← België

Arrest 192565 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.565 Rolnummer: A. 136750/X-11415 Zaak: Arrest 192565 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-30 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-30 03:01 Fiche Arrest nr 192.565 van 22 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.565 van 22 april 2009 in de zaak A. 136.750/X-11.

  1. In zake : Alain SPEECKAERT, die woonplaats kiest bij advocaten M. BOES en W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. KNAEPS, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Willekensmolenstraat 72, bus 1 en
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Alain SPEECKAERT op 14 mei 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 20 maart 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van zijn beroep ingesteld tegen de beslissing van 19 augustus 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij hem de vergunning is geweigerd voor de verfraaiings- en instandhoudingswerken van een stal en berging aan de Roerstraat te Lommel, op een perceel kadastraal bekend sectie C, nr. 1241/h9; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 31 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-11.415-1/10 Gelet op de beschikking van 7 januari 2009 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 30 januari 2009; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. BOES, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat E. BAILLIEN, die loco advocaat B. KNAEPS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. Feiten 1.
  4. De verzoeker is eigenaar van een perceel aan de Roerstraat 40 te Lommel, kadastraal bekend sectie C, nr. 1241/h
  5. Het perceel is overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 22 maart 1978 vastgestelde gewestplan Neerpelt-Bree gelegen in een ontginningsgebied met als nabestemming natuurgebied. Het is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling. 1.
  6. Op 11 februari 1997 stelt de gemeentelijke politie van Lommel lastens de verzoeker een proces-verbaal van overtreding op omdat het gebouw dat vroeger zou bestaan hebben door de verzoeker volledig heropgebouwd werd in nieuwe materialen, zonder de vereiste voorafgaandelijke bouwvergunning. 1.
  7. Op 1 december 1998 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoeker bij het stadsbestuur van Lommel een stedenbouwkundige aanvraag in voor “verfraaiings- en instandhoudingswerken van een stal en berging” op het voornoemde perceel. In de begeleidende nota wordt gespecifieerd dat het om een aanvraag “ter regularisatie” gaat, en wordt de suggestie gedaan om een “tijdelijke vergunning” af te leveren met toepassing van artikel 42 §3, tweede lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
  8. X-11.415-2/10 1.
  9. Op 23 december 1998 geeft het college van burgemeester en schepenen van de stad Lommel een ongunstig preadvies over de aanvraag. 1.
  10. Op 2 februari 1999 geeft de afdeling Natuur en Bos en Groen van AMINAL een ongunstig advies over de aanvraag waarin onder meer wordt overwogen dat voor de werken materialen werden aangewend “die normaal voor een huis gebruikt worden”, dat “het gebouw vensters, deuren en dakkapellen heeft en omringd is met een pad”, dat de toegang voorzien is via “een oprijlaan in keien (...) omzoomd door laanbomen”, en dat het gebouw voorts ook een deurbel, een alarminstallatie, een schouw, elektriciteitsbedrading, een septische tank, een regenwaterput, een uitvulling met vloer, een kruipruimte, een zolder, en zo meer heeft. 1.
  11. Op 23 februari 1999 geeft de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies, waarin hij onder meer overweegt dat het niet om verfraaiings- en instandhoudingswerken doch om verbouwingswerken gaat, dat de constructie en vormgeving (o.a. dakkapellen) eigen zijn aan woningbouw, en dat gegevens ontbreken omtrent de al dan niet vergunde toestand van het vroegere gebouw. 1.
  12. Op 8 maart 1999 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Lommel de gevraagde vergunning overeenkomstig het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.
  13. Op 15 april 1999 stelt de verzoeker beroep in tegen voormelde weigeringsbeslissing bij de deputatie van de provincieraad van Limburg. In het beroepschrift wordt betwist dat verbouwingswerken werden uitgevoerd, en wordt verder aangedrongen op het verlenen van een tijdelijke stedenbouwkundige vergunning met toepassing van artikel 42, §3, tweede lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
  14. 1.
  15. Op 19 augustus 1999 verwerpt de deputatie het beroep van de verzoeker tegen de beslissing van het college en wordt de vergunning geweigerd. In dit besluit wordt onder meer overwogen dat uit vaststellingen gedaan naar aanleiding van een plaatsbezoek “blijkt dat de verfraaiingswerken in casu moeten begrepen worden als een nieuwbouw, of minstens als een herbouwing (...)”, dat de wijze van afwerking van het gebouw “de geloofwaardigheid van de voorgestelde bestemming twijfelachtig maakt”, en dat ook een tijdelijke vergunning niet kan verleend worden in strijd met de voorzieningen van het gewestplan. X-11.415-3/10 1.
