← België

Arrest 192410 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 20/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.410 Rolnummer: A. 108886/X-10511 Zaak: Arrest 192410 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 20/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-26 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 02:28 Fiche Arrest nr 192.410 van 20 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.410 van 20 april 2009 in de zaak A. 108.886/X-10.

  1. In zake : de n.v. SUN WAH SUPERMARKT, die woonplaats kiest bij advocaat P. VAN WESEMAEL, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Waterloosesteenweg 412 F tegen : het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke regering, dat woonplaats kiest bij advocaten M. KESTEMONT-SOUMERYN en J. BOUCKAERT, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Loksumstraat
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. SUN WAH SUPERMARKT op 13 augustus 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 3 mei 2001 van de Brusselse Hoofdstedelijke regering tot goedkeuring van het gewestelijk bestemmingsplan, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 juni 2001, “in zoverre het besluit in de Zwarte Lievevrouwestraat 2/4 te 1000 Brussel de zone ‘gemengd woon- en bedrijfsgebied en gebied van culturele, historische en/of esthetische waarde’, wijzigt in ‘typisch woongebied’”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 23 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-10.511-1/10 Gelet op de beschikking van 21 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. VAN WESEMAEL, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat T. GERNAEY, die loco advocaten M. KESTEMONT-SOUMERYN en J. BOUCKAERT verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. Feiten 1.
  4. De verzoekende partij is eigenaar van een gebouw met een winkel voor kleinhandel, gelegen aan de Zwarte Lievevrouwstraat 2/4 te Brussel. Het betrokken perceel is volgens het bij koninklijk besluit van 28 november 1979 vastgestelde gewestplan voor de Brusselse agglomeratie gelegen in een “gemengd woon- en bedrijfsgebied”. Deze bestemming werd ongewijzigd overgenomen in het bij besluit van 3 maart 1995 van de Brusselse Hoofdstedelijke regering vastgestelde gewestelijk ontwikkelingsplan. 1.
  5. Op 30 augustus 1999 beslist de Brusselse Hoofdstedelijke regering tot de goedkeuring van het (tweede) ontwerp van het gewestelijk bestemmingsplan. Dit ontwerp geeft aan het perceel van de verzoekende partij als bestemming “typisch woongebied”, met in overdruk de bestemming “linten voor handelskernen”. Bij het openbaar onderzoek over dit tweede ontwerp heeft de verzoekende partij geen bezwaarschrift ingediend. X-10.511-2/10 1.
  6. Op 3 mei 2001 beslist de Brusselse Hoofdstedelijke regering tot de definitieve goedkeuring van het gewestelijk bestemmingsplan. Dit bestreden besluit geeft aan het betrokken perceel de bestemming “typisch woongebied”. In overdruk wordt voorzien in een “lint voor handelskernen”. Voor wat betreft die tweede bestemming wordt in het bestreden besluit het volgende overwogen: “
  7. De handel Overwegende dat meerdere indieners van bezwaarschriften van oordeel zijn dat het ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan van 30 augustus 1999, door de bestaande toestand te behouden terwijl er reeds te veel handelszaken bestaan, niet tegemoet komt aan de doelstelling van het gewestelijk ontwikkelingsplan om het hypercentrum te bevorderen en de leefbaarheid van de handelskernen te verbeteren; Terwijl één van de doelstellingen van het gewestelijk ontwikkelingsplan bestaat in de versterking van de bestaande handelskernen door de handelskernen in de eerste kroon nieuw leven in te blazen, door de middelgrote en grote handelsoppervlakten in de tweede kroon te beperken en door