← België

Arrest 192587 - Natuurbehoud - Vergunningen - 23/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.587 Rolnummer: Zaak: Arrest 192587 - Natuurbehoud - Vergunningen - 23/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-04 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-30 03:01 Fiche Arrest nr 192.587 van 23 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.587 van 23 april 2009 in de zaken A. 166.137/VII-34.611 A. 166.138/VII-34.

  1. In zake : de NV ETABLISSEMENTEN STEVENS EN Co, die woonplaats kiest bij advocaat V. GOOSSENS, kantoor houdende te MORTSEL, Prins Leopoldlei 81 tegen :
  2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan 20,
  3. de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM). --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV ETABLISSEMENTEN STEVENS EN Co op 19 september 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : - het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 4 juli 2005 waarbij de gronden, gelegen aan de Koordekenshoef te Antwerpen, worden aangewezen als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden overeenkomstig artikel 30, § 2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering en van - de beslissing van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij van 24 juni 2005 houdende het voorstel tot aanwijzing van het perceel, gelegen aan de Koordekenshoef te Antwerpen, als perceel dat historisch verontreinigd is en waar bodemsanering moet plaatsvinden (zaak A. 166.137/VII-34.611); Gezien het verzoekschrift dat de NV ETABLISSEMENTEN STEVENS EN Co op 19 september 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : VII-34.611 en 34.613-1/12 - het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 4 juli 2005 waarbij de gronden, gelegen aan de Groene Weg te Antwerpen, worden aangewezen als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden overeenkomstig artikel 30, § 2, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering en van - de beslissing van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij van 24 juni 2005 houdende het voorstel tot aanwijzing van het perceel, gelegen aan de Groene Weg te Antwerpen, als perceel dat historisch verontreinigd is en waar bodemsanering moet plaatsvinden (zaak A. 166.138/VII-34.613); Gezien de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij en gelet op het feit dat de tweede verwerende partij verzuimd heeft een memorie van antwoord in te dienen, telkens in de beide zaken; Gezien de memorie van de verzoekende partij, die geldt als een memorie van wederantwoord ten aanzien van de eerste verwerende partij en als een toelichtende memorie ten aanzien van de tweede verwerende partij, telkens in de beide zaken; Gezien de verslagen opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgevingen van de verslagen aan de partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partij en de eerste verwerende partij, telkens in de beide zaken; Gelet op de beschikkingen van 5 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 maart 2009; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. SEBREGHTS die loco advocaat V. GOOSSENS verschijnt voor de verzoekende partij in de beide zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; VII-34.611 en 34.613-2/12 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. De rechtspleging Overwegende dat de beide zaken dermate verknocht zijn dat ze, in het belang van de goede rechtsbedeling, worden samengevoegd;
  5. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaken als volgt kunnen worden samengevat : 2.
  6. De verzoekende partij heeft na de Tweede Wereldoorlog meerdere concessies voor houtopslag op de terreinen van de Antwerpse haven toegewezen gekregen. Haar activiteit bestond in de opslag van hout, dat evenwel geen enkele bewerking onderging. Deze activiteit was niet milieuvergunningsplichtig. Voorliggende zaken hebben betrekking op de percelen nrs. 1629 E (zaak A. 166.137/VII-34.611) en 1333 L27 (zaak A. 166.138/VII-34.613). De verzoekende partij is nooit eigenaar van de gronden geweest, en is sedert 30 juni 2003 geen concessiehouder meer van het perceel nr. 1629 E. De NV NOVA NATIE LOGISTICS is sedert 1 januari 2004 de nieuwe concessiehouder geworden van dit perceel. Sedert 31 maart 2004 is de verzoekende partij ook geen concessiehouder meer van het perceel nr. 1333 L
  7. 2.
