← België

Arrest 192581 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 23/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.581 Rolnummer: A. 160612/XII-4412 Zaak: Arrest 192581 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 23/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-04 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:01 Fiche Arrest nr 192.581 van 23 april 2009 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.581 van 23 april 2009 in de zaak 160.612/XII-4412. In zake : Elena TSIPORKOVA, wonende te Merelbeke, Wilgenstraat 21 tegen : de UNIVERSITEIT GENT, die woonplaats kiest bij advocaat P. Devers, kantoor houdende te Gent, Kouter 71-72. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Elena Tsiporkova op 7 maart 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 17 december 2004 van de raad van bestuur van de Universiteit Gent, waarbij Martine De Cock wordt benoemd tot voltijds docent in de faculteit Wetenschappen van de Universiteit Gent; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur J. Neuts; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 3 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. Vermeire, die loco advocaat P. Devers verschijnt voor verwerende partij; XII-4412-1/14 Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur J. Neuts bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.1. In het Belgisch Staatsblad van 3 mei 2004 verschijnt de vacature voor een voltijds ambt van docent of hoofddocent in de vakgroep Toegepaste Wiskunde en Informatica (faculteit Wetenschappen), vakgebied “wiskundige modellering van imprecieze informatie”, aan de Universiteit Gent. Het bericht schetst het volgende profiel van het ambt : “- op het ogenblik van de indiening van de kandidatuurstelling houder zijn van het diploma van doctor in de wetenschappen, bij voorkeur richting wiskunde of van een gelijkwaardig erkend diploma; - hoogstaand wetenschappelijk onderzoek hebben verricht in het betrokken vakgebied, gestaafd door recente publicaties met wiskundige inslag in nationale en internationale tijdschriften die een ruime verspreiding kennen en die een beroep doen op deskundigen voor de beoordeling van de manuscripten en door bijdragen op internationale conferenties; - onderzoek verricht hebben dat aansluit bij het onderzoek van de onderzoeksgroep vaagheids- en onzekerheidsmodellering : expertsystemen en data-ontginning, intuïtionistische vaagverzamelingen, representatie van linguïstische informatie, vaaglogische technieken in beeldverwerking; - over de nodige didactische, communicatieve en organisatorische vaardigheden beschikken om academisch onderwijs te verzorgen”. Er dienen zich zes kandidaten aan, waaronder Martine De Cock, die in 1998 promoveerde aan de Universiteit Gent tot doctor in de wetenschappen (informatica) en verzoekster, die in 1995 aan de Universiteit Gent promoveerde tot doctor in de wetenschappen (wiskunde). 1.2. De beoordelingscommissie die door de faculteit Wetenschappen is belast met het beoordelen van de kandidaturen, komt een eerste keer samen op 11 juni 2004. De commissie vraagt alle kandidaten om drie publicaties te bezorgen die significant zijn voor hun onderzoek en die aantonen dat hun onderzoek past in XII-4412-2/14 het vereiste profiel en in het bijzonder dat het aansluit bij het onderzoek van de onderzoeksgroep vaagheids- en onzekerheidsmodellering. De commissie vraagt bovendien elke kandidaat om een nota van niet meer dan twee bladzijden, waarin de kandidaat zijn visie geeft op het onderzoek dat hij in de onderzoeksgroep wil verrichten en hoe dit aansluit bij het bestaande onderzoek. Tijdens de tweede bijeenkomst, op 30 augustus 2004, beslist de beoordelingscommissie één van de kandidaten niet op te nemen in de weten- schappelijke rangschikking en de overige vijf wel, waarbij verzoekster als laatste en M. De Cock als tweede worden gerangschikt. Daarnaast wordt beslist om de (gerangschikte) kandidaten te vragen een proefles van dertig minuten te geven op het niveau eerste jaar bachelor biomedische wetenschappen. De proeflessen worden georganiseerd op 29 en 30 september 2004. Na beoordeling hiervan, beslist de commissie om nog een tweede kandidaat van de rangschikking uit te sluiten. Op 30 september 2004 formuleert de beoordelingscommissie haar advies aan de faculteit Wetenschappen. Zij rangschikt M. De Cock als eerste en verzoekster als laatste. 