← België

Arrest 192583 - Diploma’s - 23/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.583 Rolnummer: A. 167685/XII-4577 Zaak: Arrest 192583 - Diploma's - 23/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-04 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:01 Fiche Arrest nr 192.583 van 23 april 2009 Onderwijs en cultuur - Diploma's Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.583 van 23 april 2009 in de zaak A. 167.685/XII-

  1. In zake : Koen BUYSSE, die woonplaats kiest bij advocaat D. Matthys, kantoor houdende te Gent, Sint-Annaplein 34 tegen : de VZW INSTITUUT VOOR VOEDING, die woonplaats kiest bij advocaat Chr. Tijsebaert, kantoor houdende te Brugge, Gulden Vlieslaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Koen Buysse op 10 november 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 8 september 2005 van de delibererende klassenraad van het zevende specialisatiejaar van het Instituut voor Voeding vzw, waarbij hem een oriënteringsattest C wordt toegekend; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur J. Neuts; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 12 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-4577-1/13 Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Matthys, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat D. Van Steenkiste, die loco advocaat Chr. Tysebaert verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur J. Neuts bij beslissing van 31 oktober 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
  3. Verzoeker is voor het schooljaar 2004-2005 ingeschreven in het derde leerjaar van de derde graad bakkerijtechnieken aan de Bakkerij-, Slagerij- en Hotelschool Ter Groene Poorte te Sint-Michiels (Brugge). Op 30 juni 2005 ontvangt verzoeker zijn jaarrapport, waaruit blijkt dat hij een totaalpercentage van 65,7% heeft behaald, uitgesplitst als volgt: 62% voor theorie en 71,6% voor praktijk. Geen enkel vak vermeldt een onvoldoende : verzoeker scoort voor zijn vakken tussen 51% en 77%. In de rubriek “opmerkingen en raadgevingen” van dat jaarrapport staat vermeld: “Niet geslaagd voor de geïntegreerde proef”. Verzoeker wordt een oriënteringsattest C toegekend. Het individueel syntheseblad vermeldt over verzoeker : “Niet geslaagd voor de GIP (monografie + Stage) Examencommissie adviseert negatief. Deliberatievergadering sluit zich hierbij aan”. 1.
  4. Bij brief van 6 juli 2005 laten de pedagogisch directeur en algemeen directeur van de betrokken onderwijsinstelling aan verzoekers ouders weten : XII-4577-2/13 “Tijdens een onderhoud i.v.m. uw zoon op 5 juli 2005, in aanwezigheid van de heer Moïs Deroose, pedagogisch directeur en de heer Hendrik Deschacht, stageverantwoordelijke, heeft u uw argumenten uiteengezet. De directie heeft na verdere beraadslaging beslist dat de aangebrachte elementen geen nieuwe bijeenkomst van de delibererende klassenraad rechtvaardigen. Wij blijven bij de beslissing die genomen werd tijdens de delibererende klassenraad”. 1.
  5. Op 12 juli 2005 stelt de raadsman van verzoeker beroep in bij de beroepscommissie. Onder meer herinnert hij aan de motiveringsplicht, stelt hij vast in de beslissing geen motivering terug te vinden, voert hij een schending aan van de rechten van verdediging omdat aan verzoeker nooit de motivatie is meegedeeld zodat hij zich niet ernstig voor de beroepscommissie kan verweren, ook al omdat hij geen inzicht heeft gekregen van de onderdelen van de geïntegreerde proef (GIP) waarvoor hij niet geslaagd zou zijn. Hij vraagt nadere inzage in bepaalde stukken. Hij wijst er vooralsnog op, voor alle vakken een voldoende te hebben behaald, dat zijn stage een goed verloop kende, dat zijn werk naar behoren was ingediend en dat hij voor het onderdeel Engels de toegekende punten betwist. De voorzitter van de beroepscommissie laat per brief van 29 augustus 2005 aan verzoeker weten dat hij “na het heropenen van de school na de gebruikelijke zomervakantie” kennis heeft genomen van het beroepschrift van verzoeker en dat deze laatste wordt uitgenodigd om zijn “verweermiddelen mondeling toe te lichten ter zitting van de interne beroepscommissie dd 31.08.2005 om 11.30u”. Van die zitting van de interne beroepscommissie wordt een verslag opgesteld. Het handgeschreven verslag vermeldt een betwisting over de gepresteerde stage-uren en over de resultaten van de monografie, voor het vak Engels. De beroepscommissie “beslist om het dossier van [verzoeker] door te geven aan het schoolbestuur”. 1.
