id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.411 Rolnummer: A. 139878/X-11525 Zaak: Arrest 192411 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 20/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-27 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 02:29 Fiche Arrest nr 192.411 van 20 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.411 van 20 april 2009 in de zaak A. 139.878/X-11.525. In zake : de gemeente DENTERGEM, die woonplaats kiest bij advocaat P. BEKAERT, kantoor houdende te 8700 TIELT, Hoogstraat 34 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 106. tussenkomende partij : de n.v. TYBO, die woonplaats kiest bij advocaat Y. FRANCOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat 10. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente DENTERGEM op 1 augustus 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 6 juni 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het beroep van het college van burgemeester van de gemeente Dentergem tegen het besluit van 9 januari 2003 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij aan de n.v. TYBO de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen van 4 woningen na afbraak van een bestaande woning op een perceel gelegen te Dentergem, Wakkensesteenweg, kadastraal bekend sectie B, nrs. 445/r en 446/s/7; Gelet op het arrest nr. 125.624 van 24 november 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; X-11.525-1/11 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 24 december 2003 ingediend door de gemeente Dentergem; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 6 februari 2004 ingediend door de n.v. TYBO; Gelet op de beschikking van 11 februari 2004 die de tussenkomst van de n.v. TYBO toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur S. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 26 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partij en van de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 21 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 februari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. BEKAERT, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat F. TEMMERMAN, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat Y. FRANCOIS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-11.525-2/11 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. Op 3 mei 2002 dient de tussenkomende partij een aanvraag in voor het bouwen van 4 woningen na afbraak van een bestaande woning aan de Wakkensesteenweg te Dentergem, kadastraal bekend sectie B, nrs. 445/r en 446/s/7. Het betrokken perceel is overeenkomstig het gewestplan Roeselare-Tielt, vastgesteld bij koninklijk besluit van 17 december 1979, gelegen in woongebied met landelijk karakter. Het is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg en valt evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 1.2. Er werd een openbaar onderzoek ingesteld van 18 juli 2002 tot 18 augustus 2002, waarbij vier bezwaarschriften werden ingediend. 1.3. Op 23 augustus 2002 geeft het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dentergem een ongunstig preadvies. 1.4. Op 10 september 2002 geeft de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies. 1.5. Op 13 september 2002 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dentergem de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. 1.6. Op 9 januari 2003 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen het door de tussenkomende partij ingestelde administratief beroep in en verleent ze de gevraagde vergunning. 1.7. Op 14 februari 2003 stelt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Dentergem administratief beroep in tegen deze beslissing. 1.8. Op 12 maart 2003 geeft de gemachtigde ambtenaar een nieuw advies over de aanvraag, waarin hij het volgende stelt: X-11.525-3/11 “Met de argumentatie van de beroepsinstelling worden naar onze mening geen fundamenteel nieuwe planologische en/of ruimtelijk-stedenbouwkundige elementen aangebracht. De betreffende vier aaneengeschakelde woningen zijn qua schaal en volume nog steeds relatief gering en van die aard dat de ruimtelijke impact die zij zullen te weeg brengen op de omgeving beperkt blijft en zeker niet dermate is dat kan gesteld worden dat zij niet stroken met de vastgelegde ordening. Het in het betreffende woongebied met landelijk karakter a priori uitsluiten van een dergelijke aaneenschakeling van kleinschalige woningen is ons inziens niet correct. De invulling in dit landelijk woongebied, dat in het gewestplan als een vijftig meter diep woonlint werd geconcipieerd, kan zoals in huidig geval meer gediend zijn met een project van aaneen geschakelde kleine woningen, waarbij ook hier (