het aantal handelskernen te beperken tot de bestaande kernen; Dat dit gewestelijk bestemmingsplan perfect tegemoet komt aan deze doelstelling van het gewestelijk ontwikkelingsplan omdat het slechts middelgrote handelsoppervlakten toelaat in de linten voor handelskernen en omdat het de kleinhandel in de woonwijken aanmoedigt; Dat dit gewestelijk bestemmingsplan, om de handelsactiviteit te versterken en te beschermen, immers linten voor handelskernen voorziet die de andere bestemmingen overlappen; Dat in deze linten voor handelskernen gelijkvloerse handelszaken voorrang hebben en ook kunnen worden toegelaten op de verdiepingen of tot 2.500 m² (of meer indien een BBP dit toestaat) per pand, op voorwaarde dat de plaatselijke omstandigheden dat toelaten en mits speciale regelen van openbaarmaking worden genomen; Dat een gebrek aan de vitaliteit werd vastgesteld in meerdere handelskernen en dat studies werden uitgevoerd om de redenen hiervoor te achterhalen; Dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering naar aanleiding van deze studies een aantal maatregelen heeft genomen om de handelskernen nieuw leven in te blazen (handelskerncontracten, betere parkeer- en verkeersvoorwaarden, aangepaste inrichting van de openbare ruimte, enz.); Dat, afgezien van deze maatregelen, de linten voor handelskernen van dit gewestelijk bestemmingsplan zijn bedoeld om nieuwe handelszaken aan te trekken, die de stuwende kracht vormen voor de heropleving van een wijk of voor de uitbreiding van de bestaande handelszaken; Dat de handelskernen werden geïdentificeerd op basis van verschillende criteria (aard en aantal handelszaken, bereikbaarheid, enz.), die borg staan voor de aantrekking of de uitbreiding van handelszaken en voor de economische leefbaarheid van de betrokken kernen; Dat dit gewestelijk bestemmingsplan derhalve tegemoet komt aan de doelstellingen op het vlak van de bescherming en de heropleving van de handel die worden nagestreefd in het gewestelijk ontwikkelingsplan; Overwegende dat verschillende indieners van bezwaarschriften zich ook uitlieten over de te strikte beperkingen aangaande de drempels voor de handelszaken in met name de gemengde en sterk gemengde gebieden; X-10.511-3/10 Overwegende dat erop dient te worden toegezien dat een bevredigende oplossing wordt gevonden voor de vestiging van grote of kleine handelszaken in het gewest; Overwegende dat in het ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan de drempels voor handelszaken in gemengde of sterk gemengde gebieden beperkt waren tot 500 m² en in linten van handelskernen tot 1.500 m²; Overwegende dat de handelsactiviteit globaal erop achteruitgaat in Brussel; dit is vooral het geval voor de groothandel, die lijdt onder de verzadiging en het gebrek aan ruimte in de stad; Dat die tendens niettemin wordt gecompenseerd door de ontwikkelingen in de horeca, die een sterke groei beleeft; Dat de horeca en de kleinhandel veel laaggeschoolden tewerkstellen, dit zowel in relatieve als absolute cijfers; beide sectoren stellen meer personeel tewerk dan de productie-industrie. Dat de aanwerving voornamelijk binnen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gebeurt en dat dit element, gekoppeld aan de rol die deze sectoren kunnen spelen bij de verhoging van het aantrekkingspotentieel van de stad, ze tot zeer belangrijke sectoren maakt; Dat de detailhandel evenwel lijdt onder een verhoogde concurrentie in de randstad en onder een verarming van de Brusselse bevolking, hetgeen weegt op de koopkracht van de bewoners van de centrale wijken; Dat de vraag dus globaal verzadigd is, behalve in enkele specifieke segmenten, waaraan voorrang moet worden gegeven; in dit verband dient te worden vastgesteld dat in typische handelszaken in het stadscentrum de tewerkstelling stijgt, een verschijnsel dat zich trouwens ook in andere steden