id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.568 Rolnummer: A. 135393/X-11392 Zaak: Arrest 192568 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-05 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-30 03:01 Fiche Arrest nr 192.568 van 22 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.568 van 22 april 2009 in de zaak A. 135.393/X-11.392. In zake : 1. Gunther STERCK, 2. Ann WELLEKENS, die woonplaats kiezen bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gunther STERCK en Ann WELLEKENS op 14 april 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 31 januari 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening waarbij het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd en het besluit van 4 juli 2002 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende inwilliging van het beroep van Gunther STERCK tegen het besluit van 15 april 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst tot weigering van de vergunning voor de regularisatie van het verbouwen van een woning op een perceel gelegen te Aalst, Dompelstraat, kadastraal bekend sectie D, nr. 568/p, wordt vernietigd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 2 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-11.392-1/14 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 13 februari 2009 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 6 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat Y. SACREAS, die loco advocaat J. GHYSELS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat W. LAMMENS, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Op 14 mei 2001 (datum van het ontvangstbewijs) dient de eerste verzoeker bij het stadsbestuur van Aalst een aanvraag in voor de regularisatie van de verbouwing van een woning gelegen te Aalst, Dompelstraat 36, kadastraal bekend sectie D, nr. 568/p. De nota, gevoegd bij deze aanvraag, stelt het volgende : “Het perceel waar de bouwovertreding is gebeurd ligt volgens het gewestplan in een woongebied. Het maakt ook geen deel uit van een BPA of verkaveling. Er is een bouwaanvraag ingediend voor het verbouwen van een bestaande woning. Dit ontwerp is niet gevolgd en op 8.2.2001 is er een proces-verbaal opgemaakt met kenmerk RG/MJ/01011 door de controleur Mr. Marc Janssens. ‘De vroegere garage welke bereikbaar was via een losweg achter de woning is omgevormd tot leefruimte en de ruimte voor de nieuwe garage situeert zich nu aan de straatzijde waarbij het wijzigen van de voorgevel wordt uitgevoerd onder de vergunning afgeleverd dd. 05.05.2000 aanvraagnummer 00/348. De bestaande bijgebouwen zijnde keuken, stalling, veranda en garage zijn verbouwd tot een volwaardige leefruimte met geïntegreerde keuken. X-11.392-2/14 Het woonvolume is naar achter gebracht en de vroegere bijgebouwen zijn omgevormd tot een woongelegenheid; De totaliteit van de bijgebouwen werden onder één plat dak ondergebracht en de vroegere veranda is nu een opengewerkte keuken.’ Deze werken werden uitgevoerd zonder vergunning. De reden van deze omschakeling is de oriëntatie van het gebouw en de aanwezigheid van een grote tuin achteruit. Ten einde ons in regel te stellen heb ik opdracht gegeven een regularisatieaanvraag in te dienen voor deze overtreding”. 1.2. Het voornoemde perceel is overeenkomstig het gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 mei 1978, gelegen in woongebied. Het is niet gelegen binnen een gebied waarvoor een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 1.3. