id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.388 Rolnummer: A. 192180/IX-6316 Zaak: Arrest 192388 - Penitentiair recht - 15/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-20 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 02:19 Fiche Arrest nr 192.388 van 15 april 2009 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.388 van 15 april 2009 in de zaak A. 192.180/IX-
- In zake : Laurent CRISPYN, die woonplaats kiest te OOSTENDE, Kerkstraat 8/1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Laurent CRISPYN op 10 april 2009 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “de beslissing genomen door de Penitentiaire Overheid waarbij [hij] op 07.04.2009 werd gesanctioneerd met 9 dagen strafcel en 15 dagen afzondering op cel”; Gelet op de beschikking van 14 april 2009 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 april 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 april 2009, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad B. THYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat V. CHRISTIAENS, die loco advocaat M. DE SOETE verschijnt voor de verzoeker en van attaché X. LAUREYNS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur L. VERMEIRE; IX-6316-1/10 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
- De verzoeker verblijft als gedetineerde in de strafinrichting te Oudenaarde. 1.
- Op 4 april 2009 stelt een penitentiair beambte van de genoemde strafinrichting ten laste van de verzoeker een rapport op betreffende “feiten beschouwd als tuchtrechtelijke inbreuk en concrete omstandigheden waarin deze plaatsvonden”. Dit rapport, dat gericht is aan de directeur van de strafinrichting, vermeldt dat die dag de volgende feiten ten laste van de verzoeker zijn vastgesteld: “Omstreeks 18u45 vroeg ged. Crispyn of hij mocht douchen. Gezien de p.b. die de vroege dienst verzorgde hem reeds in de voormiddag liet douchen, deelde ik hem mee dat hij geen 2 douchebeurten per dag kan krijgen. Gedetineerde Crispyn bleef aandringen en bonkte geregeld op zijn deur. Toen ik zijn deur opende om te gaan telefoneren, verkondigde hij luidkeels alsnog een douche te zullen nemen. Ik verbood het hem duidelijk en drong er streng op aan terug op cel te gaan. Ged. Crispyn weigerde, nam zijn douches- pullen en ging toch douchen. Hij onderbrak zijn douchebeurt om mij in bijzijn van de dd.kc. de levieten te komen lezen en zette daarna zijn douchebeurt verder.” 1.
- Op 6 april 2009 stelt dezelfde penitentiair beambte weer een rapport op ten laste van de verzoeker. Dit rapport, dat eveneens gericht is aan de directeur van de strafinrichting, vermeldt dat die dag de volgende feiten ten laste van de verzoeker zijn vastgesteld: “Gedetineerde Crispyn kwam omstreeks 19u15 terug van de fitness. Ik verzocht hem onmiddellijk -ook naar aanleiding van tuchtverslag op zaterdag 4 april 2009- zijn douche te nemen. Hij vroeg me of ik het goed vond dat hij eerst nog een sigaret zou roken. Ik stond hem dit toe. Toen ik hem omstreeks 19u30 op een andere cel aantrof, verzocht ik hem nogmaals eerst zijn douche te nemen. Hij antwoordde dat ik er kon op rekenen dat hij onmiddellijk zou komen om te douchen. Toen ik even later in de doucheruimte niemand zag, IX-6316-2/10 moest ik hem opnieuw gaan zoeken ... Ik deelde hem mee dat hij toen of helemaal niet meer moest douchen. Gedetineerde Crispyn besloot om toch te douchen. Na zijn douchebeurt ging hij terug op cel, maar toen ik zijn deur wou sluiten, eiste hij te mogen telefoneren. Ik deelde hem mee dat hij geen belkrediet meer had. Hij reageerde hier zeer agressief op. Ik probeerde rustig te blijven en hield voet bij stuk. Toen hij merkte dat hij niet zou mogen bellen, pakte hij zijn emmer en antwoordde dat als hij niet mocht bellen, hij wel warm water zou gaan halen. Ik stond nog steeds in de deuropening. Hij kwam op mij af en toen ik aanstalten maakte om zijn deur dicht te trekken, greep hij me hardhandig beet en gooide mij tegen de celdeur. Nadat ik op het alarm drukte, begaf ik mij naar centrum
- Meteen daarna ging ander personeel naar bovengenoemde gedetineerde zijn cel. Laurent Crispyn gooide zelf zijn deur dicht en dreigde ermee al wie zou binnenkomen met een mes te verwonden. Hij was niet voor rede vatbaar. Daarom werd bijstand gevraagd van de politie. Bovengenoemde gedetineerde had zijn celdeur gebarricadeerd en de deur diende met de drukpomp geopend te worden. Daarna werd hij zonder verdere moeilijkheden overgebracht naar de veiligheidscel.” 1.