  6. Een beslissing, vervolgens, van het schoolbestuur ligt niet voor. Alleszins blijkt de delibererende klassenraad opnieuw te zijn samengekomen, want met aangetekend schrijven van 20 september 2005 geeft de pedagogisch directeur van de betrokken onderwijsinstelling aan verzoeker te kennen : “De interne beroepscommissie heeft op woensdag 31 augustus 2005 beslist de delibererende klassenraad opnieuw [te] laten samenkomen op donderdag 8 september
  7. De delibererende klassenraad nam kennis van het besluit van de interne beroepscommissie en oordeelde als volgt: XII-4577-3/13 De delibererende klassenraad bevestigt de beslissing genomen op de klassenraad van 30 juni 2005 (niet geslaagd). Motivering: niet geslaagd voor de geïntegreerde proef. Deze geïntegreerde proef bestaat uit drie onderdelen: de monografie, de stage en de praktische proef. De examencommissie stelde vast dat u zowel voor de monografie als voor de stage een onvoldoende haalde. Hierdoor beantwoordde u niet aan de vereiste eindtermen, specifiek voor een specialisatie 7de jaar. De bezwaren zoals geuit door Mr. De Keyzer tijdens de zitting van de interne beroepscommissie zijn niet overtuigend en doen geen afbreuk aan het oordeel van de onafhankelijke en onpartijdige examencommissie. Het al of niet geslaagd zijn in de geïntegreerde proef speelt altijd een zeer belangrijke rol bij de eindbeslissing, zoals behoorlijk ter kennis gebracht bij wege van het schoolreglement”. Beroepsmogelijkheden worden in deze kennisgeving niet vermeld. De ontvankelijkheid van het beroep 2.
  8. De verwerende partij betwist in haar memorie van antwoord het (actueel) belang van verzoeker. Zij werpt op dat verzoeker “zich immers klaarblijkelijk zonder enig probleem [heeft] kunnen integreren op de arbeidsmarkt, dit quasi onmiddellijk na het beëindigen van zijn studie. Het volstaat dan ook om te concluderen dat hierdoor het belang van verzoekende partij is verdwenen”. Zij voegt daar nog aan toe dat verzoeker “enkel een platonisch geschil [wenst] te voeren, zonder enig praktisch oogmerk en met motieven van puur principiële en klaagzuchtige aard”. Beroepen gesteund op loutere klaagzucht zijn onontvankelijk, aldus nog verwerende partij. 2.
  9. Geheel terecht antwoordt verzoeker in zijn memorie van wederantwoord dat de bestreden beslissing hem het studiegetuigschrift ontzegt van het zevende specialisatiejaar, waarop hij aanspraak maakt, en dat hij met het voorliggend beroep het voordeel nastreeft -en mag nastreven- dat de klassenraad zich na een eventuele nietigverklaring opnieuw over zijn studieresultaten zal moeten uitspreken, met de bijbehorende kans dat hij alsnog het aanvullend studie- getuigschrift verwerft. De exceptie faalt. De gegrondheid van het beroep
  10. In het inleidend verzoekschrift voert verzoeker drie middelen aan. Enkel het eerste middel is besproken in het auditoraatsverslag. XII-4577-4/13 Standpunt van de partijen
  11. In het eerste middel roept verzoeker de schending in van artikel 5, §§ 5, 6 en 8, van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 houdende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (het organisatiebesluit), alsmede van de materiële motiveringsplicht. Volgens verzoeker bevat de motivering niets meer dan wat op al even ontoereikende manier door de delibererende klassenraad op 30 juni 2005 was vooropgesteld. Ofschoon de beroepscommissie het nodig vond de zaak terug te sturen naar de klassenraad, beperkt deze zich tot nietszeggende algemeenheden en stijlformules, die hem geenszins in staat stellen te begrijpen waarom deze beslissing hem te beurt is gevallen. Het blijft een raadsel waarom hij een onvoldoende behaalde voor de monografie en de stage; uit geen enkele overweging kan worden achterhaald waarom zijn bezwaren niet overtuigen; het blijft een onopgeloste vraag wat de impact is van de onvoldoende cijfers voor de monografie en de stage op de integrale beoordeling, zeker wanneer acht wordt geslagen op de andere in de loop van het jaar behaalde punten die helemaal niet ongunstig zijn.
