← België

Arrest 192591 - Milieuvergunningen - 23/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.591 Rolnummer: A. 183985/VII-37008 Zaak: Arrest 192591 - Milieuvergunningen - 23/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-05-04 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:01 Fiche Arrest nr 192.591 van 23 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.591 van 23 april 2009 in de zaak A. 183.985/VII-37.008. In zake : Rudolf VERLINDEN, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. VAN WESEMAEL, kantoor houdende te BRUSSEL, Waterloosesteenweg 412 F tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rudolf VERLINDEN op 11 juni 2007 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 10 april 2007 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 11 maart 1999, houdende de gedeeltelijke weigering van de vergunning voor de verdere exploitatie van een nertskwekerij, gelegen aan de Hogerheistraat 95 te Kapelle-op-den-Bos, zonder voorwerp wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-37.008-1/11 Gelet op de beschikking van 10 februari 2009 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. MALFAIT die, loco advocaat Ph. VAN WESEMAEL verschijnt voor verzoeker, en van advocaat S. CALLENS die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Op 14 augustus 1998 dient Jan VERLINDEN bij de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een aanvraag in voor het verder exploiteren en veranderen van een bestaande nertskwekerij, gelegen aan de Hogerheistraat 95 te Kapelle-op-den-Bos. Met die aanvraag beoogt de exploitant in hoofdzaak een hernieuwing te bekomen van de vergunning voor het houden van 10.000 nertsen (waarvan 1.800 moederdieren), verleend op 13 maart 1986. De gevraagde verandering heeft betrekking op een aantal aanhorigheden van de kwekerij, meer in het bijzonder de opslag van 15 ton kippen- en visslachtafval, een septische put voor de zuivering van het huishoudelijk afvalwater, een stelplaats voor een vrachtwagen, een landbouwtractor en aanhang- wagens, de opslag van 3.000 liter dieselolie en twee brandstofverdeelinstallaties. 1.2. Bij besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 11 maart 1999 wordt de gevraagde milieuvergunning slechts gedeeltelijk verleend. Aan Jan VERLINDEN wordt een vergunning verleend voor het houden van 7.278 nertsen, waarvan 1.310 moederdieren, en voor de aanhorighe- den van de inrichting. De hernieuwing van de vergunning wordt echter niet toegestaan voor 2.722 nertsen, waarvan 490 moederdieren. Als motief voor de VII-37.008-2/11 gedeeltelijke weigering wordt opgegeven dat de op de inrichting geproduceerde mest in het verleden niet volledig werd afgezet conform de bepalingen van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (hierna : meststoffendecreet). De verleende vergunning wordt daarenboven afhankelijk gesteld van de naleving van een aantal bijzondere voorwaarden. De vergunning wordt verleend voor een periode van twintig jaar. 1.3. Met een op 15 april 1999 gedateerd schrijven stelt Jan VERLINDEN bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw beroep in tegen voormelde beslissing van de deputatie in de mate de hernieuwing van de lopende vergunning voor het houden van 10.000 nertsen niet volledig wordt toegestaan. 1.4. Met een besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 13 september 1999 wordt het beroep gegrond verklaard in zoverre het gericht is tegen de opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarden. Aan het in eerste aanleg vergunde aantal nertsen wordt evenwel geen wijziging aangebracht en op dat punt wordt de beroepen beslissing dan ook bevestigd. 1.5. Jan VERLINDEN stelt tegen voormeld besluit een annulatie- beroep in bij de Raad van State. 1.6. Hangende het annulatieberoep draagt Jan VERLINDEN de exploitatie over aan zijn zoon Rudolf VERLINDEN, huidige verzoeker. De overname wordt gemeld op 23 december 2004. In haar advies stelt de Vlaamse Landmaatschappij voor de melding te aanvaarden voor 7.278 nertsen, waarvan 1.310 moederdieren. 