← België

Arrest 192372 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.372 Rolnummer: A. 121931/X-10988 Zaak: Arrest 192372 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 14/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-27 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 02:17 Fiche Arrest nr 192.372 van 14 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.372 van 14 april 2009 in de zaak A. 121.931/X-10.988. In zake : Walter DEMEYERE, die woonplaats kiest bij advocaat A. VAN BRABANT, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gulden Vlieslaan 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Y. FRANÇOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat 10. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Walter DEMEYERE op 31 mei 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 april 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening, houdende inwilliging van het beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen het besluit van 29 juni 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij hem de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het dempen van een gracht aan de Warvinge te De Haan, op een perceel kadastraal bekend sectie A, nr. 253/h; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 1 juli 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; X-10.988-1/20 Gelet op de beschikking van 5 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 oktober 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. VANHEE, die loco advocaat A. VAN BRABANT verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat Y. FRANCOIS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. De verzoeker is eigenaar van percelen landbouwgrond, gelegen aan de Warvinge te De Haan (Vlissegem). Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 26 januari 1977 vastgestelde gewestplan Oostende-Middenkust zijn deze gronden gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. 1.2. Bij besluit van 1 oktober 1998 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen in toepassing van de reglementering betreffende de polders en wateringen aan de verzoekende partij de machtiging om een waterloop die zijn gronden doormidden snijdt, te verleggen naar de rand van de betreffende percelen. Hij stelt hiertoe te willen overgaan, omdat het bestaan van de waterloop o.a. een gevaar vormt voor het vee op de weiden (verdrinking), omdat door de scheiding voor de kudde twee stieren nodig zijn hetgeen bedrijfseconomisch onverantwoord is en bovendien spanningen veroorzaakt tussen die twee dieren, en omdat de gracht het uitrijden van de bietenoogst op de achterliggende akkerlanden belemmert. X-10.988-2/20 1.3. Op 8 juli 1999 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente De Haan een bouwaanvraag in om de werken tot demping van de bestaande waterloop te kunnen uitvoeren. In de loop van augustus 1999 wordt evenwel reeds een aanvang genomen met de werken, hetgeen aanleiding geeft tot het opstellen van een proces- verbaal van overtreding. 1.4. Op 11 oktober 1999 maakt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente De Haan het dossier aan de gemachtigde ambtenaar over met een gunstig preadvies. Op 21 oktober 1999 meldt de Nieuwe Polder van Blankenberge aan het gemeentebestuur geen bezwaar te hebben tegen de betrokken werken. Ook de afdeling Land van AMINAL - West-Vlaanderen meldt op 27 oktober 1999 “uit strikt landbouwkundig oogpunt” geen bezwaar te hebben, doch de afdeling Natuur van dezelfde administratie verstrekt op 21 december 1999 een ongunstig advies “uit het perspectief van het natuurbehoud”, om reden dat de gronden zouden voorgedragen zijn als habitatrichtlijngebied en belangrijke natuurwaarden zouden herbergen. De afdeling Water van de administratie tenslotte verzet zich in een advies van 19 januari 2000 tegen de werken, omdat deze het landschappelijk en ecologisch belang van de site zouden schaden en omdat het “waterbergend vermogen” van de gronden in gevaar zal komen. 1.5. De gemachtigde ambtenaar brengt op 17 februari 2000 een ongunstig advies uit over de aanvraag, stellende dat de werken een verlies aan natuurwaarden zullen teweegbrengen, dat zij “enkel een landbouweconomisch belang” nastreven, en dat zij “de waterbeheersing van het gebied in het gedrang” brengen. 1.6. Bij besluit van 29 februari 2000 weigert het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning op grond van het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.7. Op 4 april 2000 stelt de verzoeker beroep in tegen dit weigeringsbesluit bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. X-10.988-3/20 1.8. Bij besluit van 29 juni 2000 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen het beroep in, onder meer op grond van de overweging dat “het ontwerp kadert in een hedendaagse economisch verantwoorde bedrijfsvoering” en “rekening houdt met het landschapaspect en een verantwoorde waterhuishouding”. 1.9. Op 3 augustus 2000 stelt de gemachtigde ambtenaar tegen voormeld besluit van de bestendige deputatie beroep in bij de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening. Ter gelegenheid van een hoorzitting op de diensten van de administratie van de minister op 27 oktober 2000, verdedigen de verzoeker en zijn raadsman het dossier. Op 31 januari 2002 verleent de afdeling Natuur van AMINAL- West-Vlaanderen nog een aanvullend negatief advies, waarin onder meer gesteld wordt dat de aanvraag het aangemelde habitatrichtlijngebied schendt, dat het landschap met “reliëfrijke weilanden, afgewisseld met grachten en zwinnen” in gevaar komt, dat uit onderzoek dat pas in 2000 is gebeurd, is gebleken dat de “interessantste vegetaties” waaronder moeraszoutgras en knopig doornzaad precies in de grachten en depressies terug te vinden zijn, en dat de graslanden ook voor weidevogels zoals de kluut en de tureluur belangrijk zijn. 1.10. Bij het thans bestreden besluit van 5 april 2002 wordt het door de gemachtigde ambtenaar ingestelde beroep ingewilligd, en de gevraagde vergunning geweigerd. Dit besluit is gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat de aanvraag strekt tot het dempen van een gracht over een afstand van 285 m; dat de bestendige deputatie op 1 oktober 1998 machtiging verleende om de bedding van de gracht te dempen, genaamd Kromzwin nr. 0.3.11.1. van 3de categorie (deel E-F) en te verleggen naar de rand van het perceel (deel G-H nr. 