id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.582 Rolnummer: A. 159402/XII-4360 Zaak: Arrest 192582 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 23/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-04 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:01 Fiche Arrest nr 192.582 van 23 april 2009 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.582 van 23 april 2009 in de zaak A. 159.402/XII-
- In zake : Marc VAN QUICKENBORNE, wonende te Gent-Zwijnaarde, Vogelheide 26 tegen : de UNIVERSITEIT ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij advocaten Chr. Coen en J. Deridder, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 210 A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc Van Quickenborne op 22 januari 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 17 november 2004 van het bestuurscollege van de Universiteit Antwerpen, waarbij de uitspraak van 10 juni 2004 van het tuchtcollege ZAP wordt bevestigd en hem de tuchtstraf van de gehele schorsing van het dienstverband voor een periode van twee maanden met gehele inhouding van het salaris, wordt opgelegd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur J. Neuts; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 20 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat J. Deridder, die verschijnt voor verwerende partij; XII-4360-1/24 Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur J. Neuts bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
- Verzoeker is hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen. Hij doceert er in het departement (faculteit) Rechten onder meer de opleidings- onderdelen “Vergelijkend burgerlijk recht” (derde licentie) en practicum Verbintenissenrecht (eerste licentie) en is tevens verantwoordelijk voor de jaarverhandeling “Algemeen Verbintenissenrecht” (eerste licentie). 1.
- Naar aanleiding van klachten van studenten over de wijze waarop het opleidingsonderdeel “Vergelijkend burgerlijk recht” werd onderwezen en over verzoekers gedrag en uitlatingen - al dan niet tijdens de colleges -, vindt op 5 juni 2003 een vergadering plaats tussen drie studenten van de derde licentie Rechten, de ombudsman van de derde licentie Rechten, een vertegenwoordiger van de personeelsdirecteur en de voorzitter van de examencommissie van de derde licentie Rechten. Nadat de voorzitter van de examencommissie van de derde licentie Rechten hierover bij hem verslag heeft uitgebracht, hoort de rector van de Universitaire Instelling Antwerpen op 12 juni 2003 verzoeker over deze klachten. Hij besluit de schriftelijke reactie van verzoeker af te wachten alvorens te beslissen of de klachten zullen worden overgemaakt aan het tuchtcollege voor het academisch personeel. Anderzijds verzoekt hij de voorzitter van de examencommissie om de nodige initiatieven te nemen op het vlak van het naderende examen. Het examen “Vergelijkend burgerlijk recht” wordt geanonimiseerd en schriftelijk afgenomen. XII-4360-2/24 Verzoeker reageert uitgebreid en schriftelijk op de tegen hem geformuleerde klachten, waarna de rector aan verzoeker laat weten geen tuchtprocedure te zullen inleiden. 1.
- In het daaropvolgende academiejaar 2003-2004 worden opnieuw klachten geuit door studenten - en hun ouders - lastens verzoeker. De decaan van de faculteit Rechten geeft bij brief van 18 februari 2004 kennis van die klachten aan de rector van de Universiteit Antwerpen. Hij maakt onder meer melding van de klacht dat verzoeker aan studenten kopietaken zou opleggen, dat verzoeker studenten regelmatig thuis, ’s avonds en in het weekend, en op GSM opbelt, dat de meeste van die telefoongesprekken een zeer persoonlijke inhoud hebben en soms zelfs resulteren in liefdesverklaringen, dat verzoeker aan een studente twee brieven heeft gestuurd met een impliciete en een expliciete liefdesverklaring en een liefdesgedicht, dat een andere studente eveneens een dergelijke liefdesverklaring en -gedicht heeft toegestuurd gekregen vanwege verzoeker. Bij brief van 24 maart 2004 maakt de rector van de Universiteit Antwerpen twee door de decaan van de Rechtsfaculteit verzamelde dossiers over aan het tuchtcollege. 1.
- Het tuchtcollege laat bij brief van 2 april 2004 aan verzoeker weten, eensdeels, dat het “dossier nr. 1” - dossier dat betrekking heeft op de klachten tijdens het academiejaar 2002-2003 - onontvankelijk werd verklaard ingevolge verjaring en, anderdeels, dat het “dossier nr. 2” - dossier dat betrekking heeft op de klachten die op 18 februari 2004 aan de rector werden overgemaakt - wel ontvankelijk is en dat de tuchtprocedure en het tuchtonderzoek worden opgestart. 1.
- Bij brief van 7 april 2004 vraagt verzoeker aan de voorzitter van het tuchtcollege om zijn zaak aan een vertrouwenspersoon voor te leggen in plaats van ze voor het tuchtcollege te brengen. Op 28 april 2004 beslist het tuchtcollege om deze vraag niet in te willigen. XII-4360-3/24 1.
- Prof. dr. W. S., die door het tuchtcollege met een onderzoeks- opdracht terzake is belast, gaat op 7 en 14 april 2004 over tot het verhoor van de ombudsman van de eerste licentie Rechten, drie studentes en de moeder van één van die studentes. Hij adviseert het tuchtcollege om de tuchtprocedure verder te zetten en verzoeker omtrent deze feiten te horen. 1.
- Bij brief van 6 mei 2004 betekent de voorzitter van het tuchtcollege aan verzoeker haar voorstel tot het opleggen van een tuchtmaatregel en nodigt zij verzoeker uit om te worden gehoord op 2 juni
- Verzoeker wordt verweten “zich onwaardig te hebben gedragen ten aanzien van twee studenten, waartegenover hij zich in een machtspositie bevond”. In diezelfde brief deelt de voorzitter ook de weigering mee om een vertrouwenspersoon in te schakelen. Op 18 mei 2004 wordt aan verzoeker, op zijn vraag, de samenstelling meegedeeld van het tuchtcollege ZAP en van het bestuurscollege. Verzoekers raadsman laat op 1 juni 2004 een verweerschrift met bijlagen bezorgen aan de voorzitter van het tuchtcollege. Verzoeker en zijn raadsman worden op 2 juni 2004 gehoord door het tuchtcollege; van deze hoorzitting wordt tevens verslag opgesteld. 1.
