id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.586 Rolnummer: A. 163150/VII-34125 Zaak: Arrest 192586 - Milieuvergunningen - 23/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-04 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:01 Fiche Arrest nr 192.586 van 23 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.586 van 23 april 2009 in de zaak A. 163.150/VII-34.125. In zake : de BVBA HALTERMANN, die woonplaats kiest bij advocaat B. DELTOUR, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-84. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA HALTERMANN op 6 juni 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : - het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 5 april 2005 houdende uitspraak over een aanvraag ingediend door de verzoekende partij strekkende tot enerzijds het wijzigen van de bijzondere milieuvergunningsvoorwaarde in de lopende vergunning verleend bij ministerieel besluit van 6 juni 2003 en anderzijds het verkrijgen van een afwijking van artikel 5.2.3.2.6, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, met name in zoverre het besluit de aanvraag tot afwijking van art. 5.2.3.2.6, § 1, van Vlarem II weigert en van - het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 5 april 2005 houdende uitspraak over een aanvraag ingediend door de verzoekende partij strekkende tot het verkrijgen van een afwijking van artikel 5.2.3.2.6, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne; VII-34.125-1/19 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 27 januari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 februari 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DELLOYE die loco advocaat B. DELTOUR verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat P. VANDENDAEL die loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij exploiteert een chemisch bedrijf aan de Ketenislaan in Kallo. De lopende milieuvergunning werd in eerste aanleg verleend op 7 juni 2001, en in beroep op 4 december 2001. Het onderdeel waarover de betwisting gaat, is een naverbrandings- installatie die in de beslissing van 4 december 2001 werd vergund voor een termijn op proef van twee jaar, waarna zij op 6 juni 2003 definitief werd vergund. In deze installatie worden afvalwaters, voornamelijk afkomstig van de reiniging van installaties en tanks, verdampt/verbrand. Aanvankelijk was de verbrandingsinstallatie enkel vergund onder rubriek 43.1, 3/, volgens de indelings- lijst van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende VII-34.125-2/19 vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I). In de vergunning van 6 juni 2003 wordt de installatie op initiatief van de verwerende partij ook vergund onder rubriek 2.3.4, k), waardoor voortaan ook subafdeling 5.2.3.2 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II) van toepassing is. 1.2. Op 17 december 2004 dient de verzoekende partij een aanvraag in tot "afwijking (conform art. 1.1.2. Vlarem II en art. 45 van Vlarem I) van de milieuvoorwaarden op de vergunning van Haltermann BVBA". 1.2.1. De aanvraag bevat drie luiken : I. Er wordt een afwijking gevraagd van de sectorale voorwaarden bepaald in artikel 5.2.3.2.6, § 1, 1/, a),
- b)en c), van Vlarem II. In de aanvraag wordt blijkbaar aangenomen dat deze afwijking enkel kan worden verleend door de Vlaamse minister bevoegd voor leefmilieu, bij toepassing van artikel 1.2.2.1 van Vlarem II, ongeacht welke overheid bevoegd is voor het verlenen of wijzigen van de milieuvergunning. De genoemde Vlarem II - bepaling luidt als volgt : "Art. 5.2.3.2.6, §1. Op initiatief en op kosten van de exploitant worden de volgende metingen verricht: 1/ concentraties van bepaalde stoffen in rookgassen:
- a)continu gemeten en geregistreerd: de concentraties van stofdeeltjes totaal, CO, HCl, HF, SO2 en organische stoffen;
- b)ten minste twee keer per jaar: de concentratie van NOx;
- c)ten minste twee keer per jaar en gedurende de eerste twaalf maanden na de inbedrijfstelling om de twee maanden: 1) de concentraties van de zware metalen; 2) de concentratie van dioxinen en furanen; (...)". De verzoekende partij wil de toepassing van deze sectorale voorwaarden vervangen door : - driemaandelijkse meting van stof, CO, SO2, NOx, nikkel, vanadium en van organische stoffen; - jaarlijkse meting van dioxinen, furanen, HCl, HF en zware metalen. II. Er wordt gevraagd de in de milieuvergunning van 6 juni 2003 opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarden inzake de tijdsplanning voor de sanering van de luchtemissies te wijzigen. VII-34.125-3/19 III. Er wordt gevraagd de bijzondere voorwaarden van de milieuvergunning aan te vullen, door bij toepassing van artikel 21, § 1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergun- ningsdecreet) en artikel 45 van Vlarem I, bovenop de afwijking van het eerste luik, bij toepassing van artikel 5.2.3.2.6, § 1, l/, d), derde lid, van Vlarem II, een afwijking te verlenen op artikel 5.2.3.2.6, § 1, 1/, d), eerste lid, van Vlarem II. De bevoegde overheid ten tijde van de aanvraag en de bestreden beslissingen is bij toepassing van artikel 21, § 1, tweede lid, van het milieuvergun- ningsdecreet "diegene die in eerste aanleg bevoegd is (voor het verlenen van de milieuvergunning), tenzij een hogere overheid één of meer van de lopende vergunningen heeft verleend of de vergunningsvoorwaarden ervan heeft gewijzigd". Te dezen was de Vlaamse regering bevoegd. Artikel 5.2.3.2.6, §1, 1/, d), van Vlarem II luidt als volgt : "
- d)aanvullend op