  12. Verwerende partij antwoordt in de memorie van wederantwoord dat het middel enkel ontvankelijk is uit het oogpunt van artikel 5, § 8, van het organisatiebesluit omdat niet wordt toegelicht waarom de paragrafen 5 en 6 geschonden zouden zijn. Ten gronde antwoordt verwerende partij dat de delibererende klassenraad niet verplicht is om alle grieven en middelen van verdediging opgeworpen door de betrokkene stuk voor stuk te weerleggen. Het volstaat dat in de beslissing zelf de motieven worden opgenomen die de beslissing kunnen schragen. Uit de beslissing van de delibererende klassenraad is af te leiden dat hij kennis heeft genomen van de argumenten van verzoeker en deze in zijn besluitvorming heeft betrokken. Volgens verwerende partij kon de klassenraad wettig beslissen om verzoeker een C-attest te geven op grond van het niet slagen voor de geïntegreerde proef. Luidens artikel 56 van het organisatiebesluit vormt het resultaat van die proef “een belangrijk element in de beslissing van de delibererende klassenraad”. In het schoolreglement is voorts opgenomen : XII-4577-5/13 “In 6TO en 7TO spelen naast de theorie en de praktijk de resultaten van de GIP een rol. Zo houdt de deliberatievergadering bij haar beslissing ondermeer rekening met het oordeel geformuleerd door de examencommissie van de GIP”. In een eerste tussentijdse evaluatie van 27 oktober 2004 werd verzoeker gewaarschuwd dat het “immers verplicht [is] om in alle delen van de geïntegreerde proef te slagen”. In de tweede tussentijdse evaluatie van 21 januari 2005 werd verzoeker nogmaals er op gewezen “dat het slagen in de geïntegreerde proef verplicht is om geslaagd te zijn voor dit schooljaar”. De resultaten van het vak Engels hebben volgens verwerende partij geen enkele doorslaggevende rol gespeeld. Zelfs indien verzoeker er 20/20 voor zou hebben gekregen, zou zijn eindresultaat voor het onderdeel monografie slechts 246/500 zijn. Ten onrechte stelt verzoeker nog dat hij de stageverplichtingen zou hebben nageleefd, wat het vereiste aantal klokuren betreft.
  13. Wat de ontvankelijkheid van het middel betreft, wijst verzoeker er in de memorie van wederantwoord op dat artikel 5, § 5 en § 6, van het organisatie-besluit slechts de voorwaarden opsommen waaraan dient te worden voldaan met het oog op het doen ontstaan van een behoorlijke motivering. Voorts repliceert verzoeker dat verwerende partij zeer snel tevreden is met loutere stijlformules als motivering, dat hij zich daar echter niet kan bij neerleggen wanneer hij niet weet waarom de bezwaren ontoereikend waren, dat thans in de memorie een poging wordt ondernomen om de beslissing van de klassenraad te motiveren, dat dit te laat is.
  14. Verwerende partij dient een laatste memorie in waarin zij overheen negen bladzijden nogmaals uitlegt en toelicht waarom verzoeker terecht een C-attest heeft gekregen. Zij gaat in detail in op de tekortkomingen van verzoeker in zijn stageverplichtingen. Zij geeft nog nadere uitleg over de taken die verzoeker indiende voor het vak Engels, hoe dit dan terecht in de onvoldoende resulteerde en hoe zelfs een beter resultaat geen invloed zou hebben op de finale beoordeling. XII-4577-6/13 Beoordeling
  15. Artikel 5 van het organisatiebesluit, zoals te dezen samen met de motiveringsplicht aangevoerd, luidt : “[...] §
  16. De delibererende klassenraad zal zich bij zijn beslissingen laten leiden door concrete gegevens uit het dossier van de leerling. Dit dossier bevat, in voorkomend geval : - resultaten van proeven, toetsen of examens die door de leraars van de leerling werden afgenomen; - de resultaten van de geïntegreerde proef; - de beslissingen, vaststellingen en de adviezen van de begeleidende klassenraad. §
  17. Van de beslissingen van de delibererende klassenraad wordt een pro- ces-verbaal opgemaakt en worden er notulen gehouden. Het proces-verbaal bevat de lijst van de geslaagde en niet geslaagde leerlingen. De notulen bevatten een synthese van de elementen die tot de beslissingen hebben geleid, waaronder eventueel het resultaat van een stemming. Zowel het proces-verbaal als de notulen worden door de voorzitter en drie leden van de raad ondertekend. De processen-verbaal en de notulen dienen gedurende dertig jaar bewaard. [...] §
  18. Adviezen en beslissingen van de delibererende klassenraad moeten steeds gemotiveerd zijn”. “Het resultaat van de [geïntegreerde] proef zal een belangrijk element betekenen in de beslissing van de delibererende klassenraad”, aldus nog artikel 56, § 2, vijfde lid, van het organisatiebesluit. Artikel 57 preciseert : “Onverminderd de bepalingen van artikel 56, is het met vrucht beëindigen van leerjaren van het voltijds secundair onderwijs niet noodzakelijk gebonden aan het slagen voor afzonderlijke toetsen, examens of proeven over een deel of het geheel van de vorming [...]”. 9.
