id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.271 Rolnummer: A. 96184/IX-2557 Zaak: Arrest 192271 - Varia (openbaar ambt) - 08/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-20 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-30 01:58 Fiche Arrest nr 192.271 van 8 april 2009 Openbaar ambt - Varia (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.271 van 8 april 2009 in de zaak A. 96.184/IX-
- In zake : de CV DE IDEALE WONING, die woonplaats kiest bij advocaat A. COOLSAET, kantoor houdende te ANTWERPEN, Arthur Goemaerelei 69 tegen : de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij (VHM), rechtsgeding hervat door : de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, die woonplaats kiest bij advocaat P. PEETERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177 bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de CV DE IDEALE WONING op 3 oktober 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de raad van bestuur van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij van 25 juli 2000 houdende niet-goedkeuring van de beslissingen van 10 februari 2000 en 9 maart 2000 van de raad van bestuur van de CV DE IDEALE WONING met betrekking tot de integrale valorisatie van de gepresteerde dienstjaren van haar directeur voor de berekening van diens geldelijke en functionele anciënniteit; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 3 juni 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; IX-2557-1/12 Gelet op de beschikking van 29 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 maart 2009; Gezien het verzoekschrift tot hervatting van het rechtsgeding van 10 februari 2009 ingediend door de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. COOLSAET, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat T. DREIER die, loco advocaat P. PEETERS, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
- Op 12 maart 1998 beslist de raad van bestuur van de CV De Ideale Woning om, naar aanleiding van de pensionering op 1 februari 2000 van de toenmalige directeur, de betrekking van directeur vacant te verklaren. Wat de bezoldigingsregeling betreft wordt verwezen naar “de door de Vlaamse Huis- vestingsmaatschappij in haar omzendbrief van 9 december 1996 onder ref. V0.2/KVB/408 opgelegde normen”. Op 29 april 1998 neemt de raad van bestuur van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij (hierna: VHM), de toezichthoudende overheid, akte van deze vacature. Hij verleent zijn instemming met de voorgestelde regeling van de verloning “die conform de reglementering van de VHM zal worden toegekend vanaf het ogenblik dat hij/zij effectief zal aantreden als directeur, met dien verstande echter dat een eventuele valorisatie van nuttige anciënniteit aan de VHM ter goedkeuring zal worden voorgelegd”. IX-2557-2/12 Deze beslissing wordt met een brief van 11 mei 1998 aan de CV De Ideale Woning ter kennis gebracht. Op 10 september 1998 benoemt de raad van bestuur van de CV De Ideale Woning R.S. tot directeur. De benoeming zou ingaan op 1 februari
- Bevestigd wordt dat de wedde van de nieuwe directeur zal bepaald worden “volgens de onderrichtingen en berekeningswijze van de Vlaamse Huisvestings- maatschappij”. Met een brief van 5 oktober 1998 neemt de VHM akte van deze beslissing. In die brief wordt voorts verduidelijkt dat voor de betrokkene, op basis van zijn werkervaring vóór zijn indiensttreding als directeur, een functionele anciënniteit van 11 jaar en zes maanden in aanmerking kan worden genomen, zodat hij op 1 februari 2000 kan ingeschaald worden in de weddeschaal A
- Na zes maanden effectieve dienst als directeur kan hij dan overstappen naar de weddeschaal A
- Daarnaast kunnen 2/3 van de opgedane werkervaring vóór zijn indienst- treding bij de maatschappij en de integrale anciënniteit vanaf zijn stageperiode bij de maatschappij in aanmerking worden genomen als geldelijke anciënniteit op de datum dat hij effectief de functie van directeur opneemt. 1.