- c)moeten de dioxinen en furanen vanaf 1 januari 2004 op continue wijze worden bemonsterd met ten minste tweewekelijkse analyses. Het rapport met de resultaten van die metingen wordt binnen een maand na het einde van de bemonsteringsperiode aan de toezichthoudende overheid bezorgd. Voor de continue bemonstering geldt een drempelwaarde van 0,1 ng TEQ/Nm3. De vergunningverlenende overheid kan, op vraag van de exploitant en op basis van een evaluatieverslag van de toezichthoudende overheid, in de milieuvergunning toestaan dat de continue bemonstering mag worden beëindigd of dat de bemonsterings- en/of analysefrequentie mag worden verminderd. Een minimumvoorwaarde voor het verlenen van die toelating bestaat erin dat er in het voorgaande jaar geen overschrijdingen waren van de emissiegrenswaarde voor dioxinen en furanen (bij periodieke metingen) en van de drempelwaarde (bij continue bemonstering)". De aanpassing die hier wordt gevraagd, is deze van het eerste luik. 1.2.2. De volgende adviezen worden verleend over het eerste luik van de aanvraag : (
- a)het hoofdbestuur van de afdeling Milieuvergunningen adviseert ongunstig; het bestuur Oost-Vlaanderen van de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; (
- b)de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg "sluit (...) zich aan bij de wijsheid van de VMM"; (
- c)de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM) adviseert ongunstig; (
- d)de Vlaamse Milieumaatschappij (hierna : VMM) adviseert gunstig; (
- e)de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert gunstig; (
- f)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert ongunstig. VII-34.125-4/19 1.2.3. De volgende adviezen worden verleend over het derde luik van de aanvraag : (
- a)het hoofdbestuur van de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; (
- b)OVAM adviseert ongunstig; (
- c)de VMM adviseert gunstig; (
- d)de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen adviseert gunstig; (
- e)de afdeling Preventieve en Sociale Gezondheidszorg "sluit (...) zich aan bij de wijsheid van de VMM"; (
- f)de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert ongunstig. 1.3. Op 5 april 2005 worden de twee bestreden beslissingen genomen. 1.3.1. In het eerste bestreden besluit worden het eerste en derde luik geweigerd, en wordt het tweede luik toegestaan. De motivering van de weigeringen luidt in hoofdzaak als volgt : "Overwegende dat artikel 5.2.3.2.6 van titel II van het Vlarem de uitvoering is van artikel 11,1 van de EG-richtlijn 94/67/EG van 16 december 1994 betreffende de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen; dat overeenkomstig deze EG-richtlijn en artikel 5.2.3.6, §3 van titel II van het Vlarem er slechts een afwijkingsmogelijkheid bestaat voor de continue meting van totaal stof, totaal C, HCl, HF en SO2 indien in de vergunning verbranding slechts wordt toegestaan voor gevaarlijke stoffen die geen gemiddelde waarde van die verontreinigde stoffen kunnen veroorzaken welke hoger zijn dan 10% van de emissiegrenswaarden; Overwegende dat uit de metingen blijkt dat voor wat betreft totaal stof de gemeten waarden hoger liggen dan 10% van de emissiegrenswaarde; dat hiervoor dus geen afwijking op de continue metingen mogelijk is; dat voor de overige parameters de meetwaarde wel steeds onder de 10% van de emissie- grenswaarde blijft; Overwegende dat volgens 5.2.3.6, §1, 1/, d de dioxines en furanen op continue wijze dienen bemonsterd te worden met tenminste tweewekelijkse analyses; dat de vergunningverlenende overheid, op vraag van de exploitant en op basis van een evaluatieverslag van de toezichthoudende overheid, in de vergunning kan toestaan dat de continue bemonstering mag worden beëindigd; dat de exploitant vraagt de meetfrequentie vast te leggen op 1 maal per jaar; Overwegende dat op 17 februari 2005 een evaluatieverslag werd opgesteld door de afdeling Milieu-inspectie; dat uit dit verslag blijkt dat geen dioxines en furanen werden aangetroffen in gehaltes hoger dan de emissiegrenswaarde; Overwegende dat artikel 18 van de EG-richtlijn 2000/76/EG de bepalingen van de voormelde richtlijn 1994/67/EG opheft vanaf 28 december 2005; dat er bijgevolg vanaf die datum geen afwijking op de verplichting om continu te meten meer mogelijk zal zijn; dat het dus ook geen zin heeft om deze afwijking nog toe te staan voor deze korte periode; dat er daarenboven door de exploitant nog geen continue metingen werden uitgevoerd en er bijgevolg geen zekerheid over bestaat dat de emissiegrenswaarden wel steeds kunnen gehaald worden; dat er om bovenvermelde redenen dus aanleiding toe bestaat de gevraagde afwijking op de continue metingen te weigeren (...)". VII-34.125-5/19 1.3.2. In het tweede bestreden besluit wordt het eerste luik geweigerd, omdat het een vraag zou zijn die moet worden behandeld volgens de procedure voor het wijzigen of aanvullen van de vergunningsvoorwaarden, en niet volgens de procedure tot individuele afwijking van de voorwaarden van Vlarem II. De motivering luidt in hoofdzaak als volgt : "Overwegende dat artikel 5.2.3.2.6 van titel II van het Vlarem de uitvoering is van artikel 11,1 van de EG-richtlijn 94/67/EG van 16 december 1994 betreffende de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen; dat overeenkomstig deze EG-richtlijn en artikel 5.2.3.6, §3 van titel II van het Vlarem er slechts een afwijkingsmogelijkheid bestaat voor de continue meting van totaal stof, totaal C, HCl, HF en SO2 indien in de vergunning verbranding slechts wordt toegestaan voor gevaarlijke stoffen die geen gemiddelde waarde van die verontreinigde stoffen kunnen veroorzaken welke hoger zijn dan 10% van de emissiegrenswaarden; Overwegende dat uit de metingen blijkt dat voor wat betreft totaal stof de gemeten waarden hoger liggen dan 10% van de emissiegrenswaarde (voor stof wordt de emissiegrenswaarde zelfs een paar keer overschreden); dat hiervoor dus geen afwijking op de continue metingen mogelijk is; dat voor de overige parameters de meetwaarde wel steeds onder de 10% van de emissiegrenswaarde blijft; dat hiervoor wel een afwijking op de continue metingen mogelijk is; dat dit echter niet via een afwijkingsaanvraag dient te gebeuren; dat de voorwaar- den van de milieuvergunning hiervoor dienen te worden aangepast; dat dit met de procedure van artikel 45 van titel I van het Vlarem dient te gebeuren; Overwegende dat hierbij nog kan opgemerkt worden dat artikel 18 van de EG-richtlijn 2000/76/EG van 4 december 2000 de bepalingen van de voormelde richtlijn 1994/67/EG opheft vanaf 28 december 2005; dat er bijgevolg vanaf die datum geen afwijking op de continue metingen meer mogelijk zal zijn (...)"; 2. De ontvankelijkheid 2.1. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als exceptie opwerpt dat de verzoekende partij met één verzoekschrift twee onderscheiden beslissingen van de Vlaamse minister van Openbare werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, beide van 5 april 2005, bestrijdt; dat volgens de verwerende partij een verzoekschrift bij de Raad van State in beginsel slechts één vordering mag bevatten en dat van deze regel enkel kan worden afgeweken indien verscheidene vorderingen een zodanige samenhang vertonen dat het als waarschijn- lijk voorkomt dat vaststellingen gedaan of beslissingen genomen met betrekking tot de ene vordering een weerslag zullen hebben op de uitkomst van de andere, dat in dezen de verzoekende partij op geen enkele wijze in haar verzoekschrift aanduidt waaruit deze samenhang zou blijken, zodat het beroep tot nietigverklaring van de tweede bestreden beslissing onontvankelijk is; 2.2. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van VII-34.125-6/19 wederantwoord antwoordt dat er samenhang is tussen de beide voorwerpen van haar annulatieberoep, dat niettegenstaande er voor de verschillende gevraagde afwijkin- gen procedureel verschillende bepalingen gelden, zij er in samenspraak met de bevoegde administraties voor geopteerd heeft de verschillende afwijkingen te bundelen in één aanvraag, aangezien in de drie gevallen de Vlaamse minister voor Leefmilieu de bevoegde overheid is en de naverbrander het sluitstuk vormt op het globale project "geïntegreerde behandeling van de luchtemissies", dat er bijgevolg, enerzijds, zowel een formeel-juridische of procedurele samenhang bestaat, en anderzijds, een materieel-technische, dat de bevoegde overheid de aanvraag tot de betrokken afwijkingen zelf ook steeds als één onlosmakelijk geheel heeft beschouwd en ze dan ook gezamenlijk heeft onderzocht en behandeld, dat enkel voor het materialiseren van zijn beslissingen de Vlaamse minister voor Leefmilieu er de voorkeur aan heeft gegeven om twee formeel onderscheiden besluiten uit te vaardigen, dat die twee besluiten evenwel gelijktijdig werden genomen en steunen op omzeggens gelijke motieven, dat de twee bestreden beslissingen hetzelfde onderdeel van dezelfde inrichting, met name de naverbrander, als voorwerp hebben; dat de verzoekende partij ten slotte stelt dat de twee bestreden beslissingen "behept (zijn) met dezelfde onwettigheden en worden ze (...) met dezelfde middelen bestreden"; 2.3. Overwegende dat het eerste bestreden besluit beslist over de drie luiken van de aanvraag; dat het tweede bestreden besluit het eerste luik weigert, omdat wordt geoordeeld dat de betreffende vraag niet kan worden behandeld als individuele afwijking van de sectorale voorwaarden overeenkomstig afdeling 1.2.2 van Vlarem II, maar moet worden gezien als een vraag tot wijziging of aanvulling van de bijzondere vergunningsvoorwaarden; dat deze beslissing verwijst naar de mogelijkheid die in de richtlijn 94/67/EEG van de Raad van de Europese Gemeen- schappen van 16 december 1994 betreffende de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen is voorzien om af te wijken van de verplichte continue metingen; dat deze mogelijkheid is overgenomen in artikel 5.2.3.2.6, § 3, van Vlarem II; dat de verwerende partij stelt dat niet is voldaan aan de voorwaarden daartoe voor wat betreft totaal stof, maar wel voor totaal C, HCl, HF en SO2; dat zij daaraan het volgende toevoegt : "dat dit echter niet via een afwijkingsaanvraag dient te gebeuren; dat de voorwaarden van de milieuvergunning hiervoor dienen te worden aangepast; dat dit met de procedure van artikel 45 van titel I van het Vlarem dient te gebeuren"; dat pas daarna het volgende wordt gesteld : VII-34.125-7/19 "dat hierbij nog kan opgemerkt worden dat artikel 18 van de EG-richtlijn 2000/76/EG van 4 december 2000 de bepalingen van de voormelde richtlijn 1994/67/EG opheft vanaf 28 december 2005; dat er bijgevolg vanaf die datum geen afwijking op de continue metingen meer mogelijk zal zijn"; dat de verzoekende partij tegen het eerste deel van deze motivering geen argumenta- tie inbrengt; dat artikel 5.2.3.2.6, §3, van Vlarem II als volgt luidt : "Metingen van de vermelde verontreinigende stoffen kunnen overbodig zijn indien in de vergunning slechts verbranding wordt toegestaan van gevaarlijke afvalstoffen die geen gemiddelde waarden van die verontreinigende stoffen kunnen veroorzaken welke hoger zijn dan 10% van de gestelde emissiegrens- waarden. Deze uitzonderingen dienen in de milieuvergunningsaanvraag te worden vermeld en gemotiveerd en worden in de milieuvergunning opgeno- men"; dat de motivering van de vraag tot afwijking betreffende het eerste luik volledig is toegespitst op de voorwaarden verbonden aan deze afwijkingsmogelijkheid, die in de milieuvergunning kan worden toegestaan door de vergunningverlenende overheid; dat om onduidelijke redenen de vraag terzake werd geformuleerd als afwijking van de sectorale voorwaarden, die enkel door de minister bevoegd voor leefmilieu kan worden toegestaan overeenkomstig afdeling 1.2.2 van Vlarem II; dat de verzoekende partij echter niet verwijst naar een nieuwe aanvraag; dat de verwerende partij daarentegen in het eerste bestreden besluit ten gronde heeft beslist over het in het tweede bestreden besluit geweigerde eerste luik; dat de verzoekende partij geen middel aanbrengt waarin wordt geargumenteerd dat het eerste luik toch volgens de procedure van afdeling 1.2.2 van Vlarem II moest worden behandeld; dat, aangezien bovendien over het betreffende onderdeel van haar aanvraag werd beslist in het eerste bestreden besluit, de verzoekende partij geen belang heeft bij haar beroep