0.3.9.2.); Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Oostende-Middenkust, vastgesteld bij koninklijk besluit van 17 december 1979, gelegen is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat in dit gebied, overeenkomstig de noodzakelijke samenlezing der artikelen 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, bestemd voor de landbouw in de ruime zin, bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen; dat de daar voorgestelde handelingen en werken de schoonheidswaarde van het landschap niet mogen in gevaar brengen; Overwegende dat kwestieuze grond niet gelegen is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van X-10.988-4/20 een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het vigerend gewestplan; Overwegende dat appellant, ter staving van de aanvraag, voornamelijk aanvoert dat het betrokken perceel door de gracht in twee delen wordt gesplitst hetgeen de landbouwactiviteiten erg bemoeilijkt, dat aanvrager op 1 oktober 1998 een machtiging verkreeg van de bestendige deputatie om de bedding van de gracht te verleggen naar de rand van zijn perceel, dat de weiden zich niet in een biologisch zeer waardevol gebied situeren en het hier een gracht betreft van 3de categorie; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen, in zitting van 14 september 1999, een gunstig pré-advies heeft uitgebracht om volgende reden: ‘gunstig, gelet op de machtiging dd. 01.10.1998, door de bestendige deputatie verleend aan Walter Demeyere, voor het dempen van het af te schaffen waterloopgedeelte 03.11.1 en overwegende dat het ontwerp in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen en verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving en met de goede plaatselijke aanleg.’; Overwegende dat door het Polderbestuur ‘Nieuwe Polder van Blankenberge’, bevoegd voor de kwantitatieve waterhuishouding op het grondgebied van Blankenberge, Bredene, Brugge, De Haan, Jabbeke, Oudenburg en Zuienkerke, op 21 oktober 1999 volgend advies werd uitgebracht: ‘Het Polderbestuur heeft geen bezwaar betreffende de in hoofding vermelde werken mits voldaan wordt aan de voorwaarden opgenomen in de machtiging die de Bestendige Deputatie van West-Vlaanderen verleend heeft in zitting van 1 oktober 1998.’; Overwegende dat door de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, afdeling Land op 27 oktober 1999 volgend advies werd uitgebracht: ‘Hierbij heb ik de eer U ter kennis te brengen dat uit strikt landbouwkundig oogpunt het dempen van een gracht, in principe horend bij een gevestigd gemengd landbouwbedrijf er kan worden aanvaard. Adviezen van andere bevoegde diensten terzake (water - natuur) dienen eveneens ingewonnen te worden.’; Overwegende dat door de afdeling Natuur op 21 december 1999 volgend advies werd uitgebracht: ‘Omtrent de bovenvermelde aangelegenheid, heb ik de eer u mee te delen dat er uit perspectief van het natuurbehoud een ONGUNSTIG advies wordt verstrekt voor de aangevraagde werken. De uitvoering van werken waarop de aanvraag betrekking heeft is reeds aangevangen. De aanvang van deze noch in uitvoering van de stedenbouwwetgeving, noch in uitvoering van de natuurbehoudwetgeving vergunde werken werd op 9 september 1999 vastgesteld en vermeld in een pro-justitia proces-verbaal van overtreding dd. 23 september 1999 van de heer Geert Fierens, natuurwachter bij de AMINAL-afdeling Natuur van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De aangevraagde werken betreffen de demping van een ecologisch waardevolle waterloop die gesitueerd is in het bij beslissing van de Vlaamse regering van 14 februari 1996 in uitvoering van de Europese ‘Habitat’-richtlijn 92/43/EEG aan de Europese Unie voorgestelde speciale beschermingszone ‘Zilte poldergraslanden’. Op de biologische waarderingskaart wordt de waterloop en de omringende weiden geëvalueerd als biologisch waardevol en gekarteerd als ‘Hpr + Kn + Mr/’, X-10.988-5/20 wat betekent ‘weilandcomplex met zeer veel sloten + veedrinkput + rietland’. De aangevraagde werken impliceren een aanzienlijk verlies aan natuurwaarden en zijn dus niet verenigbaar met de voordracht van deze site als Europees ‘Habitat’- richtlijngebied. Ter herinnering meld ik dat de artikelen 6.3 en 6.4 van de Europese ‘Habitat’-richtlijn 92/43/EEG, die reeds van toepassing zijn op de in uitvoering van die richtlijn voorgestelde speciale beschermingszone, opleggen dat werken die een effect kunnen hebben op een (voorgestelde) speciale beschermingszone en die niet bijdragen tot het behoud van de natuurwaarden niet uitgevoerd kunnen worden vooraleer: 1/) de effecten van het project op de speciale beschermingszone zijn geëvalueerd; 2/) het dwingend groot nationaal belang van het project op afdoende wijze is aangetoond; 3/) alternatieve oplossingen, zowel naar uitvoeringswijze als naar locatie zijn onderzocht; 4/) indien geen alternatieve oplossingen worden gevonden voor de uitvoering van het project in de speciale beschermingszone en het project toch doorgang moet vinden, compenserende maatregelen getroffen worden, dit betekent dat het areaalverlies van de speciale beschermingszone moet gecompenseerd worden door bij besluit van de Vlaamse regering nieuw af te bakenen speciale beschermingszone (waarbij de samenhang van het Natura 2000-netwerk moet verzekerd worden) en de natuurtechnische inrichting ervan. Deze compenserende maatregelen moeten meegedeeld worden aan de Europese Commissie. Het spreekt vanzelf dat de aangevraagde demping van de betreffende waterloop niet als van dwingende groot nationaal belang kan beschouwd worden en bijgevolg niet kan toegelaten worden.’; Overwegende dat door de afdeling Water op 19 januari 2000 volgend advies werd uitgebracht: ‘De afdeling Water is van mening dat bestaande grachten slechts in uitzonderlijke omstandigheden kunnen gedempt worden. Grachten verhogen immers het waterbergend vermogen, wat belangrijk is voor de waterbeheersing, en hebben een aanzienlijk landschappelijk en ecologisch belang. Gezien de werken hier uitsluitend een landbouweconomische reden hebben en daarenboven in landschappelijk waardevol agrarisch gebied gelegen zijn, moet ik de bouwaanvraag ongunstig adviseren.’; Overwegende dat, ingevolge bijkomende gegevens van appellant, aan de afdeling Natuur een nieuw onderzoek werd gevraagd; dat op 31 januari 2002 door de afdeling Natuur volgend advies werd uitgebracht: ‘Met betrekking tot het bovenvermeld dossier handhaaft de Afdeling Natuur haar eerder uitgebracht negatief advies. De Afdeling Natuur is van mening dat door de advocaat van de tegenpartij geen elementen aangebracht worden die afbreuk zouden doen aan dit advies. Het is duidelijk dat de voormelde werken bouwvergunningsplichtig zijn, wat trouwens door de tegenpartij niet betwist wordt. Een advies van de Afdeling Natuur is vereist, omdat in het andere geval een natuurvergunning zou vereist zijn. De noodzaak van een natuurvergunning vervalt bij een bouwaanvraag met advies van de Afdeling Natuur. De natuurvergunningsplicht is op deze aanvraag van kracht omwille van: - Art. 11 §1, 1/