- In zijn zitting van 10 juni 2004 beoordeelt het tuchtcollege de aan verzoeker ten laste gelegde feiten als bewezen en legt het hem de tuchtsanctie op van “gehele schorsing van het dienstverband voor een periode van twee maanden, met gehele inhouding van het salaris, doch ondergeschikt aan de bepalingen opgenomen in de wet van 2 april 1965 (artikel 23, tweede lid) betreffende de bescherming van het loon van de werknemers”. Deze beslissing wordt aan verzoeker betekend bij brief van 11 juni
- 1.
- Verzoeker tekent bij brief van 24 juni 2004 beroep aan tegen zijn tuchtrechtelijke veroordeling. XII-4360-4/24 Bij brief van 5 juli 2004 wordt verzoeker uitgenodigd om op 14 september 2004 te worden gehoord door het bestuurscollege van de Universiteit Antwerpen. De hoorzitting wordt op vraag van verzoeker een eerste maal uitgesteld naar 19 oktober
- Een tweede uitstel - eveneens op vraag van verzoeker - brengt de hoorzitting op 17 november
- Verzoekers raadsman legt op die hoorzitting een verweerschrift neer. 1.
- Bij brief van 23 november 2004 deelt de rector van de Universiteit Antwerpen aan verzoeker mee dat het bestuurscollege op 17 november 2004 heeft beslist “bij eenparigheid de uitspraak van het tuchtcollege ZAP van 10 juni 2004 te bevestigen. Derhalve wordt u de tuchtstraf opgelegd van de gehele schorsing van het dienstverband voor een periode van twee maanden, met gehele inhouding van het salaris, doch ondergeschikt aan de bepalingen opgenomen in de wet van 2 april 1965 (artikel 23, tweede lid) betreffende de bescherming van het loon van de werknemers. Deze schorsing gaat in op 1 december 2004”. De rector voegt daarbij ook de motivering van de beslissing. Deze beslissing van 17 november 2004 van het bestuurscollege van de Universiteit Antwerpen is de bestreden akte. De gegrondheid van het beroep 2.
- Verzoeker voert in het inleidend verzoekschrift zes vernietigings- gronden aan ter ondersteuning van het beroep. Na inzage van het administratief dossier formuleert hij in de memorie van wederantwoord nog een bijkomend, zevende middel. 2.
- Voor zover hierna bij de bespreking van de middelen sprake is van het toepasselijke statuut van het zelfstandig academisch personeel, merkt de Raad van State op dat gesteund wordt op het door verzoeker bijgevoegde uittreksel van het “Statuut Zelfstandig Academisch Personeel” (stuk nr. 3 van het bundel van verzoeker, hierna ook “ZAP-statuut” genoemd), en niet op het door verwerende partij meegedeelde stuk nr. 19 van het administratief dossier, aangezien dit laatste XII-4360-5/24 een ná het nemen van de bestreden beslissing gewijzigde versie betreft, ondermeer op het vlak van thans relevante bepalingen. Uiteenzetting van het eerste middel
- Als eerste middel voert verzoeker aan dat de rechten van verdediging zijn geschonden. Verzoeker leidt dit af uit het feit dat de door het tuchtcollege aangestelde onderzoeker W.S. enkel feiten in het nadeel van verzoeker heeft onderzocht en niet de minste poging heeft ondernomen om feiten in zijn voordeel te verzamelen. Verzoeker verwijt het tuchtverslag van die onderzoeker eenzijdig en zonder tegenspraak te zijn opgesteld, zodat het geen bewijswaarde heeft en niet als basis kon dienen voor een onderzoek door het tuchtcollege. Verzoeker kon zich, door het jegens hem gecreëerde vooroordeel, trouwens niet meer op nuttige wijze verdedigen voor dat college. De beslissing van het bestuurscollege bevestigt de beslissing van het tuchtcollege, zodat ook de bestreden beslissing is aangetast. Verzoeker doet nog gelden dat hij zich heeft afgevraagd of de onderzoeker W.S. geen verwantschap vertoont met één van de betrokken studenten - zij dragen dezelfde familienaam -, maar dat het bestuurscollege niet eens de moeite heeft gedaan hieraan enig onderzoek te wijden, zodat de bestreden beslissing niet regelmatig met redenen is omkleed. Verzoeker herhaalt in zijn memorie van wederantwoord en zijn laatste memorie dat hij, mocht hij wel zijn verhoord door de onderzoeker W.S., hem op “het absurde en het ronduit lasterlijke van deze verdachtmakingen” had kunnen wijzen en de “juiste context” van bepaalde uitlatingen had kunnen duiden. Daarvoor was voor het tuchtcollege geen gelegenheid, zo besluit verzoeker. Het bewijs daarvoor vindt verzoeker in het eerste - verjaarde - dossier, waarin hij de rector van de Universitaire Instelling Antwerpen heeft kunnen overtuigen geen tuchtprocedure op te starten. Door hem slechts op het einde van de tuchtprocedure te horen werden de rechten van verdediging en tevens de wapengelijkheid geschonden. Beoordeling 4.
- De tuchtregeling zoals beschreven in de artikelen 74 tot en met 95 van het ZAP-statuut omvat twee fasen: eerst een onderzoeksfase, en vervolgens een fase van de tuchtprocedure. De eigenlijke tuchtprocedure wordt op gang gebracht door de aanvaarding van het voorstel van de voorzitter van het tuchtcollege om een XII-4360-6/24 tuchtmaatregel op te leggen en de oproeping van het berokken lid van het ZAP om te verschijnen voor dat tuchtcollege. Het ZAP-statuut waarborgt de rechten van verdediging van een tuchtrechtelijk vervolgd personeelslid in de fase van de tuchtprocedure: hij heeft het recht op volledige inzage in het dossier, hij kan zijn verweermiddelen doen gelden tijdens de hoorzitting, zelfs schriftelijk en hij kan getuigen doen oproepen, zodat de tegenspraak gegarandeerd is. Ten aanzien van een ambtenaar ten laste van wie een (tucht)onder- zoek wordt gevoerd, is dan weer niet voorzien dat hij, tijdens dat voorafgaandelijk onderzoek, reeds zijn rechten van verdediging kan doen gelden. Dit is niet onlogisch, nu op dat ogenblik formeel gezien nog geen tuchtprocedure op gang is gebracht. Het is aan de hand van het onderzoek dat zal moeten blijken of er voldoende reden bestaat om de tuchtprocedure daadwerkelijk op te starten doordat
(1)de voorzitter van het tuchtcollege een voorstel tot het nemen van een tuchtmaatregel formuleert en
(2)de voorzitter van het tuchtcollege het betrokken personeelslid oproept om te verschijnen voor het tuchtcollege teneinde hem in zijn verweermiddelen te horen. 4.