  19. Verwerende partij tracht verzoeker het belang bij dit middel te ontzeggen, omdat de betwisting die verzoeker voert, geen invloed zou hebben op het eindresultaat, vermits zij zichzelf en haar leerlingen in de betrokken studierichting heeft opgelegd dat slagen in elk van de onderdelen van de GIP een voorwaarde is om voor het geheel van de studie te kunnen slagen. 9.
  20. Verwerende partij heeft inderdaad in een toelichtende tekst betreffende de “geïntegreerde proef 7e technische bakkerijtechnieker 2004-2005” (stuk nr. 12 van het administratief dossier) opgenomen dat “slagen in elk van de vermelde delen [...] een voorwaarde [is] om bij deliberatie door de examencommissie als geslaagd te worden aangezien”. XII-4577-7/13 Vooreerst moet de Raad van State vaststellen dat deze tekst in tegenspraak lijkt te zijn met het eigen schoolreglement (stuk nr. 24 van het administratief dossier), waarin zulk een voorschrift niet terug te vinden is maar waar integendeel is te lezen : - op bladzijde 31, punt 2.15.2.
  21. (deliberatienormen TSO) dat de resultaten van de GIP, “naast de theorie en de praktijk”, “een” rol spelen en dat de deliberatievergadering “ondermeer” rekening houdt met het oordeel geformuleerd door de examencommissie van de GIP; - op bladzijde 37-38, punt 4.
  22. (de geïntegreerde proef) dat het verplicht is “om alle onderdelen uit te werken of er aan mee te doen” en onder de rubriek “slagen in de geïntegreerde proef” : “Op het eind van het schooljaar geeft de examencommissie een richtinggevend advies aan de delibererende klassenraad. Dit advies kan zijn : geslaagd, niet geslaagd of voorstel voor bijkomende proeven voor bepaalde onderdelen. Het eindoordeel wordt gevormd door de delibererende klassenraad”. Artikel 56 van het organisatiebesluit, dat het resultaat voor de GIP als “een belangrijk element” kwalificeert, artikel 57 van hetzelfde besluit en het schoolreglement spreken alleszins niet tegen dat aan de resultaten voor de GIP een zodanig belang wordt toegemeten dat het in grote mate het eindresultaat van de leerling bepaalt. Het moeten slagen in de GIP, meer nog : in elk onderdeel van de GIP, stellen als een absolute, vooraf vastgestelde en algemeen geldende voorwaarde voor een gunstig resultaat, vindt evenwel geen steun in de hiervoor geciteerde regelgeving die steeds uitgaat van een concrete beoordeling door de delibererende klassenraad van elke leerling en het geheel van zijn prestaties, op basis van zijn individueel dossier, zodat moet worden aangenomen dat verwerende partij zichzelf en haar leerlingen deze “voorwaarde” hoe dan ook maar kan opleggen in de vorm van een niet-bindende richtlijn. Er anders over oordelen, zou betekenen dat de essentie van het delibereren - beraadslagen, overleggen, overdenken - volkomen verloren gaat. Delibereren zou - in die zin geïnterpreteerd - verworden tot een louter mathematische benadering van de resultaten van verzoeker. Delibereren - in de werkelijke zin van het woord - zou gewoonweg niet meer aan de orde zijn: een leerling die voor alle onderdelen geslaagd is, is meteen voor het geheel geslaagd; een leerling die niet voor alle onderdelen geslaagd is, is meteen ook voor het geheel van de proef niet geslaagd. Door blinde toepassing van de bedoelde richtlijn, zou de XII-4577-8/13 delibererende klassenraad derhalve de hem opgedragen bevoegdheid miskennen, namelijk oordelen of een leerling geslaagd of niet geslaagd is door afweging van - alle - concrete gegevens van het dossier van de leerling. Verwerende partij kan zich bijgevolg niet op die richtlijn beroepen om verzoeker belang bij het middel te ontzeggen. 9.