  1. c)van het besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (23 juli 1998), stelt X-10.988-6/20 dat het uitgraven, verbreden, rechttrekken van poelen of waterlopen niet mag gebeuren zonder voorafgaande en uitdrukkelijke schriftelijke vergunning van het College van Burgemeester en Schepenen. Deze vergunningsplicht geldt in EG-habitatrichtlijngebied, maar eveneens in ‘gewoon’ landschappelijk waardevol agrarisch gebied, zonder extra beschermingsstatus. - Art 7, §1, 6/ van hetzelfde besluit stelt dat het wijzigen van moerassen en waterrijke gebieden, in alle gewestplanbestemmingen verboden is. Afwijkingsmogelijkheden zijn in hetzelfde besluit omschreven, maar moeten volgens de bepalingen van het natuurdecreet analoog aan de bepalingen van de Habitatrichtlijn (Bepalingen van Art. 6, zoals omschreven in ons advies van 21/12/1999 met ref AN/GKB.99.941/3950) goed gemotiveerd zijn. Voor alle duidelijkheid verklaart de Afdeling Natuur dat de aanvraag gelegen is in een zone die aangemeld is aan de Europese commissie in uitvoering van de Richtlijn 92/43/EEG VAN DE RAAD van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Habitatrichtlijn). Het gebied maakt deel uit van het deelgebied ‘Poldergraslanden’. Deze aanmelding is gebeurd bij beslissing van de Vlaamse regering van 14 februari 1996. Het is zo dat de aanmelding herzien werd in het kader van een nieuwe aanmelding bij beslissing van de Vlaamse regering van 5 mei 2001. De voormelde aanvraag situeert zich echter binnen de aangemelde zone van zowel de beslissing van 14 februari 1996, als binnen de zones aangemeld bij beslissing van 5 mei 2001. Een aantal zaken die de advocaat Vandervennet verklaard worden, worden door de Afdeling Natuur niet ontkend (bijvoorbeeld punt 5, 7, 9) andere vinden wij niet terug in ons advies (vb punt 11). Voor het overige is het echter logisch dat de Afdeling Natuur in haar afweging wel elementen die beschikbaar gesteld worden door bijvoorbeeld de Biologische Waarderingskaarten, de afbakening als Habitatrichtlijngebied mee in rekening brengt. In deze zin baseert de Afdeling Natuur zich voornamelijk op de volgende afwegingen om te stellen dat voormelde aanvraag in die mate een effect heeft op de natuur dat er niet voldaan is aan het ‘Stand-still principe’ ‘art.13 van het natuurdecreet) en de ‘zorgplicht’ voor de natuur (art.14 van het natuurdecreet): - het dempen van de betrokken gracht tast het betrokken habitatrichtlijngebied aan. In het bijzonder het type ‘zilt grasland’ is expliciet beschermd in het habitatrichtlijngebied ‘Poldergraslanden’. - het dempen van grachten tast het landschappelijk waardevol karakter van het gebied aan. Het landschap wordt immers gevormd door de reliëfrijke weilanden, afgewisseld met grachten en zwinnen. Schaalvergroting en intensivering tasten niet alleen de natuurwaarden maar eveneens de landschappelijke waarden aan. - een studie omtrent het betrokken gebied in opdracht van de afdeling Natuur heeft de bijzondere waarde van dit perceel aangetoond. De biologische waardering van dit perceel is Hpr* + k (Mr) + Kn (zeer soortenrijk reliëfrijk grasland, met rietkragen in de rand en poelen). De rietkragen slaan niet op de betrokken gracht. Belangrijke opmerking is dat de beoordeling pas gebeurd is in de zomer 2000, d.w.z. nadat de te regulariseren werken reeds uitgevoerd werden. Het is duidelijk dat aangezien de interessantste vegetaties zich juist in de grachten en depressies bevinden het perceel voor de bouwaanvraag en opvullingen ‘met steenslag en rommel’ nog interessanter was. X-10.988-7/20 - Het is zeer waarschijnlijk dat deze opgevulde depressies vroeger veel meer zilte vegetaties (Da op de Biologische waarderingskaart) en vallend onder het wijzigingsverbod (art.7 van het vermelde besluit). De aanwezigheid van Moeraszoutgras (Triglochin palustre) op het perceel is hiervan een bewijs. - Tenslotte is de algemene waarde van het perceel voor de natuur met de aanwezigheid van Rode lijssoorten zoals Moer(a)szoutgras en Knopig Doornzaad en het belang van het perceel voor weidevogels zoals Kluut en Tureluur en overwinterde ganzen dermate hoog dat een aantasting ervan significante effecten heeft op de algemene natuurwaarden. Bovengestelde overwegingen nopen de Afdeling Natuur tot de handhaving van het eerder ongunstig advies, waarbij de mening overheerst dat nieuwe elementen (nieuwe onderzoeken, nieuwe aanduidingen, recente flora en faunagegevens) eerder dit ongunstig advies onderbouwen dan omgekeerd.’; Overwegende dat, ook al staan de voorgenomen werken in functie van de landbouw en zijn ze bijgevolg in se niet strijdig met artikel 11.4.1, dient gewezen op het feit dat artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 bepaalt dat de vergunning slechts afgeleverd kan worden zo de uitvoering van de werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening; dat de vergunningverlenende overheid binnen dergelijke gebieden elke aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning dient te toetsen aan de begrippen van een esthetisch verantwoorde uitvoering, waarbij de ordeningsmaatregelen zich richten op het behoud van het aanwezige landbouwareaal en het omgevend landschap; dat reeds bij de definitieve goedkeuring van het betrokken gewestplan aan het kwestieus gebied een bijzondere bestemming werd gegeven door de aanduiding van ‘landschappelijk waardevol gebied’; dat de voorgenomen werken dan ook moeten kaderen in het behoud van dit landschappelijk waardevol gebied, en zelfs een verbetering moeten inhouden; Overwegende dat, volgens het ‘proces-verbaal van overtreding’ van de afdeling Natuur, de feiten als volgt worden weergegeven: ‘Dempen van een deel van het Kromzwin, waterloop van 3de categorie met nr. 0.3.11.1 over een lengte van ongeveer 185 meter, inclusief de