← België

Arrest 192490 - Arbeids- en beroepskaarten - 21/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.490 Rolnummer: Zaak: Arrest 192490 - Arbeids- en beroepskaarten - 21/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-04 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 02:46 Fiche Arrest nr 192.490 van 21 april 2009 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : Verwerping Samenvoeging Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.490 van 21 april 2009 in de zaken A. 190.487/XII-5635 (I) 190.883/XII-5667 (II). In zake :

  1. Guillaume BORREMANS,
  2. Alfonsina BLOCKX,
  3. de BVBA NIE WARM, NIE WILLE, die woonplaats kiezen bij advocaat W. Leenaards, kantoor houdende te Wilrijk, Ridderveld 16 tegen : de STAD ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij advocaat A. Verlinden, kantoor houdende te 1050 Brussel, Louizalaan
  4. tussenkomende partij : II de CVOA T.I.C., die woonplaats kiest bij advocaten D. Lindemans en T. Eyskens, kantoor houdende te 1000 Brussel, Keizerslaan
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Guillaume Borremans, Alfonsina Blockx en de bvba Nie warm, nie wille op 26 november 2008 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 22 augustus 2008 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen “om de vergunning voor de standplaats van het gebakkraam op het Raoul Grégoirplein toegestaan aan de heer Borremans, Carettestraat 26 2170 Merksem van 2 oktober 2002 (jaarnummer 10972) in te trekken” (A. 190.487); XII-5635-1/8 Gezien het verzoekschrift dat dezelfde verzoekers op 26 december 2008 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 24 oktober 2008 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen om de standplaats voor een frietkraam op het Raoul Grégoirplein toe te wijzen aan de cvoa T.I.C. (A. 190.883); Gezien de nota’s van de verwerende partij; Gezien de verslagen opgesteld door auditeur P. De Somere; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gelet op de beschikkingen van 13 maart 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 31 maart 2009; Gezien het op 28 januari 2009 ingediende verzoekschrift waarbij de cvoa T.I.C. vraagt in de zaak A. 190.883/XII-5667 in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. D’Haenens, die loco advocaat W. Leenaards verschijnt voor verzoekers, van advocaat A. Verlinden, die verschijnt voor verwerende partij, en van advocaat T. Eyskens, die loco advocaat D. Lindemans verschijnt voor tussenkomende partij; Gehoord de eensluidende adviezen van auditeur P. De Somere; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De relevante feitelijke gegevens
  6. Op 2 oktober 2002 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen aan eerste verzoeker een vergunning voor een XII-5635-2/8 standplaats voor een gebakkraam op het Raoul Grégoirplein, in de onmiddellijke omgeving van het Sportpaleis. Na eerste verzoeker op 22 april 2008 te hebben gehoord, trekt het college van burgemeester en schepenen de vergunning op 22 augustus 2008 in. Gemotiveerd wordt onder meer dat de voorwaarden van de vergunning niet zijn nageleefd. Eveneens op 22 augustus 2008 besluit het college van burgemeester en schepenen om de betrokken standplaats, waarvoor de “lopende vergunning zal worden ingetrokken”, opnieuw te verpachten. Op 22 september 2008 stelt de gemeenteraad de biedings- en vergunningsvoorwaarden voor het exploiteren van een standplaats voor de verkoop van frieten op het Raoul Grégoirplein vast. Er zijn vier bieders, onder wie derde verzoekster. Het college van burgemeester en schepenen beslist op 24 oktober 2008 de standplaats toe te wijzen aan de cvoa T.I.C., zijnde de hoogste bieder. De procedure
  7. In de zaak A. 190.883 vraagt de cvoa T.I.C. terecht in de debatten te mogen tussenkomen. Zij is de begunstigde van de bestreden toewijzingsbeslissing van 24 oktober
  8. Deze toewijzingsbeslissing kon -evident- slechts genomen worden nadat, door de intrekking van 22 augustus 2008, aan de eerdere standplaatsvergunning van 2 oktober 2002 een einde kwam. Naar verzoekers in het verzoekschrift in de zaak A. 190.883, in het kader van het tweede middel, uiteenzetten, zou het zelfs “zeer duidelijk” zijn dat de intrekking net is gebeurd “om de standplaats opnieuw aan een veel hogere prijs te kunnen toewijzen”. Zij voeren in de twee zaken een nagenoeg identiek nadeel aan. Er is dan ook voldoende reden om de vorderingen tot schorsing in de zaken A. 190.487 en A. 190.883 samen te voegen, met het oog op een goede rechtsbedeling. XII-5635-3/8 De ontvankelijkheid
  9. In de beide zaken wordt betwist dat verzoekers over het rechtens vereiste belang beschikken. Een onderzoek van en een uitspraak over het belang zouden zich evenwel alleen opdringen indien aan de grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan mocht zijn, hetgeen zoals hierna zal blijken niet het geval is. Ten gronde Schorsingsvoorwaarden
  10. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden beslist onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddel- lijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Standpunt van de partijen
  11. Aangaande de tweede schorsingsvoorwaarde zetten verzoekers in de beide zaken uiteen dat zij een gebakkraam uitbaten op het Raoul Grégoirplein, dat deze uitbating van het gebakkraam onmogelijk wordt en dat zij zodoende in hun broodwinning worden aangetast.