- op)een op ruimtelijk verantwoorde wijze aan woonverdichting wordt gedaan. De overwegingen die aan de basis liggen van de beslissing van de bestendige deputatie kunnen wij derhalve integraal bijtreden”. 1.7. Op 6 juni 2003 verwerpt de minister het ingestelde administratief beroep. Deze beslissing wordt gemotiveerd als volgt: “Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen, in zitting van 23 augustus 2002, terzake heeft beraadslaagd en de klachten ontvankelijk en deels gegrond heeft verklaard; dat het college van burgemeester en schepenen dienvolgens een ongunstig preadvies heeft uitgebracht onder meer omdat: ‘Aangezien de omgeving is gekenmerkt door open bebouwing en er in de rest van de straat enkel losstaande huizen aanwezig zijn. Aangezien de inplanting van 4 aaneengesloten woningen niet verenigbaar is met de omgeving’. Overwegende dat het beroepsmotief van de gemeente voornamelijk gebaseerd is op voormeld ongunstig preadvies; dat het bouwen van twee woningen in open verband, qua dichtheid, ter plaatse volgens haar beter passend is en dat het vergunnen van dit project aldus een inbreuk zou betekenen op het ruimtelijk beleid dat de gemeente de voorbije jaren heeft gevoerd en welk zij ook in de toekomst wenst te voeren; dat de essentie van het dossier aldus de vraagstelling betreft of een koppelbouw van vier aaneengesloten woningen stedenbouwkundig aanvaardbaar is in een woongebied met landelijk karakter dan wel vrijstaande woningen de voorkeur verdient; Overwegende dat voor het betrokken perceel geen vergunde verkaveling noch een bijzonder plan van aanleg van kracht is; dat, volgens inlichtingen van de gemeente, het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan nog maar in een fase van voorontwerp is en dat aangaande ‘woonverdichting’ nog geen enkel voorstel is uitgewerkt; dat, zolang de gemeente niet planmatig heeft vastgesteld waar eventueel woonverdichting in de landelijke woonkernen mogelijk is, de beoordeling van de stedenbouwkundige aanleg ter plaatse behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid die hierbij de gangbare normen inzake een verantwoorde ruimtelijke uitbouw der omgeving hanteert; dat er geen juridische grond bestaat om in het betreffende woongebied met landelijk karakter a priori dergelijke aaneenschakeling van kleinschalige woningen uit te sluiten; dat voor de invulling in dit landelijk woongebied met gekoppelde kleine woningen, ook hier op ruimtelijke verantwoorde wijze aan enige woonverdichting kan worden gedaan; Overwegende dat de plaats gelegen is in het lintvormig tussengebied dat de kernen Wakken en Oeselgem met elkaar verbindt; dat dit tussengebied, deels als woonlint langs de Wakkensesteenweg en deels als landelijk dorp (aan de X-11.525-4/11 overzijde van de Wakkensesteenweg), aangeduid is als woongebied met landelijk karakter; dat de bebouwing zich ontwikkeld heeft langs de bestaande weg en zijn landelijk karakter behouden heeft; dat het betrokken terrein zich op ongeveer 1 km bevindt van het centrum van de deelgemeente Oeselgem en op ongeveer 250 m van het woongebied van de deelgemeente Wakken; dat, gelet de situering van beide dorpskernen, een woonverdichting stedenbouwkundig verantwoord kan worden, indien het bestaand woonkarakter van de omgeving niet geschaad wordt; dat de Wakkensesteenweg een gemeenteweg is die een sterk verbindende functie heeft tussen beide dorpskernen; dat deze weg een vrij druk verkeer kent; dat het betrokken woongebied met landelijk karakter bijna volledig bebouwd is; dat de ordening van het gebied aldus gedetermineerd is door de feitelijke toestand; Overwegende de omgeving gekenmerkt wordt door overwegend alleenstaande residentiële bebouwing in één à twee bouwlagen met wisselende voorbouwlijnen; dat oudere woningen nog aan de straatzijde grenzen en recentere woningen doorgaans 11 m uit de as van de weg (voorbouwlijn van 6