- Met een brief van 6 april 2009 deelt de directie van de strafinrich- ting aan de raadsvrouw van de verzoeker mee dat haar cliënt op 7 april 2009 over de voormelde tuchtfeiten zal worden gehoord en om bijstand heeft verzocht. De brief vermeldt tevens dat de verzoeker in het bezit is van een kopie van het tuchtdossier. 1.
- Na de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsvrouw, te hebben gehoord, legt de directeur van de strafinrichting op 7 april 2009 de volgende tuchtsanctie op aan de verzoeker: “9 dagen verplicht verblijf in de strafcel (tot en met 15.4.2009 om 20.45 uur) + twee weken verplicht verblijf op cel tot en met 30.04.2009 (geen gemeenschappelijke activiteiten, individueel bezoek en telefoon vóór 17.30 uur)”. Deze beslissing, die dezelfde dag nog aan de verzoeker ter kennis wordt gebracht, maakt het voorwerp uit van de voorliggende vordering. Ze vermeldt de volgende motieven: “- Gelet op tuchtrechtelijke antecedenten - Gelet op feit dat betrokkene tot herhaling toe de bevelen van de (zelfde) beambte heeft genegeerd - Gelet op feit dat betrokkene de beambte verbaal en fysiek heeft aangevallen - Gelet op feit dat betrokkene zich hevig heeft verzet alvorens een plaatsing op strafcel mogelijk was IX-6316-3/10 - Gelet op feit dat interventie door politionele diensten met hond en alsook hulpmiddel perspomp noodzakelijk was om betrokkene en zijn celgenoot uit de cel te halen - Gelet op feit dat betrokkene zijn celgenoot niet vrijwillig de cel liet verlaten op vraag van personeel - Gelet op feit dat betrokkene dient gedwongen te worden een mes, waarmee hij dreigde, neer te leggen” Grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. De voorwaarde van de ernstige middelen 3.
- De verzoeker voert in een enig middel de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag over de Rechten van de Mens (hierna: het EVRM), “de rechten van verdediging in administratieve tuchtzaken”, de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005 betreffende de tuchtprocedure tegen een gedetineerde, de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, “het algemeen beginsel van machtsoverschrij- ding”, “de beginselen van rechtvaardigheid en evenredigheid” en de motiverings- plicht. De verzoeker betoogt dat een belangrijk aspect van artikel 6 van het EVRM de hoorplicht betreft, dewelke de mogelijkheid impliceert om op een nuttige wijze voor zijn belangen op te komen. Hij stelt vast dat de rechten van de gedetineerden in tuchtzaken inmiddels werden uitgewerkt in de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005 betreffende de tuchtprocedure tegen een gedetineerde, waardoor de directie van een strafinrichting niet langer de mogelijk- heid heeft om eenzijdig een tuchtsanctie aan een gedetineerde op te leggen, maar de in de omzendbrief voorgeschreven procedurele waarborgen dient te eerbiedigen. IX-6316-4/10 Met betrekking tot de bestreden beslissing laat de verzoeker gelden dat is gebleken dat hij op geen enkel ogenblik iemand heeft bedreigd, noch met een mes, noch op enige andere wijze. Weliswaar heeft hij verkeerd gehandeld door zijn deur te barricaderen, teneinde aldus een gesprek met de directie af te dwingen, maar meer is er volgens hem niet gebeurd. Hij besluit daaruit dat hem dan ook een straf is opgelegd die niet in verhouding staat tot “hetgeen in werkelijkheid heeft plaatsgevonden”. Voorts stelt de verzoeker dat hij reeds op 6 april 