voordoet (‘fun shopping’-element); Dat deze economische elementen pleiten voor een beleid dat erop gericht is de kwijtgespeelde klanten terug te winnen in de handelskernen van de randstad, en grootwinkelbedrijven met een uitgebreid verzorgingsgebied aan te trekken teneinde de handelskernen van het gewest een nieuwe dynamiek mee te geven; Dat de Gewestelijke Ontwikkelingscommissie, die zich bewust is van deze situatie, de regering voorstelde een onderscheid te maken tussen de winkels, de gespecialiseerde grote handelsoppervlakten en de groothandel; Dat ze tevens voorstelde de drempels voor die bestemmingen te verhogen, met name voor de twee gebieden met gemengd karakter; Dat het huidige bestemmingsplan deze situatie bijgevolg rechtzet door de inplanting toe te staan van gespecialiseerde grote handelsoppervlakten in de gebieden met gemengd karakter met zijn hogere drempelwaarden; Dat zo bijvoorbeeld de noden inzake bruto-oppervlakte voor de non-food sectoren een oppervlakte opgeven van 1.000 tot 5.000 m² en in sommige gevallen zelfs 10.000 m² voor de kledingsector, een oppervlakte van 1.000 tot 4.000 m² voor de vrije tijdssector, een oppervlakte van 1.000 tot 3.000 m² voor de sportsector, en een oppervlakte van 500 tot 15.000 m² voor de meubelbranche; Dat in linten van handelskernen de drempels voor handelsactiviteiten eveneens werden verhoogd, de basisdrempel die momenteel 1.000 m² bedraagt, kan worden verhoogd tot 2.500 m² en meer wanneer deze mogelijkheid wordt voorzien door een bijzonder bestemmingsplan en mits deze verhoging wordt openbaar gemaakt; Dat die drempels worden gerechtvaardigd door de evolutie van de behoeften van de verschillende handelssectoren in kwestie, dat het gaat om gespecialiseerde handelszaken of om de voedingssector; Dat bij wijze van voorbeeld en op basis van voorbereidende studies aangaande de commerciële activiteiten, de behoefte aan bruto-oppervlakte van de grootwarenhuizen wordt geraamd tussen 600 en 2.200 m² voor winkels van X-10.511-4/10 het superette-type, tussen 3.000 en 5.000 m² voor standaard supermarkten, en tussen 12.000 en 20.000 m² voor hypermarkten; Dat het huidige bestemmingsplan nieuwe vestigingen van gespecialiseerde grote handelsoppervlakten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wil onderbrengen in specifieke zones en daarvoor speciale procedures wil uitwerken; Overwegende dat meerdere indieners van bezwaarschriften vragen dat de handelszaken en de kantoren niet mogen worden toegelaten op de bovenverdiepingen; Dat zij van oordeel zijn dat deze handelszaken en kantoren op de bovenverdiepingen een bedreiging vormen voor de bewoonbaarheid van deze gebouwen en dat dit indruist tegen het principe van een continue huisvesting; Terwijl de Regering ervoor heeft gezorgd dat een juist evenwicht is bekomen tussen de voorwaarden voor een duurzame economische ontwikkeling in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en deze voor de bescherming van de huisvesting; Dat het plan aldus de continuïteit van de huisvesting in de handelskernen oplegt alsook beperkingen aan de inrichting van winkels op de verdiepingen oplegt; Dat de beperkingen van de handelsactiviteiten op het gelijkvloers gerechtvaardigd is door de aard zelf van de handelsactiviteiten die de notie van toegankelijkheid voor het publiek veronderstellen; Dat de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening van 3 juni 1999, die op 1 januari 2000 in voege trad, overigens de toegankelijkheid van de woningen op de bovenverdieping van handelszaken regelt, rekening houdend met de typologie van de bestaande bebouwing; Dat de beperking van kantoren op de verdiepingen minder verantwoord is doordat hun aard zelf de notie van toegankelijkheid voor het publiek niet impliceert; Dat evenwel, indien men een kantoorproject wil realiseren in een woongebouw, het plan, met