id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.590 Rolnummer: A. 169447/VII-35250 Zaak: Arrest 192590 - Milieuvergunningen - 23/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-04 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-30 03:01 Fiche Arrest nr 192.590 van 23 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.590 van 23 april 2009 in de zaak A. 169.447/VII-35.
- In zake : Alfons CRAUWELS, die woonplaats kiest bij advocaat J. VERSTRAETEN, kantoor houdende te HEIST-OP-DEN-BERG, Dorp 72 a tegen : de deputatie van de provincie Antwerpen. tussenkomende partij : Guy LAUWERS, die woonplaats kiest bij advocaat K. BOUVE, kantoor houdende te DE HAAN, Mezenlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Alfons CRAUWELS op 16 januari 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 17 november 2005 waarbij in beroep aan Guy LAUWERS de milieuvergunning wordt verleend voor de verandering van een feestzaal, gelegen aan de Nazarethdreef 101 te Lier; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 16 maart 2006 ingediend door Guy LAUWERS; Gelet op de beschikking van 21 maart 2006 die de tussenkomst van Guy LAUWERS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; VII-35.250-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 10 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. SOETEMANS die, loco advocaat J. VERSTRAETEN verschijnt voor verzoeker, van bestuurssecretaris M. MICHIELS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. GROUWELS die, loco advocaat K. BOUVE verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De tussenkomende partij is de exploitant van een feestzaal. Verzoeker is omwonende. 1.
- Op 1 december 1997 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Lier aan de tussenkomende partij een vergunning om een taverne-restaurant-feestzaal, gelegen aan de Nazarethdreef 101 te Lier, te verande- ren. De vergunning wordt verleend voor een termijn die eindigt op 10 april
- 1.
- Op 9 januari 1998 stelt verzoeker beroep in tegen deze vergun- ning. Zeer kort samengevat wordt betoogd dat de vergunning een regularisatie betreft, dat de exploitant zich in de illegaliteit bevindt gezien hij niet over een bouw- en milieuvergunning beschikt, dat er tal van bouwovertredingen vast te stellen zijn, en dat er veel hinder ondervonden wordt, vooral lawaaihinder. Volgens verzoeker VII-35.250-2/8 is het helemaal niet te verwachten dat de hinder beperkt kan worden door het opleggen van vergunningsvoorwaarden. 1.
- Met een besluit van 4 juni 1998 verklaart de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen het beroep gegrond. De vergunning wordt geweigerd omdat er een stedenbouwkundige onverenigbaarheid is. 1.
- Op 26 februari 2001 wordt aan de tussenkomende partij een bouwvergunning verleend, waartegen verzoeker een annulatieberoep instelt. Met het arrest nr. 165.232 van 28 november 2006 verwerpt de Raad van State het beroep omdat het besluit van 26 februari 2001 inmiddels definitief was ingetrokken. Op 3 maart 2003 wordt een nieuwe stedenbouwkundige vergunning verleend na een gunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. Ook tegen deze vergunning wordt een annulatieberoep ingesteld. Het is bij de Raad van State gekend onder A. 166.741/X-12.
- Dit beroep is nog in behandeling. 1.
- Het sub 1.4 voormelde besluit van 4 juni 1998 wordt op beroep van de tussenkomende partij door de Raad van State vernietigd met het arrest nr. 146.125 van 16 juni
- De Raad van State overweegt "dat de gevraagde vergunning wordt geweigerd omwille van de stedenbouwkundige onverenigbaar- heid; dat de verwerende partij haar weigering steunt op de ongunstige adviezen van AROHM van 19 februari en 15 mei 1998; dat uit het advies van 19 februari 1998 echter blijkt dat de bestaande stedenbouwkundige inbreuken het voorwerp kunnen uitmaken van een regularisatievergunning; dat zulks dan meteen zou betekenen dat de stedenbouwkundige onverenigbaarheid ophoudt te bestaan; dat in het navolgend advies echter wordt beweerd dat een aantal inbreuken niet voor regularisatie in aanmerking kunnen komen; dat nochtans de verwerende partij zich baseert op deze tegenstrijdige adviezen om, zonder nadere motivering, te besluiten, tot de stedenbouwkundige onverenigbaarheid van de aanvraag". 1.
