aan de inwerkingstelling en de uitbating van telecommunicatienetwerken of van hun speciale toepassingen (switching, access, gateway, ...) evenals van programmeerbare automaten [wordt] niet beschouwd als rechtgevend op de informaticapremie".
  16. Op 5 september 2001 trekt de beroepscommissie haar beslissing van 17 april 2001 in.
  17. Met een daaropvolgende beslissing van onbekende datum wijst de beroepscommissie de aanvraag van de verzoeker echter opnieuw af, nu op grond van de volgende motivering: "Er wordt geoordeeld dat u geen 80% van uw werktijd besteedt aan informaticataken [...]. Een deel van de door u beschreven taken worden niet erkend als informatica- taken in de in [het ministerieel besluit van 6 juni 2000] opgesomde punten (het beheer van het telefonienetwerk, de supervisie van de switching). De activiteiten verbonden aan de Y2K upgrade worden niet in aanmerking genomen gezien deze upgrade door de firma NORTEL werd uitgevoerd".
  18. Op 19 december 2001 verklaart de Chef van de Generale Staf zich akkoord met deze beslissing van de beroepscommissie.
  19. De beslissing van de Chef van de Generale Staf vormt het voorwerp van het voorliggende beroep tot nietigverklaring. Ze is opgenomen in een nota van 7 januari 2002 aan de verzoeker, waarin ook wordt vermeld dat tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State kan worden ingesteld. AV - g-107n -6/11 Bevoegdheid van de Raad van State
  20. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State op. Zij betoogt dat de verzoeker met het voorliggende beroep tot nietigverklaring de erkenning van een subjectief recht nastreeft, vermits het bestuur bij het onderzoek van de aanvraag, op grond van de toepasselijke reglementering, slechts mag nagaan of de aanvrager voldoet aan de objectief vastgestelde reglementaire voorwaarden, zonder daarbij een appreciatie- bevoegdheid uit te oefenen.
  21. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat zijn beroep niet de betaling van een geldsom als voorwerp heeft, maar het al dan niet erkennen van een recht op een geldsom, en dat de beslissing van het bestuur over die erkenning berust op een appreciatie van zijn verdiensten en het al dan niet vervuld zijn van de voorwaarden bepaald in het koninklijk besluit van 2 juni 2000 en het ministerieel besluit van 6 juni
  22. De verzoeker argumenteert dat luidens het koninklijk besluit van 2 juni 2000 de militairen die belast zijn met informaticataken, opgenomen in een lijst opgesteld door de Minister van Landsverdediging en de Minister van Begroting, recht hebben op de informaticatoelage, indien zij hun functies voltijds uitoefenen en minstens 80% van hun tijd aan informaticataken besteden. Volgens de verzoeker zou hieruit kunnen worden afgeleid dat de overheid een gebonden bevoegdheid heeft, maar er moet rekening worden gehouden met het feit dat uiteindelijk de Chef van de Generale Staf de militairen die aan de voorwaarden voldoen, moet inschrijven op een lijst en daarvoor -indien het een militair betreft die geen ambt van informaticus bekleedt- een motivering moet geven. Op die wijze beschikt het bestuur volgens de verzoeker over een discretionaire bevoegdheid om te bepalen wie al dan niet aan de voorwaarden voldoet om op de lijst te worden opgenomen. Mocht dit niet zo zijn, dan kan niet worden ingezien waarom een aanvaardingscommissie en een beroepscommissie dienden te worden opgericht. In zijn laatste memorie onderstreept de verzoeker dat de aanvaardingscommissie en de beroepscommissie soeverein appreciëren of de taken die de aanvrager van de informaticatoelage in zijn aanvraag heeft vermeld, informaticataken zijn als bedoeld in artikel 1, § 1, van het ministerieel besluit van 6 juni 2000, en evenzeer discretionair beoordelen of de door de aanvrager uitgeoefende functies behoren tot de sectie van een staf of korps bevoegd voor informatica. De verzoeker wijst er voorts op dat, indien het bestuur in dezen een AV - g-107n -7/11 gebonden bevoegdheid zou hebben, de vraag rijst waarom de korpscommandant dan moet bevestigen dat de betrokken militair informaticataken uitoefende en de aanvaardingscommissie en de beroepscommissie het attest van de korpscommandant terzijde kunnen schuiven.
  23. Overeenkomstig de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zijn de hoven en rechtbanken uitsluitend of in beginsel bevoegd om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. Onder voorbehoud van een -te dezen niet bestaande- toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Dat is het geval wanneer het annulatieberoep strekt tot de erkenning van een subjectief recht. Luidens de arresten nrs. C.06.0574.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 en C.06.0596.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11 van 20 december 2007 van het Hof van Cassatie veronderstelt het bestaan van een geschil over een subjectief recht dat de eiser zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die partij belang heeft. Opdat een partij zich ten aanzien van de bestuurlijke overheid op een dergelijk recht zou kunnen beroepen, dient de bevoegdheid van die overheid gebonden te zijn.