het oog op de bescherming van de woonfunctie, voorziet dat deze kantoren ofwel bij de huisvesting behoren, ofwel bij voorkeur op het gelijkvloers en op de eerste verdieping gevestigd worden indien het gaat om een project in een appartementsgebouw; Dat deze beperkingen voldoende zijn om economie en huisvesting harmonieus te combineren; Dat in dit verband erop moet worden gewezen dat meerdere van deze activiteiten harmonieus passen in de woonomgeving en bijdragen tot de aantrekkelijkheid van het Gewest, omdat ze banen scheppen in de buurt; Overwegende dat meerdere indieners van bezwaarschriften vragen dat een onderscheid zou worden gemaakt tussen de schadelijke handelszaken en de andere, en dat enkel laatstgenoemden zich in een lint voor handelskernen mogen vestigen op de bovenverdiepingen; Terwijl dit gewestelijk bestemmingsplan de economische ontwikkeling in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest nastreeft en daarbij de huisvesting beschermt; Dat, om een evenwicht te verkrijgen tussen deze twee beleidskoersen, dit gewestelijk bestemmingsplan de vestiging van handelszaken in een lint voor handelszaken toestaat op de bovenverdieping; dat indien de plaatselijke omstandigheden het toelaten en na speciale regelen van openbaarmaking; Dat het evenwel de overheden die bevoegd zijn inzake vergunningen toebehoort om, rekening houdend met de bijzondere plaatselijke eigenschappen die eigen zijn aan elk lint, de nodige maatregelen te treffen om te verhinderen dat de vestiging van sommige handelszaken op de bovenverdiepingen de huisvesting aantast, wat zij zullen kunnen evalueren aan de hand van de resultaten van het openbaar onderzoek betreffende de vergunningsaanvraag; X-10.511-5/10 Dat dit gewestelijk bestemmingsplan in zijn definitie van handelszaak ook de bijhorende kantoren en bijgebouwen omvat; Dat, rekening houdend met het feit dat een handelszaak een geheel vormt, het nodig blijkt voor de kantoren of andere lokalen die bij de handelszaken behoren een globale in plaats van een plaatselijke strategie op te zetten; Dat alhoewel er op vlak van de voorschriften geen reden is om een onderscheid te maken tussen het deel van de handelszaak dat toegankelijk is voor het publiek en de bijhorende lokalen (kantoor voor de boekhouding, ruimte voor personeel, enz.), het zeker is dat de bevoegdheden inzake vergunningen dit feitelijk onderscheid in overweging zullen kunnen nemen om de opportuniteit in te schatten van de vestiging op de verdiepingen van kantoren behorend bij de handelszaak”. Volgens de bij voornoemd besluit horende “bijzondere voorschriften betreffende de woongebieden”, gelden voor “typische woongebieden”, de volgende voorschriften: “2.
  8. Deze gebieden zijn bestemd voor huisvesting. 2.
  9. Deze gebieden kunnen eveneens worden bestemd voor voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten, alsmede voor productieactiviteiten waarvan de vloeroppervlakte van al die functies samen, per onroerend goed, niet groter is dan 250 m². Die oppervlakte wordt op 1.000 m² gebracht voor school-, culturele, sport-, sociale en gezondheidsvoorzieningen. Deze gebieden kunnen ook worden bestemd voor kantoren waarvan de vloeroppervlakte, per gebouw, beperkt is tot 250 m². De vloeroppervlakte voor productieactiviteiten en de kantooroppervlakte mogen, per gebouw, tot 500 m² worden vergroot op voorwaarde dat : 1/ die vergroting naar behoren met sociale en economische redenen is omkleed; 2/ de plaatselijke omstandigheden die vergroting mogelijk maken zonder de hoofdfunctie van het gebied in het gedrang te brengen; 3/ de handelingen en werken aan de speciale regelen van openbaarmaking werden onderworpen. De vloeroppervlakte bestemd voor productie-activiteiten mag op 1.500 m² per gebouw worden gebracht op voorwaarde dat die mogelijkheid is bepaald in een bijzonder bestemmingsplan. 2.