  12. In de zaak A. 190.487 antwoordt verwerende partij in de nota allereerst dat verzoekers niet meer de huidige uitbaters zijn en dat hun nadeel niet kan worden goedgemaakt door een nietigverklaring of schorsing aangezien de standplaats op 24 oktober 2008 is toegewezen aan cvoa T.I.C. In de tweede plaats wordt tegengeworpen dat het aangevoerde nadeel niet als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan worden aangemerkt, dat verzoekers zich beperken tot vage beweringen en dat geen stavingsstukken zijn toegevoegd.
  13. In de zaak A. 190.883 doet verwerende partij in de nota vooreerst gelden dat verzoekers niet meer de huidige uitbaters zijn, dat hun nadeel niet voortvloeit uit de thans bestreden beslissing maar uit de eerdere intrekkingsbeslissing XII-5635-4/8 van 22 augustus 2008, en dat zij moeten aantonen waaruit hun nadeel bestaat in déze procedure. In de tweede plaats wordt tegengeworpen dat het aangevoerde nadeel niet als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan worden aangemerkt, dat verzoekers zich beperken tot vage beweringen en dat geen stavingsstukken zijn toegevoegd. Tussenkomende partij argumenteert in diezelfde zaak onder andere dat verzoekers geen moeilijk te herstellen nadeel omschrijven in het verzoekschrift, dat aan het feit dat zij niet langer een frietkraam uitbaten de intrekkingsbeslissing van 22 augustus 2008 ten grondslag ligt, en dat niet valt in te zien hoe de verpach- tingsbeslissing op rechtstreekse wijze eerste en tweede verzoeker kan benadelen gezien zij niet eens hebben deelgenomen aan de biedingsprocedure. Beoordeling
  14. Verzoekers hebben niet alleen de schorsing van het intrekkingsbe- sluit van 22 augustus 2008 gevraagd, maar ook de schorsing van de toewijzingsbeslis- sing van 24 oktober 2008 aan de tussenkomende partij. Het gaat dan ook niet op om a priori, louter vanwege het feit van die toewijzing, ervan uit te gaan dat een schorsing van het intrekkingsbesluit hoe dan ook niet tot gevolg kan hebben dat de standplaatsvergunning van 2 oktober 2002 voort uitwerking heeft. Voorts lijken partijen het terecht erover eens dat het nadeel van verzoekers om geen gebakkraam meer te kunnen uitbaten op het Raoul Grégoirplein in wezen teruggaat op de collegebeslissing van 22 augustus 2008 om de standplaats- vergunning van 2 oktober 2002 in te trekken. Dit sluit echter niet de vaststelling uit dat de toewijzingsbeslissing voortbouwt op het intrekkingsbesluit en dat ze het oorspronkelijke nadeel dat het intrekkingsbesluit deed lijden, doortrekt en verankert. Bijgevolg kunnen verzoekers dit oorspronkelijke nadeel om niet langer een frietkraam te mogen uitbaten op het Raoul Grégoirplein, ook nuttig aanvoeren tegen de toewijzingsbeslissing van 14 oktober
  15. Of zij al dan niet aan de biedingsprocedure met het oog op de toewijzing hebben deelgenomen, lijkt daarbij zonder belang. Met de gevorderde schorsing van de toewijzingsbeslissing beogen verzoekers op het eerste gezicht niet -zozeer- zelf de toewijzing te verkrijgen, maar -vooral- om te voorkomen dat deze toewijzingsbeslissing eraan in de weg staat dat zij het voordeel kunnen genieten dat de inwilliging van hun vordering tot schorsing van de intrekkingsbeslissing moet XII-5635-5/8 meebrengen, meer bepaald het voordeel om op grond van de standplaatsvergunning van 2 oktober 2002 voort een frietkraam te kunnen exploiteren op het Raoul Grégoirplein.