1.3. Wanneer verzoekster dit advies van de beoordelingscommissie verneemt, richt zij een op 13 oktober 2004 gedateerde brief aan de rector van de Universiteit Gent om hem te wijzen op “enkele onregelmatigheden”, in het bijzonder wat het dossier van M. De Cock betreft. Zij vraagt tevens dat een onafhankelijk expert wordt geraadpleegd, nu de enige expert in de beoordelingscommissie prof. Kerre is, in wiens onderzoeksgroep de drie andere, gunstiger gerangschikte kandidaten op dat ogenblik werkzaam zijn. 1.4. In de faculteitsraad van 20 oktober 2004, waarin het advies over de kandidaturen aan de raad van bestuur van de Universiteit Gent aan de orde is, ontspint zich volgende discussie over de rangschikking van verzoekster : “Voor Prof. E. Messens stelt zich een probleem in verband met de rangschikking van Dr. E. Tsiporkova als laatste kandidaat. Hij vraagt zich af wat relevant is bij het beoordelen van de wetenschappelijke anciënniteit. Hij schetst een overzicht van de wetenschappelijke prestaties van Dr. E. Tsiporkova waaruit blijkt dat zij vanaf het behalen van haar doctoraat een wetenschappelijke anciënniteit heeft van 11 jaar en niet van 18 jaar zoals in het verslag vermeld. XII-4412-3/14 Hij wijst er verder op dat ze de meeste publicaties heeft van de vier geklasseerde kandidaten en het meeste wordt geciteerd. Zij beschikt daarenboven over een PhD in de wiskunde terwijl twee van de voor haar geklasseerde kandidaten een PhD diploma hebben in de informatica. Volgens Prof. E. Messens is ook de opmerking van Prof. E. Kerre niet relevant als zou het onderzoek van Dr. Tsiporkova niet tot de kern behoren van het onderzoek op het laboratorium, en situeert haar wetenschappelijk onderzoek zich eerder aan de rand hiervan. In de vacature is er sprake van ‘aansluiten’, wat naar zijn mening gelijk is met ‘op de rand staan’. Ook werd er op voorhand gezegd dat de proefles niet als criterium zou gebruikt worden om de rangschikking op te maken maar om na te gaan of er geen incompatibiliteit is met lesgeven. De proefles werd echter wel als criterium gebruikt voor de rangschikking want één kandidaat kwam daardoor niet meer in aanmerking. Prof. W. Govaerts bevestigt dat de proefles van Dr. E. Tsiporkova aanvaardbaar was en dus niet gebruikt werd als argument om haar als laatste te rangschikken. Deze rangschikking is er wel gekomen op basis van wetenschappelijke argumenten, nl. minder goed aansluiten bij het gewenste vakgebied. De wetenschappelijke anciënniteit werd geteld vanaf het ogenblik van afstuderen. Prof. E. Kerre deelt mede dat hij Dr. E. Tsiporkova begelei[d] heeft bij haar doctoraatswerk. Dit werk is hoogstaand maar heeft niets bijgedragen tot de vier gebieden die in het profiel zijn opgesomd. Prof. E. Messens is van mening dat de publicaties van Dr. Tsiporkova een meer internationaal karakter hebben, rekening houdend met het aantal en de aard van citaties”. Hierop wordt overgegaan tot de stemming. M. De Cock behaalt 57 stemmen en wordt als eerste gerangschikt; verzoekster behaalt er 52 en wordt als laatste gerangschikt. 