  16. Op 16 september 1999 tekent de verzoeker tegen de beslissing van de deputatie beroep aan bij de bevoegde Vlaamse minister. In zijn beroepschrift betoogt hij onder meer dat een tijdelijke vergunning wél geldig kan verleend worden. 1.
  17. Op 20 maart 2003 verwerpt de bevoegde Vlaamse minister het beroep van de verzoeker en wordt de vergunning geweigerd. Dit is het bestreden besluit, waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “Overwegende dat de term verfraaiings- en instandhoudingswerken hier moet verstaan worden als het geheel opnieuw bouwen van een constructie van 17 bij 7,50 meter, in hedendaagse materialen en met gebruik van moderne bouwmethoden zoals spouwconstructie voor de buitenwanden, snelbouwsteen, betonvloeren, hardhouten ramen en poort, gevelsteen en arduinen dorpels, dit op de plaats waar vroeger een oude stalling met schuur en berging heeft gestaan; dat de bestaande toestand van deze stal op plan is aangeduid als ‘reconstructie bestaande toestand volgens gegevens van de bouwheer’; dat echter een stal, annex schuur en berging die volgens de bouwheer reeds in de jaren ’40 bestond, geenszins met spouwmuren en snelbouwsteen kan uitgevoerd geweest zijn; dat het voorliggend deelplan met nummer 01/04 van de bestaande toestand, dan ook niet verstoken blijkt van enige verbeeldende kracht en bezwaarlijk als volledig en waarheidsgetrouw kan gelden; Overwegende dat de gerealiseerde toestand volgens plan als bestemming inhoudt: stallen, schuur, berging en inkom; dat het geheel is uitgevoerd met acht individuele dakkapellen; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Neerpelt-Bree, vastgesteld bij koninklijk besluit van 22 maart 1978, gelegen is in een ontginningsgebied met nabestemming natuurgebied; dat overeenkomstig artikel 17.6.3 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen voor de ontginningsgebieden geldt dat hier rondom een afzonderingsgordel dient te worden aangelegd, waarvan de breedte vastgesteld wordt door de bijzondere voorschriften, dat na de stopzetting van de ontginning de oorspronkelijke of toekomstige bestemming, die door de grondkleur wordt aangegeven, dient geëerbiedigd te worden en dat voorwaarden voor de sanering dienen te worden opgelegd opdat de aangegeven bestemming kan worden gerealiseerd; Overwegende dat het natuurgebied overeenkomstig artikel 13 van hetzelfde koninklijk besluit van 28 december 1972 bestemd is voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu; dat in die gebieden enkel jagers- en vissershutten mogen worden gebouwd voor zover deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk; Overwegende dat het oprichten van een stal, het weze in functie van een werkelijk agrarisch bedrijf, het zij ten behoeve van een hobbyactiviteit, niet overeenstemt met de planologische voorschriften, zowel ten opzichte van de huidige bestemming ontginning als ten opzichte van de latere bestemming natuurgebied; Overwegende dat de aanvrager tenminste de afgifte van een tijdelijke vergunning bepleit; dat artikel 105, § 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals later gewijzigd, stelt dat de geldigheidsduur van een stedenbouwkundige vergunning kan beperkt worden wanneer het gaat om werken, handelingen en wijzigingen gedurende X-11.415-4/10 de periode die voorafgaat aan de oprichting van bouwwerken, aan de uitvoering van andere vergunningsplichtige werken of handelingen, of aan de verwezenlijking van de definitieve bestemming; Overwegende dat de overheid hierbij evenwel niet vermag af te wijken van de bij wets- of verordeningsbepaling vastgelegde definitieve bestemming; dat deze definitieve bestemming als natuurgebied nu reeds vastligt in het gewestplan; dat deze bestemming zonder randvoorwaarden en onmiddellijk moet kunnen gerealiseerd worden; dat gelet op de bindende kracht van het gewestplan, elke aanvraag evenzo in overeenstemming moet blijven met de huidige bestemming volgens dit gewestplan; dat het blijven gedogen van een zonder voorafgaande vergunning opgetrokken constructie met zulkdanige opvatting en waarde, in strijd is met de beperkte draagwijdte van vermeld artikel 105 §4; Overwegende dat bijgevolg, op grond van onverenigbaarheid met de bindende planologische voorschriften, de aanvraag niet voor afgifte van de vergunning in aanmerking komt; dat geen enkele afwijking of uitzonderingsmaatregel toepasbaar is; dat het beroep dient verworpen”.