  8. Op 24 januari 1996 wordt er een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de terreinen waartoe onder meer het perceel nr. 1333 L27 behoort. In het algemeen besluit van het onderzoek leest men : "Verontreinigingssituatie De aangetroffen verontreinigingen situeren zich tussen 50% en 80% van de Voorlopige Norm en zijn vooral gesitueerd op boorpunt 4 (zie plan). In mindere mate komen dezelfde parameters eveneens voor op boorplaats 5 en boor- plaats
  9. Op de overige onderzochte locaties en in het grondwater werd geen relevante verontreiniging waargenomen. Parameters die verontreiniging aantonen De waargenomen verontreinigingen situeren zich vooral voor de parameter Minerale Olie en de Zware metalen. Cu, Zn, Cd, Pb Te nemen maatregelen VII-34.611 en 34.613-3/12 Vermits de waargenomen verontreiniging kan worden gerelateerd naar activiteiten uit het verleden : Opvullen van de grachten rond het Noordkasteel, en vermits de huidige activiteiten : Houtopslag en Houtloodsen, weinig aanleiding geven tot bodem- en grondwaterverontreiniging, is in de huidige bedrijfsvoering gering toekomstig risico gekoppeld, mede door het feit dat de magazijnen overdekt zijn wordt voorkomen dat de aanwezige verontreiniging zich via percolatie verder verspreidt. Rekening houdend met de beperkte graad van verontreiniging (steeds tot beneden de Voorlopige Norm) en de eerder gemelde bedrijfssituatie, dringen zich voorlopig geen andere maatregelen op dan een bewaking van de grondwa- terkwaliteit door een regelmatige kontrole van de relevante verontreinigingspa- rameters: Minerale Olie, Zware Metalen op de aanwezige peilputten". Op 10 februari 1999 wordt er een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de terreinen waartoe onder meer het perceel nr. 1629 E behoort. In het algemeen besluit leest men : "Verontreinigingssituatie - Parameters die verontreiniging aantonen - eventuele hiaten in het onderzoek : Voor de genomen bodemstalen worden de toegepaste bodemsaneringsnormen nergens overschreden of dreigen deze nergens te overschrijden. Er is wel een overschrijding van de achtergrondwaarde op volgende lokaties : • B1P1 (1.00-1.50 m): PAK's en minerale olie • B2 (0.05-0.5 m): minerale olie • B5P5 (1.0-1.50 m): PAK's Voor de genomen grondwaterstalen worden de toegepaste bodemsaneringsnor- men nergens overschreden of dreigen deze nergens te overschrijden. Er is wel een overschrijding van de achtergrondwaarde op volgende lokaties : • B1P1: benzeen, tolueen en xyleen • B4P4: benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xyleen • B5P5: tolueen, xyleen Organoleptisch werd geen enkele vorm van verontreiniging waargenomen. Motivering om de vastgestelde verontreiniging als historisch, nieuw of gemengd te beschouwen : • Gezien de datum van de exploitatie (beginjaren 50 tot op heden) en gezien het hout niet behandeld werd voor het werd opgeslagen, is de verontreiniging niet afkomstig van de exploitatie. Hiermee rekening houdend kan de verontrei- niging als historisch beschouwd worden. Opname in het register van de verontreinigde gronden : Uit het oriënterend bodemonderzoek blijkt dat voor meerdere parameters (benzo(a)pyreen, fenanthreen, anthraceen, fluorantheen, indeno (1,2,3 cd)pyreen) de concentratie hoger ligt dan 80 % van de bodemsanerings- norm voor die parameters binnen het bestemmingstype II. Gebaseerd op de richtlijnen van de OVAM dient dit terrein dus opgenomen te worden in het register van de verontreinigde gronden. Advies tot beschrijvend bodemonderzoek Rekening houdend met het criterium om over te gaan tot beschrijvend bodemonderzoek, gebaseerd op het beoordelingskader van de OVAM en de uitgevoerde risico-analyse, is er geen aanwijzing van een ernstige bedreiging. Er dient niet overgegaan te worden tot een beschrijvend bodemonderzoek". 2.
