id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.486 Rolnummer: A. 124359/X-11061 Zaak: Arrest 192486 - Monumenten en Landschappen - 21/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-29 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 02:45 Fiche Arrest nr 192.486 van 21 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.486 van 21 april 2009 in de zaak A. 124.359/X-11.
- In zake : de n.v.VINESCO, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
- tussenkomende partij : Karel VAN MARCKE, die woonplaats kiest bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. VINESCO op 24 juli 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 29 april 2002 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid houdende bescherming als monument van het kasteeldomein met kasteel, omgrachting, aanhor igheden, park, dreven en waterbevoorradingssysteem te Kruishoutem, Kasteelstraat 6, 8 en 10, “voor wat betreft de percelen bekend ten kadaster: Kruishoutem, 1ste afdeling, sectie B, perceelnummers 143A, 144B/deel, 148/deel”; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 24 juni 2003 ingediend door Karel VAN MARCKE; Gelet op de beschikking van 24 juli 2003 die de tussenkomst van Karel VAN MARCKE toelaat; X-11.061-1/17 Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 25 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 4 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. HONNAY, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat E. DE VYLDER, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat M. VALKENIERS, die loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Bij koninklijk besluit van 10 december 1973 wordt het kasteel Piers de Raveschoot te Kruishoutem als monument en het omgevende park als landschap beschermd. X-11.061-2/17 Van het beschermde landschap maken onder meer ook de betrokken percelen kadastraal bekend Kruishoutem, sectie B, nrs. 143, 144 en 148 deel uit. 1.
- Het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde bestemt de bovenvermelde percelen tot “woonuitbreidingsgebied”. 1.
- Bij notariële akte verleden op 17 maart 1980 kopen de verzoekende partij en de n.v. BELIMCO “een hofstede met medegaande afhankelijkheden, land en weide”, kadastraal bekend Kruishoutem, sectie B, nrs. 152/a, 151/a, 150/a, 149, 148, 147, 146, 145, 144, 143, 141/a, 139/b, 136/k en deel van nummer 133/b. 1.
- Bij koninklijk besluit van 17 december 1981 wordt aan de verzoekende partij en de n.v. BELIMCO machtiging verleend om de bovenvermelde gronden te verkavelen. Die verkavelingsmachtiging wordt bij arrest nr. 33.367 van 9 november 1989 vernietigd omdat die beslissing onbestaanbaar is met het behoud van het beschermde landschap. 1.
- Op 17 maart 1988 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen aan de verzoekende partij en de n.v. AMSTO, zijnde de rechtsopvolger van de n.v. BELIMCO, een verkavelingsvergunning voor de percelen, kadastraal bekend Kruishoutem, sectie B, nrs. 143-149, 150/a, 151/a en 152/a. Die verkavelingsvergunning wordt eveneens vernietigd bij arrest nr. 74.452 van 24 juni 1998 wegens strijdigheid met het beschermingsbesluit 10 december
- 1.
- Bij besluit van de Vlaamse regering van 29 oktober 1999 wordt het plan tot gedeeltelijke wijziging van het bij koninklijk besluit van 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde definitief vastgesteld. Volgens dat plan worden de percelen van de verzoekende partij bestemd tot “landschappelijk waardevol agrarisch gebied”. X-11.061-3/17 Op 25 mei 2000 stelt onder meer de verzoekende partij een beroep tot nietigverklaring in tegen voormeld besluit van de Vlaamse regering van 29 oktober 1999 (zaak A. 92.121/X-9578). Dit beroep is nog hangende. 1.
- Bij ministerieel besluit van 27 april 2001 wordt een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten vastgesteld, waarbij luidens artikel 1 onder meer de percelen kadastraal bekend Kruishoutem, sectie B, nrs. 141/a, 143/a, 144/b en 148 als onderdeel van het “kasteeldomein met kasteel, omgrachting, aanhorigheden, park, dreven en waterbevooradingssysteem”, wegens de historische waarde als monument op het ontwerp van lijst worden geplaatst. Een afschrift van dat voorlopig beschermingsbesluit wordt bij op 6 juni 2001 ter post aangetekende brieven naar onder meer de n.v. AMSTO en Alexandra WYBO verstuurd. Het voorlopig beschermingsbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 3 oktober
- 1.
- Namens de n.v. AMSTO wordt met een op 4 juli 2001 ter post aangetekende brief bezwaar ingediend bij het bestuur Monumenten & Landschappen. De ingediende bezwaren en adviezen worden besproken in een verslag van het bestuur Monumenten & Landschappen van 16 juni
- De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van het Vlaamse Gewest brengt op 7 maart 2002 een gemotiveerd advies uit. In dat advies wordt het perceel nr. 141/a uit de bescherming gelaten en worden de percelen nrs 144/b en 148 slechts voor een deel in de bescherming opgenomen. In een niet-gedateerde brief stelt het bestuur Monumenten & Landschappen aan de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid voor om “gelet op de bespreking van de KCML (cf. verslag van de vergadering van 7 februari 2002) waarin zij oordeelt dat het volstaat enkel het waterbevooradingssysteem te beschermen als monument binnen het reeds beschermde landschap”, het perceel Kruishoutem, sectie B, nr. 141/a volledig uit de bescherming te laten en de percelen 144/b en 148 slechts voor een deel te beschermen. X-11.061-4/17 1.