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst maakt het dossier op 7 november 2001 met een ongunstig pre-advies van 22 oktober 2001 over aan de gemachtigde ambtenaar. Dit ongunstig pre-advies luidt als volgt : “Het goed is overeenkomstig de planologische voorzieningen van het bij KB d.d. 30-5-1978 vastgesteld Gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem gelegen in een woongebied waarvoor art. 5.1.0. en 6.1.2. van het KB d.d. 28-12-1972 van toepassing zijn. De aanvraag betreft het regulariseren van het verbouwen van een woning; Het goed bestaat uit een bebouwd perceel en paalt aan een goed uitgeruste gemeenteweg. Het goed betreft een uitgesloten deel uit een verkaveling. De aanvraag heeft betrekking op werken en handelingen opgesomd in art. 3 §3, 13/ van het desbetreffend Besluit van de Vlaamse Regering d.d. 05-05-2000 en vereist een beperkt openbaar onderzoek om reden dat de betrokken aanpalende eigenaar de aanvraag en de bouwplannen niet voor akkoord ondertekend heeft, in toepassing van art. 2 van het Besluit van 30-03-2001. Overwegende dat naar aanleiding van het gevoerde openbaar onderzoek gehouden van 14 mei 2001 tot 12 juni 2001 geen bezwaarschriften werden ingediend; overwegende evenwel dat voor het betrokken goed reeds een stedenbouwkundige vergunning werd verleend d.d. 14-08-2000 met ref. 00/348 BVR 05-05-2000 betreffende het aanbrengen van een garagepoort in de voorgevel, en dat de te regulariseren werken niet in deze vergunning werden opgenomen; overwegende dat er geen sprake is van een bestaande vergunning van de eerder opgerichte garage die omgevormd werd tot woonkamer; overwegende dat de werken niet beantwoorden aan de gangbare stedenbouwkundige normen wegens de overmaatse bouwdiepte van 26,10 m; overwegende dat de voorgestelde werken de goede ruimtelijke ordening en het belang van de aanpalende percelen in het gedrang brengen; overwegende dat het College van Burgemeester en Schepenen in zitting van 22-10-2001 beslist heeft aan de Stedenbouwkundig Inspecteur mede te delen X-11.392-3/14 dat kan ingestemd worden met een eventuele vordering van herstel, overeenkomstig art. 149 van het decreet van 18-05-1999; kan aan het voorstel geen gunstig advies verleend worden. De aanvraag wordt aan de Gemachtigde Ambtenaar voorgelegd voor advies om reden dat het hier een regularisatiedossier betreft (toepassing art. 1 van het Besluit van de Vlaamse Regering d.d. 05-05-2000 betreffende de vrijstelling van advies van de Gemachtigde Ambtenaar”. 1.4. Op 26 maart 2002 verleent de gemachtigde ambtenaar het volgende ongunstig advies : “Beschrijving van de bouwplaats, de omgeving en de aanvraag In de omgeving is de bebouwing gekenmerkt door gesloten bebouwing. De aanvraag beoogt het regulariseren van het verbouwen van een woning. De vroegere garage welke bereikbaar was via een losweg achter de woning is omgevormd tot leefruimte en de ruimte van de nieuwe garage situeert zich nu langs de straatzijde. De bestaande bijgebouwen zijnde keuken, stalling, veranda en garage zijn verbouwd tot een volwaardige leefruimte met geïntegreerde keuken. Het woonvolume is naar achter gebracht en de vroegere bijgebouwen zijn omgevormd tot een woongelegenheid. De totaliteit van de bijgebouwen werden onder één plat dak ondergebracht en de vroegere veranda is nu een opengewerkte keuken. (...) Algemene conclusie De voorgestelde constructie brengt de goede ruimtelijke ordening in het gedrang”. 1.5. Op 15 april 2002 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst de vergunning overeenkomstig het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.6. Op 4 juli 2002 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het door de eerste verzoeker tegen het voornoemde weigeringsbesluit ingestelde beroep in te willigen en de vergunning te verlenen. Dit besluit luidt als volgt : “Gelet op het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, gewijzigd door het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en door de decreten van 26 april 2000, 13 juli 2001 en 8 maart 2002 ; Gelet op het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, gewijzigd door de decreten van 28 september 1999, 26 april 2000, 8 december 2000, 13 juli 2001 en 8 maart 2002 ; Gelet op het beroep, bij aangetekend en op 14 mei 2002 ter post verzonden schrijven, ingesteld door de heer Gunter Sterck, Dompelstraat 36, 9300 Aalst, tegen de beslissing van 15 april 2002 van het college van burgemeester en schepenen van Aalst, waarbij de vergunning geweigerd wordt tot het X-11.392-4/14 regulariseren van het verbouwen van een woning gelegen aan de Dompelstraat 36 te 9300 Aalst, en met kadastrale omschrijving 3e afdeling, sectie D, nummer(