  10. Op 27 september 2004 maakt de NV NOVA NATIE LOGISTICS met betrekking tot het perceel nr. 1629 E ten behoeve van de Openbare Vlaamse VII-34.611 en 34.613-4/12 Afvalstoffenmaatschappij (hierna : OVAM) een meldingsformulier voor een overdracht van gronden op. Op 28 september 2004 stuurt de NV NOVA NATIE LOGISTICS een aangetekend schrijven naar OVAM met het meldingsformulier voor de overdracht van de grond, een diskette met digitale gegevens en een oriënterend bodemonderzoek. In het besluit met betrekking tot het perceel nr. 1629 E leest men : "Kadastraal perceel: 11807, Gemeente Antwerpen A7 Afd., sectie G, nr. 1629E Aanleiding onderzoek : Een overdracht. Uitgevoerd veldwerk : Er werd 1 boring uitgevoerd die voorzien is van een filter voor bemonstering van het grondwater. Aangetroffen verontreiniging : In de bodem wordt de 80% BSN type V overschreden voor de parameter minerale olie In het grondwater wordt de 80% BSN type V niet overschreden Aard verontreiniging : Historisch Risico : Er is geen ernstige aanwijzing voor een ernstige bedreiging op het terrein aanwezig. Opname in het register van verontreinigde gronden : Het perceel wordt opgenomen in het register van verontreinigde gronden doordat de 80 % BSN type II voor de bodem overschreden werd voor de parameters Cadmium, koper, lood, zink, benzo(a)pyreen, fenanthreen, fluorantheen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheenen indeno(123-cd)pyreen. Verder onderzoek : De uitvoering van een beschrijvend bodemonderzoek is wel noodzakelijk. Aangezien er een historische verontreiniging van de bodem met de parameters minerale olie werd aangetroffen en deze historische verontreiniging geen ernstige aanwijzing voor een ernstige bedreiging vormt, is er geen sanerings- noodzaak. Indien er in de toekomst echter zou overgegaan worden tot het uitvoeren van grondverzet ter hoogte van de verontreinigde gronden, dan dient dit grondverzet te gebeuren overeenkomstig de regels met betrekking tot het gebruik van uitgegraven bodem (Hoofdstuk X van het VLAREBO)". 2.
  11. Op 10 december 2004 stuurt OVAM met betrekking tot het perceel nr. 1629 E volgend schrijven naar de NV NOVA NATIE LOGISTICS : "Oriënterend bodemonderzoek - Stevens&co Nv - Dossiernummer 1487 Geachte, De OVAM heeft uw schrijven met in bijlage het verslag van oriënterend bodemonderzoek met als titel 'Oriënterend bodemonderzoek - Terrein gelegen langs Ouland-HaminastraatnGroeneweg te Antwerpen (04/08451/HB)' en opgemaakt dd. 24.09.2004 door Ecolas nv, in goede orde ontvangen. Het ingediende onderzoek werd onderworpen aan een administratieve en milieutechnische evaluatie. Hieruit blijkt dat het onderzoek voldoet aan de huidige voorschriften voor oriënterende bodemonderzoeken. VII-34.611 en 34.613-5/12 De OVAM is van oordeel dat er op grond van het voormeld oriënterend bodemonderzoek ernstige aanwijzingen zijn dat het perceel met kadastrale gegevens : Toestand : 01.01.2003, Gemeentenr : 11807, afdeling : ANTWERPEN 7 AFD, sectie: G, perceelnr : 1629 E aangetast is door een historische bodemverontrei- niging die een ernstige bedreiging vormt. Dit blijkt afdoende uit de volgende elementen uit het meegedeelde oriënterend bodemonderzoek : - Verhoogde concentratie aan minerale olie (4780,0 mg/kg ds) in het vaste deel van de bodem ter hoogte van boring P
