id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.584 Rolnummer: A. 159629/XII-4376 Zaak: Arrest 192584 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 23/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-06 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-30 03:01 Fiche Arrest nr 192.584 van 23 april 2009 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.584 van 23 april 2009 in de zaak A.159.629/XII-
- In zake : Jan VANDOREN, wonende te Riemst, Koekoekstraat 15 tegen :
- De VLAAMSE GEMEENSCHAP,
- De VZW VRIJ TECHNISCH INSTITUUT. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan Vandoren op 31 januari 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen “van de beslissing van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Beleidsuitvoering Personeel Secundair Onderwijs [van 3 december 2004,] waarbij de aanvraag tot voortijdige beëindiging van de volledige loopbaanonderbreking van verzoeker niet wordt toegestaan”; Gelet op het arrest nr. 144.480 van 17 mei 2005 waarbij de afstand van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt vastgesteld; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 9 september 2005 ingediend door verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-4376-1/6 Gelet op de beschikking van 12 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Smeets, die verschijnt voor verzoeker, van adviseur M. Broucke, die verschijnt voor eerste verwerende partij, en van advocaat K. Debergh, die loco advocaat L. Forier verschijnt voor tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak 1.
- Verzoeker is sinds 1 januari 2001 vast benoemd als leraar secundair onderwijs en in die hoedanigheid verbonden aan het Vrij Technisch Instituut (VTI) te Hasselt. Op 1 september 2004 dient hij bij het VTI een aanvraag in voor volledige loopbaanonderbreking voor de periode van 1 september 2004 tot 31 augustus 2005, hetgeen hem wordt toegestaan. 1.
- Met het daartoe bestemd formulier (rubriek 1) door hem ondertekend op 15 november 2004, vraagt verzoeker de bevoegde minister om voortijdige beëindiging van zijn volledige loopbaanonderbreking vanaf 24 december 2004, met als opgegeven motivering : “uitzonderlijke familiale omstandigheden”. In rubriek 2 van datzelfde aanvraagformulier verklaart het VTI niet akkoord te kunnen gaan met de voortijdige beëindiging van de loopbaanonder- breking met als reden : “De inrichtende macht krijgt van het betrokken personeelslid XII-4376-2/6 geen argumenten waaruit blijkt dat er sprake is van uitzonderlijke familiale redenen”. In rubriek 3 van hetzelfde formulier wordt “namens de Vlaamse minister” door de administratie vermeld dat, “gelet op het standpunt van de I.M.”, geen toelating voor voortijdige beëindiging van loopbaanonderbreking wordt gegeven. 1.
- Op 3 december 2004 deelt de administratie aan het VTI mee dat de voortijdige beëindiging van de volledige loopbaanonderbreking van verzoeker niet wordt toegestaan, “Gelet op het feit dat de Inrichtende Macht haar akkoord niet verleende, en rekening houdend met haar argumentatie”. Bij brief van 8 december 2004 deelt dan het VTI de voornoemde beslissing aan verzoeker mee. De procedure
- Het VTI, tweede verwerende partij, verzoekt om buiten de zaak te worden gelaten omdat de bestreden beslissing uitgaat van de Vlaamse Gemeenschap als bevoegde overheid. Het auditoraatsverslag valt verzoeker bij, waar deze wijst op de omstandigheid dat de houding van het schoolbestuur een weerslag kan hebben op de inhoudelijke beslissing van de minister, dat de minister krachtens de toepasselijke reglementering zelfs de gevraagde toelating enkel mag verlenen voor zover het schoolbestuur er zijn akkoord mee betuigt, en dat de minister te dezen zijn weigering motiveert door een verwijzing naar dit geweigerd akkoord zodat hij het VTI dan ook terecht mede als verwerende partij heeft aangesproken. Het VTI doet vervolgens geen moeite om die zienswijze nog tegen te spreken; nagelaten wordt zelfs om een laatste memorie in te dienen. In die omstandigheden neemt de Raad van State aan dat de tweede verwerende partij niet langer aandringt op haar verzoek om buiten de zaak te worden gelaten. XII-4376-3/6 De rechtsmacht van de Raad van State Standpunt van de partijen