1.7.1. Op 26 april 2005 dient verzoeker bij de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een aanvraag in voor de verandering van de vergunde inrichting door uitbreiding met, onder meer, 900 moederdieren. Na de beoogde uitbreiding zou het totaal aantal moedernertsen 2.210 stuks bedragen en het totaal aantal op de inrichting gehouden en gefokte nertsen zou stijgen van 7.278 naar 11.778 dieren. Voor het realiseren van de uitbreiding heeft verzoeker op 18 januari 2005 een te Londerzeel gelegen nertsenfokkerij overgenomen met een vergunning voor 6.000 dieren. De overgenomen exploitatie zou door samenvoeging volledig opgaan in de nertsenfokkerij die verzoeker exploiteert aan de Hogerheistraat 95 te Kapelle-op-den-Bos. VII-37.008-3/11 1.7.2. Met een besluit van 10 november 2005 verleent de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde vergunning tot uitbreiding voor een termijn die samenvalt met de lopende basisvergunning (dit is tot 11 maart 2019). 1.7.3. Tegen voormeld besluit heeft de Vlaamse Landmaatschappij beroep ingesteld bij de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur. De Vlaamse Landmaatschappij laat daarbij gelden dat op grond van de bewezen mestafzet van de betrokken nertsenhouderijen in het verleden, de vergunning slechts gedeeltelijk verleend kon worden. Met een besluit van 14 april 2006 heeft de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur het beroep van de Vlaamse Landmaatschappij gegrond verklaard : de vergunde uitbreiding wordt teruggebracht tot 656 moederdieren. Het besluit van de Vlaamse minister heeft tot gevolg dat verzoeker thans 1.966 moederdieren mag houden en het totaal aantal op de inrichting vergunde nertsen 10.923 bedraagt. Tegen het ministerieel besluit van 14 april 2006 is geen annulatieberoep ingesteld. 1.8. Bij arrest nr. 164.112 van 26 oktober 2006 wordt het sub 1.4 vermelde ministerieel besluit van 13 september 1999 vernietigd wegens schending van de formele motiveringsverplichting. 1.9. Het bestuur herneemt de beroepsprocedure tegen het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 11 maart 1999. In dat kader wordt opnieuw een aantal adviezen ingewonnen :

  1. a)de afdeling Stedenbouwkundig Beleid deelt op 5 december 2006 mee dat de inrichting verenigbaar is met de geldende planologische voorschriften en dat de aanvraag gunstig geadviseerd kan worden "onder de strikte voorwaarde van het naleven van alle milderende maatregelen zoals voorzien in het M.E.R.-rapport";
  2. b)het advies van de afdeling Toezicht Volksgezondheid van 13 december 2006 is eveneens gunstig;
  3. c)het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij van 15 december 2006 is gunstig voor het lozen van 260 m3/jaar bedrijfsafvalwater in het oppervlaktewater;
  4. d)in het gunstig advies van de Vlaamse Landmaatschappij van 18 december 2006 wordt gesteld dat de aanvraag voldoet aan de voorwaarden van het meststoffendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten. De Vlaamse Landmaatschappij merkt evenwel het volgende op : VII-37.008-4/11 "In dit advies werd enkel de aanvraag van 1999 - de hernieuwing van 10.000 nertsen - bekeken. De exploitant heeft echter op 14/04/06 een vergunning via samenvoeging bekomen van 10.923 nertsen. De exploitant heeft dus zijn gewenste toestand gerealiseerd zonder te wachten op de uitspraak van de Raad van State. Het beroep van de exploitant van 15/04/99 is zonder voorwerp geworden";
  5. e)op 30 januari 2007 adviseert de afdeling Milieuvergunningen om het beroep zonder voorwerp te verklaren omdat door de op 14 april 2006 verleende milieuvergunning de exploitant de "gewenste toestand" heeft kunnen realiseren;