  18. Het eerste middel 2.
  19. Het aangevoerde eerste middel In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 145bis, § 1, 195bis, 3/ en 195quinquies van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Op grond van voormelde bepalingen kunnen voor bestaande vergunde gebouwen vergunningen worden toegestaan voor het uitvoeren van werken van instandhouding en onderhoud die de stabiliteit betreffen en kunnen bij uitzondering op de voorschriften van het gewestplan ook vergunningen worden verleend voor het verbouwen van bestaande vergunde woningen, die niet verkrot zijn. Daarenboven liet artikel 195 quinquies van het voormelde decreet toe dat vergunningen konden worden uitgereikt, ook voor gebouwen die op het ogenblik van de aanvraag niet meer zouden bestaan, maar waarvan wel aangetoond kon worden dat ze bestaan hebben. Welnu, het blijkt dat het bestreden besluit met deze bepalingen geen rekening heeft gehouden en de aanvraag niet getoetst heeft aan deze voorschriften. Dit getuigt van gebrek aan motivering en zorgvuldigheid. Het spreekt evenwel voor zich dat een orgaan van actief bestuur zich dient te houden aan de regelgeving die bestaat op het ogenblik dat zij haar besluit neemt, zodat onbetwist de verwerende partij verplicht was om de voorliggende aanvraag aan de geciteerde bepalingen te toetsen. Vraag of die toetsing zou geleid hebben tot het toestaan van de vergunning, is irrelevant om de gegrondheid van het middel te beoordelen, daar, om die vraag te kunnen beantwoorden, eerst de toetsing diende te gebeuren en die is klaarblijkelijk niet gebeurd. Voor de ontvankelijkheid van het middel volstaat overigens dat die toetsing zou hebben kunnen leiden tot het toestaan van de vergunning, wat bij een X-11.415-5/10 eenvoudige lectuur van de geciteerde bepalingen en controle van de aanvraag, zeker niet kan worden uitgesloten. Het middel is derhalve ontvankelijk en gegrond”. 2.
  20. Beoordeling van het eerste middel 2.2.
  21. De in het middel aangehaalde bepalingen van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening luidden ten tijde van het nemen van het bestreden besluit als volgt: “Art. 145bis. §
  22. Voorzover voldaan is aan de voorwaarden in deze paragraaf, vormen de geldende bestemmingsvoorschriften van de gewestplannen en de algemene plannen van aanleg op zichzelf geen weigeringsgrond bij de beoordeling, door de vergunningverlenende overheid, van aanvragen tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning met betrekking tot bestaande gebouwen. Deze uitzonderingsbepaling geldt slechts indien de aanvraag betrekking heeft op : 1/ het verbouwen van een bestaand gebouw binnen het bestaande bouwvolume; 2/ het herbouwen op dezelfde plaats van een bestaand gebouw binnen het bestaande bouwvolume (...); 3/ het herbouwen op een gewijzigde plaats van een bestaand gebouw (...); 4/ het uitbreiden van een bestaand gebouw, niet zijnde woningbouw, met een gebouw of een vaste inrichting, op voorwaarde dat de uitbreiding het noodzakelijke gevolg is van overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden, strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu, of het noodzakelijk gevolg van een voorwaarde die betrekking heeft op de gezondheid van de mens opgelegd na advies van de bevoegde administratie naar aanleiding van een vergunning verleend in het kader van dat decreet, of het noodzakelijk gevolg van maatregelen voorgeschreven door de sociale inspecteurs die bevoegd zijn in het kader van de wet van 16 november 1972 betreffende de arbeidsinspectie, of het noodzakelijk gevolg van maatregelen voorgeschreven in het