- s)0568p ; Overwegende dat de beslissing van het college van burgemeester en schepenen op 29 april 2002 werd betekend ; dat het beroep ingediend werd overeenkomstig artikel 53 van voornoemd decreet van 22 oktober 1996 en aldus ontvankelijk is ; Overwegende dat de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen steunt op het advies van 26 maart 2002 van de gemachtigde ambtenaar (ref.8.00/41002/10169.3), dat luidt als volgt : ‘... De aanvraag betreft het regulariseren van het verbouwen van een woning. ... Het goed ligt in het gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem (koninklijk besluit van 30 mei 1978). ... De aanvraag is principieel in overeenstemming met het geldende plan, zoals hoger omschreven. ... Het college van burgemeester en schepenen bracht op 22 oktober 2001 een ongunstig advies uit. ... De aanvraag dient openbaar gemaakt te worden overeenkomstig het besluit van de Vlaamse regering van 5 mei 2000 - aanvragen scheimuren, of in aanmerking komend voor mandeligheid. ... In de omgeving is de bebouwing gekenmerkt door gesloten bebouwing. De aanvraag beoogt het regulariseren van het verbouwen van een woning. De vroegere garage welke bereikbaar was via een losweg achter de woning is omgevormd tot leefruimte en de ruimte van de nieuwe garage situeert zich nu langs de straatzijde. De bestaande bijgebouwen zijnde keuken, stalling, veranda en garage zijn verbouwd tot een volwaardige leefruimte met geïntegreerde keuken. Het woonvolume is naar achter gebracht en de vroegere bijgebouwen zijn omgevormd tot een woongelegenheid. De totaliteit van de bijgebouwen werd onder een plat dak ondergebracht en de vroegere keuken is nu een opengewerkte keuken. ... Het ongunstig advies van het schepencollege dd. 22 oktober 2001 wordt door mijn bestuur bijgetreden. ... De voorgestelde constructie brengt de goede ruimtelijke ordening in het gedrang. ... Advies Ongunstig.’ ; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen de aanvraag op 22 oktober 2001 ongunstig adviseerde ; dat dit advies luidt als volgt: ‘... Het goed is overeenkomstig de planologische voorzieningen van het bij koninklijk besluit dd. 30 mei 1978 vastgesteld gewestplan Aalst-Ninove- Geraardsbergen-Zottegem gelegen in een woongebied waarvoor art. 5.1.0 en 6.1.2 van het koninklijk besluit dd. 28 december 1972 van toepassing zijn. De aanvraag betreft het regulariseren van het verbouwen van een woning. Het goed bestaat uit een bebouwd perceel en paalt aan een goed X-11.392-5/14 uitgeruste gemeenteweg. Het goed betreft een uitgesloten deel uit een verkaveling. De aanvraag heeft betrekking op werken en handelingen opgesomd in art. 3 § 3,13/ van het desbetreffend besluit van de Vlaamse regering dd. 5 mei 2000 en vereist een beperkt openbaar onderzoek om reden dat de betrokken aanpalende eigenaar de aanvraag en de bouwplannen niet voor akkoord ondertekend heeft, in toepassing van art. 2 van het besluit van 30 maart 2001. Overwegende dat naar aanleiding van het gevoerde openbaar onderzoek gehouden van 14 mei 2001 en 12 juni 2001 geen bezwaarschriften werden ingediend ; overwegende evenwel dat voor het betrokken goed reeds een stedenbouwkundige vergunning werd verleend dd. 14 augustus 2000 met ref. 00/348 BVR 05-05-2000 betreffende het aanbrengen van een garagepoort in de voorgevel, en dat de te regulariseren werken niet in deze vergunning werden opgenomen ; overwegende dat er geen sprake is van een bestaande vergunning van de eerder opgerichte garage die omgevormd werd tot woonkamer ; overwegende dat de werken niet beantwoorden aan de gangbare stedenbouwkundige normen wegens de overmaatse bouwdiepte van 26,10 m ; overwegende dat de voorgestelde werken de goede ruimtelijke ordening en het belang