  12. - Terreinkenmerken : industriegebied (type V), zeer kwetsbaar Ca1, klei : 9,71%, org. mat. : 1,94%. - Voor de bodemverontreiniging met minerale olie werd bij de bepaling van EAEB (ernstige aanwijzing ernstige bedreiging) voor de index BIA door de deskundige een waarde - 50 gerekend. Volgende argumenten motiveren echter de beslissing wél EAEB (waarde index BIA + l00): De deskundige is van mening dat de verontreiniging met minerale olie vermoedelijk gelinkt kan worden aan de ophooglaag waarmee het volledige havengebied bij de aanleg van de dokken werd opgespoten. Dit is echter niet voldoende aangetoond. Daar het evengoed een verontreiniging met olie kan betreffen die zich in de ophooglaag bevindt, aangezien de omvang van de verontreiniging niet gekend is, en een oliegeur wordt vastgesteld in de bodemstalen, is de OVAM van mening dat deze olieverontreiniging wel degelijk een ernstige aanwijzing voor een ernstige bedreiging inhoudt. De verontreiniging wordt historisch van aard genoemd. De OVAM is van oordeel dat op basis van het voorgelegde verslag van het uitgevoerde bodemonderzoek geen definitieve uitspraak kan worden gedaan over de ernst van de bodemverontreiniging. Daartoe ontbreekt nog informatie met betrekking tot de aard, hoeveelheid, concentratie en oorsprong van de verontreinigende stoffen, de mogelijkheid op verspreiding ervan en het gevaar op blootstelling eraan van mensen, planten en dieren en van het grond- en oppervlaktewater, evenals een prognose van de spontane evolutie van de verontreinigde bodem naar de toekomst toe. De OVAM sluit zich aan bij de aanbeveling van de deskundige die stelt dat een beschrijvend bodemonderzoek zich opdringt. De OVAM zal het perceel aan de Vlaamse Regering voorstellen om conform artikel 30, § 2 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsane- ring, zoals gewijzigd bij decreet van 26 mei 1998, aan te wijzen als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden. Aangezien het perceel 1629 E volgens de ons verstrekte informatie geen Vlarebo-grond betreft, kan de overdracht plaatsvinden. De OVAM wil ook opmerken dat er in het rapport geen melding is gemaakt van enige vorige uitgevoerde bodemonderzoeken. De OVAM is nochtans in het bezit van bodemonderzoeken uitgevoerd door SGS in 2003, door EGO VSB in 1999 en door Eureco in
  13. Aangezien het oriënterend onderzoek gedeeltelijk werd uitgevoerd op een terrein zonder kadastraal nummer, dient de onderzoekslocatie duidelijk op een kadastraal plan te worden aangegeven (cfr. standaardprocedure). Er dienen minstens 3 exemplaren van het kadastraal plan aan de OVAM te worden bezorgd teneinde de bodemattesten te kunnen afleveren". 2.
  14. Op 24 juni 2005 stelt OVAM voor om de percelen nrs. 1629 E en 1333 L27 aan te wijzen als historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden. VII-34.611 en 34.613-6/12 In de bijlagen 2 bij de voorstellen worden de belanghebbende partijen opgesomd. Daarbij wordt telkens de verzoekende partij vermeld, doch met de mededeling "geen gebruiker meer". Als volgende belanghebbende partij wordt telkens vermeld : "Domein Van Het Gemeentelijk Autonoom Havenbedrijf". Met betrekking tot het perceel nr. 1629 E wordt ook de NV NOVA NATIE LOGISTICS als belanghebbende partij vermeld. De voorstellen van OVAM van 24 juni 2005 vormen het tweede bestreden besluit in de beide zaken. 2.
  15. Op 4 juli 2005 wordt het eerste bestreden besluit in de beide zaken genomen. De percelen nrs. 1629 E en 1333 L27 worden aangewezen als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden. 2.
  16. Op 2 augustus 2005 deelt de verzoekende partij mee dat zij geen gebruiker meer is van de gronden, en voegt in bijlage een kopie van de opzegging van de concessies. Zij laat tevens weten dat er alleen hout werd opgeslagen, en dat er geen andere activiteiten werden uitgevoerd. 2.
  17. Op 19 augustus 2005 vraagt de raadsvrouw van de verzoekende partij een kopie van het oriënterend bodemonderzoek dat werd uitgevoerd door de NV ECOLAS op 24 september
  18. Zij vraagt ook om mee te delen wie op basis van artikel 30, § 1, van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsane- ring (hierna : bodemsaneringsdecreet) zal worden aangemaand om de bodemsane- ring uit te voeren. 2.