- Te dezen is die procedure correct gevolgd. De decaan van de faculteit Rechten heeft de rector bij schrijven van 18 februari 2004 ingelicht van de feiten lastens verzoeker. De rector heeft bij brief van 24 maart 2004 de hem bezorgde documenten overgemaakt aan het tuchtcollege. Het tuchtcollege is op 1 april 2004 bijeengekomen om kennis te nemen van deze brief van de rector en heeft het eerste dossier lastens verzoeker onontvankelijk en het tweede dossier lastens verzoeker ontvankelijk verklaard. Wat dat tweede dossier betreft werd tevens een onderzoeker, W. S., aangeduid. Deze onderzoeker heeft een aantal betrokken personen - weliswaar niet verzoeker - gehoord “teneinde de waarachtigheid van het voorliggende feitenmateriaal ten laste van Marc Van Quickenborne [...] na te gaan” en heeft daarover verslag opgesteld en er mededeling van gedaan aan de voorzitter van het tuchtcollege. Tot hier de onderzoeksfase. De tuchtprocedure is dan op gang gebracht door het voorstel van de voorzitter van het tuchtcollege om een tuchtmaatregel op te leggen, welke zij samen met een oproepingsbrief voor een hoorzitting op 2 juni 2004 en samen met het tuchtdossier aan verzoeker bij brief van 6 mei 2004 heeft betekend. Verzoeker XII-4360-7/24 werd inzage in het dossier geboden en hem werd gewezen op zijn recht om getuigen te doen oproepen. Aanvankelijk drukte hij de wens uit om getuigen op te roepen, al wist hij nog niet mee te delen wie precies, en op 18 mei 2004 werd hem opnieuw gevraagd om mee te delen wie hij als getuigen wil doen oproepen, waarna bij brief van 25 mei 2004 de toenmalige raadsman liet weten: “Namens mijn cliënt deel ik u hierbij mee dat mijn cliënt op de hoorzitting van 2 juni a.s. geen getuigen wenst te laten oproepen”. Verzoeker beklaagt zich er in dat verband terecht niet over dat hij geen, onvoldoende of slechts onvolledige inzage zou hebben gekregen in het tuchtdossier. Hem werd immers een volledig afschrift van het tuchtdossier betekend bij brief van 6 mei 2004 van de voorzitter van het tuchtcollege. Verzoeker is, naar aanleiding van de hoorzitting op 2 juni 2004, tevens in de gelegenheid geweest om zijn verweermiddelen te doen gelden ten overstaan van het tuchtcollege. Hij had de mogelijkheid om dan al de elementen te zijner verdediging te doen toevoegen aan het dossier. Het was hem tevens toegestaan om, desgewenst, getuigen te doen oproepen. Hij heeft van die mogelijkheid evenwel geen gebruik gemaakt. 4.
- De rechten van verdediging van verzoeker werden op die manier in voldoende mate en op een nuttig tijdstip gewaarborgd. Verzoeker stelt enkel dat “tegen [hem] een dermate ongunstig vooroordeel [werd] gecreëerd, dat hij zich niet meer nuttig voor het tuchtcollege kon verdedigen”, doch toont die loutere affirmatie op geen enkele manier concreet aan en hij gaat alzo voorbij aan het wezenlijk onderscheid tussen de preliminaire onderzoeksfase en de eigenlijke tuchtprocedure. Nu verzoeker in de loop van die tuchtprocedure op de hiervoor beschreven wijze de gelegenheid heeft gekregen nuttig zijn verweer te voeren, zijn de rechten van verdediging, waaronder de wapengelijkheid, niet geschonden door de omstandigheid dat de onderzoeker bij het samenstellen van het tuchtdossier geen reden zag om ook verzoeker te horen. 4.
- In zijn bezwaarschrift, waarmee verzoeker het bestuurscollege adieerde, doet hij ondermeer gelden: “Nu een der klagende studenten [A.S.] is, vraag ik me overigens af of de onderzoeker [W.S.] niet op een of andere manier XII-4360-8/24 verwant is met [A.S.].” Die “vraag” herhaalt verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift. Wanneer verzoeker een lid van het tuchtcollege - te dezen de onderzoeker - van partijdigheid beticht, komt het hem toe die partijdigheid te bewijzen. In casu komt verzoeker niet verder dan het stellen van een “vraag”. Alleen al om die reden moet dat onderdeel van het middel worden afgewezen. Bovendien ontkent verwerende partij in haar memorie van antwoord ook iedere verwantschap tussen de “klagende student” en de onderzoeker, stelling die verzoeker in zijn memorie van wederantwoord niet bestrijdt. 4.