  6. f)door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt op 5 februari 2007 voorgesteld om het beroep zonder voorwerp te verklaren en de beroepen beslissing te bevestigen. Verzoeker was door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie gehoord en naar aanleiding van de hoorzitting heeft zijn raadsman een nota ingediend waarin onder meer het volgende wordt gesteld : "Thans blijkt door de tussenkomst van het vernietigingsarrest dd. 26 oktober 2006 van de Raad van State dat de minister in 1999 een fout heeft begaan door de handgeschreven en ondertekende verklaring die werd neergelegd, niet in de behandeling van het administratief beroep te betrekken. Uit deze verklaring, ondertekend door Mevrouw Rita De Boeck, bleek immers dat er in de jaren 1995 en 1996 in totaal 45 ton vaste nertsenmest ontvangen had op 5 ha cultuurgronden. Hiermee werd een gemiddelde afzet aangetoond van 495 kg/jaar voor de periode 1995-1996-1997. Gevoegd bij de door de Mestbank bewezen geachte mestafzet, komt dit neer op een quasi voor 100 % bewezen mestafzet voor de jaren 1995-1996-1997, zodat niets de volledige hernieuwing van de vergunning voor 10.000 nertsen, waarvan 1.800 moederdieren, belette. Bij de herbehandeling anno 2006 van het door de rechtsvoorganger van beroeper ingestelde administratief beroep, dient thans uiteraard terdege rekening met dit document te worden gehouden. De eerder geweigerde 2.722 nertsen, waarvan 490 moederdieren, dienen op basis van de 100 % bewezen mestafzet in de referentiejaren 1995-1996-1997 dan ook integraal te worden vergund. Om deze redenen vraagt beroeper de milieuvergunning te verlenen voor de exploitatie van 2.722 nertsen, waarvan 490 moederdieren, en dit naast de reeds verleende milieuvergunning dd. 14 april 2006 voor de exploitatie van 10.923 nertsen, waarvan 1.966 moederdieren. Het betreft hier immers een loutere hernieuwingsaanvraag van de vergunning dd. 13 maart 1986, zodat er geenszins sprake is van een uitbreiding of vraag tot verhoging van de vergunde mestproductie". 1.10. Met een besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 10 april 2007 wordt het beroep dat verzoekers vader had ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 11 maart 1999 zonder voorwerp verklaard en wordt de beroepen beslissing bevestigd. Het besluit bevat volgende motieven : VII-37.008-5/11 "(...) Overwegende dat bij een heroverweging na vernietiging de vergunningver- lenende overheid verplicht is rekening te houden met de op het ogenblik van de heroverweging geldende reglementering; Overwegende dat de definitieve bouwvergunning werd verleend vóór 1 september 1991; dat de aangifte van het aanslagjaar 1993 werd ontvangen op 5 maart 1993, wat vóór 29 september 1993 is; dat er op die aangifte dieren werden vermeld; dat derhalve, overeenkomstig artikel 2, 7/, a van het meststoffendecreet, deze inrichting kan beschouwd worden als een bestaande veeteeltinrichting; Overwegende dat voor een inrichting waar nertsen worden gehouden en die gelegen is in een agrarisch gebied in titel II van het VLAREM geen verbods- en afstandsregels zijn bepaald; Overwegende dat in 1999, bij deze aanvraag tot hernieuwing van de vergunning, een MER-rapport werd opgesteld (sinds 17/02/2005 niet meer MER-plichtig) waaruit voldoende werd aangetoond dat de aangevraagde inrichting zonder overmatige geurhinder voor de omgeving kan uitgebaat worden; dat in het geurverspreidingsmodel toen reeds rekening werd gehouden met een mogelijke uitbreiding van het aantal dieren tot 10.000 (l.800 moeder- dieren); dat de mest niet wordt opgeslagen maar direct wordt afgevoerd; Overwegende dat dergelijke milieuvergunningsaanvraag ook dient te voldoen aan alle bepalingen van artikel 33ter, 1/,
