← België

Arrest 192576 - O.C.M.W. - 23/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.576 Rolnummer: A. 154462/XII-5381 Zaak: Arrest 192576 - O.C.M.W. - 23/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-04 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-30 03:01 Fiche Arrest nr 192.576 van 23 april 2009 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.576 van 23 april 2009 in de zaak A. 154.462/XII-

  1. In zake :
  2. Rudy BRESSELEERS,
  3. Katelijne DE LAET, die woonplaats kiezen bij advocaat P. Mallien, kantoor houdende te Antwerpen, Meir 24 tegen : het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Katelijne De Laet en Rudy Bresseleers op 4 augustus 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de genomen beslissing door het OCMW te Antwerpen, kenbaar gemaakt per brief van 10 juni 2004, waarbij een nieuw verzoek tot vrijstelling van onderhouds-plicht voor de verblijfskosten van wijlen hun schoonvader, resp. vader Marinus De Laet, op grond van billijkheidsredenen wordt verworpen”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur B. Thys; Gelet op de kennisgeving van het verslag en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 13 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 31 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-5381-1/10 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Rycken, die loco advocaat P. Mallien die verschijnt voor verzoekers, en van advocaat C. Hendrickx, die verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het advies van auditeur B. Weekers; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
  4. Tijdens de maand februari van het jaar 1996 wordt Marinus De Laet, vader van verzoekster, op last van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (hierna OCMW) van Antwerpen, opgenomen in een rust- en verzorgings- tehuis “mits afstand van inkomsten en toekenning van zakgeld”. Verzoekster en verzoeker zijn gehuwd. 1.
  5. Reeds in een brief van 21 augustus 1995, heeft verzoekster aan het OCMW uitvoerig haar slechte relatie met haar vader uiteengezet. Haar relaas kwam erop neer dat zij sedert haar jeugd onder de mentale en fysieke terreur van haar vader leeft en dat zij en haar echtgenoot het om die reden niet meer kunnen opbrengen om onderhoudsgeld voor hem te betalen. 1.
  6. Met een brief, gedateerd “12/11/1995”, delen de voorzitter en de gemachtigde van de algemeen secretaris van het OCMW aan verzoekster mede dat het bijzonder comité voor bejaardenbeleid op 8 december 1995 heeft beslist “geen gunstig gevolg te verlenen aan [haar] vraag tot vrijstelling om morele redenen in de plaatsingskosten van [haar] vader” . De reden daarvoor, zoals die blijkt uit het syntheserapport van 8 februari 1996 met betrekking tot het verzoek tot vrijstelling vanwege verzoekster, is dat er weliswaar sprake is van “emotionele verwaarlozing en geregeld agressief gedrag” van de vader, maar geen bewijsstukken voorliggen van “ ‘niet-opvoeding’ in de strikte zin van het woord”. XII-5381-2/10 1.
  7. Nadat verzoekster geen gevolg heeft gegeven aan de herhaalde vraag van het OCMW om met het oog op de terugvordering van de kosten van de maatschappelijke dienstverlening aan haar vader, inlichtingen te verstrekken over haar inkomen, delen de voorzitter en de gemachtigde van de algemeen secretaris haar met een brief van 11 maart 1996 mede dat het bijzonder comité voor bejaardenbeleid op 8 maart 1996 beslist heeft haar “het kindsdeel” aan te rekenen. Zij melden nogmaals dat werd geoordeeld dat aan de vraag om wegens morele redenen een vrijstelling van tussenkomst te verkrijgen, geen gunstig gevolg wordt gegeven. 1.
  8. Wanneer blijkt dat het gezamenlijk belastbaar inkomen van het gezin van verzoekers de bij koninklijk besluit van 9 mei 1984 tot uitvoering van artikel 100bis, § 1, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn vastgestelde inkomensgrens niet overschrijdt, wordt toch een vrijstelling van tussenkomst verleend “vanaf de ingangsdatum, mits herziening op aanslagbiljet inkomsten 1995 op 01.04.1997” en worden verzoekers daarvan in kennis gesteld bij brief van 24 juli
  9. 1.