- Op 1 maart 1999 treedt R.S. reeds als stafmedewerker in dienst bij de CV De Ideale Woning, waarbij hem de maximumwedde van het barema A 8 van het personeel van de stad Antwerpen wordt toegekend. In een brief van 1 juli 1999 wijst de VHM erop dat deze wedde hoger ligt dan zijn toekomstige wedde als directeur. De raad van bestuur van de CV De Ideale Woning wordt uitgenodigd om deze toestand te regulariseren. Op 30 juli 1999 antwoordt de CV De Ideale Woning dat R.S. op 1 maart 2000 een functionele anciënniteit van 12 jaar heeft, die recht geeft op de weddeschaal A
- Volgens de CV De Ideale Woning zou het onrechtvaardig zijn hem gedurende 11 maanden een lagere wedde te betalen, omwille van één maand in schaal A
- Bovendien acht de CV De Ideale Woning “het gepast een nieuwe directeur op een waardige wijze te verwelkomen en hem, ook voor die eerste maand, het voordeel van schaal A 213 te laten genieten”. IX-2557-3/12 In een brief van 19 augustus 1999 herhaalt de VHM dat R.S. bij zijn indiensttreding als directeur op 1 februari 2000 aanspraak kan maken op de weddeschaal A 212 met 15 jaar geldelijke anciënniteit, en dat hij slechts op 1 augustus 2000, na zes maanden het directeurschap te hebben waargenomen, kan overstappen naar de weddeschaal A 213 met 15 jaar geldelijke anciënniteit. Het is volgens de VHM logisch dat de verloning van R.S. als stafmedewerker wordt vastgesteld onder de plafondbedragen die voor hem als directeur zullen gelden. De raad van bestuur van de CV De Ideale Woning wordt nogmaals uitgenodigd om het dossier te regulariseren. Op 6 oktober 1999 antwoordt de CV De Ideale Woning dat zij wellicht geen rekening heeft gehouden met alle elementen vervat in de algemene reglementering van de VHM. Zij verzoekt om een afwijking van die reglementering, opdat zij haar engagementen jegens R.S. zou kunnen nakomen. Op 12 november 1999 verklaart de VHM akte te nemen van het feit dat de CV De Ideale Woning zich tegenover R.S. verbonden heeft om hem het voordeel van de schaal A 213 reeds toe te kennen vanaf 1 februari 2000 i.p.v. vanaf 1 augustus
- Op vraag van R.S. licht de VHM bij brief van 3 februari 2000 nogmaals haar standpunt toe. 1.
- Op 10 februari 2000 stelt de raad van bestuur van de CV De Ideale Woning de dienstjaarberekening van de directeur vast. Er wordt ingestemd met het volledig in aanmerking nemen van alle dienstjaren die R.S. in openbare dienst heeft opgebouwd. Die beslissing wordt op de volgende vergadering van de raad van bestuur, d.i. op 9 maart 2000, naar aanleiding van de goedkeuring van het verslag bekrachtigd. Op 16 maart 2000 sluit de CV De Ideale Woning een arbeidsovereenkomst met R.S. Volgens die arbeidsovereenkomst wordt het brutoloon vastgesteld aan de hand van het barema A
- Met een brief van 17 maart 2000 deelt de CV De Ideale Woning de beslissingen van de raad van bestuur van 10 februari 2000 en 9 maart 2000 aan IX-2557-4/12 de VHM mee. Bij de brief wordt een kopie gevoegd van de arbeidsovereenkomst van 16 maart
- Met een brief van 7 april 2000 deelt de VHM aan de CV De Ideale Woning mede dat de beslissing van 10 februari 2000 indruist tegen de terzake geldende regelgeving en dat de VHM bijgevolg met deze gang van zaken niet kan instemmen. De VHM vestigt er voorts de aandacht op dat de verloning van de directeur onderworpen is aan haar voorafgaande goedkeuring, zodat de beslissing van 10 februari 2000 “zonder kracht van uitwerking blijft”. Met een brief van 20 april 2000, door de VHM ontvangen op 26 april 2000, deelt de CV De Ideale Woning een kopie mee van de uittreksels van de verslagen van de vergaderingen van de raad van bestuur van 10 februari en 9 maart
- De CV De Ideale Woning vraagt “de formele goedkeuring van de verloningsberekening van de directeur met in achtname van de volledige erkenning van de opgebouwde dienstjaren in openbare dienst zoals goedgekeurd in zitting van 10 februari 2000”. Mocht de VHM het niet eens zijn met de argumentatie van de CV De Ideale Woning, dan verzoekt deze laatste om toezending van het gemotiveerde besluit terzake van de raad van bestuur van de VHM. Op 27 juni 2000 beslist de raad van bestuur van de VHM principieel om de beslissingen van 10 februari en 9 maart 2000 van de CV De Ideale Woning met betrekking tot de verloning van haar directeur niet goed te keuren. De beslissing wordt op 25 juli 2000 formeel door de raad van bestuur genomen. Met een brief van 3 augustus 2000 wordt die laatste beslissing aan de CV De Ideale Woning ter kennis gebracht. De beslissing van 25 juli 2000 vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. Ontvankelijkheid van het beroep 2.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een eerste exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van een persoonlijk en rechtstreeks belang in hoofde van de verzoekende partij. IX-2557-5/12 Zij voert aan dat de weigering van goedkeuring enkel negatieve gevolgen heeft voor de directeur van de verzoekende partij, niet voor de verzoekende partij zelf. De bestreden beslissing zorgt er integendeel voor dat de uitgaven van de verzoekende partij met meer dan 700.000 frank per jaar worden beperkt. 2.