  7. c)van het mestdecreet; dat daarin bepaald wordt dat de inrichting een bestaande inrichting dient te zijn, dat de drie voorafgaande kalenderjaren aan de aangifteplicht is voldaan; dat de laatste drie kalenderjaren voldaan is aan de mestafzet en dat de aanvrager dezelfde natuurlijke of rechtspersoon is; dat volgens de gegevens van de Vlaamse Landmaatschappij hieraan voldaan is; Overwegende dat volgens vermeld artikel ook bepaald wordt dat het verlenen van de vergunning geen stijging van de vergunde mestproductie tot gevolg mag hebben; dat de vergunde mestproductie van de inrichting 10.000 kg P2O5 en 20.000 kg N bedroeg overeenkomstig 10.000 nertsen; dat de initiële aanvraag een hernieuwing van deze vergunning betrof; dat dus de gewenste mestproductie 10.000 kg P2O5 en 20.000 kg N zou bedragen en er derhalve geen stijging van de vergunde mestproductie zou zijn zodat er voldaan zou zijn aan de vermelde bepaling van het mestdecreet; Overwegende dat bij ministerieel besluit nr AMV/68450/1005 van 14 april 2006 de vergunning wordt verleend aan Rudolf Verlinden, Hogerheidestraat 95 te 1880 Kapelle-op-den-Bos, voor de uitbreiding met 656 moederdieren zodat het totaal aantal moederdieren voortaan 1.966 moederdieren bedraagt en het totaal aantal dieren na fokken stijgt van 7.278 nertsen tot 10.923 nertsen; dat tegen dit ministerieel besluit geen verzoekschrift tot vernietiging werd ingediend bij de Raad van State; dat deze uitbreiding gebeurde in bestaande stallen; dat de exploitant dus zijn gewenste toestand ondertussen gerealiseerd heeft; dat bijgevolg het ingediende beroep van 15 april 1999 zonder voorwerp is geworden; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep zonder voorwerp te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen". 2. Ten gronde 2.1. In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet, van artikel 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 2001 tot uitvoering van artikel 33ter van het VII-37.008-6/11 decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : vergunningenbesluit), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en van het rechtszekerheidsbeginsel. In het tweede daarbij aansluitend middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 30, § 1, 3/ tot 5/ en 52, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), van het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State nr. 164.112 van 26 oktober 2006 en van het materiële motiveringsbeginsel. De middelen worden als volgt toegelicht : De bestreden beslissing steunt op de vaststelling dat de exploitant "ondertussen zijn gewenste toestand heeft gerealiseerd" door de overname van de exploitatievergun- ning van een ander bedrijf, maar daarmee gaat de verwerende partij voorbij aan de vaststelling dat met de aanvraag waarover hier beslist werd geen verhoging van de bestaande mestproductie beoogd werd en dat het bedrijf juridisch en milieu- technisch aan alle voorwaarden voldeed om de vergunning te verkrijgen zoals ze was aangevraagd. Geen bepaling belet dat de basisvergunning, die voldoet aan alle bepalingen van het meststoffendecreet, toch nog vernieuwd wordt wanneer het betrokken bedrijf de eigen exploitatie reeds mag uitbreiden op grond van de overname van een andere vergunning en de minister kan in het standstillbeginsel, dat erop gericht is de mestproductie niet te verhogen, geen grondslag vinden om bedrijven die een vergunning van een ander bedrijf overnemen te straffen door de vernieuwing van hun basisvergunning te weigeren. Verzoeker heeft nooit te kennen gegeven dat de overgenomen exploitatievergunning ertoe strekte een vergunning te verkrijgen voor het aantal dieren uit de basisvergunning. Het meststoffendecreet biedt verzoeker de mogelijkheid om, door de overname van een exploitatievergun- ning, zijn eigen bedrijf uit te breiden en deze overname moet derhalve buiten beschouwing gelaten worden bij de beoordeling van de vraag tot hernieuwing van de basisvergunning, die op zich aan alle voorwaarden van het meststoffendecreet voldoet. De minister kon daarom niet vaststellen dat het beroep zonder voorwerp was. Hij had de vraag tot hernieuwing volledig moeten onderzoeken, rekening houdend met het vernietigingsarrest en de uitgebrachte adviezen, en in functie VII-37.008-7/11 daarvan in het bestreden besluit moeten uiteenzetten waarom