- m)staan; dat er echter tal van losstaande woningbijgebouwen (loodsen, koterijen, hobby- bijgebouwen, garages, ...), al dan niet in tweede bouwlijn voorkomen; dat de omgeving bovendien gekenmerkt wordt door onregelmatig convergerende perceelsgrenzen, wat het ‘open karakter’ vaak visueel teniet doet; dat tevens wisselende gevelbreedtes voorkomen; dat op het rechter aanpalend perceel een vrijstaande woning werd opgericht; dat op het links aanpalend perceel nog geen bebouwing voorkomt; dat aan de overkant van de weg een gekoppelde bebouwing aanwezig is van drie woningen met een gezamelijke gevelbreedte van ongeveer 30 m; Overwegende dat het initieel advies van de gemachtigde ambtenaar ongunstig was; dat, naar aanleiding van huidige beroepsprocedure, door de gemachtigde ambtenaar evenwel een gunstig advies wordt uitgebracht onder meer omdat: ‘... de betreffende vier aaneengeschakelde woningen zijn qua schaal en volume nog steeds relatief gering en van die aard dat de ruimtelijke impact die zij zullen teweeg brengen op de omgeving beperkt blijft en zeker niet dermate is dat kan gesteld worden dat zij niet stroken met de vastgelegde ordening. ...’. Overwegende dat uit het technisch-stedenbouwkundig onderzoek blijkt dat het bebouwingsvoorstel een bebouwde oppervlakte heeft van 957 m² op een perceelsoppervlakte van 1524,54 m²; dat het bouwproject vier woongelegenheden voorziet met aldus vier afzonderlijke percelen waarvan de perceelsbreedte aan de straatzijde minimum 8,73 m bedraagt; dat het een kleinschalig woonproject betreft met één bouwlaag en in een klassiek ‘Vlaamse landelijke’ stijl wordt voorzien; dat het voorgestelde woongebouw dezelfde architecturale karakteristieken vertoont als de recente en gekoppelde woning aan de overkant van de steenweg, dewelke samen met de twee andere gekoppelde woningen een gezamenlijke gevelbreedte hebben van ongeveer 30 m; dat onderhavig project een gevelbreedte heeft van 34 m; dat het voorgestelde woongebouw, ten opzichte van de omgevende bebouwing, niet als overdreven dient beschouwd; dat er geen onevenwicht ontstaat tussen het voorgestelde project en de in de directe omgeving bestaande bebouwing; dat het bouwontwerp, qua schaal en volume, relatief gering is en niet van die aard is dat de ruimtelijke draagkracht van betrokken omgeving zou worden overschreden; dat het project zich inpast in de bebouwde context en niet in strijd is met de goede stedenbouwkundige aanleg van de plaats; Overwegende dat uit voormelde beschrijving blijkt dat de inwilligingsbeslissing van de bestendige deputatie niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening; dat het standpunt van de gemeente niet kan worden bijgetreden; dat het beroep van het college van burgemeester en schepenen wordt verworpen”. X-11.525-5/11 2. Ontvankelijkheid 2.1. De tussenkomende partij werpt op dat de verzoekende partij niet over het vereiste belang beschikt, omdat zij een stedenbouwkundige vergunning aanvecht op grond van de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening. Aangezien de verzoekende partij zich op dat punt moet schikken naar de zienswijze van de hogere overheid en zij voorts niet aantoont dat een strijdigheid met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan voorligt, beschikt zij niet over het vereiste belang. Aangezien de verzoekende partij nog geen planologisch initiatief heeft genomen in het betrokken gebied, kan zij ook geen strijdigheid met haar stedenbouwkundig beleid aanvoeren. 2.2. Het bestreden besluit gaat in tegen het beleid van de verzoekende partij om in de omgeving enkel landelijke en residentiële woningen in open verband toe te laten. In die omstandigheden heeft zij dan ook een belang bij de afloop van het huidig geding dat op de ordening van haar grondgebied betrekking heeft. Het feit dat ingevolge een administratief beroep tegen die weigeringsbeslissing een hogere overheid de aanvraag alsnog heeft ingewilligd, doet geen afbreuk aan dit belang. 2.3. De exceptie is niet gegrond. 3. Ten gronde 3.1.1. In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 10 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna: het gecoördineerde decreet) en van de artikelen 5.1.0 en 6.1.2.2 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit). In een tweede middel wordt de schending aangevoerd van het koninklijk besluit van 17 december 1979 tot vaststelling van het gewestplan Roeselare-Tielt. De verzoekende partij stelt dat het bestreden besluit strijdig is met de gewestplanbestemming woongebied met landelijk karakter. Het oprichten van vier aaneengesloten woningen als afwerking van een woonlint dat hoofdzakelijk bestaat uit alleenstaande woningen is niet in overeenstemming met de typologie van de aangrenzende bebouwing en met de recente ontwikkeling in de omgeving. De X-11.525-6/11 gemachtigde ambtenaar had precies om deze redenen een ongunstig advies gegeven en de verzoekende partij weigerde de vergunning op basis van dit advies. Het is onredelijk dat de bestendige deputatie nadien de vergunning wel verleent en dat de minister dit standpunt bijtreedt op basis van een gewijzigd advies van de gemachtigde ambtenaar dat nochtans gebaseerd is op dezelfde gegevens als het eerste advies. 