1.5. In zijn zitting van 17 december 2004 beslist de raad van bestuur van de Universiteit Gent om M. De Cock te benoemen tot voltijds docent in de faculteit Wetenschappen, op grond van volgende motivering : “Gelet op het gemotiveerd advies van 20 oktober 2004 van de faculteit Wetenschappen van de Universiteit Gent - uitgebracht na kennisname van het desbetreffend gemotiveerd eindadvies van 30 september 2004 van haar betrokken beoordelingscommissie - tot benoeming van mevrouw Martine De Cock tot voltijds docent (eerste salarisschaal), belast met de bedoelde te begeven opdracht; Overwegende dat de bedoelde beoordelingscommissie het als volgt luidend gemotiveerd advies heeft uitgebracht inzake de zes ingediende kandidaturen voor het voornoemde te begeven voltijds ZAP-ambt, waarbij de faculteit Wetenschappen zich heeft aangesloten en tot het hare heeft gemaakt: ‘De commissie heeft na ruime discussie, contact met de kandidaten en het bijwonen van proeflessen besloten, twee van de zes kandidaten niet voor te stellen voor aanstelling of benoeming. Kandidaat [L.D.R.] wordt niet voorgesteld door de commissie omdat hij niet past in het profiel van de vacature. Hij heeft geen hoogstaand wetenschappelijk onderzoek verricht in het vakgebied ‘wiskundige XII-4412-4/14 modellering van imprecieze informatie’. Zijn onderzoek situeert zich rond machine learning, data mining en probabilistische logica’s (cf. verslag van de tweede vergadering). Kandidaat [D.R.] wordt niet voorgesteld door de commissie omdat als gevolg van zijn proefles fundamentele twijfel gerezen is over zijn bekwaamheid om serviceonderwijs te geven op bachelorniveau (cf. verslagen van de derde en vierde vergadering). De commissie beschouwt verder Martine De Cock op wetenschappelijk gebied als de beste van de overblijvende vier kandidaten. Bovendien werd haar proefles in absolute termen uitstekend bevonden en in relatieve termen de beste van de vijf gegeven lessen. De commissie plaatst haar daarom unaniem ook al eerste in de eindrangschikking. Elena Tsiporkova werd zowel in de wetenschappelijke klassering als voor haar proefles als laatste van de vier overblijvende kandidaten gerangschikt. De commissie is daarom unaniem van mening dat zij ook in de eindklassering als laatste komt. Voor wat betreft de twee overblijvende kandidaten had de commissie in de wetenschappelijke klassering een (weliswaar kleine) voorkeur voor [Ch.C.] boven [M.N.]. Hun proeflessen werden even goed gevonden. De commissie besluit daarom anoniem [Ch.C.] hoger dan [M.N.] te rangschikken.’; Overwegende dat de raad van bestuur zich met 28 stemmen, bij 1 onthouding aansluit bij het bovenstaande gemotiveerd advies van de faculteit Wetenschappen en beslist heeft deze tot de zijne te maken”. Dit is de bestreden beslissing; ze wordt aan verzoekster meegedeeld met een niet aangetekend verzonden brief. Verzoekster tekent voor ontvangst ervan op 10 januari 2005. De grond van de zaak 2. Verzoekster voert in het inleidend verzoekschrift drie middelen aan; het tweede middel is in het auditoraatsverslag nader onderzocht. Standpunt van de partijen 3. Het tweede middel is geput uit de schending van het gelijkheids- beginsel en meer in het bijzonder de gelijke toegang tot het openbaar ambt zoals gewaarborgd bij artikel 10 van de Grondwet. Verzoekster verwijt de beoordelingscommissie een gebrek aan diepgang bij het onderzoek van de kandidaturen, wat geleid heeft tot een onevenwichtige vergelijking van de titels en verdiensten. Zij preciseert : “

  1. a)Over de verzoekende partij. - het is niet correct dat de verzoekende partij 11 A1 publicaties heeft en 1 A1 in druk. Er staat duidelijk vermeld in de sollicitatieformulieren (zie p. 7-8, XII-4412-5/14 bijlage 2) dat alle 12 A1 publicaties gepubliceerd waren op het tijdstip van het indienen van het dossier. - Het is niet correct dat de verzoekende partij 5A1 publicaties heeft voor de periode 1999 - 2004. Er staat duidelijk vermeld in de sollicitatieformulieren (zie p. 8, bijlage 2) dat ze 6A1 publicaties heeft voor deze periode. - Het is niet correct dat de verzoekende partij 8 maanden studieverblijven in het buitenland heeft verricht. Er staat duidelijk vermeld in de sollicitatieformulieren (zie p. 11, bijlage 2) dat de duur van haar studieverblijven in het buitenland als volgt is : 4 maanden in de University of Edinburgh (Schotland), 25 maanden in Ugent (toen had ze een vaste positie aan de Technische Universiteit Plovdiv, Bulgarije en voor haar studieverblijf in Ugent moest ze een onerzoeksproject voorbereiden en verdedigen om een beurs te krijgen), 3 maanden in Johannes Kepler Universität (Oostenrijk), 4 maanden in Rheinisch-Westfalische Technische Hochschule (Duitsland). Dus heeft de verzoekster in totaal 36 maanden of 3 jaar studieverblijven in het buitenland verricht.