  10. Buiten de linten voor handelskernen kunnen de benedenverdiepingen van de gebouwen bestemd worden voor handelszaken. De eerste verdieping kan eveneens bestemd worden voor handelszaken wanneer de plaatselijke omstandigheden dit mogelijk maken en nadat de handelingen en werken aan de speciale regelen van openbaarmaking zullen onderworpen zijn. De vloeroppervlakte bestemd voor handelszaken mag, per project en per gebouw, niet meer dan 150 m² bedragen. Die oppervlakte mag, per project en per gebouw, op 300 m² worden gebracht, op voorwaarde dat : 1/ die vergroting naar behoren met sociale en economische redenen is omkleed; 2/ de plaatselijke omstandigheden die vergroting mogelijk maken zonder de hoofdfunctie van het gebied in het gedrang te brengen; 3/ de handelingen en werken aan de speciale regelen van openbaarmaking werden onderworpen. 2.
  11. Deze gebieden kunnen ook bestemd worden voor hotelinrichtingen met een capaciteit van twintig kamers. Die capaciteit kan op vijftig kamers worden gebracht mits speciale regelen van openbaarmaking worden toegepast. X-10.511-6/10 2.
  12. Algemene voorwaarden voor alle bestemmingen bedoeld in de voorschriften 2.1 tot 2.4 : 1/ enkel de handelingen en werken die betrekking hebben op de huisvesting, op de voorzieningen van collectief belang of van openbare diensten, alsmede op de handelszaken binnen een lint voor handelskernen mogen de binnenterreinen van huizenblokken aantasten; 2/ de stedenbouwkundige kenmerken van de bouwwerken en installaties stroken met die van het omliggend stedelijk kader; wijzigingen ervan zijn onderworpen aan de speciale regelen van openbaarmaking; 3/ de aard van de activiteiten is verenigbaar met de huisvesting; 4/ de continuïteit van de huisvesting is verzekerd”. De “voorschriften betreffende de gebieden in overdruk”, meer bepaald “het lint voor handelskernen”, luiden als volgt: “
  13. Het lint voor handelskernen De benedenverdiepingen van gebouwen gelegen in een lint voor handelskernen of in de galerijen die op de bestemmingskaart met een ‘G’ zijn aangeduid, worden bij voorrang bestemd voor handelszaken. De bestemming van de bovenverdiepingen voor de handel kan slechts worden toegelaten wanneer de plaatselijke omstandigheden dit mogelijk maken en nadat de handelingen en werken aan de speciale regelen van openbaarmaking zullen onderworpen zijn. De vloeroppervlakte voor handelszaken is, per project en per gebouw, beperkt tot 1.000 m². De vergroting van die oppervlakte tot 2.500 m² kan enkel worden toegelaten wanneer de plaatselijke omstandigheden dit mogelijk maken en nadat de handelingen en werken aan de speciale regelen van openbaarmaking zullen onderworpen zijn. De vergroting van die oppervlakte tot meer dan 2.500 m² kan enkel worden toegelaten onder een van de volgende voorwaarden : 1/ de handelszaak hergebruikt een bestaand gebouw dat niet meer wordt geëxploiteerd nadat de handelingen en werken aan de speciale regelen van openbaarmaking zullen onderworpen zijn; 2/ die mogelijkheid wordt voorzien in een bijzonder bestemmingsplan. De continuïteit van de huisvesting moet in de linten voor handelskernen worden verzekerd in woongebieden en in gemengd gebied”.