nivellering van de omgevende gronden met een variërende breedte van 8 tot 10 m; Dempen lijnvormige depressie (gracht ?) over een lengte van 135 meter met een breedte van ongeveer 5 m; Nivelleren en wijzigen van het microreliëf over een oppervlakte van ongeveer 200 m²’; Overwegende dat uit voormelde beschrijving blijkt dat bedoelde werken een vermindering van de ecologische waarde van het gebied meebrengen; dat het gewestplan weliswaar geen rechtstreekse grond geeft om op basis hiervan de vergunning te weigeren; dat het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu evenwel niet alleen de belangrijkste doelstellingen van het natuurbeleid regelt maar ook de maatregelen inzake het milieu- en natuurbeleid; dat dit decreet tot de bevoegdheid behoort van de Vlaamse minister bevoegd voor het milieu; dat evenwel dit decreet ook zijn impact heeft op het handelen van de overheid die bevoegd is voor de ruimtelijke ordening; dat artikel 16 van voormeld decreet bepaalt dat de overheid er zorg voor dient (...) te dragen dat door het opleggen van voorwaarden of het weigeren van de vergunning of toestemming er geen vermijdbare schade aan de natuur ontstaat; dat uit de technische gegevens van het dossier blijkt dat de uitgevoerde werken de natuur uiteraard schade toebrengen waardoor het natuurlijk milieu wordt aangetast; Overwegende dat uit voormelde ongunstige adviezen van betrokken besturen bovendien duidelijk blijkt dat in ieder geval de uitgevoerde werken een zeer belangrijke impact hebben op het uitzicht van het landschap en geen X-10.988-8/20 verbetering van de natuurwaarde in het gebied tot stand brengen; dat hierdoor op een rechtstreekse manier de schoonheidswaarde van het landschap in het gedrang wordt gebracht wat niet strookt met de doelstellingen vastgesteld in het gewestplan; dat uit oogpunt van de goede plaatselijke ordening de aanvraag niet voor vergunning vatbaar is; dat de beslissing van de bestendige deputatie dan ook in strijd is met een degelijk beleid inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw; dat de gemachtigde ambtenaar met reden in hoger beroep is gekomen Overwegende dat om de aangehaalde redenen dient gesteld dat de uitgevoerde werken strijdig zijn met de planologische voorzieningen van het gewestplan en bijgevolg de goede ruimtelijke ordening van het betrokken gebied in het gedrang brengen; dat dan ook geen vergunning kan verleend worden; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd”. Met een op 12 april 2002 ter post verzonden aangetekend schrijven wordt dit besluit aan onder meer de verzoeker en zijn raadsman betekend. 2. Ontvankelijkheid 2.1. In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat de verzoeker als aanvrager/eigenaar belang “lijkt” te hebben bij de gevraagde vernietiging, maar dat geen stukken worden voorgelegd waaruit het eigendoms- of een ander zakelijk recht van de verzoeker blijkt. 2.2. De verzoeker heeft bij de memorie van wederantwoord een afschrift gevoegd van de notariële akte waarbij hij de betrokken gronden heeft aangekocht. De exceptie is niet gegrond. 3. Ten gronde 3.1. Eerste middel 3.1.1. Uiteenzetting van het middel In een eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 1, 2, 9, 10 en 11 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet), van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de algemene beginselen van behoorlijk X-10.988-9/20 bestuur “waaronder niet beperkend: het rechtszekerheidsbeginsel, het fairplaybeginsel, het algemeen zorgvuldigheidsbeginsel en het leerstuk van de gewekte verwachtingen”, van artikel 16 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: het decreet natuurbehoud), van artikel 9 en volgende van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: het uitvoeringsbesluit van het decreet natuurbehoud), “DOORDAT het bestreden besluit het beroep van de gemachtigd(
  2. e)ambtenaar inwilligt op grond van de zorgplicht in hoofde van de overheid als vervat in het artikel 16 van het Decreet Natuurbehoud, met name op grond van volgende motieven: ‘... Overwegende dat uit voormelde beschrijving blijkt dat bedoelde werken een vermindering van de ecologische waarde van het gebied meebrengen; dat het gewestplan weliswaar geen rechtstreekse grond geeft om op basis hiervan de vergunning te weigeren; dat het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu evenwel niet alleen de belangrijkste doelstellingen van het natuurbeleid regelt maar ook de maatregelen inzake het milieu- en natuurbeleid; dat dit decreet tot de bevoegdheid behoort van de Vlaamse minister bevoegd voor het milieu; dat evenwel dit decreet ook zijn impact heeft op het handelen van de overheid die bevoegd is voor de ruimtelijke ordening; dat artikel 16 van voormeld decreet bepaalt dat de overheid er zorg voor dient te dragen dat door het opleggen van voorwaarden of het weigeren van de vergunning of toestemming er geen vermijdbare schade aan de natuur ontstaat; dat uit de technische gegevens van het dossier blijkt dat de uitgevoerde werken de natuur uiteraard schade toebrengen waardoor het natuurlijk milieu wordt aangetast ...’ TERWIJL, eerste onderdeel, het respect voor de zorgplicht als vervat in artikel 16 Decreet Natuurbehoud reeds was onderzocht met gunstig gevolg voor de verzoekende partij ingevolge de onherroepelijk definitief verworven machtiging van de Bestendige Deputatie op 1 oktober 1998; een overheid een onderzocht gegeven later niet opnieuw kan in vraag stellen; ZODAT, het bestreden besluit niet regelmatig is gemotiveerd en derhalve genomen is met schending van de in het middel aangeduide bepalingen en beginselen. TERWIJL, tweede onderdeel, de in het bestreden besluit weerhouden motieven geen verband houden met stedenbouwkundige motieven, ZODAT, het bestreden besluit niet regelmatig is gemotiveerd en derhalve genomen is met schending van de in het middel aangeduide bepalingen en beginselen. TERWIJL, derde onderdeel, artikel 16 Decreet Natuurbehoud niet toepasselijk is op het voorwerp van de aanvraag, vermits de werkzaamheden in het betrokken ruimtelijk gebied niet door het decreet natuurbehoud en haar uitvoeringsbesluiten werden geviseerd; aan het begrip ‘vermijdbaar’ en aan het begrip ‘schade’ als bedoeld in het artikel 16 Decreet Natuurbehoud een interpretatie wordt gegeven waardoor elke verandering van de natuur verboden wordt, ZODAT, het bestreden besluit niet regelmatig is gemotiveerd en derhalve