  23. Meer nog. Mocht immers blijken, zoals verwerende partij in haar exceptie thans laat uitschijnen, dat de delibererende klassenraad toch louter op grond van de aangevoerde richtlijn tot de bestreden beslissing was gekomen, zou reeds de gegrondheid van het middel vaststaan. Te dezen valt een dergelijke wijze van besluitvorming uit de bestreden beslissing evenwel niet af te leiden, aangezien de delibererende klassenraad integendeel, sporend met het organisatiebesluit en met het schoolreglement, opmerkt dat het resultaat van de GIP “een zeer belangrijke rol bij de eindbeslissing” speelt. 9.
  24. Verwerende partij betoogt voorts dat ook meer concreet de resultaten van verzoeker op de GIP zelfs met het maximum van de punten voor het onderdeel Engels, hoe dan ook onvoldoende en ondelibereerbaar zouden blijven. Zij gaat er dan evenwel nog steeds aan voorbij dat het resultaat van de GIP, hoe belangrijk ook, niet het enige element is dat in overweging moet worden genomen. Thans aannemen, zoals verwerende partij doet, dat een betwisting van alleen het sub-onderdeel “Engels” geen wezenlijke invloed zou hebben in de eindbeoordeling, is dan ook vooruitlopen op de zaken. Mocht de Raad van State de stelling van verwerende partij bijvallen, dan stelt hij zich meteen in de plaats van de autonoom delibererende klassenraad, die terzake over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt. De Raad zou daarmee zelf in de beoordeling van de concrete gegevens van verzoekers dossier treden, wat hem evenwel niet toekomt. Wat het onderdeel “stage” betreft, moet dan weer worden opgemerkt dat verzoeker - in tegenstelling tot wat in de motivering van de bestreden beslissing wordt gesteld - wél voldoende blijkt te hebben gescoord, namelijk 230 op 300 punten, ofwel 76,67% en dat de onvoldoende wegens “te weinig stagedagen” door hem wordt betwist. Verzoeker heeft dus ook zo gezien, wel degelijk belang bij dit middel. XII-4577-9/13
  25. Tegen de beslissing van de delibererende klassenraad om aan verzoeker een oriënteringsattest C te geven is binnen de school de beroepsprocedure gevolgd die is georganiseerd in de artikelen 68 en volgende van het organisatie- besluit. Die procedure biedt een leerling het recht om de hem betreffende beslissing te betwisten en vereist, ingeval hij in zijn betwisting volhardt, de tussenkomst van een beroepscommissie. Wil een dergelijke administratieve beroepsprocedure zinvol zijn, dan dient ze er op gericht te zijn een antwoord te verschaffen op de elementen die een bestuurde tegen een voor hem ongunstige beslissing aanbrengt. Zelfs als moet worden aangenomen dat in het kader van de (formele) motiveringsplicht de overheid niet verplicht is te antwoorden op élk voor haar aangevoerd argument, dan moet uit de beslissing toch blijken dat de bezwaren van de leerling daadwerkelijk in de nieuwe beoordeling werden betrokken en waarom de argumenten welke van aard zijn, mochten ze gegrond zijn, aan de leerling een kans te geven op een gunstiger resultaat, niet werden aanvaard. Verwerende partij verliest bijgevolg uit het oog, wat de draag- wijdte van de op haar rustende motiveringsplicht betreft, dat hier een geval voorligt waarin de delibererende klassenraad na advies van de beroepscommissie op vraag van het schoolbestuur opnieuw moet samenkomen nadat zijn oorspronkelijke beslissing binnen het raam van de in het organisatiebesluit geregelde beroeps- procedure door de leerling met een gemotiveerd bezwaarschrift is aangevochten. Dan moet die klassenraad er extra zorgvuldig op toezien hoe hij in de veruitwendigde motieven van zijn eindbeslissing de door hem gemaakte afweging doet blijken.