  10. In 1997 vraagt het OCMW aan verzoekers opnieuw inlichtingen over hun inkomenssituatie. Vermits zij die niet verstrekken, beslist het OCMW dat zij “wegens gebrek aan medewerking” ertoe gehouden zijn om vanaf 1 april 1997 bij te dragen in de plaatsingskosten van de vader van verzoekster. Met een brief van 25 november 1997 worden zij daarvan in kennis gesteld. 1.
  11. Verzoekers maken respectievelijk met brieven van 30 november 1997 en 2 december 1997 bezwaar. Deze brieven bevatten opnieuw een uitvoerig relaas over de slechte relatie van verzoekers met de schoonvader, respectievelijk de vader en de mentale en fysieke terreur die hij ten aanzien van hen heeft tentoongespreid. 1.
  12. Met een brief van 22 december 1997 antwoordt het OCMW aan verzoekers : “Destijds werd bij de plaatsingsaanvraag gevraagd om vrijstelling om morele redenen. De argumenten die werden aangehaald, emotionele verwaarlozing, geregeld agressief gedrag vader duiden eigenlijk niet op niet-opvoeding, in de strikte zin van het woord. XII-5381-3/10 Het Bijzonder Comité voor Bejaardenbeleid is niet ingegaan op uw verzoek. Het OCMW is wettelijk verplicht om de hulp verleend in het kader van de OCMW-wet te verhalen op de onderhoudsplichtigen. Volgens het Burgerlijk Wetboek zijn de kinderen onderhoudsplichtig t.o.v. hun ouders. Het OCMW kan wanneer er bijzondere omstandigheden van billijkheid kunnen ingeroepen worden afzien van terugvordering. Het OCMW beslist souverein over de billijkheidsredenen. Voor plaatsing in een bejaardeninstelling meent het OCMW dat niet-opvoeding tot de leeftijd van 16 jaar als billijkheidsredenen kan ingeroepen worden. Uit de vorige en huidige briefwisseling blijkt nergens dat u niet werd opgevoed door uw vader. Er zijn geen bewijzen voorgelegd (bewijs van inschrijving van beiden op verschillend adres, bewijs Jeugdrechtbank enz...). Zolang er geen bewijzen worden voorgelegd blijft de beslissing van het Bijzonder Comité voor Bejaardenbeleid om een tussenkomst te vorderen behouden. Omdat u bij de ambtshalve herziening niet reageerde om uw inkomsten kenbaar te maken werd bij de administratie der belastingen een inkomensgetuigschrift opgevraagd. Hieruit bleek dat het gezamenlijk belastbaar inkomen boven het vrijstellingsbedrag ligt. Indien u ons echter uw aanslagbiljet der belastingen overmaakt kan daarop een correcte berekening gemaakt worden, rekening houdend met de te betalen belastingen en gezinslast”. 1.
  13. Op 15 mei 1998 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW om beide verzoekers te dagvaarden “in betaling van een bedrag van 192.935 BEF, voor verschuldigde plaatsingskosten krachtens artikel 98 van de wet van 8/07/76 en onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering tijdens het geding”. 1.
  14. Bij vonnis van 26 juni 2000 van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen wordt de vordering van het OCMW ontvankelijk en gegrond bevonden en worden verzoekers in solidum veroordeeld tot betaling aan het OCMW van een bedrag van 455.099 frank, vermeerderd met de gerechtelijke intresten. 1.
  15. Op 14 februari 2003 overlijdt de vader van verzoekster. 1.
  16. Het hoger beroep van verzoekers tegen het vonnis van 26 juni 2000 van de rechtbank van eerste aanleg wordt bij arrest van 22 september 2003 van het hof van beroep te Antwerpen toelaatbaar, maar ongegrond bevonden. Het bestreden vonnis wordt bevestigd. Vermits de uitbreiding van de vordering van het OCMW toelaatbaar en gegrond is, worden verzoekers nu in solidum veroordeeld tot XII-5381-4/10 de betaling van een bedrag van 11.281,61 euro en bijkomend van een bedrag van 10.702,58 euro, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten. 1.
  17. Na dit arrest worden beide verzoekers door het bijzonder comité voor seniorenbeleid gehoord. Op 16 januari 2004 wordt een afbetalingsplan van 200 euro per maand toegestaan en wordt opgelegd dat in geval van niet-betaling het volledig verschuldigde bedrag onmiddellijk wordt gevorderd. 1.