genomen is met schending van de in het middel aangeduide bepalingen en beginselen. X-10.988-10/20 TOELICHTING Eerste onderdeel 25. Het ministerieel besluit is ongunstig voor verzoekende partij. Het ongunstig besluit is te wijten aan de ongunstige adviezen van AMINAL afdeling Natuur en Water. Het ongunstig advies van AMINAL, afdeling Natuur, is enkel en alleen gebaseerd op de onverenigbaarheid van het dempen van de gracht met de voordracht van het gebied als Habitatgebied in uitvoering van de Richtlijn 92/43/EEG van de raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. De voordracht van dit gebied als Habitatgebied is niet bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De Habitatrichtlijn heeft geen directe werking. De beschermingsvoorschriften zijn niet afdwingbaar ten opzichte van de burger (...). Blijkbaar was de minister zich hiervan goed bewust, vermits in de motivatie geen enkele verwijzing is te vinden naar de Habitatrichtlijn. Meer nog alle partijen dergelijke reglementering op de voet volgen, zijn het erover eens dat de ‘kleine’ ingrepen als het verleggen van een gracht verenigbaar zijn, zelfs indien de Habitatrichtlijn van toepassing zou zijn - quod non. 26. Er werd gezocht naar een andere stok om te slaan ... en de reglementering in België laat bijna steeds toe een stok te vinden om te slaan ... In casu evenwel ten onrechte. 27. De weigering werd gemotiveerd op basis van artikel 16 van het decreet Natuurbehoud dat stipuleert als volgt: ‘Art. 16. § 1. Als voor een activiteit op grond van wetten, decreten of besluiten een vergunning of toestemming van de overheid, dan wel een kennisgeving of melding aan de overheid vereist is, draagt deze overheid er zorg voor door het opleggen van voorwaarden of het weigeren van de vergunning of toestemming dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan. § 2. De Vlaamse regering kan voor bepaalde activiteiten of categorieën van activiteiten, voor bepaalde habitats of ecologische processen, of voor bepaalde soorten groepen, richtlijnen geven voor het beoordelen van het vermijdbare en onherstelbare karakter van de activiteit en voor de op te leggen voorwaarden, en voor herstelmaatregelen inzake de schade aan de natuur en compensatiemaatregelen. Buiten het VEN en in andere dan groengebieden, parkgebieden, buffergebieden en bosgebieden kan de Vlaamse regering een vergunning verlenen voor verplaatsing van kleine landschapselementen op voorwaarde dat de natuur in kwantiteit en in kwaliteit niet vermindert. Binnen het IVON, in andere dan groengebieden, parkgebieden, buffergebieden en bosgebieden kan slechts vergunning voor verplaatsing van kleine landschapselementen worden verleend indien het kadert binnen een goedgekeurd natuurrichtplan. § 3. De in § 1 bedoelde overheid weigert de vergunning of toestemming indien de activiteit onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur kan veroorzaken in gebieden van het VEN bepaald overeenkomstig hoofdstuk V. Als voor een activiteit als bedoeld in het eerste lid geen vergunning of toestemming maar wel een melding of kennisgeving is vereist, dient de aanvrager zich te gedragen naar de code van goede natuurpraktijk. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels inzake deze code van goede natuurpraktijk. De aanvrager of de persoon die de melding of de kennisgeving doet, toont aan dat de activiteit geen vermijdbare of onherstelbare schade aan de natuur zal veroorzaken. X-10.988-11/20 § 4. In afwijking op het bepaalde in § 3, kan een activiteit, die onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur veroorzaakt in het VEN, worden uitgevoerd om bijzonder gewichtige redenen van algemeen belang. In dit geval worden alle maatregelen genomen om de mogelijke schade te beperken en worden kwantitatieve en/of kwalitatieve compensatiemaatregelen opgelegd aan de aanvrager of de persoon die de melding of de kennisgeving verricht heeft, na advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud. § 5. De beslissing van de overheid omtrent de vermijdbare of onherstelbare schade wordt met redenen omkleed. De overheid deelt haar beslissing mee: 1/ aan de aanvrager, op dezelfde wijze als de beslissing op de aanvraag wordt meegedeeld; 2/ aan de persoon die de melding of de kennisgeving heeft gedaan, bij ter post aangetekende brief binnen een termijn van dertig dagen na de melding of kennisgeving. Art. 58 van het decreet Natuurbehoud voorziet strafbepalingen op de miskenning van dit artikel. Het decreet Natuurbehoud is in werking getreden op 20 januari 1998. 28. Op 1 oktober 1998 bekomt verzoekende partij de machtiging van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen om de waterloop Kromzwin nr 0.3.11.1 van 3e categorie (deel E-F) te dempen en te verleggen naar de rand van het perceel (deel G-H nr. 0.3.9.2). Artikel 16 van het Decreet Natuurbehoud is op het ogenblik van de afgifte van deze machtiging reeds in werking getreden - met name sedert 20 januari 1998 zodat ook de Bestendige Deputatie - impliciet maar zeker - reeds onderzocht op 1 oktober 1998 of zij de machtiging kon verlenen onder toepassing van de beginselen vervat in artikel 16 Decreet Natuurbehoud. De beslissing van 1 oktober 1998 van de Bestendige Deputatie werd niet gevat door één of ander beroep. De beslissing van 1 oktober 1998 van de Bestendige Deputatie werd niet ingetrokken. De beslissing van 1 oktober 1998 van de Bestendige Deputatie werd niet opgeheven. Deze beslissing heeft derhalve definitief rechten doen ontstaan in hoofde van verzoekende partij. 29. Deze beslissing van 1 oktober 1998 werd verleend onverminderd: • De verplichtingen voortvloeiend uit het gemeentelijk bouwreglement, uit de voorschriften van de wetgeving houdende de organisatie van de stedenbouw en de ruimtelijke ordening of uit welkdanige andere reglementering; • De vergunningsplicht voor wijziging van de vegetatie en van lijn- en puntvormige elementen ingesteld bij besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 1996; • Alle eigendomsrechten en andere welke kunnen ingeroepen worden. 30. In de beslissing van 1 oktober 1998 van de Bestendige Deputatie werd derhalve niet verwezen naar het decreet Natuurbehoud en ook niet naar artikel 16 van dit decreet. Het werd dus impliciet maar zeker onderzocht met gunstig gevolg voor de verzoekende partij. 