- Het middel is in zijn geheel ongegrond. Uiteenzetting van het tweede middel
- In zijn tweede middel roept verzoeker andermaal de schending van de rechten van verdediging in en voorts de schending van het onpartijdigheids- beginsel en, “voor zoveel als nodig”, van de wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag. Verzoeker licht toe dat het tuchtcollege op 28 april 2004 zijn verzoek verwierp om het geschil voor te leggen aan een vertrouwenspersoon, dat onderzoeker W.S. toen deel uitmaakte van het college wijl hij reeds zijn eenzijdig in verzoekers nadeel opgesteld verslag had beëindigd, dat bijgevolg de beslissing van 28 april 2004 nietig is en derhalve de geheel daarop volgende procedure. Ook de voorzitter van het tuchtcollege had reeds kennis van het eenzijdige onderzoeks- verslag en heeft bovendien nog op 6 mei 2004 tegen hem een zware tuchtstraf gevorderd zodat zij de functies van voorzitter van het college en procureur cumuleerde. Ook is de beslissing van 28 april 2004 nietig omdat ze zonder tegenspraak werd getroffen. Verzoeker geeft dan nog inhoudelijke kritiek op de weigering om in te gaan op zijn vraag de zaak aan een vertrouwenspersoon voor te leggen. XII-4360-9/24 Nu het bestuurscollege de beslissing van het tuchtcollege in eerste aanleg bevestigde, is zijn beslissing volgens verzoeker door dezelfde nietigheid aangetast. In de memorie van antwoord herneemt verzoeker elk van de argumenten die hem er toe brengen de weigeringsbeslissing van 28 april 2004 nietig te achten. Die nietigheid brengt volgens hem de nietigheid mee van de gehele daaropvolgende procedure. Hij vroeg immers het gerezen probleem eerst voor te leggen aan een vertrouwenspersoon. Nu hier niet op ingegaan wordt, is geheel de daaropvolgende procedure onregelmatig en nietig. Beoordeling
- De wet van 11 juni 2002 betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk heeft een hoofdstuk Vbis toegevoegd aan de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Dat hoofdstuk Vbis bevat bijzondere bepalingen betreffende geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk. Deze wetgeving regelt specifieke procedures voor de behandeling van klachten ingediend bij de preventieadviseur of de vertrouwenspersoon en voor het onderzoek van vorderingen ingesteld bij de arbeidsrechtbank. Te dezen is echter geen klacht ingediend als bedoeld in de genoemde wet, ook niet door verzoeker. Geen bepaling van de wet van 4 augustus 1996 of van het ZAP-statuut staat eraan in de weg dat verwerende partij een tuchtstraf oplegt aan een personeelslid dat tekort schiet aan zijn professionele verplichtingen, zelfs niet voor feiten die in voorkomend geval ook aanleiding zouden kunnen geven tot het indienen van een klacht wegens geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk. Daargelaten nog de vraag of de bedoelde regelgeving te dezen van toepassing is en de vraag welke bevoegdheid het tuchtcollege wel heeft om een zaak naar de vertrouwenspersoon te verwijzen, stelt de Raad van State vast dat de weigering van het tuchtcollege van 28 april 2004 niet te begrijpen is als een inherent onderdeel van de complexe rechtshandeling die finaal heeft geleid tot de bestreden tuchtsanctie. Verzoeker heeft die weigering overigens niet in rechte bestreden. Hoe dan ook kan haar eventuele onwettigheid niet afkleuren op de uiteindelijke XII-4360-10/24 tuchtbeslissing, voorwerp van het voorliggende beroep, zodat ambtshalve wordt vastgesteld dat verzoeker geen belang heeft bij het tweede middel. XII-4360-11/24 Uiteenzetting van het derde middel
- De rechten van verdediging en het onpartijdigheidsbeginsel noemt verzoeker in het derde middel andermaal geschonden, omdat de gewraakte beslissing niet de namen vermeldt van de leden die haar getroffen hebben. Verzoeker betoogt dat elke beslissing van een tuchtorgaan op grond van de artikelen 2 en 780, 1/, van het Gerechtelijk Wetboek en de algemene rechtsbeginselen van de rechten van verdediging en de onpartijdigheid van de rechter, de namen moet vermelden van diegenen die de uitspraak getroffen hebben. In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat het bestuurscollege als administratief rechtscollege optreedt en dus aan de ingeroepen bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek is onderworpen. Verwerende partij mag volgens verzoeker ook niet naar andere stukken verwijzen dan de hem verstuurde brief van 23 november 2004, omdat enkel die brief geacht kan worden de bestreden beslissing integraal te bevatten. Die brief is enkel door de rector ondertekend. Er kan evenmin worden opgeworpen dat hij geen enkele aanwezige heeft gewraakt; hij behoudt het recht achteraf de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de tuchtrechters in twijfel te trekken. In de laatste memorie volhardt verzoeker in de stelling dat het bestuurscollege optreedt als administratief rechtscollege, maar hij voegt er aan toe dat het middel ook gefundeerd is als het college is opgetreden als orgaan van actief bestuur. Ook dan moet het voor hem mogelijk zijn om op basis van de beslissing zelf de regelmatigheid van de samenstelling van het beslissend orgaan na te gaan. Beoordeling 8.
- Het bestuurscollege, zetelend als tuchtoverheid in graad van beroep, is een administratieve overheid, een orgaan van actief bestuur en géén administratief rechtscollege. De beslissing van het bestuurscollege is een eenzijdige administratieve rechtshandeling en géén jurisdictionele beslissing. Verzoeker vertrekt met zijn derde middel dan ook vanuit een verkeerde premisse. Die vaststelling noopt ertoe te besluiten dat de artikelen 2 en 780 van het Gerechtelijk Wetboek te dezen niet van toepassing zijn op de beslissingen van het bestuurscollege. XII-4360-12/24 Verzoeker maakt voorts geen onderscheid tussen de beslissing op zich en de kennisgeving van die beslissing. De kennisgeving van de motivering van de beslissing van 17 november 2004 van het bestuurscollege is gebeurd bij schrijven van de rector van 23 november 2004 (stuk nr. 43 van het administratief dossier). De verwerende partij heeft in haar administratief dossier wel degelijk een uittreksel uit het verslag van de kwestieuze vergadering van het bestuurscollege van 17 november 2004 opgenomen (stuk nr. 46 van het administratief dossier), waaruit blijkt welke leden aanwezig en afwezig waren. Op basis daarvan heeft verzoeker intussen kunnen uitmaken of hij zich op dat vlak tegen de bestreden beslissing kon verzetten, hetgeen hij ook doet met een in zijn memorie van wederantwoord voor het eerst geformuleerd zevende middel. Behoudens hetgeen gesteld wordt in dat zevende middel, voert verzoeker, na kennisname van het stuk nr. 46 van het administratief dossier, geen nieuwe en concrete bezwaren aan, zodat kan worden besloten dat, zelfs indien er sprake zou zijn van de miskenning van enige bepaling of beginsel, verzoeker niet geschaad is door de niet-vermelding van de namen van de leden van het bestuurscollege in de brief van 23 november
- 8.