  18. Met een brief van 25 mei 2004 dient de raadsman van verzoekers bij de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Antwerpen een nieuw verzoek in om omwille van billijkheidsredenen af te zien van de terugvordering van de plaatsingskosten van de vader van verzoekster. De raadsman argumenteert dat de rechtbank van eerste aanleg en het hof van beroep te Antwerpen hebben verwezen naar een arrest van 17 april 2000 van het Hof van Cassatie, naar luid waarvan het niet aan de rechterlijke macht behoort te oordelen of het OCMW om redenen van billijkheid van het verhaal moet afzien, dat verzoekers nog steeds kunnen aandringen op een vrijstelling van tussenkomst om billijkheidsredenen, dat tot op heden dienaangaande nog geen formele beslissing door de raad voor maatschappelijk welzijn is genomen, dat de ingeroepen billijkheidsredenen de volgende zijn : “- de opname van mevrouw Katelijne De Laet in de dienst psychiatrie van Dr. P. Cosyns van het universitair ziekenhuis Antwerpen in de periode van 30 januari t.e.m. 19 februari 1988 in het kader van een zelfmoordpoging wegens het afgestoten zijn door de ouders, het geslagen worden en dergelijke, - het verslag van Dr. P. Vancoillie dd. 16 november 1989 waaruit moge blijken dat Katelijne De Laet door beide ouders wordt geslagen, de problemen thuis niet aankon en slechts een oplossing heeft gevonden door uiteindelijk opgenomen te worden in het gezin Bresseleers van haar toekomstig echtgenoot, - de veroordeling van de ouders Marinus De Laet en Clothilde Breugelmans tot het betalen van een onderhoudsbijdrage en achterstallige schoolkosten bij vonnis van het Vredegerecht te Brasschaat dd. 10 januari 1990, A.R. 15.009 dat nooit is gehonoreerd geworden, - de opgestelde afscheidsbrief door de heer Marinus De Laet voor zijn echtgenote Clothilde waarbij uitdrukkelijk wordt gesteld: ‘ik heb geen dochter meer’.” XII-5381-5/10 De raadsman vervolgt onder meer dat verzoekers werden gehoord door het bijzonder comité voor seniorenbeleid, maar dat slechts in “een afbetalings- faciliteit” werd voorzien en geen beslissing werd genomen over de ingeroepen billijkheidsredenen, dat een afbetaling van 25 euro per maand haalbaar leek, maar dat de leerstoornissen van de zoon van verzoekers en de motorische hulp die hij nodig heeft, meerkosten veroorzaken die ook in aanmerking moeten worden genomen, dat het derhalve gepast lijkt een nieuwe hoorzitting van de raad voor maatschappelijk welzijn te organiseren om na te gaan of er billijkheidsredenen zijn, die toelaten de veroordeling tot tussenkomst in de plaatsingskosten van de vader van verzoekster “af te schaffen” overeenkomstig artikel 100bis, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna “de OCMW-wet” genoemd). Aan deze brief worden zeven bijlagen gehecht. De eerste vier hebben betrekking op de vier ingeroepen hoger vermelde billijkheidsredenen aangaande de slechte relatie van verzoekster met haar ouders en in het bijzonder haar vader. De andere drie bewijsstukken betreffen de ingeroepen billijkheidsredenen op grond van de financiële situatie van de verzoekers, namelijk overzichten van onkosten, een doktersverslag aangaande de noodzakelijke therapie voor hun zoon en een brief van de burgemeester van 16 oktober
  19. 1.