van de aanpalende percelen in het gedrang brengen ; overwegende dat het college van burgemeester en schepenen in zitting van 22 oktober 2001 beslist heeft aan de stedenbouwkundig inspecteur mede te delen dat kan ingestemd worden met een eventuele vordering van herstel, overeenkomstig art. 149 van het decreet van 18 mei 1999 ; kan aan het voorstel geen gunstig advies verleend worden. De aanvraag wordt aan de gemachtigde ambtenaar voorgelegd voor advies om reden dat het hier een regularisatiedossier betreft (toepassing art. 1 van het besluit van de Vlaamse regering dd. 5 mei 2000 betreffende de vrijstelling van advies van de gemachtigde ambtenaar)’; Gelet op de argumentatie van appellant zoals aangebracht in zijn beroepschrift ; Overwegende dat uit onderzoek blijkt dat de aanvraag slaat op het regulariseren van het verbouwen van een woning gelegen aan de Dompelstraat 36 te 9300 Aalst, en met kadastrale omschrijving 3e afdeling, sectie D, nummer(
- s)0568p ; Overwegende dat ter plaatse kan worden vastgesteld dat de aanvraag slaat op de regularisatie van de verbouwing van een rijwoning van twee bouwlagen en een zadeldak op een perceel van 1273,85m² (diepte ongeveer 108m, breedte aan de straat 7,40m); Overwegende dat zich in de oorspronkelijke toestand achteraan de woning een keuken, stalling en veranda situeerden ; dat achter de woning tevens een garage gebouwd was die bereikbaar was via een losweg achter de woning ; dat de woning afmetingen had van 10,10m diepte op 7,40m, met een achterbouw van 7,80m en een aangebouwde garage tegen de linkerperceelsgrens van 8,20m diepte op 4,60m ; Overwegende dat bij de gerenoveerde woning de woonfuncties naar achter gebracht werden ; dat de bestaande garage omgevormd werd tot zithoek ; dat de vroegere veranda nu een opengewerkte keuken is ; dat de totaliteit van de bijgebouwen onder één plat dak ondergebracht werd ; Overwegende dat de gebouwen aldus bestonden, doch dat de bestemming veranderd werd ; X-11.392-6/14 Overwegende dat de gerenoveerde woning een totale bouwdiepte heeft van 26,10m (17,90m bebouwd over de ganse breedte van het perceel en 8,20m achterbouw, tegen de linkerperceelsgrens) ; dat de kroonlijsthoogte (plat dak) van de achterbouw 3,20m bedraagt ; dat de gevels afgewerkt worden met parament in rood -bruine gevelsteen, grijze aluminium ramen en met de bedaking in roofing ; dat op het gelijkvloers een inkomhall, een garage, berging, toilet, bureau, eetkamer, keuken en zithoek ingericht zijn ; dat de garage zich situeert aan de straatzijde volgens de vergunning verleend op 5 mei 2000 ; dat zich op de verdieping drie slaapkamers en een badkamer bevinden ; Overwegende dat het goed zich volgens het gewestplan Aalst-Ninove- Geraardsbergen-Zottegem (koninklijk besluit van 30 mei 1978) situeert binnen woongebied ; dat volgens artikel 5 paragraaf 1.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972, betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen, de woongebieden bestemd zijn voor wonen, alsmede handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf, voor zover deze taken van bedrijf om redenen van een goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal- culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven, en dat deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen echter maar mogen worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving ; dat het project qua bestemming in overeenstemming is met de planologische voorschriften voor wat betreft de ligging binnen woongebied ; Overwegende dat de wetgeving op de ruimtelijke ordening en de stedenbouw de bevoegde overheid opdraagt een verantwoorde toekomstige aanleg te waarborgen en dat hiertoe op grond van artikel 43 § 2 1/ lid van het bovenvermeld decreet van 22 oktober 1996 de nodige voorwaarden kunnen gesteld worden of tot de weigering besloten ; dat elke aanvraag aldus dient beoordeeld in functie van een verantwoorde stedenbouwkundige uitbouw van het betrokken