  2. b)Over de kandidate M. De Cock. - Er is niet vermeld dat M. De Cock in haar sollicitatieformulieren 2 gewone congresspublicaties, foutief, als A1 publicaties heeft vermeld : 1) M. De Cock, F. Vynckier, E. E. Kerre. A neural network based on linguistic modifiers LNCS 1625, p. 694-696, 1999. een conferentie poster abstract van 3 paginas Http :www.informatik.uni-trier.de/~ley/db/conf/fuzzy/fuzzy2001.html De verzoekende partij heeft deze feiten vermeld in haar brief aan de Rector (zie bijlage 10). Mevr. De Cock heeft in totaal bij drie verschillende sollicitaties voor docent posities (de huidige inbegrepen) deze congresspublicaties foutief gepresenteerd als A1 publicaties zonder hiervoor gestraft te worden. - Het is niet correct dat de kandidate M. De Cock 4 A1 publicaties in druk heeft. Het klopt dat volgens haar sollicitatieformulieren 4 A1 artikelen vermeld staan als ‘ter perse’. Uit de brievenwisselingen die ze als bewijs toevoegt voor deze bewering blijkt echter duidelijk dat 3 van de 4 artikelen onder bepaalde voorwaarden geaccepteerd zijn voor presentatie op een conferentie en het vierde artikel is ook alleen voorwaardelijk geaccepteerd voor publicatie in Fuzzy Sets and Systems. Met andere woorden er zijn geen 4 publicaties in druk. Misschien waren de artikelen inderdaad ‘in druk’ op het moment dat de beoordelingscommissie bezig was met het evalueren van de verschillende kandidaten, maar op het moment van indienen van de sollicitatieformulieren waren ze dat duidelijk nog niet. Het gebruik van deze, meer recentere, informatie door de beoordelingscommissie betekent een duidelijke voorkeur voor de interne kandidaat van welke interne informatie beschikbaar is voor de beoordelingscommissie. Dit kan alleen gerechtvaardigd worden indien nieuwe informatie betreffende de externe kandidaten ook gepresenteerd kan worden aan de beoordelingscommissie. Om een voorbeeld te geven, verzoekende partij had ondertussen een onderzoekskrediet van 159.000 euro toegekend gekregen”. Zij wijst dan op een tegenspraak tussen de motivering van de beslissing van de raad van bestuur die refereert aan de mening van de commissie en hetgeen in het commissieverslag zelf als motivering is te lezen. De stelling dat haar profiel slechts gedeeltelijk beantwoordt aan het gewenste profiel steunt louter op een mening van E. Kerre, die gebruik maakt van het feit dat er geen andere experten in XII-4412-6/14 het vakgebied aanwezig waren in de beoordelingscommissie om een misleidend beeld te geven over haar wetenschappelijk profiel. Bovendien blijkt uit de verslagen toch dat de opinies verdeeld zijn; verzoekster citeert de verklaringen van H. Van Maldeghem en van E. Messens. Volgens haar kan E. Kerre enkel een betrouwbare bron zijn voor de periode 1993-1995 toen zij haar doctoraat maakte in zijn groep. Zij heeft echter erna een uitgebreide postdoctorale ervaring opgedaan in Oostenrijk, Duitsland en Groot-Brittanië. Zij vermeldt aan welke projecten zij er heeft gewerkt, welke volgens haar nauw verband hielden met het vakgebied van de vacature, en somt de publicaties op die er uit zijn gevolgd in samenwerking met onderzoekers die deskundigen zijn in het vaagheidsomein, en die niet eens door de beoordelingscommissie werden bediscussieerd in de verslagen. In vergelijking hiermee merkt verzoekster op dat de andere kandidaten qua internationale samenwerking en het aanvragen van internationale