  14. Ten gronde 2.1.
  15. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 1 van het eerste protocol bij het EVRM. Zij stelt dat de bestemmingswijziging die het bestreden besluit bewerkstelligt, neerkomt op een ongeoorloofde ingreep in het recht op eigendom dat door die verdragsbepaling wordt gewaarborgd. Het bestreden besluit miskent immers de rechten die de verzoekende partij put uit de bouwvergunning, aangezien de voor de handel bruikbare oppervlakte wordt beperkt tot 150 m² per project en per gebouw, onder bepaalde voorwaarden uit te breiden tot 300 m². Hierdoor wordt een vergunningsplicht ingesteld voor het verdere gebruik van het gebouw als X-10.511-7/10 handelszaak. Het gebouw werd in 1888 in zijn geheel vergund en sindsdien gebruikt als handelszaak, terwijl het bestreden besluit geen terugwerkende kracht heeft. De bestemming in overdruk van “lint voor handelskernen” voorziet weliswaar in een vloeroppervlakte tot 1.000 m², die kan worden uitgebreid tot 2.500 m² onder bepaalde voorwaarden, die er voor de verzoekende partij evenwel nog steeds op neerkomt dat haar inrichting niet verder kan worden uitgebaat zoals zij dit tot op heden heeft gedaan, nu haar aangevraagde milieuvergunning betrekking had op 1.000 m² verkooplokalen en 2.500 m² opslagruimte, in totaal dus 3.500 m². 2.1.
  16. De beperkingen die de verzoekende partij ondergaat ingevolge de bestemmingswijziging die het bestreden besluit voor haar perceel inhoudt, houden geen onteigening of eigendomsberoving in, maar enkel een beperking van het “recht op het ongestoord genot van (haar) eigendom”, overeenkomstig artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Deze verdragsbepaling erkent tevens het recht van de overheid om de “wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang”. Uit de gegevens van het dossier blijkt niet dat een kennelijk onevenredige verhouding bestaat tussen de aangewende middelen, in casu het bestreden besluit en de bestemmingswijzigingen die het met zich meebrengt, en het doel dat met die middelen wordt nagestreefd, in casu een goede ruimtelijke ordening, aangepast aan de actuele noden. Het loutere feit dat de verzoekende partij haar handelszaak niet onder dezelfde voorwaarden en op dezelfde wijze kan uitbaten als vóór de inwerkingtreding van het bestreden besluit, houdt nog geen kennelijk onevenredige maatregel uit. De verzoekende partij voert ook geen elementen aan waaruit dit alsnog zou kunnen blijken. 2.1.
  17. Het eerste middel is niet gegrond. 2.2.
  18. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van het rechtszekerheidsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij argumenteert dat de bestemmingswijziging die het bestreden besluit met zich meebrengt, de verworven rechten van de verzoekende partij aantast. Het rechtszekerheidsbeginsel houdt in dat de stabiliteit van definitief gevestigde individuele rechtsituaties en rechtsverhoudingen wordt gewaarborgd. Het X-10.511-8/10 zorgvuldigheidsbeginsel had de overheid er toe moeten aanzetten de rechten van de verzoekende partij te respecteren. 2.2.
  19. Het rechtszekerheidsbeginsel verleent geen aanspraak op ongewijzigde planbestemmingen en bestemmingsvoorschriften. Indien de overheid bij haar planologisch beleid geen wijzigingen zou mogen aanbrengen in de bestemmingen van particuliere eigendommen, teneinde de “definitief gevestigde individuele rechtsituaties en rechtsverhoudingen” volledig te vrijwaren, zou het haar onmogelijk zijn enig beleid ter zake te voeren. In de mate dat het middel gesteund is op het rechtszekerheidsbeginsel, is het niet gegrond. De wijzigingen die het bestreden besluit teweegbrengt voor de wijze waarop de verzoekende partij voor de toekomst haar handelszaak zal kunnen exploiteren, houden op zich geen schending in van het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoekende partij onderbouwt haar affirmatie niet met concrete gegevens die wijzen op een onzorgvuldig overheidsoptreden. 2.2.
  20. Het tweede middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  21. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 175,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-10.511-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig april 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-10.511-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.410 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.