tegen het tweede bestreden besluit; dat de opgeworpen exceptie derhalve niet terzake doet; 3. Ten gronde 3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel de schending aanvoert van "het verbod op machtsoverschrijding", van het zorgvuldig- heidsbeginsel, van het motiveringsbeginsel, van de richtlijn 94/67/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1994 betreffende de verbran- ding van gevaarlijke afvalstoffen, van de richtlijn 2000/76/EG van het Europees parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (hierna : afvalverbrandingsrichtlijn), van het milieuvergunningsdecreet en van Vlarem I; dat het middel bestaat uit drie onderdelen; VII-34.125-8/19 Overwegende dat zij het eerste onderdeel als volgt adstrueert : "Doordat, in de onmogelijke hypothese dat de kwestieuze naverbrander een 'afvalverbrandingsinstallatie' zou uitmaken - quod non -, bij gebreke aan onderscheid in de kwalificatie 'verbrandingsinstallatie' en 'meeverbrandingsin- stallatie' in de bestreden besluiten de motivering hiervan foutief, minstens erg gebrekkig is; Terwijl de richtlijn van het Europees parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (kortweg 'Afvalverbrandingsricht- lijn') een fundamenteel basisonderscheid introduceert tussen 'verbrandingsin- stallaties' en 'meeverbrandingsinstallatie'. Artikel 3 van de richtlijn van het Europees parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval definieert 'verbran- dingsinstallatie' als 'een vaste of mobiele technische eenheid en inrichting die specifiek bestemd is voor de thermische behandeling van afval, al dan niet met terugwinning van de geproduceerde verbrandingswarmte. Een en ander omvat de verbranding door oxidatie van afval alsmede andere thermische behande- lingsprocessen zoals pyrolyse, vergassing en plasmaproces, voorzover de producten van de behandeling vervolgens worden verbrand'. 'Meeverbrandingsinstallatie' wordt in de richtlijn van het Europees parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval omschreven als 'een vaste of mobiele installatie die in hoofdzaak bestemd is voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële producten - waarin afval als normale of aanvullende brandstof wordt gebruikt, of - waarin afval thermisch wordt behandeld voor verwijdering'. Voor 'verbrandingsinstallaties' gelden andere exploitatievoorwaarden en grenswaarden voor emissies in de lucht als voor 'meeverbrandingsinstallaties'. Zodat verzoekster uit de bestreden besluiten niet kan afleiden welke rechtsnormen de tegenpartij bij de beoordeling van de vraag tot afwijking in concreto heeft toegepast. Hierdoor kan verzoekster niet nagaan of de tegenpartij haar aanvraag aan rechtsnormen heeft getoetst die op haar situatie toepasselijk zijn, laat staan of de tegenpartij deze rechtsnormen correct geïnterpreteerd en toegepast heeft. De tegenpartij heeft dan ook grovelijk de materiële motive- ringsplicht geschonden"; Overwegende dat het aangevoerde tweede onderdeel als volgt luidt : "Doordat de tegenpartij, in de onmogelijke hypothese dat de kwestieuze naverbrander een 'afvalverbrandingsinstallatie' zou uitmaken - quod non -, in de bestreden besluiten een foutieve motivering heeft opgenomen. Zij stelt dat 'artikel 18 van de EG-richtlijn 2000/76/EG van 4 december 2000 de bepalingen van de voormelde richtlijn 1994/67/EG opheft vanaf 28 december 2005'. Vanaf die datum zouden er geen afwijkingen meer mogelijk zijn op de verplichting tot continue metingen. Op basis van deze lezing van de Afvalverbrandingsrichtlijn besluit zij dat 'het dus ook geen zin heeft om deze afwijking nog toe te staan voor deze korte periode'. Terwijl de Afvalverbrandingsrichtlijn, zelfs na de intrekking van de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschap van 16 december 1994 betreffende de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen op 28 december 2005, in de mogelijkheid voorziet om onder bepaalde voorwaarden van de verplichting tot continue metingen af te wijken. Zo stipuleert artikel 11, 6 van de Afvalverbran- dingsrichtlijn dat de toestemming kan worden gegeven om voor HCl, HF, en SO2 in de plaats van continumetingen periodieke metingen te verrichten. VII-34.125-9/19 Zodat de tegenpartij door de Afvalverbrandingsrichtlijn verkeerd te interpreteren en toe te passen onzorgvuldig heeft gehandeld en foutieve juridische gevolgtrekkingen heeft geknoopt aan de inhoud van de aanvraag. Bij gevolg is de motivering van de bestreden beslissingen, die is gebaseerd op een verkeerd begrip van de toepasselijke rechtsregels en bijgevolg foutieve gevolgtrekkingen, niet draagkrachtig (...)"; Overwegende dat het derde onderdeel als volgt wordt uiteengezet : "Doordat de tegenpartij, in de onmogelijke hypothese dat de kwestieuze naverbrander een 'afvalverbrandingsinstallatie' zou uitmaken - quod non -, in de bestreden besluiten stelt dat, gelet op het verdwijnen van de mogelijkheid om van de continue meetverplichtingen af te wijken vanaf 28 december 2005, het geen zin heeft om de gevraagde afwijking nog toe te staan voor deze korte periode; Terwijl de tegenpartij bij de beoordeling van de aanvraag tot afwijking van artikel 5.2.3.2.6, §1 VLAREM II op geen enkel moment een afweging heeft gemaakt tussen de mogelijke impact van deze (weze het tijdelijke) afwijking op de kwaliteit van het leefmilieu, enerzijds, de meerkost die verzoekster dient te dragen bij niet-toekenning van de afwijking, anderzijds. Zodat de tegenpartij, door voorbij te gaan aan de beoordelingsrichtlijnen die voortvloeien uit artikel 1.2.1, §3 DABM, de aanvraag niet zorgvuldig heeft onderzocht en beoordeeld, met een ondeugdelijke motivering tot gevolg (...)"; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt reageert op het eerste onderdeel : "Artikel 3.4 en artikel 3.5, van de afvalverbrandingsrichtlijn luiden als volgt: '4. 