3.1.2. Overeenkomstig artikel 6.1.2.2 van het inrichtingsbesluit zijn woongebieden met een landelijk karakter “bestemd voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven”. De beide bestemmingen kunnen bijgevolg naast elkaar bestaan in deze gebieden. Een bouwaanvraag die betrekking heeft op vier aaneengesloten woongelegenheden is als dusdanig niet strijdig met dit bestemmingsvoorschrift, aangezien dit bestemmingsvoorschrift geen bijkomende voorwaarden inhoudt voor wat betreft de woningbouw. Het bestreden besluit is bijgevolg niet in strijd met de in beide middelen aangevoerde bepalingen. 3.1.3. Het eerste en het tweede middel zijn niet gegrond. 3.2.1. In een derde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 43, §§ 2 en 4 van het gecoördineerde decreet. De verzoekende partij argumenteert in een eerste onderdeel dat het bestreden besluit voorbijgaat aan het advies van de gemachtigde ambtenaar waarop de weigeringsbeslissing van de verzoekende partij was gebaseerd. Aldus werd de verzoekende partij het recht ontzegd te oordelen dat de bouwaanvraag strijdig is met de goede ruimtelijke ordening. In een tweede onderdeel stelt de verzoekende partij dat het tweede, gewijzigde advies van de gemachtigde ambtenaar onwettig is omdat het nog steeds op dezelfde, ongewijzigde gegevens is gebaseerd en toch tot een andere conclusie komt dan het eerste advies. Dit onwettige advies tast de wettigheid van het bestreden besluit aan. 3.2.2. In het eerste middelonderdeel bekritiseert de verzoekende partij in essentie het feit dat de verwerende partij een ander inzicht heeft gehuldigd met betrekking tot de bouwaanvraag. Die mogelijkheid is evenwel inherent aan het devolutieve karakter van het administratieve beroep. Voorts maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat dit andere inzicht van de verwerende partij op zich X-11.525-7/11 beschouwd onwettig is, zoals reeds bleek uit de bespreking van de eerste twee middelen. 3.2.3. Nog daargelaten de vraag of het tweede advies van de gemachtigde ambtenaar als onwettig zou kunnen worden beschouwd, louter omwille van het feit dat het tot een andere beoordeling komt van dezelfde feitelijke gegevens als het eerste advies, moet met betrekking tot het tweede middelonderdeel worden vastgesteld dat het bestreden besluit gebaseerd is op een eigen zelfstandige beoordeling van de goede ruimtelijke ordening door de verwerende partij. Het feit dat in de motivering wordt verwezen naar het tweede advies, dat niet bindend was voor de verwerende partij, doet geen afbreuk aan het feit dat het bestreden besluit een eigen draagkrachtige motivering bevat waarvan de verzoekende partij de ondeugdelijkheid niet aantoont. 3.2.4. Het derde middel is niet gegrond. 3.3.1. In een vierde middel wordt de schending aangevoerd van het beginsel van behoorlijk bestuur, hetgeen later in de memorie van wederantwoord wordt gepreciseerd als het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. De verzoekende partij stelt dat het toelaten van een dergelijk bouwwerk in een woongebied met landelijk karakter de poort openzet voor misbruiken en getuigt van onzorgvuldig gedrag van de overheid die een dergelijke bouwvergunning toekent. In de memorie van wederantwoord wordt gesteld dat dit blijkt uit het feit dat nieuwe structuren getoetst moeten worden aan het landelijk karakter van de omgeving en dat de bouwdichtheid in overeenstemming moet zijn met het karakter van die omgeving. De realisatie van aaneengesloten woningen is niet in overeenstemming met de typologie van de aangrenzende bebouwing, noch met de recente ontwikkeling van de omgeving. 3.3.2. Nog daargelaten de vraag of het middel wel ontvankelijk is, nu de verzoekende partij eerst in de memorie van wederantwoord verduidelijkt welke concrete beginselen van behoorlijk bestuur geschonden zouden zijn, komt de argumentatie in dit middel neer op opportuniteitskritiek, zonder dat aannemelijk wordt gemaakt dat de beoordeling in het bestreden besluit als kennelijk onredelijk of onzorgvuldig moet worden beschouwd. In de mate dat in de memorie van wederantwoord de overeenstemming met het bestemmingsvoorschrift en met de goede ruimtelijke X-11.525-8/11 ordening wordt bekritiseerd, kan worden verwezen naar de bespreking van het eerste tot het derde middel. 3.3.3. Het vierde middel is niet gegrond. 