- De verzoekende partij antwoordt hierop dat zij wel degelijk een persoonlijk (en wettig) belang heeft bij de vernietiging van de bestreden beslissing, omdat een beslissing van één van haar bestuursorganen werd tenietgedaan en zij hierdoor haar engagement ten aanzien van haar directeur niet kan nakomen. Voorts is de verzoekende partij van oordeel dat haar autonomie werd miskend zodat zij eveneens een moreel belang heeft om de bestreden beslissing aan te vechten. De vaststelling dat de bestreden beslissing voor de verzoekende partij financieel voordeliger is, doet, aldus de verzoekende partij, aan haar belang geen afbreuk. Zij wijst erop dat ook andere belangen dan louter financiële in aanmerking genomen kunnen worden en dat de wetgever niet in een belangenafweging heeft voorzien om te bepalen of een welbepaald belang zwaar genoeg weegt in vergelijking met een ander belang om beroep bij de Raad van State te kunnen instellen. 2.
- Een ondergeschikt bestuur heeft er belang bij om een beslissing van de toezichthoudende overheid tot niet-goedkeuring van één van haar beslissingen te bestrijden, ook al heeft de persoon op wie de niet-goedgekeurde beslissing betrekking heeft, zelf niet de nietigverklaring van de bewuste handeling van de toezichthoudende overheid gevorderd. De exceptie faalt naar recht. 3.
- De verwerende partij werpt een tweede exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van een wettig belang in hoofde van de verzoekende partij. Zij voert aan dat de verzoekende partij reeds op 16 maart 2000 een overeenkomst met R.S. heeft ondertekend, zonder op de goedkeuring van de IX-2557-6/12 bezoldigingsregeling te wachten. Aldus heeft de verzoekende partij gehandeld in strijd met het voorschrift van artikel 4, § 1, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 tot bepaling van de specifieke regelingen van het toezicht op de sociale huisvestingsmaatschappijen, dat de sociale huisvestingsmaatschappij verbiedt een beslissing inzake de bezoldigingsregeling van de directeur uit te voeren alvorens de goedkeuring van de VHM te hebben verkregen. Volgens de verwerende partij kan de verzoekende partij zich niet beroepen op een belang dat wordt afgeleid uit de moeilijkheden bij de verdere uitvoering van een overeenkomst die zij zelf onwettig heeft gesloten. 3.
- Overeenkomstig artikel 4, § 1, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 tot bepaling van de specifieke regelingen van het toezicht op de sociale huisvestingsmaatschappijen mogen de sociale huisvestingsmaatschappijen een beslissing inzake de bezoldigingsregeling van de directeur slechts uitvoeren nadat zij daartoe de schriftelijke goedkeuring van de VHM hebben verkregen. De omstandigheid dat de verzoekende partij bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst met haar directeur in strijd met het voorschrift van artikel 4, § 1, 3/, gehandeld zou hebben, heeft echter niet tot gevolg dat de verzoekende partij geen wettig belang bij het beroep kan doen gelden. In geval van vernietiging van de bestreden beslissing, met name op grond van het eerste middel, zouden de beslissingen van de verzoekende partij in verband met de bezoldiging van de directeur immers geacht moeten worden te zijn goedgekeurd. Het voorliggende beroep strekt er dan ook niet toe een onwettige toestand te bestendigen. De exceptie faalt naar recht. 4.
- Ten slotte werpt de verwerende partij een derde exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van een actueel belang in hoofde van de verzoekende partij. Zij voert aan dat de verzoekende partij de beslissing in verband met de bezoldiging van haar directeur bij brief van 17 maart 2000 had meegedeeld en dat haar reeds op 7 april 2000, hetzij 18 dagen na de ontvangst van die brief, was medegedeeld dat de verwerende partij daarmee niet kon instemmen. De verwerende IX-2557-7/12 partij had dus reeds op 7 april 2000 haar goedkeuringstoezicht uitgeoefend. De beslissingen van 27 juni 2000 en 25 juli 2000 vormen volgens de verwerende partij dan ook slechts de formele bevestiging van de reeds op 7 april 2000 meegedeelde weigering tot goedkeuring. De verwerende partij besluit dat de bestreden beslissing niets veranderd heeft aan de rechtstoestand van de verzoekende partij, zodat deze geen actueel belang heeft bij het vernietigingsberoep. 4.