- Bij het thans bestreden besluit van 29 april 2002 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid om onder meer als monument te beschermen wegens de artistieke en historische waarde : “het kasteeldomein met kasteel, aanhorigheden, park, dreven en waterbevooradingssysteem” kadastraal bekend Kruishoutem, sectie B, nrs. 143/a, 144/b(deel), 148(deel), 252/a, 253/a, 254/a, 254/c, 255/a, 256/a, 257/a, 258/b, 258/c, 259, 260, 261, 262, 263, 264/c, 265/a en 265/b. In artikel 2 van het beschermingsbesluit wordt de bescherming van het kasteeldomein als volgt gemotiveerd: “De historische, meer bepaald cultuur-historische waarde van het kasteeldomein: - Het kasteel vormt een essentieel onderdeel van de dorpskom van Kruishoutem - De kasteeldreven vormen een visuele verbinding met het dorpscentrum en de belangrijkste verkeersader, de steenweg Deinze-Oudenaarde - Het kasteeldomein vormt een essentieel onderdeel van een goed bewaarde adellijke site welke naast het kasteel bestaat uit een poortgebouw, paardenstallen, park met dreven en vijvers, hekken, moestuin - Het kasteel is het tastbare erfgoed van een maatschappij waar adel en dorpsgeschiedenis sterk met elkaar verbonden waren. De historische waarde van het kasteeldomein: - De site van het kasteel van Kruishoutem, van Frankische oorsprong, is vermeld als zetel van de heerlijkheid van Ayshove sinds 1227 - Het kasteeldomein is een mooi voorbeeld van de evolutie van een versterkt, omgracht heerlijk verblijf tot residentieel kasteel - In de weilanden op het Tjolleveld ten W. van het kasteelpark bleef een uniek waterbevoorradingssysteem voor het drinkwater, de wallen- en vijverbevoorrading van het kasteel behouden, teruggaand tot de 18de eeuw, uitgebreid eind 19de eeuw en nog steeds functioneel. Het grachtensysteem en een ondergronds captatienet met bakstenen gaanderijen, buizen en een filterhuis met filterput en bron in het midden van het Tjolleveld bleven vrijwel gaaf bewaard. De historische, meer bepaald kunsthistorische waarde van het kasteeldomein: - Het kasteel is een perfect voorbeeld van Lodewijk-XIII- architectuur in Vlaanderen - Het kasteel herbergt een interieuraankleding welke terugkeert tot de 17de, 18de en 19de eeuw - Het 19de -eeuwse, in landschapsstijl aangelegde, park herbergt bijgebouwen uit 18de en 19de eeuw welke representatief zijn voor hun gebruik en ontstaansperiode (koetshuis en paardenstallen, dienstgebouwen, orangerie, serres, poortgebouw, achthoekige eendenkooi, lusthuisje, ijskelder) en die inherent deel uitmaken van het kasteeldomein - Tussen Kasteelstraat en buitengracht bevindt zich de ommuurde moestuin met bewaarde aanleg met buxushaagjes, serres, bevestigingshaken voor fruitbomen, representatief voor een moestuin bij een kasteeldomein”. X-11.061-5/17 In artikel 3 worden de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten van toepassing gemaakt. Een afschrift van het beschermingsbesluit wordt met een op 24 mei 2002 ter post aangetekende brief naar onder meer de verzoekende partij verstuurd. Het beschermingsbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 mei
- Ontvankelijkheid - belang 2.
- Standpunt van de partijen 2.1.
- In het verzoekschrift tot nietigverklaring zet de verzoekende partij met betrekking tot haar belang uiteen wat volgt: “Verzoekster is medeeigenaar van de percelen 143a, 144b en 148 die -zij het formeel ten dele, maar de facto geheel, voor wat de laatste twee percelen betreft- het voorwerp uitmaken van de bestreden beslissing (...). Verzoekster heeft dan ook zeker het rechtens vereiste belang voor het indienen van onderhavig verzoekschrift.” 2.1.
- In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij een exceptie van niet-ontvankelijkheid op wegens gebrek aan het rechtens vereiste belang. Zij zet deze exceptie uiteen als volgt: “De verzoekende partij heeft slechts een wettig belang bij het indienen van een annulatieberoep, indien een eventuele nietigverklaring haar tot enig voordeel zou strekken. Enerzijds bestaat het klasseringsbesluit van 10 december 1973, anderzijds het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 1999 waarbij de genoemde percelen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied kwamen te liggen. In dit laatste gebied is toegelaten: ‘ART.
- 4.
- De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para- agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk X-11.061-6/17 karakter betreft. De afstand van 300 en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden. ... ART. 15.4.
- De landschappelijke waardevolle gebieden zijn gebieden waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen.’ De verzoekende partij toont niet aan welk voordeel zij zal krijgen door de vernietiging van het bestreden besluit met betrekking tot de percelen waartoe de verzoekster zich beperkt”. 2.1.