- Na dit vernietigingsarrest bezorgt de exploitant met aangetekende brieven van 4 juli 2005 en 31 juli 2005 bijkomende informatie aan de verwerende partij. In de brieven wordt er op gewezen dat het stedenbouwkundig probleem ondertussen is opgelost, inzonderheid doordat op 3 maart 2003 een stedenbouwkun- dige vergunning werd verkregen. Voorts wordt de aandacht er op gevestigd dat er een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna : PRUP) in opmaak is, dat voor het betrokken gebied een herbestemming voorziet naar randstedelijk groengebied met behoud van de horecazaken. VII-35.250-3/8 1.
- Na het vernietigingsarrest wordt de beroepsprocedure hernomen en in dat kader wordt een aantal adviezen uitgebracht : - de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig; - de afdeling Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen (hierna : AROHM) adviseert voorwaardelijk gunstig, met name voor zover de exploitatie gebeurt in de gebouwen vergund in de stedenbouwkundige vergunning van 3 maart 2003; - de Provinciale Milieuvergunningscommissie (hierna : PMVC) adviseert, nadat de uitbater een duidelijk situerings- en uitvoeringsplan bijgebracht heeft, gunstig. 1.
- Op 17 november 2005 wordt de thans bestreden beslissing genomen.
- De ontvankelijkheid 2.
- Volgens de tussenkomende partij heeft verzoeker geen geoorloofd belang bij het beroep, aangezien hij geen persoonlijk voordeel nastreeft, maar enkel beoogt de exploitant nadeel te berokkenen. Verzoeker beklaagt zich over geluidshin- der, maar het bestaan van die hinder is niet bewezen en bovendien is verzoeker zelf in de rustige en groene omgeving gaan wonen om er een horecazaak uit te baten. De bestreden beslissing betreft slechts verbouwingen aan de bestaande inrichting en dus kan de vernietiging niets verhelpen aan de beweerde overlast. Van een concurrentie- belang kan ook geen sprake zijn, aangezien verzoeker reeds sinds 2000 geen handel meer voert. 2.
- Er wordt niet betwist dat verzoeker in de zeer nabije omgeving van de inrichting woont. Als zodanig dreigt hij hinder te kunnen ondervinden van de vergunde inrichting, hetgeen hem een voldoende belang verleent bij het annulatieberoep.
- Ten gronde 3.1.
- In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet) en van artikel 52, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende VII-35.250-4/8 vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), doordat de verleende milieuvergunning steunt op een stedenbouwkundige vergunning van 3 maart 2003, terwijl deze vergunning onwettig is - want strijdig met het ter plaatse geldend Bijzonder Plan van Aanleg - en het voorwerp uitmaakt van een annulatieberoep. Hij heeft het bestuur daarop gewezen, maar het bestreden besluit antwoordt niet op die grief. 3.1.
- De verwerende partij antwoordt dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Lier op 3 maart 2003, uitspraak doend over een nieuwe aanvraag waarin nieuwe elementen waren aangevoerd en zonder daarbij enige geheimhouding te hanteren, een stedenbouwkundige vergunning verleend heeft voor de regularisatie van de feestzaal, barbecue, berging en vogelhokken. De verwerende partij heeft zich, voor het treffen van het bestreden besluit, onder meer - naast het situeringsplan van de stedenbouwkundig vergunde gebouwen en het in opmaak zijnde PRUP waarin het behoud van de horecazaken wordt aangenomen - op deze stedenbouwkundige vergunning gesteund. Zij heeft ook geantwoord op de bezwaren die haar werden voorgelegd, onder meer door de adviezen van AROHM en de PMVC met betrekking tot de stedenbouwkundige toestand, tot de hare te maken. 3.1.
- De tussenkomende partij stelt harerzijds dat de verwerende partij op het ogenblik dat zij als orgaan van actief bestuur de milieuvergunningsaanvraag onderzocht, verplicht was rekening te houden met de verleende stedenbouwkundige vergunning van 3 maart 2003 en dat, wegens deze nieuwe vergunning, de kritiek op de wettigheid van de vroegere stedenbouwkundige beslissingen irrelevant is. 3.1.