  19. Op 6 september 2005 deelt OVAM het volgende mee : "Geachte, Wij hebben uw brief van 19 augustus 2005 betreffende het dossier van Stevens & Co nv, goed ontvangen. In het kader van de wetgeving openbaarheid van bestuur vraagt u een kopie van het oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op het terrein Ouland-Haminastraat-Groeneweg te Antwerpen, te bekomen. Hierbij wensen wij u mee te delen dat wij u geen kopie van het bodemonder- zoek kunnen overmaken. Wel heeft u de mogelijkheid om de onderzoeken in te kijken. Het inkijken van een bodemonderzoek kan gebeuren op dinsdag en donderdag telkens tussen 14 u en 16 u in de kantoren van de OVAM dienst bodemsanering, gevestigd in de Stationsstraat 110 te 2800 Mechelen. Het verzoek tot inzage van het onderzoek dient schriftelijk of telefonisch te gebeuren (t.a.v. Mario De Baeck) met duidelijke vermelding van de datum en uur voor inzage en de onderzoekslocatie van het onderzoek dat men wil komen inkijken. De mogelijkheid bestaat om in de kantoren van de OVAM kopieën te maken. VII-34.611 en 34.613-7/12 De percelen met kadastrale gegevens : Gemeentenr. 11807, sectie G, perceelnr. 1629 E en 1333 L 27 werden bij ministeriële beslissing van 4 juli 2005 aanwezen als historisch verontreinigde grond waar bodemsanering moet plaatsvinden. Conform artikel 31 van het bodemsaneringsdecreet zal de OVAM de persoon, aangewezen overeenkomstig artikel 10, §1, aanmanen om de bodemsanering uit te voeren. Hieruit volgt dat een eventuele exploitant op het terrein tot de uitvoering van een beschrijvend bodemonderzoek zal aangemaand worden. Indien er geen exploitant aanwezig is, rust de saneringsplicht op de eigenaar van de grond, tenzij deze kan aantonen dat een andere persoon de feitelijke controle over de grond heeft. Stevens & Co heeft per brieven van 2 augustus 2005 aan de OVAM laten weten dat zij geen gebruiker meer zijn van de voornoemde percelen. De OVAM heeft haar gegevens in die zin aangepast. Stevens & Co zal dan ook niet voor de verontreiniging op percelen 1629 E en 1333 L 27 aangemaand worden. Voor wat betreft een eventuele saneringsaansprakelijkheid van Stevens & Co verwijst de OVAM naar artikel 25 van het bodemsaneringsdecreet";
  20. De ontvankelijkheid 3.
  21. Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord in beide zaken aanvoert dat het beroep onontvankelijk is omdat de verzoekende partij niet zou beschikken over het rechtens vereiste actueel belang; dat de eerste verwerende partij, samengevat, doet gelden dat het annulatieberoep voorbarig is, aangezien er nog geen enkele concrete verplichting tot bodemsanering wordt opgelegd aan de verzoekende partij, dat vooralsnog niets meer is gebeurd dan de loutere aanwijzing van een historisch verontreinigde grond waarop eventueel later een bodemsanering moet plaatsvinden, dat het een historische bodemverontreiniging betreft, dat de loutere aanwijzing als historisch verontreinigde grond geen zelfstandige saneringsplicht doet ontstaan, dat daarvoor eerst een aanmaning van OVAM nodig is, dat zolang die aanmaning er niet is, er op de eigenaar en/of de exploitant geen verplichting rust om tot bodemsanering over te gaan, dat als in een verdere stand van de procedure een dergelijke aanwijzing zou gebeuren, de eigenaar en/of exploitant hun gemotiveerd standpunt dienaangaande kunnen overmaken, dat de aan te duiden saneringsplichtige in de regel de exploitant, en als die er niet is, de eigenaar of de feitelijke gebruiker is, dat de saneringsplichtige nadien de kosten kan verhalen op de saneringsaansprakelijke, dat de Raad van State weliswaar reeds van oordeel was dat een aanwijzingsbeslissing een voor vernietiging vatbare administra- tieve bestuurshandeling betreft, dat dit echter niet betekent dat de verzoekende partij meteen aantoont dat zij over het vereiste actueel belang beschikt, dat met de bestreden besluiten immers geen verplichting tot bodemsanering wordt opgelegd aan de verzoekende partij, noch aan de huidige exploitant, noch aan de eigenaar van de kwestieuze grond, dat de bestreden beslissingen de toekomstige beslissingen die eventueel genomen zouden worden in dit verband, niet hypothekeren, dat OVAM VII-34.611 en 34.613-8/12 op 6 september 2005 aan de verzoekende partij heeft laten weten dat haar gegevens werden aangepast, in die zin dat de verzoekende partij niet meer aangeduid staat als gebruiker van de betrokken percelen, dat OVAM in dezelfde brief meedeelde dat de verzoekende partij niet voor de verontreiniging op de betrokken percelen zal worden aangemaand, dat de door de verzoekende partij aangehaalde rechtsgevolgen van de bestreden besluiten voor haar al meer dan een jaar achterhaald zijn, dat op 4 juli 2005 de verzoekende partij helemaal geen exploitante meer was van de betrokken percelen, zodat zij dan ook niet kon worden aangewezen als zijnde één van de mogelijke toekomstige saneringsplichtigen; 3.