- In haar memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekende partij: “De verwerende partij beweert in haar memorie van antwoord dat de verzoekende partij niet over een ‘wettig belang’ zou beschikken, nu zij niet zou aantonen ‘welk voordeel zij zal krijgen door de vernietiging van het bestreden besluit’. De verwerende partij verwijst daarbij enerzijds naar het klasseringsbesluit van 10 december 1973 en anderzijds naar het besluit van de Vlaamse regering van 29 oktober 1999 waarbij de percelen 143a, 144b en 148 in landschappelijk waardevol agrarisch gebied kwamen te liggen. Vooreerst begrijpt de verzoekende partij niet wat deze exceptie te maken heeft met de wettigheid van het belang. Maar er is meer. De verzoekende partij begrijpt namelijk niet hoe de verwerende partij haar verweer denkt op te bouwen door zomaar voorbij te gaan aan de inhoud van het verzoekschrift tot nietigverklaring. Op pag. 8, 9 en 10 van het verzoekschrift tot nietigverklaring in de huidige procedure wordt niet enkel uitdrukkelijk verwezen naar het verzoekschrift tot nietigverklaring (in de bij uw Raad nog steeds hangende procedure G/A 92.121/X-9.578) waarbij onder meer de huidige verzoekende partij om de nietigverklaring van het voormelde besluit van de Vlaamse regering van 29 oktober 1999 verzoekt, maar worden ook het belang en de middelen bij het laatstgenoemde verzoekschrift omstandig weergegeven. Verder wordt er op pag. 19 van het verzoekschrift tot nietigverklaring in de huidige procedure op gewezen dat de verzoekende partij medeeigenaar is van de percelen 143a, 144b en 148 die - zij het formeel ten dele, maar de facto geheel, voor wat de laatste twee percelen betreft - het voorwerp uitmaken van de bestreden beslissing. Daarbij wordt verwezen naar de stukken I.3., VIII.
- en VIII.
- Daarnaast staat op pag. 24 van het verzoekschrift tot nietigverklaring in de huidige procedure in niet mis te verstane woorden het volgende te lezen: ‘Zoals reeds gesteld, is verzoekster steeds van mening geweest dat, gelet op de latere bestemming van woonuitbreidingsgebied in het gewestplan van 1977, dit beschermingsbesluit van 1973 niet meer actueel kan zijn, en heeft zij in de procedure G/A 92.121/X-9.578 bij Uw Raad opgeworpen dat deze bescherming als opgeheven moet worden beschouwd (...). Vandaag is verzoekster die mening nog steeds toegedaan.’ Tot slot vestigt de verzoekende partij de aandacht op de volgende passages op pag. 32 van het verzoekschrift tot nietigverklaring in de huidige procedure: X-11.061-7/17 -‘Door de bestreden beslissing wordt het verzoekster en de NV AMSTO moeilijker gemaakt om zich te verweren in het geding dat hen stelt tegenover de heer VAN MARCKE en het Vlaamse Gewest.’ -‘Door de bestreden beslissing wordt het verzoekster, de NV AMSTO, en Mevrouw WYBO moeilijker gemaakt om zich te verweren in procedure G/A 92.121/X-9.578.’ De verzoekende partij heeft dan ook zeker het rechtens vereiste belang voor het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring in de huidige procedure”. 2.1.
- In haar verzoekschrift tot tussenkomst sluit de tussenkomende partij zich als volgt aan bij de exceptie van niet-ontvankelijkheid: “
- Verzoekende partij ontbeert het nodige belang voor het instellen van een annulatieberoep strekkende tot vernietiging van het ministerieel besluit dd. 29 april 2002 houdende de bescherming als monument van een kasteeldomein met kasteel, omgrachtingen, aanhorigheden, park, dreven en waterbevoorradingssysteem, gelegen te Kruishoutem, Kasteelsreef 6, 8, 10, voor wat betreft de percelen bekend ten kadaster: Kruishoutem, lste afdeling, sectie B, perceelnummers 143A, 144B/deel, 148/deel. Het is vaste rechtspraak bij de Raad dat het actueel karakter van het belang voorhanden dient te zijn zowel op het ogenblik van het indienen van het beroep tot nietigverklaring als op het tijdstip dat de Raad van State uitspraak doet (...). Verzoekende partij ontbeerde een dergelijk actueel karakter, daar het beschermingsbesluit dd. 13 december 1973 de geviseerde percelen 143, 144 en 148 om reden van esthetische waarde als landschap rangschikt en dit op grond van de wet van 7 augustus
- De beschermingsvoorschriften (artikel 14) van het Decreet van de Vlaamse Regering dd. 16 april 1996 zijn derhalve hier van toepassing en stellen zeer duidelijk dat ‘de eigenaars, erfpachthouders en vruchtgebruikers van een voorlopig of definitief beschermd landschap verplicht zijn door de nodige instandhoudings- en onderhoudswerken, het in goede staat houden, het niet te ontsieren, te beschadigen of te vernielen.’
- Verzoekster is evenwel nog steeds de mening toegedaan, en bevestigt dit in haar verzoekschrift, dat ‘dit beschermingsbesluit van 1973 niet meer actueel kan zijn, gelet op de latere bestemming in het gewestplan van 1977, zodat de overheid het besluit van 1973 in redelijkheid niet meer in stand kan houden.’ Verzoekster werpt altijd op dat hun gronden volgens het bij KB dd. 24 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde de bestemming ‘Woonuitbreidingsgebied’ hebben. Gezien deze bestemming van latere datum is dan het beschermingsbesluit van 1973, oordeelt verzoekende partij dat het beschermingsbesluit van 1973 niet meer actueel is.