2009 in een strafcel werd opgesloten, zonder dat hij werd gehoord, waardoor artikel 110, § 2, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden werd geschonden. Vermits de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de opsluiting in een strafcel het karakter hadden van een tuchtrechtelijke inbreuk, werd tevens gehandeld in strijd met artikel 111, §§ 1 en 2, van de voormelde wet. Volgens de verzoeker kan hem hoogstens een poging tot het plegen van een in artikel 129 van de voormelde wet bedoelde tuchtrechtelijke inbreuk ten laste worden gelegd. Een dergelijke poging kan slechts worden gesanctioneerd met een tuchtmaatregel waarin is voorzien voor tuchtinbreuken van de tweede categorie, in de zin van artikel 130 van de wet. Opsluiting in een strafcel kan dan krachtens artikel 132, 4/, van de wet slechts voor maximum drie dagen worden opgelegd. Ten slotte laat de verzoeker nog gelden dat de bestreden beslissing de tuchtsancties van opsluiting in een strafcel en verplicht verblijf op cel in strijd met artikel 143 van de wet cumuleert. 3.2.
- Daargelaten of artikel 6 van het EVRM van toepassing is op tuchtprocedures tegen gedetineerden, moet hoe dan ook worden vastgesteld dat de verzoeker niet nader toelicht hoe deze verdragsbepaling te dezen zou zijn geschonden. In zoverre lijkt het middel niet ontvankelijk. Weliswaar verwijst de verzoeker naar de hoorplicht, in het bijzonder naar de mogelijkheid die hij op grond daarvan diende te verkrijgen om op een nuttige wijze voor zijn belangen op te komen. De bedoelde hoorplicht is ook vervat in de rechten van de verdediging, waarvan de verzoeker eveneens de IX-6316-5/10 schending aanvoert. Te dezen blijkt echter dat de verzoeker, bijgestaan door zijn raadsvrouw, op 7 april 2009, voorafgaandelijk aan de opgelegde tuchtmaatregel, werd gehoord en lijkt hij aldus de mogelijkheid te hebben gehad om zijn middelen van verweer ten aanzien van de tuchtoverheid te laten gelden. De verzoeker stelt dat hij reeds op 6 april 2009 in een strafcel werd opgesloten, zónder dat hij werd gehoord. Deze grief kan echter niet de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verantwoorden, vermits ze als zodanig geen betrekking lijkt te hebben op de aan de verzoeker op 7 april 2009 opgelegde tuchtmaatregel, die wél na verhoor van de verzoeker werd genomen en slechts vanaf die datum uitvoering heeft gekregen, maar -zoals de verwerende partij ter terechtzitting verduidelijkt- op een voorlopige ordemaatregel in afwachting van de tuchtprocedure, die derhalve van de bestreden tuchtmaatregel moet worden onderscheiden en niet het voorwerp uitmaakt van de voorliggende vordering. 3.2.
- Daargelaten of een gedetineerde zich op een schending van de ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005 betreffende de tuchtprocedure tegen een gedetineerde, vermag te beroepen ter staving van een beroep tot vernietiging of een vordering tot schorsing, moet hoe dan ook worden opgeworpen dat de verzoeker niet uitlegt welke bepalingen van deze omzendbrief door de bestreden beslissing werden geschonden, laat staan op welke wijze die schending zich zou hebben voorgedaan. Ook in zoverre lijkt het middel niet ontvankelijk. 3.2.
- Voor zover de verzoeker de schending aanvoert van “het beginsel van rechtvaardigheid”, lijkt hij zich te beroepen op een beginsel dat geen rechtsbe- ginsel is. Het middel lijkt ook in zoverre niet ontvankelijk. 3.2.