'verbrandingsinstallatie': een vaste of mobiele technische eenheid en inrichting die specifiek bestemd is voor de thermische behandeling van afval, al dan niet met terugwinning van de geproduceerde verbrandings- warmte. Een en ander omvat de verbranding door oxidatie van afval alsmede andere thermische behandelingsprocessen zoals pyrolyse, vergassing en plasmaproces, voorzover de producten van de behandeling vervolgens worden verbrand. Deze definitie omvat het terrein en de gehele verbrandingsinstallatie met inbegrip van alle verbrandingsstraten en de voorzieningen voor ontvangst, opslag en voorbehandeling ter plaatse van het afval, de systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht, de stoomketel, de voorzieningen voor het behandelen van rookgassen, de voorzieningen voor de behandeling of opslag ter plaatse van residuen en afvalwater, de schoorsteen, alsook de apparatuur en de systemen voor de regeling van het verbrandingsproces en voor de registratie en bewaking van de verbran- dingsomstandigheden; 5. 'meeverbrandingsinstallatie': een vaste of mobiele installatie die in hoofdzaak bestemd is voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële producten - waarin afval als normale of aanvullende brandstof wordt gebruikt, of - waarin afval thermisch wordt behandeld voor verwijdering. Indien meeverbranding zodanig plaatsvindt dat de installatie niet in hoofdzaak voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële producten maar wel voor thermische behandeling van afval bestemd is, VII-34.125-10/19 wordt de installatie beschouwd als een verbrandingsinstallatie in de zin van punt 4. Deze definitie omvat het terrein en de gehele installatie met inbegrip van alle meeverbrandingsstraten en de voorzieningen voor ontvangst, opslag en voorbehandeling ter plaatse van het afval, de systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht, de stoomketel, de voorzieningen voor het behandelen van rookgassen, de voorzieningen voor de behande- ling of opslag ter plaatse van residuen en afvalwater, de schoorsteen, alsmede de apparatuur en de systemen voor de regeling van het verbran- dingsproces en voor de registratie en behandeling van de verbrandingsom- standigheden'; Dat het in casu om een verbrandingsinstallatie gaat, en niet om een meeverbrandingsinstallatie, staat vast. Uit alle gegevens van het dossier is het duidelijk dat de naverbrander er in hoofdzaak op gericht is om 'tegemoet te komen aan de bekommernis om de diffuse emissies, afkomstig van de activiteiten van Haltermann BVBA, drastisch te verlagen'. (...) Artikel 5.2.3.1, §3, van het Vlarem II heeft betrekking op meeverbrandings- installaties en stelt dat alsdan ofwel in de vergunning een aantal bijkomende gegevens worden opgenomen, ofwel de vergunning beperkt is tot de gegevens vermeld in de vergunningsaanvraag. Ook in artikel 5.2.3bis, van het Vlarem II, zoals dit thans geldt, is er geen wezenlijk onderscheid tussen verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties wat de frequentie van metingen betreft. Het onderscheid tussen een verbrandingsinstallatie of een meeverbrandings- installatie is dan ook in casu geenszins relevant. Alleszins laat verzoekster na om aan te duiden welke invloed dit onderscheid in concreto zou hebben op uitkomst van de bestreden beslissing"; Overwegende dat de verwerende partij op het tweede onderdeel als volgt antwoordt : "Artikel 11.6, van de afvalverbrandingsrichtlijn luidt als volgt: 'In de door de bevoegde autoriteit afgegeven vergunning kan worden toegestaan dat in verbrandings- of meeverbrandingsinstallaties in plaats van continumetingen van HCl, HF en SO2 periodieke metingen als bepaald in lid 2, onder c), worden verricht, indien de exploitant kan aantonen dat de emissies van genoemde verontreinigende stoffen in geen geval hoger kunnen zijn dan de vastgestelde emissiegrenswaarden'. De verzoekende partij voert in wezen een schending aan van een Europese richtlijn. Uit een richtlijn als dusdanig kan zij evenwel geen rechten putten, zodat de aangevoerde schending irrelevant is. Dit klemt des te meer nu de geschonden geachte richtlijn inmiddels is omgezet in de interne rechtsorde. Een schending van artikel 5.2.3bis, van het Vlarem II wordt niet ingeroepen. Bij besluit van de Vlaamse regering dd. 12 december 2003 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne en van het besluit van de Vlaamse regering van 17 december 1997 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en beheer, wordt een afdeling 5.2.3bis ingevoerd in het Vlarem II, getiteld 'Verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties voor afvalstoffen'. VII-34.125-11/19 Het nieuwe artikel 5.2.3bis.1.26, §1, van het Vlarem II voorziet in: - het continu meten van CO, totaal stof, TOC, HCl, Nox, HF en SO2 - ten minste twee metingen van zware metalen in de rookgassen per jaar, met gedurende de eerste werkingsperiode van twaalf maanden, minstens een meting om de drie maanden. - Ten minste twee metingen van dioxinen en furanen in de rookgassen per jaar, met gedurende de eerste werkingsperiode van twaalf maanden, ten minste een meting om de twee maand In artikel 5.2.3bis.1.26., §7, van het Vlarem II, waarvan de schending door verzoekster niet wordt ingeroepen, wordt voorzien in de mogelijkheid tot afwijking van de continumetingen, doch slechts voor een beperkt aantal parameters, en dit enkel indien aangetoond wordt 'dat de emissies van de genoemde verontreinigende stoffen in geen geval hoger kunnen zijn (dan) de vastgestelde emissiegrenswaarden'. Terecht oordeelt de minister dan ook dat 'er daarenboven door de exploitant nog geen continue metingen werden uitgevoerd en er bijgevolg geen zekerheid over bestaat dat de emissiegrenswaarden wel steeds kunnen gehaald worden'. Het artikel 5.2.3bis.l.26, §2, van het Vlarem II voorziet in de continu bemonstering van dioxinen en furanen. Hiermee is de Vlaamse regelgeving inderdaad strenger dan de Europese richtlijn, hetgeen evenwel volstrekt mogelijk is. Wat de afwijkingsmogelijkheden betreft op de continu bemonstering van dioxinen