- Verzoeker betwist trouwens geenszins de aan- of afwezigheid van de op het verslag vermelde leden van het bestuurscollege. Zelfs al zou verwerende partij het bestaan van dit verslag in een brief van 11 januari 2005 uitdrukkelijk ontkend hebben, wat verzoeker beweert, dan nog zou verzoeker zulks overigens alleen kunnen doen middels een klacht wegens valsheid, klacht waarvan hij op heden niet beweert, laat staan aantoont ze te hebben ingesteld. 8.
- Het derde middel is ongegrond. Uiteenzetting van het vierde middel
- In zijn vierde middel werpt verzoeker de schending op van artikel 75, 3/, van het ZAP-statuut. De ten laste gelegde feiten kunnen volgens hem niet begrepen worden als in de zin van dat artikel bedoelde handelingen die de goede naam of de belangen van de universiteit en van zijn personeelsleden op onrechtmatige wijze hebben geschonden. Een principiële vraag naar de bereidheid om fotokopies te maken en vervolgens een concrete vraag in die zin aan de studenten die zich daarvoor vrijwillig hebben opgegeven zijn niet deontologisch XII-4360-13/24 laakbaar, des te minder nu het secretariaat niet bereid was voor hem de gewenste fotokopies te maken. Verzoeker neemt ook afstand van de conclusies van zijn toenmalige raadsman, waarin deze de herhaalde telefonische en schriftelijke contacten met twee vrouwelijke studenten als “ongepast” erkende. Hij herinnert er aan een van de bedoelde brieven niet zelf te hebben verstuurd wegens ziekte : het zwaarste ten laste gelegde feit deed zich aldus voor buiten zijn toedoen om. Geen van de studenten heeft hem gevraagd op te houden met telefoneren, één van hen nam zelfs zelf daartoe een initiatief. Het bestuurscollege spreekt dit niet tegen. In de memorie van wederantwoord noemt verzoeker het onzinnig in zijn banale vraag om fotokopies te maken een vorm van machtsmisbruik te zien. Hij wijst er op dat geen enkele niet-fotokopiërende student er over geklaagd heeft te vrezen negatief te worden beoordeeld en dat zijn quoteergedrag geheel in lijn ligt met dat van zijn collega’s. Mogelijk -en ten hoogste- maakte hij een pedagogische inschattingsfout, maar zeker pleegde hij geen tuchtfeit. Voorts is verwerende partij inconsequent door van hem wetenschappelijk onderzoek te eisen en te verzuimen zich zo te organiseren dat hij de daarvoor benodigde fotokopies kan nemen. Verwerende partij heeft, aldus verzoeker, het zo negatief beoordeeld gedrag zelf uitgelokt. De telefonische contacten met bepaalde studenten die hem kwalijk worden genomen, vloeien voort uit zijn vraag naar hulp bij het nemen van bedoelde fotokopies. Verzoeker herhaalt dat het voorts nooit de bedoeling was dat studente A.S. de brief van hem zou ontvangen, die tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis door een huisgenoot gepost werd. Ook de brief aan S.R. moet worden gelezen in een context van ironische stijl, die er elk problematisch karakter aan ontneemt. In zijn laatste memorie onderstreept verzoeker dat studente S.R. zich principieel had aangeboden om fotokopies te maken en dat hij slechts daarna zijn vraag heeft geconcretiseerd, dat studente A.S. ook uit eigen beweging telefonisch contact nam voor een veeleer persoonlijk getint gesprek en dat hem niet kan worden aangerekend dat de brief tijdens zijn hospitalisatie door een huisgenoot aan A.S. werd verstuurd ofschoon hij daartoe niet (meer) de intentie had. Beoordeling 10.
- Met het vierde middel betwist verzoeker dat de hem ten laste gelegde feiten als tuchtfeiten kunnen worden gekwalificeerd. XII-4360-14/24 Het antwoord op de vraag of bepaalde feiten als tuchtfeiten beschouwd kunnen worden, komt toe aan de tuchtoverheid. De Raad van State vermag niet zijn opvatting daarover in de plaats van die van de overheid te stellen. Desgevraagd, dient de Raad wel na te gaan of de tuchtoverheid de feiten rechtmatig als tuchtfeiten heeft kunnen aanmerken. 10.
- Om te besluiten dat de tuchtoverheid op onrechtmatige wijze tot het besluit is gekomen dat het laten uitvoeren van kopieopdrachten door studentes, een tuchtfeit is, voert verzoeker in essentie aan dat hij een procedure volgde die ieder machtsmisbruik uitsluit en dat de academische overheid heeft nagelaten de nodige instructies te geven aan het secretariaat, zodat hij niet langer genoodzaakt zou zijn studentes in te schakelen. De motivering van het bestuurscollege terzake is niet van iedere redelijkheid ontdaan. Het college is van mening dat, “juist omwille van het feit dat [verzoeker] zich in een gezagsrelatie tot de studenten bevindt, hij zich ervan bewust diende te zijn dat studenten niet durven dergelijke opdrachten te weigeren. Bovendien gaat het om kleine groepen studenten, waar de interpersoonlijke verhouding tussen de docent en de student veel sterker speelt, en had [verzoeker] dus juist extra voorzichtig moeten zijn met het stellen van dergelijke vragen”. Verzoeker slaagt er met zijn argumentatie niet in het tegendeel aan te tonen. Dat hij een “procedure” terzake volgde om ieder machtsmisbruik uit te sluiten, kan ernstig worden betwijfeld, nu uit de verklaring van minstens één van de betrokken studentes (meer bepaald studente S.R.) blijkt dat zij pas later op het jaar apart werd geroepen door verzoeker, tijdens welk onderhoud hij haar gevraagd heeft kopies voor hem te nemen. Zulks wordt ook bevestigd door de moeder van de betrokken studente (stukken nrs. 13 en 20 van het administratief dossier). Trouwens, verzoeker schrijft zelf aan de betrokken studente in een brief van 10 januari 2004 (bijlage 2 bij stuk nr. 13 van het administratief dossier) dat hij “haar” heeft gevraagd, wat erop wijst dat een en ander niet verlopen is volgens de genoemde “procedure”, zoals verzoeker thans wil laten uitschijnen. Van enige “procedure” wordt trouwens door geen van de betrokken studentes melding gemaakt. XII-4360-15/24 Het onderscheid dat verzoeker nog wil maken in de laatste memorie tussen een “principiële” en een tot de vrijwilligers beperkte “concrete” vraag overtuigt niet. Zo-even is reeds gewezen op de verklaringen van S.R. en haar moeder, die dit onderscheid in haar concrete geval tegenspreken. Bovendien komt het de Raad van State voor dat ook reeds de “principiële vraag” terecht als laakbaar aangestipt mocht worden door verwerende partij om de door haar aangegeven redenen. Dat de academische overheid terzake is tekortgeschoten, is niet alleen niet bewezen - verzoeker brengt geen enkel bewijs bij dat hij die overheid of het secretariaat van de faculteit rechtstreeks om bijstand terzake heeft gevraagd - bovendien had verzoeker zelfs bij een gebrek aan reactie van de academische overheid een en ander met die overheid zelf moeten regelen en niet eigen initiatieven ontwikkelen; initiatieven die, alles welbeschouwd, eerder een voorwendsel zijn gebleken om te kunnen overgaan tot de tweede reeks van feiten waarvoor hij tuchtrechtelijk werd vervolgd. Er kan, gelet op die omstandigheden, niet besloten worden dat de tuchtoverheid op onrechtmatige wijze tot het besluit is gekomen dat deze feiten als tuchtfeiten moeten worden beschouwd. 10.