de basisvergunning niet integraal vernieuwd werd. 2.2. De verwerende partij wijst er in haar memorie van antwoord eerst op dat de minister in dit geval geen uitspraak moest doen over de uitbreiding van de exploitatie tot 11.778 nertsen, maar uitsluitend over de vraag tot hernieuwing van een vergunning voor de exploitatie van 10.000 nertsen. De vaststelling dat verzoeker op het ogenblik dat daarover beslist werd reeds een vergunning had voor meer dan 10.000 dieren, volstond derhalve om vast te stellen dat de vraag tot verdere exploitatie met 10.000 dieren geen voorwerp meer had. Vervolgens stelt zij dat artikel 33ter, § 1, 1/, c), van het meststoffendecreet en artikel 3 van het vergun- ningenbesluit tot gevolg hebben dat een milieuvergunning ambtshalve beperkt moet worden in functie van de bewezen mestafzet van de betrokken veeteeltinrichting. Wanneer de gestelde voorwaarden niet vervuld zijn kan geen vergunning worden verleend, maar dat betekent niet dat, wanneer de voorwaarden vervuld zijn, er een vergunning moet worden verleend. Mits geldige redenen kan de overheid de vergunning nog steeds weigeren of, als te dezen, de aanvraag afwijzen bij gebrek aan voorwerp. Voor het overige zet verzoeker niet nader uiteen op welke wijze de in het middel genoemde normen geschonden zijn. In ieder geval is de minister niet afgeweken van enig gunstig advies, maar heeft hij een bijkomend en deugdelijk argument aangehaald om de aanvraag van verzoeker af te wijzen. Het gezag van gewijsde van het arrest nr. 164.112 houdt in dat de vergunning niet kon worden geweigerd op grond van niet-bewezen mestafzet, en belette de minister niet de aanvraag om een andere reden af te wijzen. 2.3. In zijn repliek benadrukt verzoeker dat de bestreden beslissing steunt op de vaststelling dat hij de "gewenste toestand gerealiseerd (heeft)", maar dat zijn aanvraag, die strekte tot de vernieuwing van een vergunning voor 10.000 dieren, aan alle bepalingen van het meststoffendecreet voldoet - met name brengt zij geen verhoging van de mestproductie teweeg en dat wordt in het bestreden besluit ook onderkend -. De overname van een andere vergunning - en de stijging van het toegelaten aantal dieren dat daarmee verbonden is - doet niets af aan het feit dat de Raad van State in zijn vernietigingsarrest nr. 164.112 vastgesteld heeft dat de minister een fout heeft begaan en dat hij de vergunning voor 10.000 nertsen moest verlenen. De minister had zijn fout moeten herstellen en de vergunning verlenen of minstens moeten aanduiden welke andere milieutechnische bezwaren hem toelieten de vergunning toch te weigeren. Nog voor de Provinciale Milieuvergunningscom- missie heeft verzoeker uiteengezet dat het verhoogd aantal dieren dat hij mocht VII-37.008-8/11 houden het gevolg is van de overname van een vergunning van een naburig bedrijf, zodat de beslissing van 14 april 2006 geen invloed kan hebben op het dossier waarover het bestreden besluit zich uitspreekt. Met die overname wenste hij zijn bedrijf uit te breiden en de verwerende partij mocht daar niet uit besluiten dat het administratief beroep zonder voorwerp was. Zij had moeten aanduiden waarom zij, tegen de gunstige adviezen in, de integrale vernieuwing van de basisvergunning weigerde. 2.4. In zijn laatste memorie stelt verzoeker nog dat de vergunning van 14 april 2006 geen afbreuk kan doen aan het feit dat de minister bij het treffen van zijn besluit van 13 september 1999 een fout gemaakt heeft en dat hij die fout diende recht te zetten, ongeacht de uitbreiding die hij als gevolg van de overname van een vergunning had gekregen. Had de minister in 1999 een correcte beslissing genomen - en de basisvergunning hernieuwd voor 10.000 dieren -, dan had hij toch ook nog de overname kunnen verrichten. 