beurzen zeer zwak staan. Verzoekster wijst ook op het belang van de vele citaties van haar werken in de werken van andere kandidaten. Een sterk bewijs dat haar werken wél tot het onderzoeksdomein behoren ziet zij hierin dat ze ook in de hoofdwerken van M. De Cock geciteerd worden. Het argument dat haar aantal A1 publicaties laag is in verhouding tot haar wetenschappelijke anciënniteit noemt verzoekster discriminerend omdat het geen rekening houdt met de concrete omstandigheden en er aan voorbij gaat dat niet elke kandidaat dezelfde kansen kreeg in het verleden. Zijzelf heeft zeven jaren in de privésector gewerkt en heeft dus niet 18 maar 11 jaar academische onderzoeks- ervaring, waarvan zeven jaar aan een Bulgaarse universiteit waar de mogelijkheden verre van dezelfde zijn als in West-Europese universiteiten. Wat de beoordelingscommissie dan weer niet vermeldt, is het gegeven dat zij haar doctoraat in slechts twee jaar heeft kunnen afwerken, met de grootste onderscheiding als resultaat. Over de proefles voert verzoekster aan dat alle duidelijkheid ontbreekt over de criteria die tot de beoordeling hebben geleid en dat de stellingen niet consistent zijn. 4. Verwerende partij antwoordt als volgt op het middel : “15. Het motief ‘het werk van E. Tsiporkova heeft wel duidelijk raakpunten met de vacature, doch sluit er minder goed bij aan’ wordt door verzoekster zelf XII-4412-7/14 erkend, waar ze stelt dat het onrealistisch is te verwachten dat onderzoekers van buiten de onderzoeksgroep van de vacature precies dezelfde wetenschappelijke interesses en prioriteiten zouden hebben als de leden van de onderzoeksgroep. Deze stelling van verzoekster is irrelevant, vermits voor de beoordeling van kandidaatstellingen het door de overheid vastgestelde profiel van tel is, en niet de opinies van de ene of de andere kandidaat. Bij dit alles sluit wel degelijk aan wat over verzoekster wordt gezegd aangaande haar wetenschappelijk onderzoek : ‘In verband met de kandidatuur van Elena Tsiporkova noteert E. Kerre dat haar werk wel duidelijk raakpunten heeft met de wiskundige modellering van imprecieze informatie. Een groot deel van het doctoraatswerk van E. Tsiporkova situeert zich op het vlak van ‘vervagen’ van mer[k]waardige afbeeldingen, meer bepaald topologische facetten zoals continuïteit. Naderhand heeft haar onderzoek zich toegespitst op onzekerheids- modellering met behulp van modale logica’s, possibiliteitstheorie en Dempster-Shafer evidente theorie. Zij behandelt deze onderwerpen op een wiskundige manier maar dit werk behoort niet tot het kerngebied van de onderzoeksgroep, zoals opgenomen in het profiel. Men kan dus zeggen dat E. Tsiporkova eerder een randgeval is, gezien haar werk over vaagverzamelingen in haar doctoraatsperiode (voor 1995) en haar meer recent maar beperkt onderzoek over onzekerheids- modellering met behulp van modale logica’s en possibiliteitstheorie.’ Gezien dit feit is verzoekster als laatste gerangschikt betreffende haar wetenschappelijk werk. (het is op te merken dat inzake het wetenschappelijk werk de commissie opmerkt dat ze verzoekster als een randgeval beschouwen maar haar toch nog verder opnemen in de rangschikking, waaruit duidelijk blijkt dat er op dat ogenblik zelfs getwijfeld werd over verdere opneming in de rangschikking). De motivering hiertoe is uiteraard voldoende draagzaam, rekening houdend dat verzoekster één en ander zelfs erkent in haar verzoekschrift. De commissie stelt dat de rangschikking als laatste gebeurt enerzijds gezien het feit dat verzoekster slechts gedeeltelijk aan het profiel beantwoordt, en anderzijds gezien het feit dat haar aantal a 1 publicaties laag is in verhouding tot haar wetenschappelijke anciënniteit (zie verslag tweede vergadering commissie, dan wel betreffende het wetenschappelijk profiel). Het is op te merken dat de eerst gerangschikte in het wetenschappelijk profiel, [D. R.] (die echter na de proefles absoluut