- Wat de tweede reeks feiten betreft, voert verzoeker aan dat hij de kwalificatie van zijn gedrag als “ongepast”, zoals geformuleerd in zijn eigen verweerschrift voor het bestuurscollege, van de hand wijst. Dat geschrift zou zonder zijn goedkeuring door zijn toenmalige raadsman zijn neergelegd. Bovendien stelt hij dat de kwantiteit van de telefonische oproepen aan de studentes in kwestie, te wijten is aan het feit dat zij niet opnamen en dat geen van de studentes gevraagd heeft om op te houden met bellen. Een onder hen zou ooit zelf hebben opgebeld. De brief aan één van de studentes werd niet door verzoeker verstuurd, maar wellicht door een huisgenoot in zijn afwezigheid. Deze argumenten zijn evenmin van aard om de kwalificatie als tuchtfeit onderuit te halen. Verzoeker heeft een raadsman aangesteld om voor het bestuurs- college zijn verdediging waar te nemen. Aan het bestuurscollege kan niet worden verweten dat het voortgaat op de conclusies van die raadsman. Verzoeker XII-4360-16/24 distantieert zich nu wel van die conclusies, maar zoals de zaak is gepleit voor het bestuurscollege -mogelijk met het oog op een lagere sanctie- heeft zijn raadsman, al dan niet met de instemming van verzoeker, de feiten als tuchtrechtelijk laakbaar erkend. Wat verzoeker voor het bestuurscollege heeft erkend, kan hij voor de Raad van State niet meer ontkennen. De in bedoelde conclusies opgenomen erkenning van de “onge- pastheid” van de gestelde handelingen jegens de twee studentes - en hun onmiddellijke omgeving -, is overigens niet determinerend om te besluiten of een bepaald feit een tuchtfeit uitmaakt of niet. Dat verzoeker terugkomt op die erkenning laat de mogelijkheid tot kwalificatie als tuchtfeit derhalve onverlet. Of verzoeker nu al dan niet tot erkenning van de ongepastheid van de feiten is overgegaan of niet, is voorts een zaak tussen hem en zijn toenmalige raadsman. Verwerende partij kan evident niet worden verweten rekening te hebben gehouden met een document dat werd ingediend door de raadsman van verzoeker, en dit terwijl verzoeker bij de neerlegging aanwezig was. 10.
- Verzoekers opmerkingen omtrent de kwantiteit van de oproepen en het feit dat geen van de studentes gevraagd heeft daarmee op te houden, wordt tegengesproken door het dossier. Meer bepaald heeft de moeder van één van de twee studentes op behoorlijk gedetailleerde wijze de inhoud van de diverse telefonische gesprekken met verzoeker weergegeven. Zij verklaart daarin te hebben gezegd dat haar dochter niet gestoord wenste te worden tijdens het studeren. Na hem zelfs gebeld te hebben om te vragen haar dochter met rust te laten, zou verzoeker nog drie of vier keer die dag gebeld hebben. 10.
- Dat één van de studentes met hem een “zeer persoonlijk telefonisch onderhoud” heeft gehad, blijft een loutere bewering. Verzoeker roept dat onderhoud in te zijner verdediging. Het is dan vanzelfsprekend aan hem om zijn bewering dienaangaande hard te maken. Verzoekers vaagheid desbetreffend is niet van aard de kwalificatie van zijn eigen handelingen -zowel de herhaalde telefoon- gesprekken als de onweerlegbaar seksueel getinte briefwisseling- als tuchtfeit onrechtmatig te noemen. Dat de brief met het gedicht aan de studente A.S. niet door hem werd verstuurd, kon de tuchtoverheid terecht als irrelevant beschouwen. Feit is dat verzoeker de brief zelf heeft geschreven en zelf verzendingsklaar heeft gemaakt. Dat XII-4360-17/24 de brief werd verstuurd, werd - indien geloof zou worden gehecht aan zijn uitleg dat hij niet voor de verzending verantwoordelijk is - in ieder geval door verzoeker niet verhinderd. Verzoeker overtuigt in de concrete context van de zaak niet dat hij ondertussen had afgezien van de intentie om het gedicht -geschreven, onder omslag gesteld en geadresseerd door hemzelf- aan de studente te bezorgen, zoals hij het reeds had gedaan aan de andere studente. Ook wat deze tweede reeks feiten betreft, is de tuchtoverheid niet op onrechtmatige wijze tot de conclusie gekomen dat het tuchtfeiten betrof. 10.