  22. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord, in beide zaken, meent dat zij wel degelijk over het vereiste belang beschikt; dat zij in essentie betoogt dat de bestreden beslissingen een onderdeel zijn van een complexe administratieve rechtshandeling, waarvan elke beslissing op zich op ontvankelijke wijze voor de Raad van State kan worden bestreden; dat zij naar de rechtspraak van de Raad van State verwijst waarin werd gesteld dat een bodemsanering op het eerste gezicht een complexe administratieve rechtshandeling is, dat bij complexe administratieve rechtshandelingen de voorbeslissingen op ontvankelijke wijze kunnen worden bestreden, dat het niet om louter voorbereidende handelingen gaat, maar om echte voorbeslissingen; dat de verzoekende partij aanvoert dat het te dezen om echte voorbeslissingen gaat die eigen, daadwerkelijke rechtsgevolgen genereren en die de eindbeslissing determineren, dat uit een analyse van de rechtspraak van de Raad van State inzake bodemsaneringen blijkt dat beslissingen waarbij op basis van artikel 30, § 2, van het bodemsaneringsdecreet historisch verontreinigde gronden worden aangewezen, voor vernietiging vatbare administratieve rechtshandelingen zijn, omdat het principiële beslissingen zijn op grond waarvan de verplichting ontstaat om tot bodemsanering over te gaan, dat de Raad van State reeds tot de vernietiging van dergelijke beslissing is overgegaan, dat beslissingen op grond van artikel 30, § 2, van het bodemsaneringsdecreet waarbij historisch verontreinigde gronden worden aangewezen, echte voorbeslissingen met echte rechtsgevolgen zijn, dat het de principiële basisbeslissingen zijn op grond waarvan een verplichting tot bodemsanering ontstaat, dat zij ertoe strekken dat het juridisch statuut van de betrokken gronden wordt gewijzigd, dat de bestreden besluiten de eindbeslissing determineren, dat indien de besluiten in de andere zin zouden zijn genomen, het uiteindelijk te nemen bodemsaneringsbesluit er in elk geval geen zou kunnen zijn waarin de verzoekende partij diegene is die de bodemsaneringswerken moet uitvoeren; dat de verzoekende partij ook het volgende stelt : VII-34.611 en 34.613-9/12 "Door het thans bestreden besluit blijft de kans bestaan dat verzoekende partij aangeduid zou worden als saneringsplichtige, dan wel als saneringsaan- sprakelijke, waarover de OVAM in haar schrijven van 6 september 2005 geen sluitend antwoord heeft gegeven. Om die enkele reden heeft verzoekende partij onbetwistbaar belang bij huidige procedure"; dat zij ten slotte aanvoert dat indien de thans bestreden besluiten niet op ontvankelij- ke wijze met een annulatieberoep zouden kunnen worden bestreden, dit voor gevolg zou hebben dat de verzoekende partij de toegang tot de rechter ontnomen wordt om een besluit aan te vechten waarin wordt aangemaand een beschrijvend bodemonder- zoek uit te voeren, hetgeen een kostelijk onderzoek is, dat een en ander voor gevolg zou hebben dat zij voor de uitvoering van een beschrijvend bodemonderzoek kan worden aangesproken, zonder dat zij de beslissing die daar de juridische basis toe vormde, nog met een annulatieberoep kan bestrijden; 3.
  23. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie in beide zaken nog aanvoert dat doordat de kans blijft bestaan dat zij als sanerings- aansprakelijke wordt aangeduid, zij onbetwistbaar een actueel belang heeft, dat dit geen onrechtsreeks belang betreft, dat het Grondwettelijk Hof er immers reeds op heeft gewezen dat de rechtsbescherming die de burgerlijke rechtbanken verlenen, niet dezelfde is als deze die de Raad van State verleent, aangezien de vorderingen bij de burgerlijke rechtbanken niet zijn gebaseerd op een inquisitoriaal onderzoek en tot beslissingen leiden die, anders dan de arresten van de Raad van State, slechts een relatief gezag van gewijsde hebben; 3.