gebied ; Overwegende dat de onmiddellijke omgeving gekenmerkt wordt door woningen in gesloten, open en halfopen bebouwingsvorm ; Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek geen bezwaarschriften werden ingediend ; Overwegende dat de naastliggende gebouwen een bouwdiepte hebben van ongeveer 20,50m ; Overwegende dat voor het betrokken terrein geen specifieke stedenbouwkundige voorschriften gelden, opgelegd door een bijzonder plan van aanleg of een verkaveling, zodat bij de beoordeling van onderhavig beroep naar de inpasbaarheid en verenigbaarheid met het woongebied geen concrete normen of verplichtingen kunnen worden gehanteerd ; dat bijgevolg de specifieke kenmerken en karakteristieken van de omgeving van het betrokken terrein doorslaggevend zijn ; Overwegende dat de aanpalende percelen qua bezonning geen hinder kunnen hebben van het project, aangezien de tuinen naar het zuidwesten gericht zijn ; dat door de aanwezigheid van een zeer grote en diepe tuin de huidige bouwdiepte enigszins te verantwoorden is ; Overwegende dat een zithoek geen grotere impact heeft op de buurt dan de oorspronkelijke garage, daar de bestaande afmetingen en bouwhoogte behouden werden ; dat de verbouwing zeer verzorgd uitgevoerd werd en een verbetering inhoudt ten opzichte van de vroegere toestand ; X-11.392-7/14 dat de privacy van de geburen op geen enkele manier verstoord wordt zodat de verbouwing geen negatieve weerslag heeft op de naastliggende percelen ; Overwegende dat de totaliteit van de in aanvraag opgenomen werken uit ruimtelijk en stedebouwkundig oogpunt aanvaardbaar is ; Overwegende dat uit wat voorafgaat dient geconcludeerd te worden dat het beroep voor inwilliging vatbaar is ; Gehoord het verslag van de heer Frans Van Gaeveren, lid van haar college ; besluit : Artikel 1: het beroep ingesteld door de heer Gunter Sterck wordt ingewilligd. Stedenbouwkundige vergunning wordt verleend volgens ingediende plannen”. 1.7. Op 31 juli 2002 tekent de gemachtigde ambtenaar tegen het voormelde inwilligingsbesluit beroep aan. Dit schrijven stelt wat volgt : “AANGETEKEND aan de Vlaamse minister, bevoegd voor ruimtelijke ordening p.a. A.R.O.H.M. afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen Graaf de Ferraris-gebouw Koning Albert II-laan 20 bus 7 1000 BRUSSEL uw kenmerk ons kenmerk uw brief van 8.00/41002/10169.3 vragen naar/e-mail telefoonnummer datum ir. Marc Odou 09-265 45 49 31 juli 2002 marcea.odou@lin.vlaanderen.be bijlage: dossier (ter inzage) Betreft : BEROEP TEGEN BESLISSING BESTENDIGE DEPUTATIE aanvrager: STERCK GUNTHER, Dompelstraat 36, 9300 AALST aard aanvraag : Bouwaanvraag art. 43 onderwerp: regularisatie van de verbouwing van een woning ligging: Dompelstraat 36 te 9300 AALST kadastraal: AALST 3/ afd., sectie D, nummer 568P Geachte heer minister, Op 04/07/2002 nam de Bestendige Deputatie van Oost-Vlaanderen in beroep een beslissing omtrent bovenvermelde aanvraag. Ik heb deze beslissing ontvangen op 17/07/2002. Tegen die beslissing ga ik in beroep (overeenkomstig artikel 53, §2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996) om volgende redenen: S de argumenten van mijn ongunstig advies dd. 26.03.2002 worden bevestigd; S zoals ook gesteld door het College van Burgemeester en Schepenen betreft de tot zithoek omgevormde garage geen vergund volume; S het betrokken woongebied wordt ter plaatse gekenmerkt door eerder smalle en diepe percelen, die bebouwd zijn met aangesloten eengezinswoningen; het is vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar om achter de hoofdgebouwen (2 bouwlagen - zadeldak) bijgebouwen met één bouwlaag op te richten tot een diepte van 18 à 20 m; S mits een goede indeling van de ruimten in het gebouw kan daarin zonder moeite een ‘normaal’ bouwprogramma gerealiseerd worden; in onderhavig dossier is daarvan geen sprake door de zeer ruime garage en inkom; X-11.392-8/14 Derhalve meen ik dat deze regularisatieaanvraag niet voor inwilliging in aanmerking