niet aan het profiel beantwoord[d]e), het sterkste wetenschappelijk dossier had (en waarbij de commissie unaniem was), en Martine De Cock de meest all-round onderzoeker is van de drie overgeblevenen, zodat zij als tweede in het wetenschappelijk profiel te rangschikken was. 16. De commissie ad hoc motiveert de rangschikking als laatste van verzoekster voor de proefles ‘dat deze proefles minder goed was dan deze van [M. N.], maar nog juist aanvaardbaar is. De taal is voor deze kandidate een handicap, maar de vergadering apprecieert dat ze de inspanning gedaan heeft om haar proefles in het Nederlands te geven’. De commissie ad hoc komt tot dit resultaat door alle kandidaten na de proefles te vergelijken, waarbij voor verzoekster duidelijk is dat de taal een handicap is. Haar in het Engels gestelde klachtbrieven aan de rector zijn hiervan slechts een verdere illustratie. Het is op te merken dat [D. R.] betreffende de proefles in een moeilijk begrijp- baar Engels sprak, en de les nauwelijks te volgen was, zodat de commissie besloot hem uit de rangschikking te halen, en Martine De Cock een uitstekend lesgever is, zodat zij als eerste gerangschikt werd. 17. Verzoekster werd zowel in de wetenschappelijke klassering als voor haar proefles als laatste van de overblijvende kandidaten gerangschikt. De XII-4412-8/14 commissie is dan ook unaniem van mening verzoekster in de eindklassering als laatste te rangschikken, en na uitsluiting uit de rangschikking van [D. R.], werd Martine De Cock als eerste gerangschikt in de eindklassering. 18. Hieruit volgt overduidelijk dat de raad van bestuur van verwerende partij met recht en rede kon besluiten Martine De Cock te benoemen, zulks op basis van de goedgekeurde en hierboven besproken motieven”. 5. Verzoekster repliceert dat verwerende partij in alle talen zwijgt over de aantijging dat M. De Cock publicaties onterecht als A1 laat doorgaan, dat zij niet bewijst dat een kwalitatieve evaluatie van de publicaties van de kandidaten heeft plaatsgevonden en dat zij geen antwoord geeft op de grief dat de relevante resultaten die zij heeft opgesomd niet naar waarde zijn geëvalueerd. Evenmin ontkende verwerende partij dat in de beoordelingscommissie geen andere experten in het vakgebied aanwezig waren dan prof. Kerre, die zij verweet een voorkeur te geven aan (zijn) interne kandidaten. 6. In de laatste memorie betoogt verwerende partij nog dat het irrelevant is of het werk van verzoekster nu behoort tot het kerngebied of er bij aansluit, nu duidelijk is vastgesteld door de beoordelingscommissie dat het in mindere mate aansluit bij het doel van de onderzoeksgroep en dus bij het profiel. Haar werk verbindt zich in mindere mate met de onderzoeksgroep dan de voor haar gerangschikte kandidaten en dit rechtvaardigt de rangschikking. Het lage aantal A1 publicaties in verhouding tot de weten- schappelijke anciënniteit is volgens verwerende partij als stelling dienend, nu dit duidelijk aansluit bij het profiel, dat wel degelijk rekening wil houden met de publicaties van de kandidaten. Het feit dat verzoekster stelt dat uitgegaan wordt van een verkeerd aantal publicaties in haar nadeel en voor de benoemde ook, maar in haar voordeel, “wordt door verweerster met de meeste klem betwist, en wordt door verzoekster op geen enkel ogenblik aangetoond”. Uit de vergelijking van de proefles van de vier kandidaten -verzoekster minder goed dan M.N., M. De Cock beter dan M.N. en C.C.- moet overduidelijk worden afgeleid dat verzoekster voor de proefles als laatste werd gerangschikt. XII-4412-9/14 Beoordeling 7. In het tweede middel bekritiseert verzoekster onder meer de stelling dat zij slechts gedeeltelijk aan het profiel van het vacante ambt zou beantwoorden. 