- Het vierde middel is ongegrond. Uiteenzetting van het vijfde middel
- In zijn vijfde middel voert verzoeker aan dat de bestreden beslissing niet naar behoren is gemotiveerd. Uit geen enkel motief van de beslissing blijkt dat het bestuur er aandacht aan heeft besteed dat hij de verjaring had ingeroepen. Ongeacht de juridische waarde van dit verweer, moest de tuchtoverheid het onderzoeken. Voorts betoogde hij in zijn verweer voor de tuchtoverheid dat de straf niet in evenredigheid stond tot de hem ten laste gelegde feiten. Het bestuurscollege geeft enkel aan dat deze feiten tuchtfeiten zijn, en derhalve vatbaar voor een tuchtstraf, maar het geeft niet aan waarom de door hem voorgestelde schriftelijke berisping geen meer gepaste straf zou zijn geweest. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker dat in de bestreden beslissing met geen woord is gerept over de ingeroepen verjarings- exceptie. De gegrondverklaring kan niet begrepen worden als een impliciet antwoord, want het leert hem niet waarom zijn exceptie zou zijn afgewezen. Ook met betrekking tot de ernst van de opgelegde tuchtstraf is op zijn argumenten die hij inriep om de feiten te relativeren, niet of minstens niet passend geantwoord. Waarom voor een bepaalde strafmaat wordt gekozen moet uit de formele motivering duidelijk worden, wat in voorliggend geval niet zo is. In de laatste memorie stelt verzoeker dat de motiveringsplicht vereist dat wordt geantwoord op zijn verweermiddelen, ook indien die misschien niet helemaal gegrond zijn. XII-4360-18/24 Beoordeling
- Vastgesteld wordt dat verzoeker in de huidige procedure voor de Raad van State in zijn verzoekschrift geen middel put uit de schending van de verjaring. Hij doet evenmin gelden dat de hem opgelegde tuchtstraf in een onevenredige verhouding staat tot de hem ten laste gelegde feiten. Enkel voert hij aan dat de bestreden beslissing niet behoorlijk formeel is gemotiveerd omdat hij er niet uit weet, eensdeels, waarom zijn argument van de verjaring werd verworpen en hij wel tuchtrechtelijk werd vervolgd en gesanctioneerd en, anderdeels, waarom hem, in het licht van het evenredigheidsbeginsel, concreet de tuchtsanctie van twee maanden schorsing met inhouding van wedde werd opgelegd. Wat het eerste middelonderdeel betreft, moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing, die het beroep ongegrond verklaart en de tuchtstraf bevestigt, verzoeker al impliciet leert dat het bestuurscollege desbetreffend geen bezwaren zag. Nu verzoeker noch in dit middel, noch in een afzonderlijk middel, er toe komt aan te voeren dat en aan te tonen waarom de tuchtvordering wél verjaard zou zijn, heeft hij geen belang bij dit middelonderdeel. Wat het tweede middelonderdeel betreft, blijkt dat het bestuurs- college in de bestreden beslissing vaststelt dat verzoeker de laakbaarheid van de feiten erkent, geen kwade intentie zegt te hebben gehad en verder wijst op zijn leeftijd, anciënniteit, fysieke en psychische toestand en afwezigheid van eerdere tuchtstraffen. Het bestuurscollege heeft bijgevolg wel degelijk de verzachtende omstandigheden die verzoeker deed gelden in overweging genomen, om vervolgens uitdrukkelijk vast te stellen dat deze nuanceringen “niet van aard zijn dat zij enige afbreuk doen aan de strafwaardigheid van het gedrag van betrokkene”, dat een “reële sanctie [...] op zijn plaats is” en dat een schorsing “voor een periode van slechts twee maanden” in verhouding staat tot de feiten. Dat het bestuurscollege derhalve de strafmaat niet formeel heeft gemotiveerd is een ongegronde grief. Uiteenzetting van het zesde middel
- In het zesde middel voert verzoeker aan dat de hem opgelegde straf niet wettig is gemotiveerd en artikel 23, tweede lid, van de Loonbeschermings- wet van 2 april 1965 schendt. Artikel 23 van de Loonbeschermingswet waaraan de bestreden beslissing refereert, aldus verzoeker, verschaft geen autonome XII-4360-19/24 rechtsgrondslag voor enige loon- of wedde-inhouding. In zoverre het bestuurscollege derhalve een sanctie oplegt van schorsing gedurende twee maanden maar de financiële gevolgen daarvan beperkt tot het bepaalde in artikel 23, tweede lid, van de Loonbeschermingswet, laat niets toe te beweren dat het bestuurscollege hem een beperkt weddeverlies oplegt. De beslissing is derhalve gesteund op een onjuiste lezing van bedoeld artikel
- Ondanks de verwijzing naar de Loonbeschermingswet, is er, in strijd met hetgeen het bestuurscollege beweert, een geheel en geen beperkt verlies van wedde voor een periode van twee maanden, al wordt dit verlies van twee maanden wedde gespreid over een voldoende aantal maanden zodat de beperking van artikel 23, tweede lid, niet wordt overschreden. Beoordeling
- In het auditoraatsverslag wordt tot de onontvankelijkheid van het middel besloten, onder meer omdat de beslissing -in de interpretatie die verzoeker er aan lijkt te geven- gunstiger uitvalt dan hij had gevreesd en omdat verzoeker, die ondertussen de sanctie heeft ondergaan, alleszins in de memorie van wederantwoord nalaat concreet aan te geven hoe hij door de door hem beweerde tegenstrijdigheid in de beslissing precies is benadeeld. Eerder dan gebruik te maken van de mogelijkheid die een laatste memorie hem biedt om de in het auditoraatsverslag opgeworpen exceptie te weerleggen door, in het bijzonder, het vermeende nadeel alsnog te preciseren en te concretiseren, beperkt verzoeker er zich toe het middel te handhaven onder loutere verwijzing naar het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord. In die omstandigheden moet verzoeker belangstelling en dus belang bij het middel worden ontzegd, en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Uiteenzetting van het zevende middel
- In zijn memorie van wederantwoord formuleert verzoeker voor het eerst een zevende middel. Daarin bekritiseert verzoeker de aanwezigheid van de regeringscommissaris bij de Universiteit Antwerpen op de zitting van het bestuurscollege van 17 november 2004, wanneer hij wordt gehoord en over zijn beroep wordt gedelibereerd en beslist. Verzoeker maakt gewag van een “persoonlijke vete” tussen hem en de regeringscommissaris. Hij wijst op een XII-4360-20/24 mogelijke (en waarschijnlijke) beïnvloeding van de zijde van de regerings- commissaris van de bestreden beslissing. In die zin acht hij het onpartijdigheids- beginsel en de rechten van verdediging geschonden. Verzoeker geeft nog aan dat hij dit zevende middel pas na kennisname van het administratief heeft kunnen formuleren, nu hij pas dan de aanwezigheid van de regeringscommissaris op de bedoelde zitting heeft vernomen. Op vraag van het met het onderzoek van de zaak belast lid van het auditoraat, verduidelijkt verzoeker nog het volgende : “Ik heb de aanwezigheid van de regeringscommissaris op de zitting van 17 november 2004 niet de visu kunnen vaststellen, om de eenvoudige en banale reden dat ik de regeringscommissaris niet persoonlijk ken (net zomin als ik de overige leden van het college ken, op de rector na). Dit wordt niet tegen- gesproken door mijn persoonlijk conflict met de regeringscommissaris. Dit persoonlijk conflict vloeit voort uit het feit dat deze laatste zich destijds hardnekkig, doch vergeefs, verzette tegen een voor mij gunstige beslissing van de bestuursorganen van de Universiteit. Dit verzet gaf aanleiding tot herhaalde telefonische contacten. De regeringscommissaris heeft me echter nooit persoonlijk ontvangen, noch heb ik hem ooit persoonlijk ontmoet. Ik kan hem dan ook niet de visu identificeren in een groep”. Beoordeling 16.