komt. Hoogachtend, De gemachtigde ambtenaar Patrick Casteele adjunct van de directeur BELANGRIJKE MEDEDELING: Als gevolg van dit beroep is de afgeleverde vergunning geschorst. De vergunde werken of handelingen mogen dus niet uitgevoerd worden. Bij eventuele overtreding van dit verbod zal beteugelend opgetreden worden. Dit verbod geldt totdat over het huidig beroep uitspraak is gedaan. Afschrift aangetekend aan : (+ inlichtingen over het verloop van de procedure, met o.a. de mogelijkheid om gehoord te worden) STERCK GUNTHER, Dompelstraat 36, 9300 AALST Afschrift aangetekend aan : 1. het college van burgemeester en schepenen van en te 9300 AALST (uw ref.: 01/251) 2. de Bestendige Deputatie van Oost-Vlaanderen (uw ref.: 32-02/B.1-184/ADM/vdc/316)”. 1.8. Een afschrift van het voormelde beroepschrift wordt dezelfde dag per aangetekende zending aan de eerste verzoeker betekend. 1.9. Bij besluit van 31 januari 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke ordening wordt het beroep van de gemachtigde ambtenaar ingewilligd en wordt de beslissing houdende toekenning van de vergunning door de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen vernietigd. Dit is het bestreden besluit. 2. De gegrondheid van het beroep - eerste middel 2.1. Het aangevoerde eerste middel In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 53, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : het gecoördineerde decreet) : “Doordat, het bestreden besluit het beroep van de gemachtigde ambtenaar inwilligt en het besluit van de Bestendige Deputatie houdende verlening van de vergunning vernietigt; Dat een afschrift van het beroep van de gemachtigde ambtenaar met een aangetekende zending dd. 31 juli 2002 aan eerste verzoekende (partij) werd betekend; dat het beroep verwijst naar een dossier als bijlage; dat deze bijlage echter niet werd meegedeeld aan de aanvrager; X-11.392-9/14 Terwijl, volgens artikel 53, §2 DROG de gemachtigde ambtenaar bij de Vlaamse Regering in beroep kan komen binnen de dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de Bestendige Deputatie tot verlening van een vergunning; Dat het beroep volgens diezelfde bepaling tezelfdertijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse Regering wordt gebracht; Dat bovengenoemde bepaling aan de gemachtigde ambtenaar de verplichting oplegt het beroepschrift zelf, ‘d.i. de integrale tekst van het aangetekend schrijven met al zijn bijlagen’, ter kennis van de aanvrager te brengen (...); Dat de tijdige kennisgeving van de aanvrager van het volledige beroepschrift en zijn eventuele bijlagen een substantieel vormvoorschrift is; dat ingeval die verplichting niet wordt nageleefd het hoger beroep onontvankelijk is (...); Dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar in kwestie weliswaar verwijst naar het ‘dossier’ als bijlage, doch deze bijlage niet heeft meegedeeld aan de aanvrager; dat het beroep van de gemachtigde ambtenaar bijgevolg onontvankelijk is; Dat de minister het beroep van de gemachtigde ambtenaar dan ook onontvankelijk had moeten verklaren; dat de minister, door het beroep van de gemachtigde ambtenaar desalniettemin in te willigen, artikel 53, §2 DROG heeft geschonden; dat het besluit van de minister evenzeer door machtsoverschrijding is aangetast; Zodat, het bestreden besluit, door het beroep van de gemachtigde ambtenaar - waarvan de bijlage niet ter kennis van de aanvrager werd gebracht - in te willigen, artikel 53, §2 DROG schendt en genomen werd met machtsoverschrijding”. 2.2. Beoordeling 2.2.1. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 december 1970, die onder meer artikel 55 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw -nadien artikel 53 van het gecoördineerde decreet- grondig heeft gewijzigd, blijkt dat het verhoor van de aanvrager, van het college van burgemeester en schepenen en van de gemachtigde ambtenaar bedoeld is als een middel om in de twee trappen van beroep “de gelegenheid te geven tot een behandeling van de aanvraag op tegenspraak”, waarbij de genoemde partijen “op gelijke voet worden gesteld”. Hieruit volgt dat de aanvrager, wat de aanzegging van het beroep betreft, volgens de toen geldende regelgeving, over dezelfde stukken diende te beschikken als deze die aan de minister waren toegezonden, dit wil zeggen het beroepschrift met al zijn bijlagen. 