3.4.1. In een vijfde middel wordt de schending aangevoerd van “de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (formele motiveringsplicht)”. De verzoekende partij stelt dat het bestreden besluit tegenstrijdig is omdat het een discretionaire beslissing neemt in de plaats van de verzoekende partij, terwijl die discretionaire bevoegdheid van de verzoekende partij om te oordelen over de goede ruimtelijke ordening wordt erkend in het bestreden besluit. Discretionaire bevoegdheid betekent dat de beroepsinstantie die weliswaar niet akkoord gaat met de aangevochten beslissing, de gemeente het recht moet laten zelf te oordelen. De beroepsinstantie mag niet in de plaats treden van de overheid die discretionair oordeelt. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij daar nog aan toe dat de beoordeling van de goede plaatselijke ordening gebaseerd is op onjuiste feitelijke gegevens, dat de motivering niet afdoende is in het licht van de andersluidende adviezen en besluiten (bedoeld worden het eerste ongunstige advies van de gemachtigde ambtenaar en de weigeringsbeslissing van de verzoekende partij), dat het bestreden besluit de weigeringsmotieven van de beslissing van de verzoekende partij niet ontkracht en dat niet werd nagegaan of de bouwaanvraag wel strookte met de “doelstellingen van stedenbouwkundige politiek” van de verzoekende partij. 3.4.2. Anders dan de verzoekende partij voorhoudt, houdt de discretionaire bevoegdheid van de overheid die als beroepsinstantie beslist over een stedenbouwkundige aanvraag, niet in dat de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening door de lokale overheid moet worden geëerbiedigd en dat bijvoorbeeld enkel de wettigheid van de aanvraag zou kunnen worden beoordeeld. Ingevolge de devolutieve werking van het administratief beroep komt de beoordeling door de beroepsinstantie juist volledig in de plaats van de beoordeling door de lokale overheid, ook voor wat betreft de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening. X-11.525-9/11 Voorts licht de verzoekende partij niet toe hoe de door haar geformuleerde kritiek zou kunnen leiden tot een schending van de motiveringswet of van de formele motiveringsplicht. In de mate dat in de laatste memorie nieuwe argumenten worden aangevoerd met betrekking tot de motivering van het bestreden besluit die duidelijk betrekking hebben op de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag, poogt de verzoekende partij op onontvankelijke wijze een nieuwe grondslag te geven aan dit middel. 3.4.3. Het vijfde middel is niet gegrond. 3.5.1. In een zesde middel wordt de schending aangevoerd van de materiële motiveringsplicht. De verzoekende partij stelt in haar verzoekschrift hierover het volgende: “De materiële motiveringsplicht is een beginsel van behoorlijk bestuur. Het is een niet-geschreven grondrecht. De materiële motiveringsplicht houdt in dat iedere bestuurshandeling moet worden gedragen door motieven die in rechte en feite aanvaardbaar moeten zijn. In de uiteenzetting van de middelen hierboven heeft (de verzoekende partij) aangetoond dat de motieven niet aanvaardbaar zijn, noch in rechte, noch in feite”. In haar memorie van wederantwoord voegt zij daar het volgende aan toe: “Verzoekende partij betwist nogmaals dat het bestreden besluit afdoende gemotiveerd werd en verwijst naar hetgeen hiervoor werd vermeld. Het bestreden besluit heeft onvoldoende rekening gehouden met de argumentatie van verzoekende partij. De realisatie van aaneengeschakelde woningen is niet in overeenstemming met de typologie van de omgevende bebouwing noch met de recente ontwikkeling in deze omgeving. Er is geen overeenstemming met de goede plaatselijke ordening en met de onmiddellijke omgeving”. 3.5.2. Artikel 2, § 1, 2/, thans artikel 2, § 1, 3/ van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bepaalt dat het verzoekschrift een uiteenzetting van de middelen moet bevatten. Onder de uiteenzetting van de middelen wordt verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de geschonden rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden rechtshandeling werd geschonden. X-11.525-10/11 De loutere stelling dat “de motieven niet aanvaardbaar zijn, noch in rechte, noch in feite” volstaat niet om het middel op ontvankelijke wijze uiteen te zetten. Deze tekortkoming kan niet worden goedgemaakt door een nog steeds zeer summiere argumentatie in de memorie van wederantwoord. 3.5.3. Het zesde middel is onontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twintig april 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, P. LEFRANC, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. S. DE CLERCQ, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DE CLERCQ. R. STEVENS. X-11.525-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.411 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.125.624 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div