- Toen verzoeker naar de samenstelling van het tuchtcollege en het bestuurscollege informeerde, is hem een namenlijst bezorgd waar niet de regerings- commissaris op voorkwam. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat verzoekers bijkomende uitleg betreffende het niet persoonlijk kennen van de regerings- commissaris, niet met de waarheid zou stroken. De verwerende partij, door de auditeur in zijn verslag uitdrukkelijk uitgenodigd haar standpunt dienaangaande te doen kennen in haar laatste memorie, geeft enkel als feitelijke aanvulling dat de regeringscommissaris aanwezig was op de desbetreffende vergadering, maar geen tussenkomst heeft gedaan. Die precisering versterkt enkel verzoekers uitleg, aangezien er dan ook op de hoorzitting geen aanleiding was die hem kon doen veronderstellen dat de regeringscommissaris er ook aanwezig was. Het middel is ontvankelijk. 16.
- De regeringscommissaris is geen lid van het bestuurscollege, maar woont zijn vergaderingen uit hoofde van zijn opdracht wel bij, met raadgevende XII-4360-21/24 stem, en het kan niet worden uitgesloten dat hij op de uiteindelijke beslissing heeft kunnen wegen. Om evenwel met succes de schending van het onpartijdigheids- beginsel in te roepen, is vereist dat een verzoekende partij in concreto aantoont waarom iemand een dermate persoonlijk belang heeft bij de zaak dat hij niet langer onpartijdig kan worden geacht. In dat verband verwijst verzoeker naar een “persoonlijke vete” tussen hem en de regeringscommissaris. Van die “persoonlijke vete” heeft verzoeker wel ook al melding gemaakt tijdens de hoorzitting voor het tuchtcollege op 2 juni 2004, maar hij legt niet concreet uit wat die “persoonlijk vete” inhoudt. Pas in een brief van 12 mei 2008, naar aanleiding van een eerder schrijven van de auditeur-verslaggever, doet verzoeker gelden : “Dit persoonlijk conflict vloeit voort uit het feit dat deze laatste zich destijds hardnekkig, doch vergeefs, verzette tegen een voor mij gunstige beslissing van de bestuursorganen van de Universiteit. Dit verzet gaf aanleiding tot herhaalde telefonische contacten”. Verzoeker beperkt zich op die manier opnieuw enkel tot vage beweringen, die niet in het minst aannemelijk worden gemaakt. Dergelijke beweringen volstaan niet om te besluiten dat er tussen verzoeker en de regeringscommissaris bij de Universiteit Antwerpen, sprake is van een dusdanige animositeit, dat een schijn van partijdigheid voorhanden is. Verzoeker blijft steeds erg op de vlakte: hij geeft niet aan waaruit die vete met de regeringscommissaris precies zou bestaan, hoe deze zich voordien veruitwendigd heeft, over welke beslissing het precies ging. Op grond van de uiteenzetting van verzoeker in de memorie van wederantwoord -zélfs rekening houdend met het aanvullend schrijven aan de auditeur-verslaggever- kan niet worden besloten tot enige negatieve vooringenomenheid van de zijde van de regeringscommissaris bij de Universiteit Antwerpen in dezen. Om dezelfde reden is van een schending van de rechten van verdediging geen sprake. XII-4360-22/24 In de laatste memorie wijst verzoeker op een geschil met betrekking tot zijn aanvraag tot cumulatie van zijn onderwijsopdracht met een advocatenpraktijk. Ofschoon hij toelating kreeg voor deze nevenactiviteit, ging de regeringscommissaris in beroep, waarna de raad van bestuur toch de goedkeuring gaf. Omtrent die zaak ontstond er derhalve volgens verzoeker tussen 1995 en 1999 telkenjare een regelrechte confrontatie tussen hem en de regeringscommissaris, die hem toelaat een negatief vooroordeel te veronderstellen. Daargelaten nog of verzoeker met die bijkomende uitleg ter dege een “persoonlijke” vete zou aantonen tussen hem en de regeringscommissaris, mag de Raad van State er geen rekening mee houden. Waar het zevende middel als gezien ontvankelijk mocht worden aangevoerd in de memorie van wederantwoord, viel het verzoeker toe om op dat ogenblik alle dienstige argumenten aan te brengen die de vooringenomenheid van de regeringscommissaris konden aantonen. Zeker nu hij er nog eens extra over werd aangeschreven door de auditeur-verslaggever en zelfs dan op de vlakte is gebleven, is elke aanvulling die verzoeker nog wenst te bieden in een laatste memorie waarop noch de auditeur, noch de verwerende partij in de schriftelijke procedure kunnen stelling nemen, laattijdig en dus onontvankelijk. Het zevende middel is ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-4360-23/24 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig april 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4360-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.582 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div