- Nochtans heeft Uw Raad deze redenering reeds meermaals weerlegd. In zijn arrest nr. 33.367 van 9 november 1989 vernietigde de Raad het Koninklijk Besluit dd. 17 december 1981 waarbij aan de NV BELIMCO en aan de NV VINESCO machtiging werd verleend tot het uitvoeren van de werken nodig voor de verwezenlijking van de verkaveling van gronden gelegen in het bij KB van 10 december 1973 gerangschikt landschap rond het kasteel Piers de Raveschoote te Kruisthoutem. (...) Deze uitspraak van uw Raad werden andermaal bevestigd in het arrest nr. 74.452 van 24 juni 1998, naar aanleiding van de verlening van een verkavelingsvergunning, dit bij besluit van de Bestendige Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen dd. 17 maart 1988 aan de NV AMSTO en de NV VINESCO; Het betrof de verkaveling van de percelen, kadastraal bekend X-11.061-8/17 Sectie B, nrs. 143-149, 150a, 151a en 152a. Uw Raad besluit andermaal dat het rangschikkingsbesluit een verbod oplegt om gebouwen op te richten en om de aanleg van het park te wijzigen. De verkregen verkavelingsvergunning schond dit verbod en wordt derhalve vernietigd. Hieruit dient dan ook afgeleid te worden dat het beschermingsbesluit van 10 december 1973 nog steeds actueel is. Uw Raad heeft verzoekster dus reeds meermaals duidelijk gemaakt dat het beschermingsbesluit wel degelijk actueel is en derhalve geen wegen, woningen en dergelijke geplaatst mogen worden op de betrokken percelen, en dat ook de aanleg van het omringende park niet mag worden gewijzigd. Verzoekster, een immobiliënbedrijf, kan met andere woorden op de betrokken percelen haar handelsactiviteiten niet uitoefenen gezien de bescherming als landschap. De enige manier waarop dit beschermingsbesluit overigens kan worden opgeheven of gewijzigd, is volgens de procedure van het Decreet van de Vlaamse Regering van 16 april
- Dit decreet stipuleert namelijk dat er enkel van een opheffing sprake kan zijn wanneer het besluit overeenkomstig het decreet wordt opgeheven. Dit is tot op vandaag niet het geval.
- In tussentijd is er bovendien een gewestplanwijziging geweest. Bij besluit van 29 oktober 1999 werd het gewestplan definitief vastgesteld en werd de bestemming van de grond van de NV Amsto en van verzoekster gewijzigd van ‘woonuitbreidingsgebied’ naar ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’. Tegen dit besluit dienden verzoekster, de NV Amsto en mevrouw Wybo een annulatieberoep is. Deze zaak is nog steeds hangende. Daarnaast gaat het ook niet op om enkele percelen te ontrekken aan de uitwerking van het bestreden besluit of het beschermingsbesluit van 1973, zoals verzoekster in deze procedure pleegt te doen. (...)
- Dit alles geeft te kennen dat vandaag de dag verzoekster geen belang heeft bij het instellen van een verzoekschrift tot vernietiging van het Ministerieel Besluit van 29 april 2002 houdende de bescherming als monument van het kasteeldomein van Kruishoutem. Gezien het rangschikkingsbesluit nog steeds actueel is en gezien de huidige bestemming als ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’ van de percelen rondom het Kasteel van Kruishoutem, is verzoekster niet gemachtigd om iets te doen met de gronden. Of het waterbevoorradingssysteem, dat zich in de ondergrond van dat beschermde landschap bevindt, als monument wordt gerangschikt, verandert daar niets aan. Verzoekster heeft geen actueel belang bij een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing. Het verzoek tot nietigverklaring dient derhalve onontvankelijk te worden verklaard”. 2.1.