- De verzoekende partij antwoordt hierop dat in de brief van 7 april 2000 niet meer gezegd wordt dan dat “de VHM (...) met deze gang van zaken niet kan instemmen”. Van enige beslissing wordt geen melding gemaakt, evenmin is enige beslissing aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. In de brief wordt integendeel vermeld dat bepaalde stukken bezorgd moeten worden en dat een onderzoek zal worden ingesteld. Dit alles doet, aldus de verzoekende partij, uitschijnen dat op 7 april 2000 nog geen beslissing was genomen, vermoeden dat versterkt wordt door het nalaten van de verwerende partij om deze beweerde beslissing in het administratief dossier neer te leggen. 4.
- In de brief van de VHM van 7 april 2000 wordt weliswaar gesteld dat de beslissing van de verzoekende partij van 10 februari 2000 “indruist tegen de terzake geldende regelgeving en de VHM bijgevolg met deze gang van zaken niet kan instemmen”, doch het betreft hier slechts de mededeling van het standpunt van de administratie van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij. Het is in beginsel de raad van bestuur van de VHM die zich over de goedkeuring van een beslissing van een sociale huisvestingsmaatschappij moet uitspreken. Uit niets blijkt dat de verwerende partij op 7 april 2000 reeds een beslissing tot niet-goedkeuring zou hebben genomen. De exceptie kan niet worden aangenomen. Ten gronde 5.
- De verzoekende partij roept onder meer een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 4, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 tot bepaling van de specifieke regelingen van het toezicht op de sociale huisvestingsmaatschappijen. IX-2557-8/12 Zij voert aan dat de bestreden beslissing meer dan 60 dagen na de aanvraag om goedkeuring van haar beslissingen van 10 februari 2000 en 9 maart 2000 genomen is, zodat de verwerende partij op dat ogenblik niet langer bevoegd was om nog over te gaan tot een niet-goedkeuring. In de toelichting bij het middel zet de verzoekende partij uiteen dat zij bij brief van 20 april 2000 de uittreksels uit de notulen van de vergadering van de raad van bestuur van 10 februari 2000 aan de verwerende partij heeft toegestuurd en in deze brief uitdrukkelijk om goedkeuring heeft verzocht, dat de termijn van 60 dagen om de beslissingen van de raad van bestuur al dan niet goed te keuren begon te lopen bij de ontvangst door de verwerende partij van de brief van 20 april 2000, en dat de beslissing van 25 juli 2000 om de beslissingen van 10 februari en 9 maart 2000 niet goed te keuren manifest te laat was. Overeenkomstig artikel 4, § 3, laatste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 moet de goedkeuring bij het verstrijken van de termijn geacht worden stilzwijgend te zijn verkregen, zodat de toezichthoudende overheid na het verstrijken van de termijn niet meer bevoegd is om nog tot de niet-goedkeuring over te gaan. 5.
- De verwerende partij herhaalt in haar memorie van antwoord dat zij reeds op 7 april 2000, hetzij 18 dagen na de ontvangst van de brief van 17 maart 2000 van de verzoekende partij, heeft medegedeeld dat zij met de beslissing van de verzoekende partij in verband met de bezoldigingsregeling van de directeur niet kon instemmen en dat zij dus reeds op 7 april 2000 haar goedkeuringstoezicht had uitgeoefend. De omstandigheid dat de besluiten van 27 juni 2000 en 25 juli 2000 meer dan 60 dagen na de ontvangst van de brief van de verzoekende partij van 20 april 2000 zijn genomen, is volgens de verwerende partij dan ook irrelevant. Subsidiair argumenteert de verwerende partij dat de termijn van 60 dagen, bedoeld in artikel 4, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999, een termijn van orde is en geen vervaltermijn. Het komt immers enkel aan de decreetgever en niet aan de Vlaamse regering toe om een vervaltermijn te bepalen. Artikel 4, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 zou onwettig zijn, indien de termijn van zestig dagen als een vervaltermijn zou worden beschouwd. IX-2557-9/12 5.
- De verzoekende partij repliceert in haar memorie van wederantwoord dat de verwerende partij de brief van 7 april 2000 ten onrechte tracht voor te stellen als een beslissing tot niet-goedkeuring in de zin van artikel 4, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni
- Voorts betwist zij dat de Vlaamse regering niet bevoegd zou geweest zijn om een vervaltermijn te bepalen. Zij meent dat de Vlaamse regering hiertoe immers alleen onbevoegd zou zijn geweest, indien de decreetgever de bedoeling zou hebben gehad dat de toezichthoudende overheid een uitdrukkelijke beslissing moest nemen, zodat het uitblijven van een beslissing niet met een gunstige beslissing zou kunnen worden gelijkgesteld. Een dergelijke bedoeling blijkt echter niet uit de toepasselijke regelgeving. 5.