kader van de wet van 2 april 1971 betreffende de bestrijding van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen, in het kader van de wet van 24 maart 1987 betreffende de dierengezondheid, of in het kader van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren; 5/ aanpassingswerken aan of bij een gebouw bedoeld in 4/, zonder dat het overdekte volume wordt uitgebreid; 6/ het uitbreiden van een bestaande woning (...). (...) De mogelijkheden, vermeld in het eerste lid, 2/ tot en met 6/, gelden niet voor de recreatiegebieden en de ruimtelijk kwetsbare gebieden, behoudens de parkgebieden. Onder de ruimtelijk kwetsbare gebieden worden verstaan de groengebieden, natuurgebieden, natuurgebieden met wetenschappelijke waarde, natuurreservaten, natuurontwikkelingsgebieden, parkgebieden, bosgebieden, valleigebieden, brongebieden, agrarische gebieden met ecologische waarde of belang, agrarische gebieden met bijzondere waarde, grote eenheden natuur, grote eenheden natuur in ontwikkeling en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg, alsook de beschermde duingebieden en voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, aangewezen krachtens het decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen. Onder recreatiegebieden worden de gebieden voor dagrecreatie, X-11.415-6/10 gebieden voor verblijfsrecreatie en de ermee vergelijkbare gebieden, aangewezen op de plannen van aanleg verstaan. 195bis. De vergunningverlenende overheid en/of, met toepassing van artikel 193, § 2, de gemachtigde ambtenaar bij het verlenen van een gunstig advies, kunnen afwijken van de voorschriften van een plan van aanleg indien de aanvraag betrekking heeft op: (...) 3/ het uitvoeren van instandhoudings- en onderhoudswerken die betrekking hebben op de stabiliteit van een bestaande vergunde woning of een bestaand vergund gebouw, met uitsluiting van verkrotte woningen of gebouwen. Onder instandhoudings- en onderhoudswerken die betrekking hebben op de stabiliteit, worden werken verstaan die het gebruik van een woning of gebouw voor de toekomst ongewijzigd veilig stellen door ingrepen, die betrekking hebben op de constructieve elementen. Daaronder wordt onder meer begrepen het vervangen van dakgebinten en het gedeeltelijk vervangen van de bestaande buitenmuren. 195quinquies. De in de artikelen 145bis en 195bis, eerste lid, 3/, vermelde voorwaarde dat de werken en handelingen gebeuren aan een bestaand vergund of vergund geacht gebouw geldt niet voor de vergunningsaanvragen, ingediend vóór 1 februari 2003, voor zover de aanvrager kan aantonen dat de werken of handelingen worden of zijn uitgevoerd aan een gebouw dat bij de aanvang van de werken bestond en geheel of gedeeltelijk vergund was of werd geacht”. 2.2.
  23. De aanvraag waarover het bestreden besluit uitspraak doet, heeft betrekking op een stal en berging. De vaststelling in het bestreden besluit dat het gaat om het geheel opnieuw bouwen van een gebouw op de plaats waar vroeger een oude stalling met schuur en berging heeft gestaan wordt door de verzoeker niet betwist. Hieruit blijkt onmiskenbaar dat het niet gaat om instandhoudings- en onderhoudswerken, het verbouwen of het uitbreiden van een bestaand gebouw. De geciteerde decretale bepalingen bieden geen afwijkingsmogelijkheid voor het herbouwen van een gebouw dat geen woning is. Bijgevolg kon in het bestreden besluit wettig worden overwogen “dat geen enkele afwijking of uitzonderingsmaatregel toepasbaar is”. De argumentatie van de verzoeker in de laatste memorie dat het betrokken gewestplangebied geen ruimtelijk kwetsbaar gebied is, is irrelevant. 2.2.