- De verzoeker leidt de aangevoerde schending van het evenredig- heidsbeginsel af uit het feit dat is gebleken dat hij op geen enkel ogenblik iemand heeft bedreigd, noch met een mes, noch op een andere wijze. Hij stelt dat hem een straf is opgelegd die niet in verhouding staat tot “hetgeen in werkelijkheid heeft plaatsgevonden”. Zijn argumentatie betreft echter niet de vraag of de tuchtsanctie in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan hij door de directeur schuldig werd bevonden. De verzoeker betwist aldus het bestaan van de tuchtinbreuk op zich, maar niet de evenredigheid tussen die inbreuk en de tuchtsanctie. IX-6316-6/10 IX-6316-7/10 Het komt niet aan de Raad van State toe, wanneer hij moet oordelen over een beroep tot nietigverklaring of een vordering tot schorsing van een tuchtmaatregel, om zelf een onderzoek te voeren naar het bewijs van de aan de betrokkene ten laste gelegde tuchtfeiten en uit te maken wat naar zijn oordeel als de juiste toedracht van die feiten moet worden beschouwd. Wel kan hij nagaan of de tuchtoverheid op basis van de haar voorliggende gegevens naar recht en redelijkheid tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen en tot het bewezen zijn van die feiten heeft kunnen besluiten. Te dezen blijkt uit het rapport van 6 april 2009 van de penitentiair beambte die de tuchtfeiten heeft vastgesteld, dat de verzoeker haar “hardhandig” heeft aangepakt en na het barricaderen van zijn cel “ermee dreigde al wie zou binnenkomen met een mes te verwonden”. Verzoeker brengt geen enkel gegeven aan, dat hij ook aan de tuchtoverheid heeft voorgelegd, dat kan doen twijfelen aan de waarheidsgetrouwe rapportering van de verbale en fysieke agressie waarvan hij toen blijk heeft gegeven. In de huidige stand van de rechtspleging lijkt dan ook te moeten worden aangenomen dat de tuchtoverheid op grond van de haar voorgelegde rapporten tot het bewezen zijn van de aan de verzoeker ten laste gelegde dreigende houding vermocht te besluiten. Voor zover verzoekers grief in verband kan worden gebracht met de door hem aangevoerde schending van de (materiële) motiveringsplicht, moet op overeenkomstige wijze worden vastgesteld dat hij geen enkel gegeven aanbrengt dat de deugdelijke feitelijke grondslag van de bestreden beslissing kan ontkrachten. 3.2.
- De verzoeker voert in het middel voorts de schending aan van de artikelen 110, § 2, en 111, §§ 1 en 2, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, op grond dat hij reeds op 6 april 2009 in een strafcel werd opgesloten zonder te worden gehoord. Te dezen dient te worden herhaald wat reeds onder 3.2.1 hiervoor werd gesteld, namelijk dat de desbetreffende grief als zodanig geen betrekking lijkt te hebben op de aan de verzoeker op 7 april 2009 opgelegde tuchtmaatregel, maar op een voorafgaande, voorlopige ordemaatregel, en derhalve niet de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing kan verantwoorden. IX-6316-8/10 Voor zover de verzoeker in het middel ook de schending aanvoert van de artikelen 132, 4/, en 143 van de voornoemde basiswet van 12 januari 2005, moet worden opgeworpen dat deze wetsartikelen vooralsnog niet in werking zijn getreden en derhalve door de bestreden beslissing ook niet kunnen zijn geschonden. 3.2.
- De verzoeker voert in het middel ten slotte de schending aan van “het algemeen beginsel van machtsoverschrijding”. Hij licht echter niet toe waaruit die machtsoverschrijding te dezen bestaat. Het middel lijkt in zoverre niet ontvankelijk. 3.2.
- Uit wat voorafgaat moet worden besloten dat geen enkel onderdeel van het enige middel ernstig is. Derhalve is alvast niet voldaan aan één van de drie in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bedoelde grondvoor- waarden voor het bevelen van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid. OM DIE REDENEN BESLIST de Wnd. VOORZITTER : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. IX-6316-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 15 april 2009, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de H. B. THYS, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. B. THYS. IX-6316-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.388 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.000 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.