en furanen, dient vastgesteld te worden dat zulks slechts kan, nadat de exploitant reeds een continu meting verricht heeft, hetgeen volgt uit artikel 5.2.3bis.1.26.,§2, laatste lid, van het Vlarem II. Er mogen immers 'in het voorgaande jaar geen overschrijdingen (zijn) van de emissiegrenswaarde voor dioxine of furanen (bij periodieke metingen) en van de drempelwaarde (bij continu bemonstering)'. Nu verzoekster nog geen continu bemonsteringen van dioxinen of furanen heeft verricht, heeft de minister terecht in de bestreden beslissingen een afwijking hiervan geweigerd", en op het derde onderdeel : "In tegenstelling tot hetgeen verzoekster beweert heeft de minister wel degelijk gemotiveerd waarom een afwijking van de continue metingen diende geweigerd te worden. Terecht stelt de minister dienaangaande dat er door de exploitant nog geen continue metingen werden uitgevoerd, zodat er geen zekerheid over bestaat dat de emissiegrenswaarden wel steeds kunnen gehaald worden"; 3.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord het volgende repliceert met betrekking tot het eerste onderdeel : "(...) Tegenpartij stelt dat de naverbrander overduidelijk een verbrandingsin- stallatie is en geen meeverbrandingsinstallatie. Deze stelling strookt niet met het standpunt van de Vlaamse overheid inzake de door verzoekster verschuldig- de afvalstoffenheffingen. De OVAM oordeelt immers dat verzoekster milieuheffingen verschuldigd is op de aanwending van de spoel- en condensa- tiewaters in de naverbrander en dit aan de tarieven opgenomen in artikel 47, §2, 29/, met name het tarief toepasselijk voor de meeverbranding van afvalstoffen. Voor de berekening van de afvalstoffenheffing beschouwt tegenpartij de betrokken naverbrander dus wel als een meeverbrandingsinstallatie. VII-34.125-12/19 Door in de motivering niet te vermelden of de kwestieuze naverbrander een verbrandingsinstallatie dan wel een meeverbrandingsinstallatie uitmaakt, heeft tegenpartij de bestreden beslissingen gebrekkig gemotiveerd, waardoor in hoofde van verzoekster onduidelijkheid ontstaat over de op deze naverbrander toepasselijke regels. Dergelijke onduidelijke motivering kan moeilijk als draagkrachtig en afdoende worden beschouwd. (...) Vervolgens steunt tegenpartij zich op artikel 5.2.3.1, §3 VLAREM II (lees: artikel 5.2.3.2.1, §3 VLAREM II en artikel (lees: 'afdeling') 5.2.3bis VLAREM II (vermoedelijk wordt er artikel 5.2.3bis.1.26 bedoeld) om te stellen dat er thans geen wezenlijk onderscheid bestaat tussen verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties wat de frequentie van de metingen betreft. Hierbij verliest tegenpartij evenwel de overgangsbepaling vervat in artikel 23, §3 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 december 2003 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergun- ning, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne en van het besluit van de Vlaamse regering van 17 december 1997 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en beheer (BS 13 februari 2004) uit het oog. Krachtens deze overgangsbepaling blijven voor de vóór de inwerkingtreding van dit besluit (met name 13 februari 2004) vergunde afvalverbrandingsinrich- tingen de algemene en sectorale milieuvergunningsvoorwaarden die van toepassing waren voor de inwerkingtreding van dit besluit van kracht tot 28 december 2005. De bepalingen van afdeling 5.2.3bis VLAREM waren bij het uitvaardigen van de bestreden beslissingen niet toepasselijk op de exploitatie van de kwestieuze naverbrander en zijn dat uiteraard op heden nog steeds niet. Artikel 5.2.3.2.1, §3 VLAREM II bevat geen bepalingen in verband met de frequentie van eventuele metingen"; Overwegende dat de verzoekende partij, met betrekking tot het tweede onderdeel, het volgende tegenwerpt : "(...) Tegenpartij verwijst uitsluitend naar afdeling 5.2.3bis VLAREM II ('Verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties voor afvalstoffen'), dat werd ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse regering van 12 december 2003 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergun- ning, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne en van het besluit van de Vlaamse regering van 17 december 1997 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en beheer. Deze uiteenzetting is evenwel niet pertinent. Zoals hoger aangegeven, waren de voorschriften van deze afdeling van VLAREM II op het ogenblik van de bestreden beslissing niet van toepassing op de betrokken naverbrander. Tot op heden is de naverbrander overigens nog steeds niet onderworpen aan de voorschriften van deze afdeling. (...) Bovendien zijn de reglementaire omzettingsbepalingen van afdeling 5.2.3bis VLAREM II op een onwettige wijze totstandgekomen. De Vlaamse regering heeft bij de omzetting van de Afvalverbrandingsrichtlijn stringentere voorschriften vastgelegd dan door de Afvalverbrandingsrichtlijn worden voorgeschreven. Zo bevat artikel 11,6 Afvalverbrandingsrichtlijn de mogelijk- heid tot afwijkingen op de verplichting tot bepaalde continumetingen. Deze mogelijkheid werd niet weerhouden in de betrokken afdeling van VLAREM II. VII-34.125-13/19 Door strengere voorschriften uit te vaardigen dan door de Europese wetgever vastgesteld, heeft de Vlaamse regering, in weerwil van artikel 1.2.1, §3 DABM, geen rekening gehouden met sociaal-economische aspecten, de internationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens. Uit geen elementen blijkt dat zij deze gegevens zou hebben afgewogen tegen de verhoopte potentiële voordelen voor het leefmilieu van de uitsluiting van iedere afwijkingsmogelijkheid. Nochtans worden Europese richtlijnen vastgesteld met toepassing van de beginselen van Europese milieubeleid, omschreven in artikel 174 EG-Verdrag, inzonderheid sub §3. Wanneer de Vlaamse regelgever hiervan bij de omzetting meent te moeten afwijken, dan vereisen de beginselen van behoorlijke regelgeving en specifiek artikel 1.2.1. DABM