  24. Het eerste middel is niet gegrond.
  25. Het tweede middel 3.
  26. Het aangevoerde tweede middel In het tweede middel wordt de schending aangevoerd van artikel 105, §4, 3/ van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. X-11.415-7/10 In het verzoekschrift wordt het middel als volgt toegelicht: “Verzoeker had er in zijn aanvraag op gewezen dat de bestemming van het gebied ontginningsgebied is met nabestemming natuurgebied. De uiteindelijke bestemming natuurgebied kan maar worden gerealiseerd nadat de eerste bestemming, d.w.z. ontginningsgebied, is gerealiseerd en dat kan uiteraard maar nadat de gronden effectief ontgind zijn. Trouwens de gronden in casu zijn bestemd om ‘water’ te worden, wat per definitie betekent dat ze eerst moeten ontgind worden. Dat de bestemming ontginningsgebied nog niet heeft plaatsgevonden, blijkt trouwens uit het bestreden besluit, p.2 §2: ‘Dat overeenkomstig art. 17.6.3 van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van ontwerpgewestplannen en de gewestplannen voor de ontginningsgebieden geldt dat hieronder een afzonderingsgordel dient te worden aangelegd, waarvan de breedte vastgesteld wordt door de bijzondere voorschriften. Dat na de stopzetting van de ontginning de oorspronkelijke of toekomstige bestemming die door de grondkleur wordt aangegeven, dient geëerbiedigd te worden en dat voorwaarden voor de sanering dienen te worden opgelegd opdat de aangegeven bestemming kan worden gerealiseerd’ (...) De feiten zelf geven trouwens aan dat de bestemming ontginningsgebied nog niet is gerealiseerd. De verwerende partij sluit dan ook ten onrechte de toepassing uit van art. 105 §4, 3/ door te stellen dat zij ook nu reeds absoluut gehouden zou zijn door de bestemming natuurgebied en de aanvraag als tijdelijke aanvraag enkel in dat kader zou mogen toetsen. Een aanwijzing die de stelling van verzoeker ondersteunt, vindt men in het arrest van de Raad van State, BVBA Mapana, nr. 71.918 van 18 februari
  27. In dat arrest was de in het geding zijnde bepaling art. 44 §3 , 2de lid van de Wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening van de stedenbouw. Deze bepaling (g)eeft een identieke inhoud aan het hiervoor aangehaalde art. 105 §4, 3/ van het Decreet van 18 mei
  28. In dat arrest merkt de Raad van State op dat de bestemming landbouw, waarvan beweerd werd door de verzoekende partij dat ze nog niet zou zijn gerealiseerd, wel een definitieve bestemming is in de zin van art. 44 §3 van de Stedenbouwwet en dat daarom terecht dan ook geen afwijkende toepassing kan gemaakt worden van de afwijkende bepaling van art. 44 §
  29. Het blijkt uit het arrest dat de bestemming landbouw de enige bestemming was die dan ook meteen als definitief diende te worden beschouwd. Maar in het thans voorliggende geval is het duidelijk dat de bestemming natuurgebied als definitieve bestemming nog niet is gerealiseerd, omdat noodzakelijkerwijze als de huidige bestemming van kracht blijft, eerst de bestemming ontginningsgebied dient te worden gerealiseerd, waarna pas, zoals het bestreden besluit zelf trouwens ook aangeeft, de bestemming natuurgebied kan worden waargemaakt. De aanvraag had minstens dus tijdelijk vergund kunnen worden”. 3.
  30. Beoordeling van het tweede middel 3.2.
  31. De in het middel aangevoerde decretale bepaling luidt als volgt: X-11.415-8/10 “§
  32. De geldigheidsduur van een stedenbouwkundige vergunning kan beperkt worden: (...) 3/ wanneer het gaat om werken (...) gedurende de periode die voorafgaat (...) aan de verwezenlijking van de definitieve bestemming”. De memorie van toelichting bij het ontwerp dat het decreet van 18 mei 1999 is geworden, stelt dienaangaande het volgende: “Tijdelijke vergunningen van het laatste type, nl. die verleend worden in afwachting van de verwezenlijking van de definitieve bestemming, zijn ook van toepassing op de gebieden met een nabestemming, bijvoorbeeld voor een ontginnings- of opspuitingsgebied met nabestemming landbouw of een nabestemming natuur, zo aangeduid op een plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan” (Parl. St. Vl. Parl. 1998-1999, nr. 1332/1, 58). 3.2.
  33. De verzoeker stelt ten onrechte dat de verwerende partij in het bestreden besluit zou voorhouden dat zij “ook nu reeds absoluut gehouden zou zijn door de bestemming natuurgebied”. In het bestreden besluit wordt immers overwogen dat de aanvraag “niet overeenstemt met de planologische voorschriften, zowel ten opzichte van de huidige bestemming ontginning als ten opzichte van de latere bestemming natuurgebied”. 3.2.
  34. Het perceel is gelegen in een ontginningsgebied met als nabestemming natuurgebied. Op grond van de geciteerde decretale bepaling kan in dit gebied in de periode die voorafgaat aan de verwezenlijking van de bestemming natuurgebied een tijdelijke vergunning worden verleend voor werken die beantwoorden aan de bestemming ontginningsgebied. De interpretatie van de verzoeker als zou die bepaling toelaten om in voornoemde periode af te wijken van de bestemming ontginningsgebied omdat die zich in de feiten nog niet heeft gerealiseerd vindt geen steun in de wettekst en miskent de bindende kracht van het gewestplan. 3.2.
  35. Het tweede middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  36. Het beroep wordt verworpen. X-11.415-9/10 Artikel
  37. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig april 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-11.415-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.565 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.