- In haar laatste memorie laat de verzoekende partij nog gelden wat volgt: “De auditeur sluit zich in zijn verslag aan bij de exceptie van onontvankelijkheid die de verwerende partij in haar memorie had opgeworpen. De verzoekende partij zou immers niet aantonen welke nadelen voor haar concreet uit het bestreden besluit zouden voortvloeien die niet uit het beschermingsbesluit van 10 december 1973 voortvloeien. De verzoekende partij kan het met deze zienswijze geenszins eens zijn. Vooreerst moet bedacht worden dat de belangvereiste voor het uitoefenen van een rechtsvordering in wezen slechts een marginale rem is op het volstrekt nutteloos procederen. De toegang tot de rechter moet liefst zo laagdrempelig zijn als redelijkerwijze mogelijk is. Alleen voor wie geen enkel redelijk nut kan halen uit een inwilliging van zijn eis kan geen beroep op de rechter open staan. Aan het belang als procesvereiste moeten en mogen geen hogere eisen worden X-11.061-9/17 gesteld. Dat is zo in het civiele recht, en moet ook zo zijn voor uw Raad. Niemand kan er immers a priori van verdacht worden te procederen zonder nut. Zeer terecht stellen de burgerlijke rechters zich terughoudend op om in de plaats van de eiser te gaan oordelen over het nut (...) dat deze zou kunnen hebben bij de inwilliging van zijn eis. De Raad van State mag dan wel geneigd zijn de lat wat hoger te leggen, de vraag blijft of dit verzoenbaar is met de rol die het belang als ontvankelijkheidsvoorwaarde te vervullen heeft. Het resultaat daarvan blijkt trouwens vaak te zijn dat de grond van de zaak moet worden onderzocht om over het belang te oordelen, of dat over de graad van waarschijnlijkheid een debat wordt gevoerd waardoor een bijkomstig proces binnen het hoofdgeding wordt gevoerd. Deze zaak betreft het vestigen van een bijkomende bescherming als monument van bepaalde werken die vermoed worden aanwezig te zijn op een perceel dat reeds beschermd is als landschap. De bestreden beslissing vestigt een bijkomende erfdienstbaarheid van openbaar nut op een perceel dat eigendom is van de verzoekende partij. Men mag er van uitgaan dat een bijkomende bescherming enig effect sorteert, d.w.z. enige bijkomende beperkingen op het vrij beschikken over de eigendom inhoudt. Het tegendeel zou inhouden dat een overheidsakte geacht moet worden doelloos te zijn, wat zou inhouden dat zij alleen al daarom onwettig is (en er dus grond voor vernietiging is). Verder gaat het hoe dan ook om bestuurshandeling die niet louter bevestigend is, maar het resultaat is van een nieuwe onderzoek. Het feit dat de nieuwe norm inhoudelijk in niets zou verschillen van de vorige tast het belang niet aan. Dat is zo voor het Arbitragehof (zie bv. Arb. Hof nr. 71/95, van 9 november 1995), er valt niet in te zien waarom dit anders zou moeten, of kunnen, zijn voor de Raad van State. Alleen al dat gegeven zou de verzoekende partij een evident belang moeten verschaffen bij de vernietiging van dit besluit. Meer nog, de verzoekende partij wijst erop dat de bescherming door uw Raad beschouwd wordt als een individuele bestuurshandeling, waartegen het onmogelijk is bij een latere procedure tot nietigverklaring tegen een andere bestuurshandeling voor uw Raad een exceptie van onwettigheid in te roepen. Het gevolg is dan ook dat de betrokkene slechts één kans heeft om zich tegen deze bestuurshandeling te voorzien, en dat is met een verzoek tot nietigverklaring. Bijgevolg zou de verzoekende partij slechts geen belang hebben indien het totaal uitgesloten is dat er jegens haar ooit een beslissing zou worden genomen die enkel gesteund is op of verbonden is met de bescherming als monument, en die enkel daarop zou kunnen worden gesteund. Dit is geenszins uitgesloten, al was het maar omdat de verzoekende partij nu niet kan weten wat de toekomstige wetgeving zal zijn, en welke rechtsgevolgen de toekomstige wetgeving aan deze bescherming gaat verbinden. Zo is bijvoorbeeld de vergoedingsregeling en de subsidiëringsregeling anders voor landschappen dan voor monumenten. Eén en ander wringt eens te meer, nu blijkt dat de één van de middelen die de verzoekende partij in heeft geroepen, en dat door de auditeur ‘kennelijk gegrond’ werd bevonden, juist betrekking heeft op het feit dat de verzoekende partij in dat openbaar onderzoek niet werd aangeschreven. M.a.w., het standpunt van de auditeur komt er eigenlijk op neer dat éénmaal een grond beschermd is als landschap, de overheid een vrijbrief krijgt om, zelfs met miskenning van substantiële vormvoorschriften, aanvullende beschermingsvoorschriften te nemen, en dit zonder dat er voor de burger een rechtsmiddel openstaat. Het is overduidelijk dat dit niet de bedoeling kan zijn. Maar er is nog meer. De verzoekende partij had in haar verzoekschrift en in haar memorie verwezen naar het verzoekschrift tot nietigverklaring tegen het besluit van 29 oktober 1999, waarbij de bestemming werd gewijzigd van X-11.061-10/17 woonuitbreidingsgebied naar landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De verzoekende partij had in het kader van die procedure erop gewezen dat de bescherming als landschap geacht moet worden te zijn opgeheven door de latere vaststelling van het gewestplan. De verzoekende partij kan naar deze argumentatie verwijzen, en vindt in het huidige verslag van de auditeur geen elementen die haar ertoe nopen haar stelling te herzien. In het kader van de procedure tegen de gewestplanwijziging heeft de auditeur reeds een verslag opgemaakt, waarin besloten wordt tot de onontvankelijkheidsverklaring van het