- Op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, luidde artikel 4, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 tot bepaling van de specifieke regelingen van het toezicht op de sociale huisvestings- maatschappijen als volgt: “§
- De VHM beslist over het verlenen van de goedkeuring binnen een redelijke of overeen te komen termijn en uiterlijk binnen 60 kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag van de [sociale huisvestingsmaatschappij], zoals die blijkt uit de door de VHM aangebrachte datumstempel. De goedkeuring wordt geacht verleend te zijn, wanneer de VHM binnen die termijn geen andersluidende beslissing schriftelijk, per brief of per fax, heeft meegedeeld aan de [sociale huisvestingsmaatschappij]. In geval van weigering heeft de [sociale huisvestingsmaatschappij] het recht om door de VHM gehoord te worden.” Uit de bepaling die aan het verstrijken van de termijn van 60 dagen waarbinnen de goedkeuring moet worden verleend de stilzwijgende goedkeuring van de beslissing van de sociale huisvestingsmaatschappij verbindt, moet worden afgeleid dat deze termijn een vervaltermijn is, zodat de VHM na het verstrijken van de termijn niet meer bevoegd is om haar goedkeuring te verlenen of te weigeren. Met betrekking tot de opwerping van de verwerende partij dat de Vlaamse regering niet bevoegd zou zijn om voor de uitoefening van het goedkeuringstoezicht een vervaltermijn te bepalen, dient te worden opgemerkt dat het voormeld besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 zijn rechtsgrond vindt IX-2557-10/12 in artikel 43, § 1, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode. Deze bepaling luidt als volgt: “§
- De VHM ziet erop toe dat de sociale huisvestingsmaatschappijen hun opdrachten uitvoeren. Dat toezicht kan gebeuren op verschillende manieren zoals machtiging vooraf, goedkeuring of bekrachtiging van een genomen beslissing of eventueel indeplaatsstelling. De Vlaamse regering bepaalt de specifieke regelingen dienaangaande met inachtneming van de autonome werking van de sociale huisvestingsmaatschappij.” Door voor de uitoefening van het goedkeuringstoezicht een vervaltermijn te bepalen, heeft de Vlaamse regering de haar bij het voormeld artikel 43, § 1, verleende bevoegdheid niet overschreden. Het invoeren van een vervaltermijn waarborgt integendeel dat het goedkeuringstoezicht verenigbaar is met de autonomie van de sociale huisvestingsmaatschappij. Het argument van de verwerende partij dat artikel 4, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 onwettig zou zijn in zover de termijn van 60 dagen als een vervaltermijn wordt beschouwd, kan derhalve niet worden bijgevallen. De beslissingen van de raad van bestuur van de verzoekende partij van 10 februari en 9 maart 2000 in verband met de bezoldiging van de directeur werden bij brief van 20 april 2000 aan de verwerende partij toegezonden, met het verzoek om deze formeel goed te keuren. Uit de aangebrachte datumstempel blijkt dat de brief van 20 april 2000 op 26 april 2000 door de verwerende partij is ontvangen. De termijn van 60 dagen voor het verlenen of het weigeren van de goedkeuring verstreek derhalve op 25 juni
- De beslissing tot niet-goedkeuring is door de raad van bestuur van de verwerende partij genomen op 25 juli 2000 en aan de verzoekende partij medegedeeld met een brief van 3 augustus 2000, zijnde na het verstrijken van de vervaltermijn van 60 dagen en dus op een tijdstip dat de beslissing van de verzoekende partij overeenkomstig het voormelde artikel 4, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 8 juni 1999 stilzwijgend was goedgekeurd. Op dat ogenblik was de raad van bestuur niet meer bevoegd om de beslissingen van de verzoekende partij al dan niet goed te keuren. Het middel is gegrond. IX-2557-11/12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de raad van bestuur van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij van 25 juli 2000 houdende niet-goedkeuring van de beslissingen van 10 februari 2000 en 9 maart 2000 van de raad van bestuur van de CV De Ideale Woning met betrekking tot de integrale valorisatie van de gepresteerde dienstjaren van haar directeur voor de berekening van diens geldelijke en functionele anciënniteit. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 8 april 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, P. BARRA, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-2557-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.271 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.