31. In de beslissing van 1 oktober 1998 van de Bestendige Deputatie werd verwezen naar ‘De vergunningsplicht voor wijziging van de vegetatie en van lijn- en puntvormige elementen ingesteld bij besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 1996’ Het Uitvoeringsbesluit Decreet Natuurbehoud bepaalt in haar artikel 45 dat ‘het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 1996 tot instelling van een X-10.988-12/20 vergunningsplicht voor de wijziging van vegetatie en van lijn- en puntvormige elementen wordt opgeheven’. Dit artikel trad overeenkomstig artikel 47 in werking op 10 september 1998. In de beslissing van 1 oktober 1998 van de Bestendige Deputatie werd derhalve verwezen naar een reeds opgeheven uitvoeringsbesluit. 32. Het ‘Uitvoeringsbesluit Decreet Natuurbehoud’ - wat betreft de zorgplicht - is trouwens enkel een uitvoering van artikel 14 van het Decreet Natuurbehoud en heeft geen enkel implicatie voor artikel 16 Decreet Natuurbehoud. Besluit. Artikel 16 Decreet Natuurbehoud was derhalve impliciet maar zeker onderzocht. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden miskend wanneer een overheid een vergunning weigert op grond van de miskenning van een artikel waaromtrent een andere overheid reeds oordeelde dat zij de machtiging kan afleveren zonder miskenning van dit artikel. De overheid miskent het rechtszekerheidsbeginsel wanneer zij de vergunning weigert op grond van twistpunten waarvan - in rechte - moet worden aangenomen dat zij definitief werden beslecht in het voordeel van verzoekende partij naar aanleiding van de eerder bekomen machtiging. De overheid, die één en ondeelbaar is, miskent het fairplay-beginsel wanneer zij in een onderzoek, dat zij ambtshalve moet doen (met name nazicht of zorgplicht wordt gerespecteerd), later zou gaan voorhouden dat dit onderzoek niet gebeurde. De overheid miskent de gewekte verwachtingen wanneer zij een verleende machtiging van iedere waarde ontdoet (met name door de stedenbouwkundige vergunning te weigeren) op basis van argumenten waarvan moet verondersteld worden dat zij reeds werden onderzocht door de eerste overheid die de betrokken machtiging verleende. De overheid miskent het zorgvuldigheidsbeginsel, en inzonderheid de gehoudenheid tot het verstrekken van behoorlijke informatie, wanneer zij niet uitdrukkelijk de verzoekende partij informeerde dat de machtiging wordt verleend onder voorbehoud van respect van Decreet Natuurbehoud, minstens onder voorbehoud van niet miskenning van artikel 16 van voormeld decreet. 33. Het is evident dat verzoekende partij de werken nooit had laten uitvoeren indien hij niet op 1 oktober 1998 de machtiging had bekomen van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen in uitvoering van het Koninklijk Besluit van 30 januari 1958 houdende algemeen politiereglement betreffende de polders en wateringen. Tweede onderdeel 34. Op stedenbouwkundig vlak is agrarisch gebied bestemd voor de landbouw zodat ingrepen - die een stedenbouwkundige vergunning vereisen - niet kunnen geweigerd worden op overwegingen louter gebaseerd op het decreet natuurbehoud. Derde onderdeel 35. Artikel 16 § 3 Decreet Natuurbehoud beperkt het verbod of afgifte van vergunning tot die gevallen waarbij onvermijdbare en onherstelbare schade ontstaat in de zogenaamde ‘groengebieden’. Derhalve enkel in de agrarische gebieden met ecologisch belang (geel met groene strepen) vallen onder een strikt verbod. De geviseerde werken worden vooreerst uitgevoerd in de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden (geel met zwarte strepen). Dus ratione materiae is niet voldaan aan de voorwaarde van het verbod. Ratione materiae is er niet aangetoond dat onvermijdbare en onherstelbare schade ontstaat. X-10.988-13/20 M.a.w. artikel 16 Decreet Natuurbehoud is niet toepasselijk op het voorwerp van de aanvraag, vermits de werkzaamheden in het betrokken ruimtelijk gebied niet door het decreet natuurbehoud en haar uitvoeringsbesluiten werden geviseerd. 36. De ingreep - het dempen - verandert de natuur uiteraard maar de natuur wordt niet beschadigd. In het advies van AMINAL afdeling Natuur wordt niet geconcretiseerd in wat de effectieve schade bestaat. Verzoekende partij dient uitdrukkelijk te ontkennen dat de opvulling zou gebeurd zijn met ‘steenslag en rommel’. De opvulling gebeurde met zuivere teelaarde Thans komen evenveel vogels, zoals de Kluut, Tureluur en overwinterende ganzen naar het betrokken gebied. In elk geval wordt het tegendeel niet bewezen. Thans is in het betrokken gebied dezelfde vegetatie aanwezig. De intrinsieke kenmerken van het gebied zijn totaal hetzelfde. De vogels kunnen broeden, de vegetatie kan verder groeien, ... De natuur kan aldaar haar gang gaan .. en de boer die - om met een spreekwoord te zeggen - die ploegde voort ... Artikel 16 decreet Natuurbehoud - geïnterpreteerd in de zin dat iedere verandering in het agrarisch gebied vermijdbare schade doet ontstaan, maakt iedere activiteit onmogelijk. Het decreet natuurbehoud is een compromis tussen natuurbehoudsector en de landbouwsector zonder dat de exploitatievrijheid van de landbouwer werd aangetast in de gebieden die hem aanbelangen (...): ‘... Belangrijk is dat de exploitatievrijheid volgens artikel 9 geldt conform de ruimtelijke bestemming. Dit betekent dat de landbouw buiten de gebiedscategorie agrarisch gebied op gewestplannen wel aan beperkende maatregelen onderworpen kan worden ...’. Zolang betrokken gebied niet is opgenomen in het ven-gebied, is er geen geldig excuus om de vergunning te weigeren. Omtrent artikel 16 Decreet natuurbehoud wordt door eminente auteurs het volgende geschreven: ‘... De vraag rijst of het begrip ‘vermijdbaar’ hier eigenlijk wel op zijn plaats staat: de bepaling beoogt de schade aan de natuur te vermijden door het weigeren van een vergunning voor een activiteit die zou leiden tot de (aldus vermijdbare) schade. Zo begrepen is alle schade vermijdbaar, want te vermijden door het nalaten (of ergens anders uitvoeren) van de activiteit. De regeling in het Decreet Natuurbehoud kan aldus gebruikt (misbruikt) worden om iedere vergunning of toestemming te weigeren...’ (...). Een artikel die een volledige vrijgeleide is voor de overheid of nog die de overheid verplicht om alles te weigeren - want als is vermijdbaar - is een onwettig artikel en dient buiten toepassing te worden gelaten, wegens schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, bij toepassing van artikel 159 van de G.W., minstens is een weigeringsvergunning niet afdoende gemotiveerd door de weigering louter te laten afhangen van een overweging gebaseerd op een niet toepasbaar artikel. Minstens dient een prejudiciële vraag gesteld te worden aan het Arbitragehof omtrent de conformiteit met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet van het artikel 16 Decreet Natuurbehoud. De draagwijdte van betrokken artikel kan onmogelijk tot gevolg hebben dat iedere ingreep in de natuur vermijdbare schade doet ontstaan en aldus iedere ingreep in de natuur verboden wordt”. X-10.988-14/20 3.1.2. Onderzoek van het middel 3.1.2.1. Uit de hiervoor weergegeven motivering van het bestreden besluit blijkt, zoals door de verzoeker terecht wordt gesteld, dat het bestreden besluit wordt gedragen door twee onderscheiden weigeringsmotieven, met name een eerste weigeringsmotief gesteund op artikel 16 van het decreet natuurbehoud, dat bepaalt dat de overheid er zorg voor dient te dragen dat door het opleggen van voorwaarden of het weigeren van de vergunning of toestemming er geen vermijdbare schade aan de natuur ontstaat, en dat uit de technische gegevens van het dossier blijkt dat de uitgevoerde werken de natuur uiteraard schade toebrengen waardoor het natuurlijk milieu wordt aangetast, en een tweede weigeringsmotief, gesteund op artikel 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit, doordat uit de ongunstige adviezen duidelijk blijkt dat in ieder geval de uitgevoerde werken een zeer belangrijke impact hebben op het uitzicht van het landschap en geen verbetering van de natuurwaarde in het gebied tot stand brengen, en dat hierdoor op een rechtstreekse manier de schoonheidswaarde van het landschap in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied in het gedrang wordt gebracht. 3.1.2.2. Artikel 16, § 1 van het decreet natuurbehoud, zoals dit van toepassing was op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, bepaalt: “Als voor een activiteit op grond van wetten, decreten of besluiten een vergunning of toestemming van de overheid, dan wel een kennisgeving of melding aan de overheid vereist is, draagt deze overheid er zorg voor door het opleggen van voorwaarden of het weigeren van de vergunning of toestemming dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan”. 3.1.2.3. In een eerste onderdeel van het middel voert de verzoeker samengevat aan dat de door voormelde bepaling opgelegde natuurtoets reeds met gunstig gevolg was gedaan door de bestendige deputatie bij het verlenen van de machtiging om de betrokken waterloop te verleggen naar de rand van de betreffende percelen. Krachtens het voormelde artikel 16, § 1 van het decreet natuurbehoud dient elke overheid die wordt gevat door een vergunningsaanvraag of een vraag tot toestemming er zorg voor te dragen dat door het opleggen van voorwaarden of het weigeren van de vergunning of de toestemming er geen vermijdbare schade aan de natuur ontstaat. X-10.988-15/20 Geen bepaling van dit decreet voorziet dat, wanneer voor het realiseren van een bepaalde activiteit meerdere vergunningen en/of toestemmingen zijn vereist, de overheid die over een vergunningsaanvraag of aanvraag tot toestemming moet beslissen, gebonden is door een eerdere beoordeling door een andere overheid. Bovendien kan uit de machtiging door de bestendige deputatie tot het verleggen van de betrokken waterloop naar de rand van de betreffende percelen bij gebreke aan enige verwijzing naar een beoordeling op grond van artikel 16, § 1 van het decreet natuurbehoud, niet zonder meer worden afgeleid dat deze heeft plaatsgevonden en “gunstig” was. Deze machtiging is overigens uitdrukkelijk verleend “onverminderd” de verplichtingen voorvloeiend uit onder meer “de voorschriften van de wetgeving houdende organisatie van de stedebouw en de ruimtelijke ordening of uit welkdanige andere reglementering”. De minister heeft derhalve terecht de aanvraag tot het verkrijgen van de betrokken stedenbouwkundige vergunning aan een eigen beoordeling op grond van artikel 16, § 1 van het decreet natuurbehoud onderworpen. Het eerste onderdeel van het middel is niet gegrond. 3.1.2.4. In een tweede onderdeel van het middel voert de verzoeker aan dat de betrokken motieven geen “stedenbouwkundige motieven” zijn, en dat de gevraagde vergunning niet kan worden geweigerd op overwegingen die louter gebaseerd zijn op het decreet natuurbehoud. De bepaling van artikel 16, § 1 van het decreet natuurbehoud is terzake duidelijk: elke overheid die op grond van welke wet, decreet of besluit ook, door een vergunningsaanvraag is gevat, kan de gevraagde vergunning weigeren om te voorkomen dat vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan. Een stedenbouwkundige vergunning kan aldus ook worden geweigerd op grond van voormelde bepaling. Het tweede onderdeel van het middel is niet gegrond. 3.1.2.5. In een derde onderdeel van het middel voert de verzoeker aan dat artikel 16 van het decreet natuurbehoud enkel toepasselijk is op “zogenaamde ‘groengebieden’”, zodat enkel agrarische gebieden met ecologisch belang “vallen onder een strikt verbod”, en dat voorts niet is aangetoond dat onvermijdbare en onherstelbare schade ontstaat. X-10.988-16/20 Het decreet natuurbehoud bevat geen bepaling die de toepassing van artikel 16, § 1 beperkt tot de “groengebieden” in de zin van artikel 13.4.3 van het inrichtingsbesluit. Voorts beschikt de Raad van State wat de feitelijke elementen betreft op grond waarvan de vergunningverlenende overheid een vergunning met toepassing van artikel 16, § 1 van het decreet natuurbehoud weigert, slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid. Te dezen dient te worden vastgesteld dat de adviezen van de afdeling Natuur, waarop de minister zich steunt om de vergunning op grond van artikel 16, § 1 van het decreet natuurbehoud te weigeren, en die in het bestreden besluit in extenso worden weergegeven, naast een verwijzing naar het gelegen zijn van het betrokken gebied in een zone die is aangemeld aan de Europese Commissie in uitvoering van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, de concrete elementen aangeeft waarom de “aanvraag in die mate een effect heeft op de natuur dat er niet voldaan is aan het ‘stand-still principe’ (art. 13 van het natuurdecreet) en de ‘zorgplicht’ voor de natuur (artikel 14 van het natuurdecreet)”. De verzoeker brengt geen argumenten bij waaruit kan blijken dat deze beoordeling is gesteund op onjuiste feitelijke gegevens of kennelijk onredelijk is. Het feit dat de verzoeker, wat het effect van de gevraagde werken op de natuur betreft, een andere mening heeft dan de minister, doet aan die vaststelling geen afbreuk. 3.1.2.6. Het middel is niet gegrond. 3.2. Tweede middel 3.2.1. Uiteenzetting van het middel In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 1, 2, 9, 10 en 11 van het gecoördineerde decreet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het redelijkheidsbeginsel, en van het inrichtingsbesluit, “DOORDAT het bestreden besluit het beroep van de gemachtigd(