dat de motieven van de Vlaamse regelgever voorhanden zijn, technisch-wetenschappelijk correct zijn en worden weergegeven. Aldus is er sprake van niet terdege en rechtsgel- dig gemotiveerde uitvoeringsbesluiten van milieuwetgeving. Tenslotte brengt tegenpartij geen elementen aan waaruit zou blijken dat in overeenstemming met artikel 176 EG-Verdrag de Vlaamse regering de bepalingen van afdeling 5.2.3bis VLAREM II ter kennis heeft gebracht van de Europese Commissie. De voorschriften van afdeling 5.2.3bis VLAREM II schonden bijgevolg bepalingen - van openbare orde - die een hogere positie bekleden in de normenhiërarchie en moeten daarom sowieso buiten toepassing worden gelaten, conform artikel 159 GW"; Overwegende dat, met betrekking tot het derde onderdeel, de verzoekende partij het volgende stelt : "(...) Tegenpartij gaat niet in op de kritiek dat bij het nemen van de bestreden beslissing (geen) rekening werd gehouden met de impact van de eventuele afwijking op het leefmilieu in vergelijking met de aanzienlijke meerkost die verzoekster dient te dragen tengevolge de niet-toekenning van de afwijking. Dit is toe te schrijven aan de afwezigheid van ieder spoor van de afwegingscriteria voorgeschreven door artikel l.2.1., §3 DABM in het administratieve dossier en de motivering van de bestreden beslissingen. Hieruit volgt onomstotelijk dat tegenpartij de aanvraag niet zorgvuldig heeft onderzocht en beoordeeld, met een ondeugdelijke motivering tot gevolg"; 3.4.1. Overwegende dat de voorwaarden waarvan gevraagd is af te wijken, van toepassing zijn op zowel verbrandingsinstallaties als meeverbrandings- installaties, die vergunningsplichtig zijn onder rubriek 2.3.4 van de indelingslijst van Vlarem I en beide onder toepassing vallen van afdeling 5.2.3 van Vlarem II; dat niet valt in te zien waarom de verwerende partij dan had moeten expliciteren onder welke van beide categorieën de inrichting valt; dat de verwerende partij terecht opmerkt dat de verzoekende partij verzuimt aan te geven welke verschillende normen van toepassing zouden zijn geweest op de aanvraag naargelang de naverbrander als een verbrandingsinstallatie dan wel als een meeverbrandingsinstallatie zou zijn beschouwd; dat de aanvraag de regels inzake de meting van de luchtemissies betreft; dat ook artikel 11 van de afvalverbrandingsrichtlijn terzake geen onderscheid tussen VII-34.125-14/19 beide categorieën maakt; dat het eerste onderdeel van het tweede middel niet gegrond is; 3.4.2.1. Overwegende dat het eerste en het derde luik van de aanvraag van de verzoekende partij elkaar voor een deel overlappen, doordat de meting van dioxinen en furanen zowel in artikel 5.2.3.2.6, § 1, 1/, c), 2), van Vlarem II als in artikel 5.2.3.2.6, § 1, 1/, d), van Vlarem II, wordt geregeld; dat de verwerende partij voor de afwijking van de eerste bepaling, die meer omvat dan de meting van dioxinen en furanen, naar artikel 5.2.3.2.6, § 3, van Vlarem II, verwijst, dat als volgt luidt : "Metingen van de vermelde verontreinigende stoffen kunnen overbodig zijn indien in de vergunning slechts verbranding wordt toegestaan van gevaarlijke afvalstoffen die geen gemiddelde waarden van die verontreinigende stoffen kunnen veroorzaken welke hoger zijn dan 10% van de gestelde emissiegrens- waarden. Deze uitzonderingen dienen in de milieuvergunningsaanvraag te worden vermeld en gemotiveerd en worden in de milieuvergunning opgeno- men"; dat de tweede afwijking, enkel voor dioxinen en furanen, in beginsel mogelijk wordt gemaakt door artikel 5.2.3.2.6, § 1, 1/, d), derde lid, van Vlarem II, dat als volgt luidt : "De vergunningverlenende overheid kan, op vraag van de exploitant en op basis van een evaluatieverslag van de toezichthoudende overheid, in de milieuvergunning toestaan dat de continue bemonstering mag worden beëindigd of dat de bemonsterings- en/of analysefrequentie mag worden verminderd. Een minimumvoorwaarde voor het verlenen van die toelating bestaat erin dat er in het voorgaande jaar geen overschrijdingen waren van de emissiegrenswaarde voor dioxinen en furanen (bij periodieke metingen) en van de drempelwaarde (bij continue bemonstering)"; dat voor de paramater "totaal stof" - eerste afwijking -, het eerste bestreden besluit stelt : "Overwegende dat artikel 5.2.3.2.6 van titel II van het Vlarem de uitvoering is van artikel 11,1 van de EG-richtlijn 94/67/EG van 16 december 1994 betreffende de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen; dat overeenkomstig deze EG-richtlijn en artikel 5.2.3.6, §3 van titel II van het Vlarem er slechts een afwijkingsmogelijkheid bestaat voor de continue meting van totaal stof, totaal C, HCl, HF en SO2 indien in de vergunning verbranding slechts wordt toegestaan voor gevaarlijke stoffen die geen gemiddelde waarde van die verontreinigde stoffen kunnen veroorzaken welke hoger zijn dan 10% van de emissiegrenswaarden; Overwegende dat uit de metingen blijkt dat voor wat betreft totaal stof de gemeten waarden hoger liggen dan 10% van de emissiegrenswaarde; dat hiervoor dus geen afwijking op de continue metingen mogelijk is"; VII-34.125-15/19 dat voor "totaal C, HCl, HF en SO2" wel wordt erkend : "dat (...) de meetwaarde wel steeds onder de 10% van de emissiegrenswaarde blijft"; dat vervolgens over de dioxinen en furanen - zowel eerste als tweede afwijking - wordt gezegd : "Overwegende dat volgens 5.2.3.6, §1, 1/, d de dioxines en furanen op continue wijze dienen bemonsterd te worden met tenminste tweewekelijkse analyses; dat de vergunningverlenende overheid, op vraag van de exploitant en op basis van een evaluatieverslag van de toezichthoudende overheid, in de vergunning kan toestaan dat de continue bemonstering mag worden beëindigd; dat de exploitant vraagt de meetfrequentie vast te leggen op 1 maal per jaar; Overwegende dat op 17 februari 2005 een evaluatieverslag werd opgesteld door de afdeling Milieu-inspectie; dat uit dit verslag blijkt dat geen dioxines en furanen werden