beroep, omdat de bestemmingswijziging naar landschappelijk waardevol agrarisch gebied geen bijkomend nadeel verschaft ten aanzien van de bescherming als landschap. Volgens dit verslag is de bestemming niet opgeheven door de latere vaststelling van het gewestplan. (Volgt het antwoord van de verzoekende partij in haar laatste memorie in deze zaak) (...) De auditeur roept in het kader van deze procedure twee argumenten in tegen het argument van de impliciete opheffing van het beschermingsbesluit door het latere gewestplan. Een eerste argument is een tekstargument. De auditeur wijst erop dat overeenkomstig artikel 13, lid 2 van het decreet van 16 april 1996 dat stelt dat ‘tot de vaststelling van het besluit tot definitieve wijziging of opheffing van de bescherming als landschap de rechtsgevolgen van het vorige besluit van kracht blijven.’ Dit argument valt niet te begrijpen. Vooreerst is de enige relevante tekst de tekst die van toepassing was ten tijde van de vaststelling van het gewestplan. Artikel 12 van de Wet van 7 augustus 1931 stelde toen dat de opheffing van de bescherming van een monument of een landschap geschiedt aan de hand van de voorwaarden en de procedures die opgelegd zijn voor de bescherming. Een dergelijke tekst vormt bovendien geen beletsel voor de impliciete opheffing van een bepaalde rechtsnorm. Artikel 2, derde lid van de Stedebouwwet bepaalde dat de plannen ‘blijven gelden totdat zij door andere plannen worden vervangen na een herziening’, en artikel 43, derde lid van de Stedenbouwwet bepaalde dat de bepalingen betreffende het opmaken van de plannen van aanleg mede van toepassing zijn op de herziening van die plannen. Dit vormde voor uw Raad geen beletsel om in het arrest (...) te stellen dat een B.P.A. impliciet opgeheven wordt door een later gewestplan dat ermee strijdig is: (...) Indien de eigenaar na een dergelijke vaststelling van het gewestplan zou moeten wachten op een wijziging van de bescherming als landschap, zou dit neerkomen op een onuitvoerbare gewestplanbestemming. (...) In een tweede argument trekt de auditeur de strijdigheid van het gewestplanvoorschrift met het beschermingsbesluit in twijfel. Hij stelt dat woonuitbreidingsgebieden niet uitsluitend bestemd zijn tot woningbouw. Delen ervan kunnen bestemd worden als groene ruimten en voor landbouw. De verzoekende partij kan in antwoord hierop verwijzen naar het arrest (...), waarbij uw Raad moet oordelen over een B.P.A. dat een invulling gaf aan een woonuitbreidingsgebied (...) In deze zaak gaat het om een woonuitbreidingsgebied dat voor meer dan 2/3 ook in de perimeter van een bescherming als landschap valt. Er kan geen twijfel over bestaan dat een dergelijke bescherming de hoofdbestemming in het gedrang brengt. X-11.061-11/17 Het is duidelijk dat de bestemming onverenigbaar is met de bescherming. Eén van beide besluiten moet wijken. Gelet op de hiërarchie der rechtsnormen, en gelet op het beginsel dat de latere wet de vroegere wet opheft, is het duidelijk dat de bescherming moet wijken voor de bestemming”. 2.1.
- In haar laatste memorie repliceert de verwerende partij nog wat volgt: “I ONTVANKELIJKHEID
- De verwerende partij sluit zich volledig aan bij het verslag van de auditeur betreffende de niet-ontvankelijkheid van het beroep.
- De verzoekende partij toont niet aan welk belang zij heeft bij de vernietiging van de bestreden beslissing en in het bijzonder niet welke nadelen concreet uit het bestreden beschermingsbesluit voortvloeien die niet uit het beschermingsbesluit van 10 december 1973 voortvloeien en evenmin welke voordelen zij zal krijgen door de vernietiging van het bestreden besluit. De verzoekende partij doet in haar memorie van wederantwoord en in haar laatste memorie moeite om de nadelen van de beslissing, resp. voordelen van de vernietiging van de beslissing aan te tonen doch zij slaagt hierin niet. Het is vaste rechtspraak van Uw Raad dat een verzoekende partij slechts een voldoende belang heeft bij de vernietiging indien de bestreden beslissing voor haar griefhoudende gevolgen kent, m.a.w. haar schaadt. Bovendien moet de vernietiging van een bestreden beslissing aan de verzoekende partij enig voordeel verschaffen. Het belang wordt dus ook bepaald door de gevolgen van de gevorderde vernietiging.
- De verzoekende partij stelt in haar laatste memorie dat deze procedure ‘het vestigen van een bijkomende bescherming als monument’ betreft en de bestreden beslissing ‘een bijkomende erfdienstbaarheid van openbaar nut’ vestigt op een perceel van de verzoekende partij. In welke mate deze bijkomende bescherming en/of erfdienstbaarheid nadelen zou creëren in hoofde van de verzoekende partij wordt niet verduidelijkt. Evenmin wordt hiermee aangetoond dat een vernietiging van de bestreden beslissing een nuttig effect in hoofde van de verzoekende partij sorteert.
- Eventuele toekomstige wetgeving en de rechtsgevolgen die deze desgevallend aan de bescherming zou verbinden, kunnen uiteraard geen actueel belang aantonen in hoofde van de verzoekster.
- De verzoekende partij verwijst om haar standpunt te staven ten slotte naar de mede door haar opgestarte procedure tot nietigverklaring van het besluit van 29 oktober 1999 waarbij de bestemming van de percelen werd gewijzigd van woonuitbreidingsgebied naar landschappelijk waardevol agrarisch gebied (G/A 92.121/X-9.578). Zij herneemt integraal haar argumenten in verband met de ontvankelijkheid uit deze procedure. (Volgt de weergave in extenso van deze argumenten en van het auditoraatsverslag hieromtrent in deze zaak)”. 2.1.