  20. Met een brief van 10 juni 2004 antwoorden de voorzitter en de gemachtigde van de algemeen secretaris van het OCMW aan de raadsman : “Wij ontvingen uw brief van 25 mei 2004 met een nieuw verzoek tot vrijstelling om billijkheidsredenen van Mevrouw Katelijne De Laet voor de verblijfskosten van haar vader Marinus De Laet. Op 08/12/1995 en 08/03/1996 werd nadat een sociaal onderzoek werd ingesteld het verzoek van de dochter voorgelegd aan het Bijzonder Comité. De argumenten die voorgelegd werden -vermeende emotionele verwaarlozing en agressief gedrag- duiden niet op niet-opvoeding. Voor opname in een rust- en verzorgingstehuis hanteert het OCMW de regel dat niet-opvoeding tot de leeftijd van 16 jaar als billijkheidsreden kan ingeroepen worden. Het Bijzonder Comité besliste dan ook om geen vrijstelling om billijkheidsredenen te verlenen en de onderhoudsplicht te vorderen. De beslissing werd destijds aan de dochter Katelijne overgemaakt. Na het voor ons bestuur gunstig arrest van het Hof van Beroep, werd de dochter Katelijne, op haar verzoek, gehoord op het Bijzonder Comité, inzake haar problemen van betaling van de achterstallige onderhoudsbijdrage. Er werd uiteraard geen nieuwe beslissing genomen i.v.m. billijkheid, wel werd een afbetalingsplan van 200,00 euro per maand toegestaan, met dien verstande XII-5381-6/10 dat bij niet-betaling het volledige bedrag onmiddellijk wordt gevorderd, in uitvoering van het arrest van het Hof van Beroep. Een zelfde zaak wordt trouwens niet twee keer behandeld en er zijn geen nieuwe argumenten om de beslissing te herzien”. In deze brief lezen verzoekers de beslissing die het voorwerp uitmaakt van het voorliggende beroep tot nietigverklaring. 1.
  21. Bij arrest van 18 september 2006 vernietigt het Hof van Cassatie het arrest van 22 september 2003 van het hof van beroep te Antwerpen, waarbij verzoekers werden veroordeeld tot de betaling van de teruggevorderde kosten van maatschappelijke dienstverlening. Het Hof van Cassatie oordeelde dat het hof van beroep de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen schond, waar het oordeelde dat verzoekers zich ten onrechte beriepen op het gebrek aan of de onvoldoende motivering van de beslissingen tot afwijzing van hun verzoeken. De zaak is naar het hof van beroep te Brussel verwezen, waar ze nog aanhangig is. De ontvankelijkheid
  22. Ter terechtzitting vraagt verwerende partij zich af of de laatste memorie van verzoekers wel tijdig is. De Raad van State kan hierop bevestigend antwoorden. Het auditoraatsverslag is aan verzoekers ter kennis gebracht op 18 februari 2008 en zij hebben de laatste memorie aangetekend verstuurd op donderdag 12 maart 2008, dus binnen de termijn van dertig dagen die verstreek op vrijdag 20 maart
  23. De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie op met betrekking tot de ontvankelijkheid ratione materiae van het beroep. Zij betoogt dat verzoekers vóór hun verzoek van 25 mei 2004 om op grond van billijkheidsredenen een vrijstelling van verhaal te verkrijgen, minstens twee keer eerder een dergelijk verzoek hebben ingediend, namelijk een eerste keer op 21 augustus 1995 en een tweede keer op 30 november 1997 en -aanvullend- op 2 december 1997, dat beide verzoeken werden afgewezen en aan verzoekers daarvan kennis werd gegeven met brieven van 8 december 1995, 11 maart 1996 en 22 december
  24. Een beslissing waarbij een overheidsorgaan een vroeger XII-5381-7/10 genomen beslissing herneemt is niet voor vernietiging of schorsing vatbaar, aldus verwerende partij, aangezien dan geen nieuwe beslissing wordt genomen, maar slechts wordt verwezen naar een reeds bestaande beslissing. De brief van 10 juni 2004 waarin verzoekers de bestreden beslissing onderkennen betreft een louter bevestigende beslissing. De enige draagwijdte die de kwestieuze brief heeft, bestaat erin dat geen redenen aanwezig worden geacht om de aangevoerde billijkheids- redenen opnieuw te onderzoeken. Op zich is dit geen nieuwe beslissing, die voor vernietiging door de Raad van State vatbaar is. Verzoekers beweren wel nieuwe gegevens te hebben aangebracht, waarover opnieuw zou dienen te worden geoordeeld, maar de desbetreffende gegevens waren echter alle door het bestuur gekend en werden in aanmerking genomen bij het nemen van de vorige afwijzingsbeslissingen. Ze waren dan ook niet van aard dat een nieuwe beslissing diende te worden genomen.