  26. De beroepscommissie heeft kennis gekregen van het uitgebreid gemotiveerd bezwaarschrift van verzoeker én, blijkens het verslag van de beroeps- commissie, van bijkomende bezwaren tijdens de hoorzitting. De beroepscommissie heeft die bezwaren zelf niet beantwoord -laat staan weerlegd- maar enkel het dossier “doorgegeven” aan het schoolbestuur. Het viel dan ook aan de opnieuw samengeroepen delibererende klassenraad toe om kennis te nemen van de grieven en er op te antwoorden, wat hij deed als volgt : “Motivering: niet geslaagd voor de geïntegreerde proef. Deze geïntegreerde proef bestaat uit drie onderdelen: de monografie, de stage en de praktische proef. De examencommissie stelde vast dat u zowel voor de monografie als voor de stage een onvoldoende haalde. Hierdoor beantwoordde u niet aan de vereiste eindtermen, specifiek voor een specialisatie 7de jaar. XII-4577-10/13 De bezwaren zoals geuit door Mr. De Keyzer tijdens de zitting van de interne beroepscommissie zijn niet overtuigend en doen geen afbreuk aan het oordeel van de onafhankelijke en onpartijdige examencommissie. Het al of niet geslaagd zijn in de geïntegreerde proef speelt altijd een zeer belangrijke rol bij de eindbeslissing, zoals behoorlijk ter kennis gebracht bij wege van het schoolreglement”. Door enkel vast te stellen dat verzoeker voor de monografie en voor de stage een onvoldoende behaalde, schiet de delibererende klassenraad tekort in de motiveringsplicht. Verzoeker heeft immers die quoteringen betwist, zodat niet kan worden volstaan met een louter herbevestigen van het resultaat. Voorts, nu niet aangenomen is dat het slagen op de geïntegreerde proef hoe dan ook is vereist om het studiegetuigschrift te kunnen behalen, ziet de Raad geen reden om af te wijken van zijn in menig arrest geargumenteerde visie op artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit, welke er op neer komt dat de delibererende klassenraad bij zijn beraadslaging rekening moet houden met álle elementen van het dossier van de leerling: te dezen niet alleen de geïntegreerde proef, maar ook de resultaten voor dagelijks werk, examens en stage. De correcte, maar algemene vaststelling in de bestreden beslissing dat het niet geslaagd zijn voor de GIP een zeer belangrijke rol speelt, bewijst niet dat de klassenraad te dezen effectief met alle concrete gegevens van het dossier rekening heeft gehouden, alhoewel verzoeker in zijn bezwaarschrift uitdrukkelijk wijst op het gunstige resultaat van al zijn andere theorie- en praktijkvakken. De “motivering” dat de bezwaren geuit door verzoekers raadsman, “niet overtuigend [zijn] en geen afbreuk doen aan het oordeel van de onafhankelijke en onpartijdige examencommissie” houdt evenmin een concreet antwoord in op verzoekers bezwaren. Dergelijke “motivering” is een passe-partout in de ware zin van het woord. Die zinsnede kan ieder bestuur in elk beroep hanteren, maar het levert de bestuurde in zijn concrete geval geen inzicht waarom die argumentatie dan niet overtuigend was en de delibererende klassenraad niet tot een ander oordeel kon brengen.
  27. Verwerende partij verwijst in dat verband trouwens zonder nut naar verklaringen in het administratief dossier van individuele leerkrachten, waaruit zou moeten blijken dat het “verweer” van verzoeker in de vergadering van de delibererende klassenraad werd besproken én weerlegd. Het enige terzake bevoegde orgaan om te oordelen over het al dan niet slagen van verzoeker, is immers de XII-4577-11/13 delibererende klassenraad. Het was dan ook zaak van die delibererende klassenraad om in zijn notulen de motieven van de beslissing op te nemen, motieven die er in dit specifieke geval dienden op gericht te zijn de bezwaren van verzoeker in het kader van de georganiseerde beroepsprocedure te beantwoorden. Verklaringen van individuele leerkrachten achteraf kunnen niet worden toegeschreven aan de delibererende klassenraad. Dezelfde opmerking geldt het uitvoerig en geconcretiseerd betoog van verwerende partij in de laatste memorie. De Raad mag daarmee geen rekening houden, aangezien dit geen motivering is die binnen het raam van de beroeps- procedure aan verzoeker kenbaar is gemaakt op de plaats en de wijze zoals het hoort en die, post factum neergeschreven zijnde, evenmin aan de autonoom delibererende klassenraad kan worden toegeschreven.
  28. Het eerste middel is in de besproken mate ontvankelijk en gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  29. Vernietigd wordt de beslissing van 8 september 2005 van de delibererende klassenraad van het zevende specialisatiejaar van het Instituut voor Voeding vzw, waarbij aan Koen Buysse een oriënteringsattest C wordt toegekend. Artikel
  30. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verwerende partij. XII-4577-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig april 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4577-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.583 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.