2.2.2. Er wordt niet betwist dat noch het “dossier”, dat is vermeld onder de hoofding “bijlage” in het ter post aangetekend verzonden beroepschrift dat aan de bevoegde Vlaamse minister werd gestuurd, noch een inventaris ervan was gevoegd bij het eensluidend afschrift van het beroepschrift verzonden aan de eerste verzoeker. Deze laatste was aldus in het ongewisse over de inhoud van de stukken X-11.392-10/14 die deel uitmaakten van het “dossier” dat was overgemaakt aan de bevoegde minister. De omstandigheid dat de eerste verzoeker de kans werd geboden om voorafgaand aan de hoorzitting en tijdens de hoorzitting dit dossier in te zien, heeft niet tot gevolg dat hij, ten aanzien van de aanzegging van het beroep op gelijke voet werd gesteld met de minister. Het beroep van de gemachtigde ambtenaar bij de bevoegde Vlaamse minister werd derhalve ingesteld met schending van een substantiële vormvereiste. Het betoog van de verwerende partij dat de verzoekende partijen nalaten aan te geven welke bijlagen noodzakelijk waren voor hun verweer, doet hieraan geen afbreuk. Het feit dat de eerste verzoeker tijdens de behandeling van het beroep van de gemachtigde ambtenaar de stukken bij de administratie niet is gaan inkijken en niet onmiddellijk het gebrek aan bijlagen heeft gemeld, toont in zijnen hoofde geen “bedrog” of “een verregaande graad van lichtzinnigheid” aan, die de schending van de voormelde substantiële vormvereiste zouden “neutraliseren”. De omstandigheid dat een verzoekende partij de schending van deze substantiële pleegvorm pas voor de eerste maal voor de Raad van State opwerpt, heeft voorts niet tot gevolg dat zij deze schending niet met goed gevolg als annulatiemiddel kan inroepen. 2.2.3. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij nog dat, ingevolge de wijziging van artikel 53 van het gecoördineerde decreet bij artikel 67 van het decreet van 21 november 2003, de verzoekende partijen geen belang meer hebben bij het inroepen van een schending van het voormelde artikel 53. Artikel 53 van het gecoördineerde decreet, zoals gewijzigd bij artikel 67 van het decreet van 21 november 2003, luidt als volgt : “§ 2. Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Vlaamse regering in beroep komen binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van de vergunning. Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd ter kennis van de aanvrager en van de Vlaamse regering gebracht. Komt de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan geeft deze daarvan bovendien kennis aan het college. De kennisgeving aan de aanvrager bevat minstens: 1/ op straffe van nietigheid een afschrift van het beroepschrift, waaruit blijkt op welke datum het beroep werd ingesteld en welke de redenen zijn waarop het beroep is gegrond, met eventuele bijlagen, opgesteld ter ondersteuning van dit beroep en die er een integrerend deel van uitmaken; 2/ een inventaris van de overige stukken die aan de Vlaamse regering en niet aan de aanvrager worden toegezonden; 3/ welke instantie het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, dat hij op het adres van deze instantie kan vragen om gehoord te worden bij de Vlaamse regering of haar gemachtigde, om het dossier in te X-11.392-11/14 kijken en om er afschriften uit te bekomen. Indien de aanvrager, de Vlaamse regering of de instantie die het beroep bij de Vlaamse regering voorbereidend onderzoekt, vaststelt dat aan de verplichting van het eerste lid, 2/ en 3/, niet is voldaan, kan hieraan alsnog worden verholpen. Onverminderd de definitieve rechterlijke beslissingen waarin schending van vormvoorschriften werd vastgesteld, is het voorgaand lid eveneens van toepassing op beroepen, ingesteld voor het van kracht worden van deze bepaling, en tevens op de beroepen waarover opnieuw zal worden beslist na een vernietigingsarrest van de Raad van State. (...)”