  24. Het voorliggende beroep tot nietigverklaring is gericht tegen een beslissing waarbij aan de verzoeker de informaticatoelage, ingesteld bij het koninklijk besluit van 2 juni 2000, wordt geweigerd. Dit koninklijk besluit en de reglementaire teksten die er de uitvoering van vormen, namelijk het ministerieel besluit van 6 juni 2000 en het reglement IF 190 van de Generale Staf van de Krijgsmacht, voorzien in de toekenning van een informaticatoelage aan de militair die de gestelde voorwaarden vervult. Eén van die voorwaarden heeft betrekking op de vaststelling van het uiteindelijke bedrag van de toelage. Artikel 2, § 6, van het koninklijk besluit van 2 juni 2000 bepaalt immers: "De helft van de in §§ 1 tot 4 vastgestelde bedragen wordt toegekend aan de militair. De tweede helft wordt toegekend na beslissing van de Chef van de Generale Staf, op basis van de verhouding waarin de betrokken militair heeft bijgedragen in de informaticataken zoals omschreven in artikel 1, § 1, en nadat hij kennis heeft genomen van een rapport over de activiteiten uitgevoerd door de betrokken militair en na advies van de betrokken korpscommandant. AV - g-107n -8/11 De Minister van Landsverdediging bepaalt de uiterste datum waarop dit rapport door de militair moet worden toegestuurd." De paragrafen 401, d, en 402, b, van het reglement IF 190 van de Generale Staf van de Krijgsmacht verduidelijken de adviesbevoegdheid die door de korpscommandant te dezen wordt uitgeoefend: "Aan [hem] wordt gevraagd [...]

(3)een appreciatie te geven van de mate waarin betrokkene persoonlijk bijgedragen heeft tot het vervullen van zijn opdracht. Indien de Korpscommandant van oordeel is dat ten gevolge van zijn persoonlijke bijdrage de aanvrager geen recht heeft op het volledige deel van de tweede helft van de toelage dan zal hij: (
  1. a)een % voorstellen dat hem in functie van de geleverde bijdrage billijk lijkt; (
  2. b)hiervoor een omstandige motivatie geven. Het te gebruiken document is dit in Bijlage B aan dit reglement." 17. Overeenkomstig de aangehaalde reglementaire bepalingen is de toekenning van de tweede helft van de toelage, waarop de aanvrager, die 80% van zijn werktijd aan informaticataken besteedt, recht heeft, afhankelijk van een beslissing van de Chef van de Generale Staf over het persoonlijke aandeel van de aanvrager in de informaticataken waarop hij zich beroept. Een dergelijke beslissing kan niet worden genomen op grond van een toetsing van de ingediende aanvraag aan precieze reglementaire voorwaarden, maar vergt een concrete beoordeling en appreciatie van de kwaliteit van de prestaties van de aanvrager. Ze wordt dan ook niet genomen in de uitoefening van een gebonden bevoegdheid, maar is wezenlijk discretionair. 18. Overigens laat de verzoeker in geen enkel van de zeven door hem aangevoerde middelen gelden dat de verwerende partij op grond van een gebonden bevoegdheid ertoe gehouden is hem een informaticatoelage toe te kennen en dat hij een subjectief recht heeft op een dergelijke toelage. In het eerste middel betwist hij integendeel de bevoegdheid van de Chef van de Generale Staf om de bestreden beslissing te nemen, alsook de grondwettigheid van de machtiging die artikel 11, §§ 2 en 3, van de wet van 20 mei 1994 aan de Koning en de Minister van Landsverdediging verleent. In een tweede middel voert hij de onwettigheid aan van de criteria die inzonderheid door de Minister van Begroting zijn bepaald. In een derde en een vierde middel laat hij gelden dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd. Een vijfde middel ontleent hij aan de schending van zijn rechten van verdediging, en een zesde middel aan een discriminatie die hij meent te ondergaan ten aanzien van sommige van zijn collega’s. In een zevende middel ten slotte voert AV - g-107n -9/11 hij aan dat de bestreden beslissing met schending van het zorgvuldigheidsbeginsel is tot stand gekomen. 19. Aangezien het uiteindelijke bedrag van de informaticatoelage niet volledig door de reglementering zelf wordt bepaald en afhangt van een discretionaire beslissing van het bestuur, is de Raad van State bevoegd om kennis te nemen van een beroep tegen een beslissing waarbij het bestuur vaststelt dat één of meer voorwaarden voor de toekenning van de toelage niet zijn vervuld. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie van onbevoegdheid is niet gegrond. 20. Het verslag van de auditeur is beperkt tot de problematiek van de bevoegdheid van de Raad van State. Het onderzoek van de zaak moet worden voortgezet. OM DIE REDENEN BESLIST DE ALGEMENE VERGADERING VAN DE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK : Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Het door de Auditeur-generaal aangeduide lid van het auditoraat wordt belast met het verdere onderzoek van de zaak. Artikel 3. De zaak wordt verwezen naar de IXe kamer. AV - g-107n -10/11 Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting, op twee april tweeduizend en negen door de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarop aanwezig waren: Mevr. M.-R. BRACKE, voorzitter van de Raad van State, de HH. J.-Cl. GEUS, kamervoorzitter, M. HANOTIAU, kamervoorzitter; M. LEROY, kamervoorzitter; P. LEMMENS, kamervoorzitter; A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, P. LEWALLE, staatsraad, J. VANHAEVERBEEK, staatsraad, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, J. CLEMENT, staatsraad, Mevr. P. VANDERNACHT, staatsraad, de HH. M. PAQUES, staatsraad, St. DE TAEYE, staatsraad, L. CAMBIER, staatsraad, B. THYS, staatsraad, Mevr. D. LANGBEEN, hoofdgriffier. De Hoofdgriffier, De Voorzitter van de Raad van State, D. LANGBEEN. M.-R. BRACKE. AV - g-107n -11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.199 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.207.205 citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.