8. In de bestreden beslissing sluit de raad van bestuur van de Universiteit Gent zich aan bij het advies van de beoordelingscommissie binnen de faculteit Wetenschappen en maakt hij de motivering ervan tot de zijne. In dat advies staat betreffende verzoekster te lezen : “Elena Tsiporkova werd zowel in de wetenschappelijke klassering als voor haar proefles als laatste van de vier overblijvende kandidaten gerangschikt. De commissie is daarom unaniem van mening dat zij ook in de eindklassering als laatste komt”. Dit besluit betreffende verzoekster gaat terug op de besprekingen van de kandidaturen, waar door diezelfde beoordelingscommissie omtrent verzoek- sters kandidatuur het volgende wordt gesteld : “Men is het er verder over eens, E. Tsiporkova tussen de overblijvende kandidaten als laatste te rangschikken, enerzijds gezien het feit dat zij slechts gedeeltelijk aan het profiel beantwoordt, anderzijds gezien het feit dat haar aantal a1 publicaties laag is in verhouding tot haar wetenschappelijke anciënniteit”. Dat verzoekster slechts gedeeltelijk aan het vooropgestelde profiel zou beantwoorden, zou moeten blijken uit volgende passage uit het (tweede) verslag van de besprekingen in de schoot van de facultaire beoordelingscommissie : “In verband met de kandidatuur van Elena Tsiporkova noteert E. Kerre dat haar werk wel duidelijke raakpunten heeft met de wiskundige modellering van imprecieze informatie. Een groot deel van het doctoraatswerk van E. Tsiporkova situeert zich op het vlak van het ‘vervagen’ van meerwaardige afbeeldingen, meer bepaald topologische facetten zoals continuïteit. Naderhand heeft haar onderzoek zich toegespitst op onzekerheidsmodellering met behulp van modale logica’s, possibiliteitstheorie en Dempster-Shafer evidence theorie. Zij behandelt deze onderwerpen op een wiskundige manier maar dit werk behoort niet meer tot het kerngebied van de onderzoeksgroep, zoals opgenomen in het profiel. Men kan dus zeggen dat E. Tsiporkova eerder een randgeval is, gezien haar werk over vaagverzamelingen in haar doctoraatsperiode (voor 1995) en haar meer recent maar beperkt onderzoek over onzekerheidsmodellering met behulp van modale logica’s en possibiliteitstheorie”. XII-4412-10/14 Onder meer deze stelling, namelijk dat verzoeksters werk “niet meer behoort tot het kerngebied van de onderzoeksgroep”, leidt dus tot de voor verzoekster ongunstige rangschikking. Evenwel is dat criterium, namelijk dat het verrichte wetenschap- pelijk onderzoek tot het “kerngebied” van de onderzoeksgroep moet behoren, geenszins in het gepubliceerde profiel opgenomen. Daarin staat vermeld dat de kandidaat onderzoek moet hebben verricht dat “aansluit bij het onderzoek van de onderzoeksgroep vaagheids- en onzekerheidsmodellering”. “Aansluiten” wordt in het Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal onder meer omschreven als : “zonder gaping overgaan of verbon- den zijn”, wat op zijn beurt dan weer wordt uitgelegd als : “door een figuurlijke band gekoppeld”. “Kern” wordt in datzelfde woordenboek onder meer omschreven als: “iets wat de grondslag, het voornaamste, beste, krachtigste, enz. van een geheel uitmaakt”. Daar waar het vereiste “aansluiten bij” wijst op een band met het onderzoek van de onderzoeksgroep, gaat het begrip “kerngebied” duidelijk verder dan een loutere band en wordt het vooropgestelde criterium op die manier verengd. De beoordelingscommissie heeft trouwens erkend dat verzoeksters prestaties “duidelijke raakpunten heeft met de wiskundige modellering van imprecieze informatie”. Prof. E. Kerre heeft zelf reeds in het geciteerde verslag opgemerkt dat het onderzoek van verzoekster na haar doctoraat “zich toegespitst [heeft] op onzekerheidsmodellering”. Die punten van overeenkomst wijzen erop dat verzoeksters onderzoek wel degelijk een band heeft met, of nog, “aansluit bij” het onderzoek van de onderzoeksgroep. In het advies van de faculteit Wetenschappen is dan ook door een lid opgemerkt wat volgt : “Volgens Prof. E. Messens is ook de opmerking van Prof. E. Kerre niet relevant als zou het onderzoek van Dr. Tsiporkova niet tot de kern behoren van het