2.5. Na de vernietiging van het ministerieel besluit van 13 september 1999, in de mate daarmee de aanvraag van verzoeker voor de hernieuwing van zijn milieuvergunning voor het houden van 10.000 nertsen niet werd ingewilligd voor 2.722 dieren, diende de verwerende partij zich opnieuw uit te spreken over de hernieuwingsaanvraag voor het evenvermeld aantal dieren. Met de bestreden beslissing is die aanvraag verworpen. De minister heeft daarbij in overweging genomen dat verzoeker inmiddels - meer bepaald met inachtneming van de op 14 april 2006 toegelaten uitbreiding van zijn bedrijf wegens de overname van een exploitatievergunning - het gewenste aantal dieren mag houden zodat het beroep waarover hij nog te beslissen had om die reden zonder voorwerp gevallen is. 2.6. De overheid die beslist over een vergunning, doet dit binnen de grenzen van de aanvraag. Ook wanneer de bevoegde overheid na een vernietigings- arrest van de Raad van State een vergunningsdossier heroverweegt, moet zij de zaak beoordelen binnen de grenzen aangeduid in de aanvraag. Te dezen betekent dit dat de verwerende partij enkel uitspraak kon doen over de vernieuwing van de milieuvergunning voor 2.722 nertsen om aldus het totaal van 10.000 vergunde dieren te bereiken. 2.7. Geen bepaling verplicht de vergunningverlenende overheid om ambtshalve een vraag tot hernieuwing van een vergunning te koppelen aan een vergunning tot samenvoeging met een overgenomen inrichting. De verwerende partij VII-37.008-9/11 bewijst ook niet dat zulks in dit geval om een of andere reden noodzakelijk was. Inzonderheid toont zij niet aan dat verzoeker onmogelijk zijn inrichting kon uitbreiden boven de 10.000 nertsen. Verzoeker heeft hangende de procedure betreffende de vernieu- wing van zijn vergunning voor 10 000 dieren, de vergunning verkregen om met de opslorping van de vergunning van een andere kwekerij, zijn inrichting met 656 moederdieren uit te breiden. Hij heeft in de loop van de administratieve procedure, waarin hij steeds betwist heeft dat hij, wegens zijn mestafzet, geen vergunning kon krijgen voor de integrale vernieuwing van zijn vergunning voor 10.000 dieren, erop gewezen dat de overname diende om zijn bedrijf uit te breiden en dat de overname- vergunning geen invloed had op de vernieuwing van zijn vergunning die toen onderzocht werd. Rekening houdend met dat gegeven kon de verwerende partij, binnen haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid, niet op deugdelijke gronden zelf de uitbreidingsvergunning betrekken bij de vernieuwing. 2.8. De verwerende partij heeft in het ministerieel besluit van 14 april 2006 waarbij de uitbreiding van verzoekers nertskwekerij vergund wordt, niet alleen bepaald dat de inrichting met 656 moederdieren uitgebreid mocht worden, maar zij heeft ook het aantal dieren bepaald dat maximaal in de inrichting gehouden mag worden, daarbij rekening houdend met de aantallen die in eerste aanleg in het hernieuwingsbesluit waren vergund. Verzoeker heeft dat besluit niet bestreden. Daaruit mag evenwel niet afgeleid worden dat het maximaal aantal dieren dat verzoeker mag houden daarmee definitief vastgesteld werd en dat de verwerende partij bij het treffen van het bestreden besluit daardoor gebonden was, aangezien het besluit van 14 april 2006 steunt op feitelijke gegevens die op dat ogenblik niet vaststonden en door verzoeker voor het bestuur zelf betwist werden. Op grond van dergelijke voorlopige gegevens kon het totaal aantal vergunde dieren van verzoeker toen niet definitief vastgesteld worden. 2.9. Het middel is gegrond, VII-37.008-10/11 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 10 april 2007 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 11 maart 1999, houdende de gedeeltelijke weigering van de vergunning voor de verdere exploitatie van een nertskwekerij, gelegen aan de Hogerheistraat 95 te Kapelle-op-den-Bos, zonder voorwerp wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig april tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-37.008-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.591 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.