  3. e)ambtenaar inwilligt op grond van volgende motieven: ‘... Overwegende dat uit voormelde ongunstige adviezen van betrokken besturen bovendien duidelijk blijkt dat in ieder geval de uitgevoerde X-10.988-17/20 werken een zeer belangrijke impact hebben op het uitzicht van het landschap en geen verbetering van de natuurwaarde in het gebied tot stand brengen; dat hierdoor op een rechtstreekse manier de schoonheidswaarde van het landschap in het gedrang wordt gebracht wat niet strookt met de doelstellingen vastgesteld in het gewestplan; dat uit oogpunt van de goede plaatselijke ordening de aanvraag niet voor vergunning vatbaar is; dat de beslissing van de bestendige deputatie dan ook in strijd is met een degelijk beleid inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw; dat de gemachtigde ambtenaar met reden in hoger beroep is gekomen...’ TERWIJL, de litigieuze werken volkomen verenigbaar zijn met de voorschriften toepasselijk op het landschappelijk waardevol agrarisch gebied; ZODAT, het bestreden besluit niet regelmatig is gemotiveerd en derhalve genomen is met schending van de in het middel aangeduide bepalingen en beginselen. TOELICHTING 37. De weilanden waar de te verleggen gracht in gesitueerd zijn, liggen volgens het gewestplan in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied (volgens het gewestplan Oostende - Middenkust, zoals vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 17 december 1979). Deze inkleuring is niet gewijzigd naar aanleiding van de zeer recente gewestplanwijziging! 38. Art. 11 van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (...) bepaalt als volgt: ‘De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin.’ Art. 15 van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (...) bepaalt als volgt: ‘De landschappelijke waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen. In deze gebieden mogen alle handelingen en werken worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen.’ In de Omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (...) word(
  4. en)de principes van toepassing op het landschappelijk waardevol agrarisch gebied als volgt verduidelijkt: ‘...In de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden zijn in principe dezelfde ordeningsmaatregelen van toepassing als in de gewone agrarische gebieden (artikel 11). Bij elke vergunningsplichtige handeling of werk dient evenwel te worden nagegaan of de betrokken handeling of werk al dan niet dient onderworpen te worden aan bijkomende voorwaarden om verenigbaar te kunnen worden geacht met de specifieke schoonheidswaarden van het betrokken gebied. Deze eventueel op te leggen voorwaarden kunnen betrekking hebben op de landschapsinkleding, de gebruikte materialen, de bouwhoogte, het bouwvolume en de plaats van inplanting, maar zij mogen niet van die aard zijn dat handelingen of werken die overeenstemmen met de agrarische bestemming rechtstreeks of onrechtstreeks zouden verboden worden.....’ 39. Verzoekende partij gebruikt geen materialen, het uitzicht op het maaiveld wordt totaal niet veranderd, het uitzicht van het landschap blijkt totaal onaangeroerd gelaten, er is geen bouwvolume, ... X-10.988-18/20 Onderzocht dient te worden of de aanvraag in overeenstemming is met de agrarische bestemming. De overheid oordeelde dienaangaande uitdrukkelijk dat zij verenigbaar zijn met de voorschriften van het ruimtelijk grondgebruik: ‘... Overwegende dat, ook al staan de voorgenomen werken in functie van de landbouw en zijn ze bijgevolg in se niet strijdig met artikel 11.4.4, dient gewezen op het feit dat artikel 19 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 bepaalt dat de vergunning slechts afgeleverd kan worden zo de uitvoering van de werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening; De verzochte aanvraag kadert in een bedrijfseconomisch verantwoorde uitoefening van het agrarisch beroep. De schoonheidswaarde van een gebied mag niet worden aangetast door het eventueel opleggen van voorwaarden zonder dat de werken op zich mogen verboden worden. In casu werden de werken op zich verboden. Meer nog het uitzicht van het gebied van het op maaiveld wordt totaal onaangeroerd gelaten. Het landschap zelf blijft onaangeroerd ... en nog worden de werken verboden. Verzoekende partij produceert een fotosessie van uit alle hoeken van de weide waaruit uw zetel zelf zal kunnen appreciëren dat het uitzicht van het landschap totaal onaangeroerd worden gelaten (...). In redelijkheid en gelet op alle feitelijke elementen, met name het dempen van een gracht van 3e categorie in een gebied met veel sloten en grachten, kan onmogelijk aangenomen worden dat de schoonheidswaarde van het gebied werd aangetast. De marginale toets van de opportuniteitsbeoordeling werd duidelijk geschonden. Het redelijkheidsbeginsel miskent. De werken worden niet uitgevoerd in een landschap als beschermd door het Decreet van 16 april 1996 Vlaams Parlement houdende bescherming van landschappen (...). De beslissing is derhalve niet regelmatig gemotiveerd”. 3.2.2. Onderzoek van het middel 3.2.2.1. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat het bestreden besluit is gesteund op twee weigeringsmotieven. Het eerste middel, waarin de onwettigheid van het eerste weigeringsmotief wordt aangevoerd, is niet gegrond bevonden. Dit weigeringsmotief volstaat om het bestreden besluit wettig te verantwoorden. De eventuele gegrondheid van het tweede middel, dat uitsluitend tegen het tweede weigeringsmotief is gericht, kan derhalve niet tot de vernietiging van het bestreden beluit leiden. 3.2.2.2. Het middel kan niet worden aangenomen. X-10.988-19/20 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien april 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-10.988-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.372 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.