onderzoek op het laboratorium, en situeert haar wetenschappelijk onderzoek zich eerder aan de rand hiervan. In de vacature is er sprake van ‘aansluiten’, wat naar zijn mening gelijk is met ‘op de rand staan’.” De reactie van E. Kerre daarop dat het doctoraatswerk van verzoekster “hoogstaand [is] maar niets [heeft] bijgedragen tot de vier gebieden die in het profiel zijn opgesomd”, wordt niet alleen niet met concrete gegevens gestaafd. XII-4412-11/14 Dergelijke stelling komt ook ongeloofwaardig over, nu diezelfde E. Kerre nauwelijks anderhalve maand voordien in de beoordelingscommissie nog “duidelijke raakpunten” zag en verzoekster - in tegenstelling tot een andere kandidaat - niet uit de rangschikking werd uitgesloten, bijvoorbeeld omdat zij geen enkele bijdrage zou hebben geleverd tot de opgesomde onderzoeksgebieden. Conclusie is dat de argumentatie dat verzoeksters wetenschap- pelijk onderzoek niet tot het kerngebied van de onderzoeksgroep behoort, niet relevant is ter beoordeling van het in het profiel vermelde criterium. Verwerende partij argumenteert in de laatste memorie wel dat de rangschikking overeind zou moeten blijven, omdat verzoekster hoe dan ook minder sterk aansluit bij de doelstelling van de onderzoeksgroep. Door echter de evaluatie door te voeren zoals ze thans is gebeurd, is ze hoe dan ook ondeugdelijk en is bijvoorbeeld niet onderzocht of de kandidaat, waarvan het onderzoek wel degelijk “aansluit bij het onderzoek van de onderzoeksgroep” ook bereid en bij machte is om zich met toekomstige projecten nóg verder bij dat onderzoek aan te sluiten. De Raad van State mag dit onderzoek niet in de plaats van het bestuur doen. Een van de twee elementen om verzoeksters kandidatuur als laatste te rangschikken gaat dienvolgens niet op. In die mate zijn verzoeksters aanspraken en verdiensten niet naar recht ingeschat. 9. Overigens dient opgemerkt dat de stelling dat het aantal A1 publicaties van verzoekster in vergelijking met haar wetenschappelijke anciënniteit laag is, evenmin terzake dienend is, nu het niet als dusdanig als criterium in het profiel is opgenomen. Integendeel hecht het profiel uitdrukkelijk belang aan de “recente publicaties”. Daarbij dient ook gewezen op het feit dat verzoekster in haar verzoekschrift duidelijk heeft aangegeven dat voor haar - in haar nadeel - is uitgegaan van een verkeerd aantal A1 publicaties en voor de benoemde ook - ditmaal in diens voordeel- en dat haar internationale ervaringen niet werden vergeleken met de andere kandidaten. Dit wordt in de memorie van antwoord en in de laatste memorie door verwerende partij op geen enkel ogenblik tegengesproken, zodat verzoeksters bezwaar dienaangaande aangenomen kan worden. Anders dan verwerende partij in de laatste memorie argumenteert, mocht van haar wel degelijk XII-4412-12/14 enige inspanning worden gevergd, gelet op de zeer concrete en precieze formulering van deze grieven door verzoekster. 10. Ook omtrent de proefles is onduidelijkheid troef. In het advies van de beoordelingscommissie - en meteen dus ook in de bestreden beslissing van de raad van bestuur - wordt de rangschikking als laatste voor de proefles uitdrukkelijk aangehaald. Nadien, ten overstaan van de faculteitsraad Wetenschappen, stelt W. Govaerts echter dat “de proefles van Dr. E. Tsiporkova aanvaardbaar was en dus niet gebruikt werd als argument om haar als laatste te rangschikken”. 11. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van 17 december 2004 van de raad van bestuur van de Universiteit Gent, waarbij Martine De Cock wordt benoemd tot voltijds docent in de faculteit Wetenschappen van de Universiteit Gent. Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-4412-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig april 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4412-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.581 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.