  24. Overwegende dat te dezen de vraag zich aandient of de verzoekende partij belang heeft bij het bestrijden van de bestreden beslissingen; dat de verzoekende partij wordt bijgetreden waar zij stelt dat het juridisch statuut van de betrokken gronden ingevolge de bestreden beslissingen, of toch alleszins ingevolge de eerste bestreden beslissingen, wordt gewijzigd; dat wie eigenaar of exploitant is van een dergelijke grond er belang bij heeft om een beslissing op basis van artikel 30, § 2, van het bodemsaneringsdecreet, waarbij gronden als historisch verontreinigde gronden waar bodemsanering moet plaatsvinden worden aangewe- zen, aan te vechten; dat immers, op grond van artikel 31, § 1, samengelezen met artikel 10, § 1, van het bodemsaneringsdecreet, die persoon kan worden aangemaand om de bodemsanering uit te voeren; dat wat eigenaars en exploitanten betreft, een beslissing houdende aanwijzing als historisch verontreinigde grond waarop sanering moet plaatsvinden, niet alleen een wijziging teweegbrengt in het juridisch statuut van de grond als zodanig, maar ook in de rechtspositie van de eigenaar en/of VII-34.611 en 34.613-10/12 exploitant, aangezien zij kunnen worden aangemaand om een bodemsanering uit te voeren; dat op het ogenblik dat de bestreden beslissingen werden genomen, de verzoekende partij noch eigenaar noch exploitant van de betrokken percelen was; dat dit ook niet wordt betwist; dat de verzoekende partij zelf stukken bijbrengt waaruit blijkt dat de concessierechten die zij op de percelen had een einde hebben genomen; dat dit betekent dat de verzoekende partij niet kon en niet kan worden aangemaand om tot bodemsanering over te gaan, aangezien zij op het ogenblik van de bestreden beslissingen niet tot één van de categorieën van personen die zijn opgesomd in artikel 10, § 1, van het bodemsaneringsdecreet, behoorde; dat dit ook nadien het geval niet is; dat OVAM in haar brief van 6 september 2005 overigens te kennen geeft dat de verzoekende partij niet voor de verontreiniging op de betrokken percelen zal worden aangemaand; dat integendeel, wat het perceel nr. 1629 E betreft, de NV NOVA NATIE LOGISTICS blijkens de brief van OVAM van 10 december 2004 zeer nadrukkelijk in beeld komt als saneringsplichtige; dat de bestreden beslissingen niets aan de rechtspositie van de verzoekende partij veranderen; dat bovendien, in het geval dat de verzoekende partij toch zou worden aangemaand om de bodemsanering uit te voeren, zij de beslissingen terzake kan aanvechten; dat aangezien een bodemsanering een complexe administratieve rechtshandeling is, de verzoekende partij de eventuele onwettigheid van de vóórbeslissingen, zoals deze die thans worden bestreden, eveneens ter discussie zal kunnen stellen, zodat haar belangen gevrijwaard zijn; dat het belang van de verzoekende partij aldus niet gelegen is in het feit dat zij als saneringsplichtige zou worden aangesproken; dat de verzoekende partij evenwel betoogt dat de kans bestaat dat zij als saneringsaansprakelijke zal worden aangesproken en ook daarin haar belang ziet; dat die kans echter veeleer theoretisch is, aangezien de verzoekende partij enkel aan houtopslag zonder enige bewerking deed en de oorzaak van de verontreiniging, blijkens het oriënterend bodemonderzoek, daar niet moet worden gezocht; dat het hier om een onrechtstreeks belang gaat; dat een vernietiging van de bestreden beslissingen thans voor de verzoekende partij geen voordeel meebrengt, aangezien de bestreden beslissingen de rechtspositie van de verzoekende partij niet wijzigen; dat in het geval dat zij zou worden gedagvaard om de saneringskosten te betalen, zij voor de burgerlijke rechter kan doen gelden dat zij niet de veroorzaker van de verontreiniging is en dat er zelfs niet moest worden gesaneerd; dat wat dit laatste aspect betreft, de wettigheid van de thans bestreden beslissingen dan aan de orde kan komen, hetgeen de burgerlijke rechter even goed kan beoordelen; dat de belangen en rechten van de verzoekende partij derhalve gevrijwaard zijn; dat de verzoekende partij met de voorliggende procedures een vernietigingsarrest tracht te verkrijgen dat zij eventueel tijdens een procedure voor de burgerlijke rechtbank kan VII-34.611 en 34.613-11/12 aanwenden; dat dit een onrechtstreeks belang is; dat de beroepen niet ontvankelijk zijn, BESLUIT: Artikel
  25. De zaken A. 166.137/VII-34.611 en A. 166.138/VII-34.613 worden gevoegd. Artikel
  26. De beroepen worden verworpen. Artikel
  27. De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig april tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-34.611 en 34.613-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.587 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.