- De tussenkomende partij laat in een laatste memorie nog gelden: “
- Tussenkomende partij sluit zich volledig aan bij het verslag van het Auditoraat dat tot de vaststelling komt dat het verzoekende partij ontbeert aan het rechtens vereiste belang de nietigverklaring na te streven van het beschermingsbesluit van 29 april 2002 waarbij het kasteeldomein met kasteel, X-11.061-12/17 omgrachtingen, aanhorigheden, park, dreven en waterbevoorradingssysteem gelegen te Kruishoutem als monument worden geklasseerd;
- In haar laatste memorie tracht verzoekende partij vooralsnog een mistgordijn op te trekken door ellenlange theoretische besluimeringen inzake de hiërarchie der normen te debiteren,evenals de planologische bestemming als woonuitbreidingsgebied, inmiddels opgeheven, voor te stellen als essentieel gericht op wonen en dus onverenigbaar met het beschermingsbesluit van 10 december 1973 waarbij het kasteel en het park reeds als beschermd landschap werden geklasseerd;
- Wat betreft de (onbestaande) theorie van de opheffing van een eerder beschermingsbesluitinzake monumenten en landschappen door een later plan van aanleg kan worden verwezen naar de eerdere rechtspraak van Uw Raad nr. 33.367 van 17 december 1981 en nr. 74.452 van 24 juni 1998 waar overduidelijk wordt gewezen op de toen reeds bestaande procedurele middelen via art. 14 van de wet van 7 maart 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, procedure die juist nooit is gevolgd en niet impliciet zit vervat in een latere vaststelling van een plan van aanleg; Het gegeven dat de stedenbouwwet een interne hiërarchie van plannen heeft vastgelegd en zodoende impliciete opheffing tussen plannen van diverse niveaus heeft mogelijk gemaakt impliceert geenszins dat een plan van aanleg een bijzondere bescherming van een perceel in het kader van de monumentenwetgeving kan opheffen; Het is duidelijk dat de wetgeving inzake ruimtelijke ordening en deze inzake monumenten en landschappen cumulatief moet worden toegepast, met dien verstande dat door een later individueel beschermingsbesluit inzake monumenten en landschappen rekening moet worden gehouden met de verordenende kracht van de gewestplannen, doch geen enkele hiërarchie van normen rechtstreeks toepasselijk is; Verzoekster keert de leer van het arrest (...) om (...);
- Een later beschermingsbesluit kan inderdaad niet afwijken van de bestemming vastgelegd door het eerdere gewestplan, dat op zich verordenende kracht heeft; Omgekeerd is echter geen enkele conclusie in die zin te trekken; Een beschermingsbesluit inzake monumenten en landschappen legt een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid op (bindende kracht) die geenszins door een later plan van aanleg wordt tenietgedaan; Hiervoor is geen wettelijke basis voor handen; Tegen de stelling van verzoekster in kan overigens eveneens worden opgeworpen dat bij de vaststelling van het gewestplan de plannende overheid rekening had dienen te houden met het bestaande beschermingsbesluit inzake monumenten en landschappen (Antwerpen, 20 juni 2000, A.J.T. 2001-2002, 902); Dit betreft louter een principe van rechtszekerheid en continuïteit in het overheidshandelen waarbij beide niveaus zoveel als mogelijk op elkaar worden afgestemd; De wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen die ten tijde van het eerste beschermingsbesluit als landschap van toepassing was, verleende aan de bevoegde overheid een zeer ruime bevoegdheid om de rechten van de eigenaars te beknotten en beperkingen op te leggen die onmisbaar zijn ter vrijwaring van het landschap; Het is deze regeling die het bestaan in de rechtsorde en de verhouding met de latere plannen van aanleg regelde; Het was toen onmiskenbaar zo dat geen enkele hiërarchische verhouding bestond tussen beschermingsbesluiten inzake monumenten en landschappen en plannen van aanleg - de onderscheiden regelingen werden cumulatief toegepast (...); Uiteraard kan met betrekking tot de juridische waarde van dit eerste beschermingsbesluit niet pro-actief toepassing worden gemaakt van de regeling heden ten dage opgenomen in het art. 12 van het Decreet Landschapszorg; X-11.061-13/17
- Het louter invoeren van een gewestplanbestemming (die geen rekening houdt met de eerdere bescherming als landschap) kan overigens op zich geen recht creëren in hoofde van verzoekster deze bestemming te verwezenlijken; Zoniet zou ieder nut aan de stedenbouwkundige vergunning worden ontzegd; Dat de bestemming uit zichzelf rechtsgevolgen heeft is niet gelijk te stellen met het recht de bestemming ook daadwerkelijk te verwezenlijken; Overigens wordt zoals door de auditeur terecht wordt gesteld niet iedere bestemming binnen het later vastgestelde woonuitbreidingsgebied door het eerder rangschikkingsbesluit uitgesloten;