aangetroffen in gehaltes hoger dan de emissiegrenswaarde"; dat de motivering, klaarblijkelijk voor beide afwijkingen, behalve voor "totaal stof", als volgt eindigt : "Overwegende dat artikel 18 van de EG-richtlijn 2000/76/EG de bepalingen van de voormelde richtlijn 1994/67/EG opheft vanaf 28 december 2005; dat er bijgevolg vanaf die datum geen afwijking op de verplichting om continu te meten meer mogelijk zal zijn; dat het dus ook geen zin heeft om deze afwijking nog toe te staan voor deze korte periode; dat er daarenboven door de exploitant nog geen continue metingen werden uitgevoerd en er bijgevolg geen zekerheid over bestaat dat de emissiegrenswaarden wel steeds kunnen gehaald worden; dat er om bovenvermelde redenen dus aanleiding toe bestaat de gevraagde afwijking op de continue metingen te weigeren"; dat de verzoekende partij er terecht op wijst dat artikel 11, 6 van de afvalverbran- dingsrichtlijn de mogelijkheid tot afwijking van continue metingen voor HCl, HF en SO2 laat bestaan; dat die bepaling als volgt luidt : "In de door de bevoegde autoriteit afgegeven vergunning kan worden toegestaan dat in verbrandings- of meeverbrandingsinstallaties in plaats van continumetingen van HCl, HF en SO2 periodieke metingen als bepaald in lid 2, onder c), worden verricht, indien de exploitant kan aantonen dat de emissies van genoemde verontreinigende stoffen in geen geval hoger kunnen zijn dan de vastgestelde emissiegrenswaarden"; dat artikel 11, 7 van de afvalverbrandingsrichtlijn bovendien het volgende bepaalt : "In de door de bevoegde autoriteit afgegeven vergunning kan worden toegestaan dat de frequentie van de periodieke metingen voor zware metalen van tweemaal per jaar verlaagd wordt naar eenmaal per twee jaar en voor dioxinen en furanen van tweemaal per jaar naar eenmaal per jaar, op voorwaar- de dat de emissies als gevolg van verbranding of meeverbranding minder dan 50 % bedragen van de overeenkomstig resp. bijlage II of bijlage V vastgestelde emissiegrenswaarden, en dat de volgens de procedure van artikel 17 opgestelde VII-34.125-16/19 criteria voor de na te leven voorschriften beschikbaar zijn. Deze criteria zijn ten minste gebaseerd op het bepaalde in de tweede alinea, punten
- a)en d). (...)"; dat de bestreden beslissing zich bijgevolg ten onrechte beroept op de afvalverbran- dingsrichtlijn; dat dit weigeringsmotief niet deugdelijk is; 3.4.2.2. Overwegende dat voor de eerste afwijking ook het tweede weigeringsmotief niet opgaat; dat het eerste bestreden besluit immers zelf stelt : "dat overeenkomstig deze EG-richtlijn en artikel 5.2.3.6, §3 van titel II van het Vlarem er slechts een afwijkingsmogelijkheid bestaat voor de continue meting van totaal stof, totaal C, HCl, HF en SO2 indien in de vergunning verbranding slechts wordt toegestaan voor gevaarlijke stoffen die geen gemiddelde waarde van die verontreinigde stoffen kunnen veroorzaken welke hoger zijn dan 10% van de emissiegrenswaarden"; dat in overeenstemming met deze voorwaarde, de aanvraag precies hierdoor was gemotiveerd dat de te verbranden stoffen geen aanleiding kunnen geven tot emissies die boven deze drempel uitkomen; dat waar de bestreden beslissing eist dat de realiteit van dit uitgangspunt reeds moest bewezen zijn door eerder gedane continue metingen, zij zonder motief een voorwaarde toevoegt; dat hoewel de verzoekende partij dit aspect van de motivering niet aanvecht, wordt vastgesteld dat dit weigeringsmotief niet doorslaggevend is geweest, en niet blijkt dat het ook was bedoeld voor HCl, HF en SO2, en niet enkel voor dioxinen en furanen; Overwegende dat voor de tweede afwijking, het tweede weigeringsmotief wel opgaat; dat artikel 5.2.3.2.6, § 1, 1/, d), derde lid, van Vlarem II immers bepaalt wat volgt : "De vergunningverlenende overheid kan, op vraag van de exploitant en op basis van een evaluatieverslag van de toezichthoudende overheid, in de milieuvergunning toestaan dat de continue bemonstering mag worden beëindigd of dat de bemonsterings- en/of analysefrequentie mag worden verminderd. Een minimumvoorwaarde voor het verlenen van die toelating bestaat erin dat er in het voorgaande jaar geen overschrijdingen waren van de emissiegrenswaarde voor dioxinen en furanen (bij periodieke metingen) en van de drempelwaarde (bij continue bemonstering)"; dat het eerste bestreden besluit weliswaar de continumeting verkeerdelijk verbindt met de emissiegrenswaarde in plaats van met de drempelwaarde; dat dit echter een materiële vergissing is, veeleer dan een misvatting over de toepasselijke voorwaar- de; dat het tweede onderdeel van het tweede middel gegrond is met betrekking tot de motivering van de weigering van het eerste luik van de aanvraag, en ongegrond VII-34.125-17/19 is met betrekking tot de motivering van de weigering van het derde luik van de aanvraag; Overwegende dat die vaststelling volstaat om het eerste bestreden besluit te vernietigen in de mate zoals hierna vastgesteld, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 5 april 2005 houdende uitspraak over een aanvraag ingediend door de BVBA HALTERMANN strekkende tot enerzijds het wijzigen van de bijzondere milieuvergunningsvoorwaarde in de lopende vergunning verleend bij ministerieel besluit van 6 juni 2003 en anderzijds het verkrijgen van een afwijking van artikel 5.2.3.2.6, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), in de mate dat het voornoemde besluit van 5 april 2005 weigert om af te wijken van de sectorale voorwaarden van artikel 5.2.3.2.6, § 1, 1/, a),
- b)en c), van Vlarem II, met betrekking tot de verplichte continue metingen. Artikel 2. Het beroep wordt verworpen voor het overige. Artikel 3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-34.125-18/19 Artikel 4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig april tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-34.125-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.586 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div