- In haar memorie van antwoord werpt het VTI op dat de aangevochten beslissing een geschil inzake burgerlijke rechten betreft, zodat de Raad van State te dezen onbevoegd is. Betoogd wordt dienaangaande dat het personeel in het vrij onderwijs zich in een contractuele rechtsverhouding met zijn werkgever bevindt en dat de Vlaamse Gemeenschap -eerste verwerende partij- te dezen met de bestreden rechtshandeling uitspraak heeft gedaan over het burgerlijk recht van verzoeker dat voortvloeit uit zijn arbeidsovereenkomst met de vzw VTI, met name het recht om zijn loopbaan vroegtijdig te beëindigen. In haar laatste memorie sluit de Vlaamse Gemeenschap, eerste verwerende partij, zich aan bij deze exceptie. Verzoeker van zijn kant laat in de memorie van wederantwoord de exceptie onbesproken. Ook nadat ze in het auditoraatsverslag wordt bijgevallen, gaat verzoeker er niet op in middels een laatste memorie. Hij beperkt er zich toe de voortzetting te vragen van het geding met de opmerking dat hij “zich wenst te houden aan zijn vroegere stellingname”. Beoordeling
- Artikel 17, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 16 december 1997 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medische- sociale centra, zoals het toepasselijk was ten tijde van de bestreden beslissing, luidt : “Om uitzonderlijke familiale redenen en mits een opzegging van één maand, kan het personeelslid dat zijn loopbaan onderbroken heeft, van de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs of van zijn gemachtigde de toelating krijgen om zijn ambt opnieuw op te nemen of opnieuw volledig uit te oefenen vooraleer de periode van onderbreking van de beroepsloopbaan is verstreken. Deze opzegging moet worden gericht aan de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs : [...] 2/ door tussenkomst en met akkoord van de inrichtende macht in het gesubsidieerd onderwijs [...]”. XII-4376-4/6
- Verzoeker, die als leraar is tewerkgesteld in het vrij gesubsidieerd onderwijs, betwist niet dat de rechtsverhouding tussen hem en zijn school krachtens artikel 31 van het decreet van 27 maart 1991 personeelsleden gesubsidieerd onderwijs is ontstaan door een overeenkomst, zodat die rechtsverhouding van contractuele aard is en het bij een betwisting daarover om een geschil over burger- lijke rechten gaat waarover een beroep bij de gewone rechter openstaat. De beslissing om een eerder aan verzoeker toegestane onder- breking van de beroepsloopbaan vervroegd te beëindigen en zijn ambt opnieuw op te nemen of opnieuw volledig uit te oefenen vooraleer de periode van onderbreking van de beroepsloopbaan is verstreken, is een beslissing waarbij de minister -of zijn gemachtigde- uitspraak doet over de uit de overeenkomst tussen partijen voortvloeiende wederzijdse rechten en verplichtingen, zonder dat dit iets verandert aan de juridische aard van de betrekkingen die ten gevolge van de overeenkomst tussen het personeelslid en zijn werkgever zijn ontstaan, zodat het geschil in wezen betrekking blijft hebben op de toepassing van de overeenkomst. Door zich bevoegd te verklaren om kennis te nemen van de voorliggende beslissing, zou de Raad van State wezenlijk uitspraak doen over die contractuele verhouding en aldus artikel 144 van de Grondwet schenden. Hieruit volgt dat de beslissing van de minister wat de rechtsmacht van de Raad van State betreft, niet kan worden afgesplitst van de onderliggende betwisting. De contractuele aard van verzoekers arbeidsverhouding met het schoolbestuur, impliceert noodzakelijkerwijs dat ook de minister te dezen een beslissing neemt over de uitvoering van die overeenkomst, hetgeen al even noodzakelijk tot de vaststelling leidt dat het de Raad van State niet toekomt om van het geschil over die beslissing kennis te nemen. De exceptie is gegrond. De kosten
- De Raad van State stelt vast dat het schrijven van 3 december 2004, waarbij de Vlaamse Gemeenschap de weigering ter kennis brengt aan het XII-4376-5/6 schoolbestuur met de vraag “kopie van dit schrijven over te maken aan betrokkene”, besluit met de mededeling dat betrokkene tegen deze beslissing beroep kan aantekenen bij de Raad van State binnen zestig dagen en aangetekend. Nu verzoeker door dit schrijven misleid is geworden, past het dat de kosten van het geding ten laste van de Vlaamse Gemeenschap worden gelegd. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de Vlaamse Gemeenschap. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig april 2009, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4376-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.584 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.144.480 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.