- In de huidige stand van zaken is het in elk geval zo dat de bestreden beslissing in geen enkel opzicht in strijd komt of kan komen met de gewestplanbestemming ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’ zoals heden ten dage van kracht ingevolge het besluit van 29 oktober 1999; In zoverre verzoekster zich derhalve beroept op een gewestplanbestemming die reeds is tenietgedaan om haar belang te staven (zijnde dat door de vorige bestemming ‘woonuitbreidingsgebied’ de landschapsbescherming zogenaamd geen toepassing kon vinden) is dit belang in elk geval niet langer actueel; De landschapsbescherming kon geenszins door een opvolgende vaststelling van een gewestplan uit de rechtsorde worden verwijderd, het kon hoogstens en enkel indien men de formeel betwiste stelling volgt van verzoekster, geen beperkingen inhouden op het gewestplan; Door het huidige gewijzigde gewestplan kan echter geen tegenstrijd meer bestaan tussen het nog steeds in rechte bestaande beschermingsbesluit van 10 december 1973 en het gewestplan ‘Oudenaarde’; Elk actueel belang in hoofde van verzoekster is onbestaande;
- De argumentatie van verzoekster betreft voorts in essentie de redenering dat indien een bijkomende bescherming wordt opgelegd, tevens een bijkomende restrictie van toepassing is op haar eigendom; Hoewel deze boutade goed klinkt verschaft een bijkomende restrictie in geen geval een gepersonaliseerd en zeker belang zoals vereist; Verzoekende partij werpt op dat zij nu niet kan weten wat de toekomstige wetgeving zal zijn en welke gevolgen de toekomstige wetgeving aan de monumentenbescherming zal opleggen; Dergelijke belang is hooguit een hypothetisch en zodoende niet dienend belang; Evenmin naar aanleiding van haar laatste memorie specifieert verzoekster welke handelingen zij kon stellen voor de invoering van de bestreden beslissing dewelke zij nadien niet langer kon stellen; De bestreden beslissing houdt voor verzoekster geen enkel concreet en persoonlijk nadeel in, dat niet reeds voortvloeit uit de gewestplanbestemming inmiddels gewijzigd naar landschappelijk waardevol agrarisch gebied en de eerdere bescherming als beschermend landschap”. 2.
- Onderzoek van de exceptie 2.2.
- Overeenkomstig artikel 19, eerste lid van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, kunnen de beroepen tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van die wetten, voor de afdeling bestuursrechtspraak worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of van een belang. Dit veronderstelt dat de verzoekende partij door het bestreden besluit benadeeld is en dat dit nadeel persoonlijk, rechtstreeks, zeker en actueel is. X-11.061-14/17 Daarenboven is vereist dat de nietigverklaring van het bestreden besluit aan de verzoekende partij een rechtstreeks voordeel verschaft. 2.2.
- Het wordt niet betwist dat de betrokken percelen deel uitmaken van het bij koninklijk besluit van 10 december 1973 als landschap beschermde park dat het kasteel Piers de Raveschoot te Kruishouten omgeeft. 2.2.
- De verzoekende partij heeft, ondanks de uitdrukkelijke bewoordingen van de door de verwerende partij opgeworpen exceptie, in de memorie van wederantwoord niet uiteengezet welke nadelen voor haar concreet uit het bestreden beschermingsbesluit van 29 april 2002 voortvloeien die niet reeds uit het beschermingsbesluit van 10 december 1973 volgen. De argumentatie die de verzoekende partij ter zake in haar laatste memorie ontwikkelt had zij reeds in haar memorie van wederantwoord kunnen aanvoeren. Deze argumentatie kan om deze reden niet meer, nadat het auditoraat op grond van de door de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord aangevoerde repliek zijn verslag had opgemaakt, op ontvankelijke wijze worden aangevoerd. 2.2.
- Zelfs indien het besluit van de Vlaamse regering van 29 oktober 1999 waarbij de gewestplanbestemming van de betrokken percelen wordt gewijzigd van “woonuitbreidingsgebied” in “landschappelijk waardevol agrarisch gebied”, zou worden nietig verklaard, kan niet worden aangenomen dat het beschermingsbesluit van 10 december 1973 als opgeheven moet worden beschouwd omdat die percelen volgens het bij koninklijk besluit van 27 februari 1977 vastgestelde gewestplan Oudenaarde de bestemming “woonuitbreidingsgebied” hebben. Krachtens artikel 13, tweede lid van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg gebeurt de gehele of gedeeltelijke opheffing of de wijziging van het besluit tot bescherming als landschap onder de voorwaarden en in de vorm, vastgesteld voor de bescherming, en blijven, tot de vaststelling van het besluit tot definitieve wijziging of opheffing van de bescherming als landschap, de rechtsgevolgen van het vorige besluit van kracht. Een definitief geworden besluit tot bescherming als landschap kan, als besluit met een individuele draagwijdte, bij gebreke aan enige uitdrukkelijke wettelijke bepaling, niet worden opgeheven door een later besluit met reglementair karakter, ook al worden door dat besluit erfdienstbaarheden van X-11.061-15/17 algemeen nut gevestigd die gelden niet alleen voor de actuele, maar ook voor de toekomstige houders van zakelijke rechten. 2.2.
- Ten slotte dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij niet verduidelijkt op welke wijze het bestreden besluit het haar moeilijker maakt zich te verweren in “het geding dat hen stelt tegenover de heer VAN MARCKE en het Vlaamse Gewest”, en zich te verweren in de procedure A. 92.121/X-9.
- 2.2.
- De verzoekende partij doet niet blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging. De exceptie is gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-11.061-16/17 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig april 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.061-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.486 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div