  25. Wat verzoekers met het voorliggende beroep beogen, is de nietigverklaring van de beslissing waarbij hun aanvragen tot vrijstelling van onderhoudsplicht om billijkheidsredenen worden verworpen. Zij lezen die weigering in de brief van 10 juni
  26. Verwerende partij harerzijds argumenteert dat zij in die brief van 10 juni 2004 geen nieuwe beslissing ter kennis bracht van verzoekers, maar dat zij enkel haar eerdere beslissingen heeft bevestigd die zij reeds aan verzoekers meedeelde op 8 december 1995, 11 maart 1996 en 22 december
  27. Verzoekster heeft inderdaad reeds in een brief van 21 augustus 1995 ten aanzien van het OCMW van Antwerpen de redenen van billijkheid laten gelden die naar haar mening een vrijstelling verantwoorden van de terugvordering van de kosten van de maatschappelijke dienstverlening aan haar vader. Het bijzonder comité voor bejaardenbeleid van het OCMW van Antwerpen heeft op 8 december 1995 en op 8 maart 1996 beslist dat aan deze vraag tot vrijstelling om morele redenen geen gevolg kan worden gegeven. Aan verzoekers werd van deze beslissing kennis gegeven met kennisgevingsbrieven van “12/11/1995” en van 11 maart 1996, zo blijkt uit de stukken 5 en 13 van het administratief dossier. De Raad van State stelt evenwel vast dat, naast het feit dat die brieven geen enkel motief meedelen, er ook geen melding in wordt gedaan van de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State noch van de bij zo een beroep in acht te nemen vormvoorschriften en beroepstermijnen. Blijkens artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zoals die bepaling toentertijd gold - en XII-5381-8/10 waarvan de Raad van State in arrest Lecocq, nr. 134.024 van 19 juli 2004 heeft vastgesteld dat het de openbare orde aanbelangt - is de verjaringstermijn voor het beroep tegen die beslissing nog niet aangevangen op het ogenblik waarop verzoekers huidig beroep instelden. Ook indien de kennisgeving op 10 juni 2004 dus louter refereerde aan die eerdere beslissingen van 8 december 1995 en 8 maart 1996, kan aan verzoekers geen laattijdigheid worden verweten. Overigens waren die beide beslissingen enkel een antwoord op de vraag van verzoekster, en enkel aan haar gericht.
  28. Met brieven van 30 november 1997 en 2 december 1997 hebben verzoekster en nu voor het eerst ook verzoeker bij het OCMW van Antwerpen nogmaals bezwaren laten gelden tegen de terugvordering van de kosten van de maatschappelijke dienstverlening aan hun (schoon)vader. Aan hen werd met een brief van 22 december 1997 wellicht (stuk 26 van het administratief dossier is immers enkel een “ontwerpantwoord : t.a.v. kabinet voorzitter”) meegedeeld dat “de beslissing” van het bijzonder comité voor bejaardenbeleid “behouden” bleef, zolang er geen bewijsmiddelen worden voorgelegd. Daargelaten of deze brief een nieuwe beslissing inhield en als dat inderdaad het geval was of het dan geen louter bevestigende beslissing was, en ook aangenomen dat dit “ontwerpantwoord” effectief verstuurd is, werden er geen beroepsmogelijkheden in vermeld. Ook die brief heeft bijgevolg in geen geval de beroepstermijn doen aanvangen.
  29. Uit wat voorafgaat volgt dat ratione materiae de weigering om in te gaan op hun verzoek tot vrijstelling van onderhoudsplicht voor de verblijfkosten van M. De Laet, klaarblijkelijk het materieel voorwerp vormt van het beroep van verzoekers en dat óók in de hypothese van verwerende partij dat die weigering met de kennisgeving van 10 juni 2004 louter bevestigd is geworden, verzoekers toch niet kan worden verweten laattijdig tegen die weigering het beroep te hebben ingesteld. De exceptie wordt verworpen. Zij maakt niet de oplossing van de zaak mogelijk zodat een aanvullend onderzoek is geboden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  30. De debatten worden heropend. XII-5381-9/10 Artikel
  31. Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig april 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5381-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.576 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.204.161 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.