  16. Zwaarwegender is de kritiek van verwerende en tussenkomende partij dat verzoekers in gebreke blijven met aannemelijke stukken en informatie aan te tonen dat hun nadeel ernstig en moeilijk herstelbaar is. Er zijn drie verzoekers. De standplaatsvergunning van 2 oktober 2002 is strikt genomen alleen aan de eerste verzoeker verleend. In de verzoekschriften heet het de ene keer dat “verzoekende partijen” of “verzoekers” -inbegrepen dus de bvba Nie warm, nie wille- het betrokken gebakkraam uitbaten. Een andere keer luidt het dat het gebakkraam ononderbroken werd uitgebaat door, welbepaald, de eerste en tweede verzoeker. Tijdens de hoorzitting van 22 april 2008 verklaarde eerste verzoeker dan weer dat hij niet voor zichzelf optrad, maar als zaakvoerder van de derde verzoekster, die het gebakkraam uitbaat. Volgens de verzoekschriften en de stukken van verzoekers, echter, zijn de zaakvoerders tweede verzoekster en Björn Borremans. Wie nu precies zijn broodwinning door de bestreden beslissingen aangetast ziet worden, is in de gegeven omstandigheden totaal onduidelijk. Even onduidelijk is wat men zich bij die beweerde aantasting moet voorstellen. Volgens de ingetrokken vergunning van 2 oktober 2002 was een erkenningsrecht per exploitatiedag verschuldigd, waarbij de verrekening gebeurt aan de hand van de evenementenkalender van het Sportpaleis. Noch geven verzoekers aan hoeveel dagen, gemiddeld, het gebakkraam wordt uitgebaat, noch geven zij enige informatie over de opbrengst die ten gevolge van de bestreden beslissingen gederfd wordt of over hun globale financiële situatie. Geen enkel concreet gegeven, laat staan nog enig stavingsstuk, wordt bijgebracht. Het mag dan ook geen verwondering wekken dat het in het auditoraatsverslag in de zaak A. 190.487 “niet mogelijk” wordt genoemd “om zich een voldoende nauwkeurige voorstelling te vormen van de impact van de bestreden beslissing op de situatie van elk van de verzoekende partijen, ten einde het aangevoer- de nadeel als ernstig te kunnen kwalificeren”. Niet alleen weerleggen verzoekers ter terechtzitting die zienswijze niet, zij spreken hem zelfs niet eens gewoon tegen. XII-5635-6/8
  17. Verzoekers doen niet aannemen dat zij ten gevolge van de bestreden beslissingen een nadeel riskeren dat voor hen ernstig is. Aldus is aan tenminste één van de cumulatieve grondvoorwaarden voor de gevraagde schorsingen niet voldaan. Deze vaststelling volstaat om de vorderingen te verwerpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  18. De vorderingen tot schorsing in de zaken A.190.487/XII-5635 en A. 190.883/XII-5667 worden gevoegd. Artikel
  19. Het verzoek tot tussenkomst, in de zaak A. 190.883/XII-5667, van de cvoa T.I.C. in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  20. De vorderingen tot schorsing worden verworpen. Artikel
  21. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vorderingen tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de zaak A. 190.883/XII-5667, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. XII-5635-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig april 2009, door : de HH. J. LUST wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5635-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.490 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.