- In het bestreden besluit wordt overwogen dat de aangevraagde verandering van de inrichting verenigbaar is met de ruimtelijke en de stedenbouw- kundige voorschriften. Er wordt inzonderheid op gewezen dat aan de exploitant -de tussenkomende partij- op 3 maart 2003 een stedenbouwkundige vergunning werd verleend voor de zuidelijke feestzaal en voor het grootste deel van de noordelijke feestzaal. Dat wat het laatstgenoemde gebouw betreft, de keuken, het sanitair en een gedeelte van de vestiaire wel uit de vergunning werden gesloten, maar dat in dat gedeelte van de installaties geen activiteiten worden uitgeoefend die onder vergunningsplichtige Vlaremrubrieken vallen. 3.1.
- De tussenkomende partij heeft op 3 maart 2003 inderdaad een stedenbouwkundige vergunning verkregen voor de regularisatie van de feestzaal. De verwerende partij werd aldus, bij de beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag, VII-35.250-5/8 geconfronteerd met een uitvoerbare administratieve beslissing met individuele strekking waarvan zij, als administratieve overheid oordelend over de toekenning van een milieuvergunning, de regelmatigheid niet kon betwisten, ook al was er een annulatieberoep tegen ingediend en bestond derhalve de mogelijkheid dat deze vergunning onregelmatig bevonden wordt. Zij moest rekening houden met die beslissing en de verwijzing ernaar vormt een deugdelijk motief voor de verenigbaar- heid van de bestreden beslissing met de stedenbouwkundige voorschriften ter plaatse. 3.1.
- Er kan ook vastgesteld worden dat de verwijzing naar de vergunning van 3 maart 2003 niet het enige aspect is van de motivering op stedenbouwkundig vlak. De verwerende partij blijkt zich ook aangesloten te hebben bij de gunstige adviezen van, onder meer, de PMVC waarin aangeduid wordt waarom de inrichting nu wel in overeenstemming is met de stedenbouwkundige voorschriften, met name doordat de exploitatie nu kan plaatshebben in vergunde gebouwen. 3.1.
- Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.
- In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamente- le Vrijheden (hierna : EVRM) doordat het bestreden besluit getroffen is door een politiek en niet-onafhankelijk, niet-onpartijdig orgaan, terwijl hij recht heeft op de beoordeling van zijn zaak door een orgaan dat in volle onafhankelijkheid en onpartijdigheid de legaliteit en de opportuniteit onderzoekt. Hij verwijst naar het arrest van 8 oktober 1983 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake BENTHAM, waarin gesteld is dat de Nederlandse Kroon niet beschouwd kan worden als een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie. 3.2.
- De verwerende partij wijst erop dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen in het milieuvergunningsdecreet de bevoegdheid vindt om beslissingen te treffen over milieuvergunningsaanvragen en zij te dezen toepassing gemaakt heeft van die decretale bepalingen. 3.2.
- De tussenkomende partij betoogt dat, in het Belgische recht, een belanghebbende bij de Raad van State beroep kan instellen tegen een beslissing waarbij een milieuvergunning verleend wordt en dat de bevoegdheden van de Raad van State beantwoorden aan de vereisten van artikel 6.1 van het EVRM, aangezien VII-35.250-6/8 de Raad van State kan nagaan of de rechtens vereiste feitelijke grondslag voor het bestreden besluit aanwezig is en of de beslissing evenredig is met de vastgestelde feiten, ook al gaat het wat dat betreft slechts om een marginale beoordelingsbe- voegdheid. 3.2.
- De verwerende partij is te dezen opgetreden ter uitvoering van de opdracht die haar formeel toevertrouwd is door artikel 23, § 1, van het milieuvergun- ningsdecreet en de kritiek van verzoeker richt zich eigenlijk tegen een wettelijke bepaling. Daargelaten de vraag of de verwerende partij, wegens haar samenstelling, structureel niet in staat is om een milieuvergunningsaanvraag onbevooroordeeld en onpartijdig te beoordelen, kan met de tussenkomende partij in ieder geval vastgesteld worden dat de benadeelde de mogelijkheid heeft om een annulatieberoep in te dienen bij de Raad van State, die een rechterlijke instantie is die voldoet aan de vereisten van artikel 6.1 van het EVRM. 3.2.
- Het tweede middel is niet gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-35.250-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig april tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-35.250-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.590 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div