. 2.2.4. Het komt de Raad van State -in geval van vernietiging van het bestreden besluit- niet toe om vooruit te lopen op de beslissing van de bevoegde minister over de ontvankelijkheid van het beroep van de gemachtigde ambtenaar op grond van de gewijzigde bepalingen van artikel 53 van het gecoördineerde decreet. De exceptie van de verwerende partij kan niet worden aangenomen. Het middel is gegrond. 2.2.5.1. In de memorie van antwoord verzoekt de verwerende partij de Raad van State om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof : “Schendt artikel 53 § 2 van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat een afschrift van het beroepsschrift van de Gemachtigde Ambtenaar met alle bijlagen (administratief dossier) aan de aanvrager moet worden overgemaakt gelijk aan dit aan de Minister, terwijl de Gemachtigde Ambtenaar niet gehouden is een afschrift van de (zelfde) stukken van het administratief dossier aan de aanvrager over te maken in het geval het beroep uitgaat van de aanvrager of zelfs van het College van Burgemeester en Schepenen?”. 2.2.5.2. Artikel 26, § 2, tweede lid, 2/ van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof - thans het Grondwettelijk Hof- bepaalt dat een rechtscollege waarvoor een prejudiciële vraag wordt opgeworpen, er niet toe gehouden is het Grondwettelijk Hof te verzoeken over deze vraag uitspraak te doen, onder meer “wanneer het Arbitragehof reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp”. 2.2.5.3. In het arrest nr. 101/2003 van 17 juli 2003 heeft het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak gedaan over een vraag met een identiek onderwerp als de thans gestelde vraag, deze vraag ontkennend beantwoord en voor recht gezegd dat artikel 53, §2 van het decreet van het Vlaamse Gewest betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals van toepassing vóór de wijziging ervan bij artikel 60 van het decreet van 26 april 2000, de artikelen X-11.392-12/14 10 en 11 van de Grondwet niet schendt doordat de gemachtigde ambtenaar die bij de Vlaamse regering beroep instelt tegen de beslissing van de bestendige deputatie tot verlening van een vergunning, bij de kennisgeving van zijn beroep aan de aanvrager van de vergunning de integrale tekst van het beroep met inbegrip van alle bijlagen aan die aanvrager moet bezorgen terwijl hij daartoe niet verplicht is wanneer het beroep uitgaat van de aanvrager zelf of van het college van burgemeester en schepenen. De wijziging van artikel 53, § 2 van het gecoördineerde decreet bij het decreet van 26 april 2000 heeft betrekking op het beroep dat wordt ingesteld door de aanvrager en heeft geen wezenlijke invloed op het door het Grondwettelijk Hof besproken verschil in behandeling. 2.2.5.4. De opgeworpen prejudiciële vraag dient derhalve niet te worden gesteld. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 31 januari 2003 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening waarbij het beroep van de gemachtigde ambtenaar wordt ingewilligd en het besluit van 4 juli 2002 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende inwilliging van het beroep van Gunther STERCK tegen het besluit van 15 april 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst tot weigering van de vergunning voor de regularisatie van het verbouwen van een woning op een perceel gelegen te Aalst, Dompelstraat, kadastraal bekend sectie D, nr. 568/p, wordt vernietigd. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. X-11.392-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig april 2009, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-11.392-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.568 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div