← België

Arrest 192592 - Milieuvergunningen - 23/04/2009

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.592 Rolnummer: A. 178069/VII-36717 Zaak: Arrest 192592 - Milieuvergunningen - 23/04/2009 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-04-30 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-30 03:01 Fiche Arrest nr 192.592 van 23 april 2009 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 192.592 van 23 april 2009 in de zaak A. 178.069/VII-36.

  1. In zake :
  2. de VZW BETER BRUGGESTRAAT, die woonplaats kiest bij advocaat S. SERGEANT, kantoor houdende te BRUGGE, Zwijnstraat 3,
  3. Chris VAN NESTE,
  4. Isabelle VAN DEN BERGHE, die woonplaats kiezen bij advocaat M. RYELANDT, kantoor houdende te BRUGGE, Filips de Goedelaan 11 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaten F. VINCKE en G. MARTYN, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg
  5. tussenkomende partij : de NV EXPORTSLACHTHUIS G. DE COSTER, die woonplaats kiest bij advocaten B. ROELANDTS en L. PROOT, kantoor houdende te GENT, Kasteellaan
  6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW BETER BRUGGE- STRAAT, Chris VAN NESTE en Isabelle VAN DEN BERGHE op 27 oktober 2006 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 7 juli 2006 waarbij de beroepen, aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 28 juli 1997 houdende het verlenen van de vergunning aan de tussenkomende partij om een slachthuis, gelegen aan de Bruggestraat 140a te Ruiselede, verder te exploiteren en te veranderen door wijziging en uitbreiding, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd; VII-36.717-1/13 Gelet op het arrest nr. 168.999 van 15 maart 2007 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door tweede verzoeker en derde verzoekster; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 27 juli 2007 ingediend door de NV EXPORTSLACHTHUIS G. DE COSTER; Gelet op de beschikking van 21 augustus 2007 die de tussenkomst van de NV EXPORTSLACHTHUIS G. DE COSTER toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur P. PROVOOST; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 februari 2009 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 12 maart 2009; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. RYELANDT die, tevens loco advocaat S. SERGEANT wat de eerste verzoekende partij betreft, verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat F. VINCKE, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat H. SCHOUKENS die, loco advocaat B. ROELANDTS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. PROVOOST; VII-36.717-2/13 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  7. De feiten 1.
  8. De tussenkomende partij exploiteert sinds 1949 een slachthuis in Ruiselede. In de loop der jaren is het bedrijf aanzienlijk gegroeid. Ter plaatse worden nog inrichtingen geëxploiteerd door andere vennootschappen, maar in nauwe samenhang met de inrichting van de tussenkomende partij. De Raad van State heeft reeds meerdere beroepen behandeld inzake de vergunningen van verschillende van deze inrichtingen. De thans bestreden beslissing werd genomen nadat een eerdere uitspraak over hetzelfde administratief beroep reeds tweemaal door de Raad van State werd geschorst en vernietigd, eerst bij de arresten nr. 78.705 van 11 februari 1999 en nr. 87.037 van 4 mei 2000, en vervolgens bij de arresten nr. 107.090 van 29 mei 2002 en nr. 154.691 van 9 februari
  9. 1.
  10. De in het geding zijnde milieuvergunningsaanvraag dateert van 3 april
  11. Op 28 juli 1997 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een milieuvergunning voor een termijn van twintig jaar. Er worden drie administratieve beroepen ingediend. 1.
  12. Tijdens de behandeling van het tweede annulatieberoep wordt een Bijzonder Plan van Aanleg (hierna : BPA) goedgekeurd, waardoor het bedrijfster- rein in drie nieuwe bestemmingszones wordt opgedeeld, te weten een slachthuiszo- ne, een zone voor private parkeerplaatsen, zogenaamde "toeritten", laad- en losplaatsen, en een bufferzone. Tegen het BPA wordt een vordering tot schorsing en een annulatieberoep ingediend. Deze vorderingen worden respectievelijk bij arrest nr. 145.183 van 31 mei 2005 en nr. 160.843 van 29 juni 2006 verworpen. 1.
  13. Nadat de uitspraak over de administratieve beroepen tegen de milieuvergunning van 28 juli 1997 tweemaal is geschorst en vernietigd, worden de beroepen een derde maal behandeld. VII-36.717-3/13 Op 7 juli 2006 wordt de bestreden beslissing genomen : de door de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen in 1997 verleende vergunning wordt bevestigd, met toevoeging van een aantal bijzondere vergunningsvoorwaarden. Deze beslissing is, onder meer, als volgt gemotiveerd : "Gelet op de ligging van de inrichting, deels in een gebied voor milieubelas- tende industrie, deels in agrarisch landschappelijk waardevol gebied, deels in agrarisch gebied en deels in woongebied volgens het gewestplan Roeselare - Tielt, goedgekeurd hij koninklijk besluit van 17 december 1979; Gelet op de ligging van de inrichting in het bijzonder plan van aanleg 'Bruggestraat', goedgekeurd bij ministerieel besluit van 21 juni 2004; Overwegende dat voor het betrokken bedrijf, volgens het van toepassing zijnde bijzonder plan van aanleg, de volgende bestemmingen van toepassing zijn: - zone 6: slachthuiszone (deelzone A en B); - zone 7: zone voor private parkeerplaatsen, toeritten, laad-en losplaatsen; - zone 9: bufferzone; dat de gebouwen die vroeger in de woonzone (volgens het bijzonder plan van aanleg de zone voor halfopen en/of gesloten bebouwing) waren gesitueerd, niet meer tot de hier betreffende inrichting horen; Overwegende dat er binnen een straal van 500 meter rond de inrichting zich de volgende gebieden bevinden: een woongebied, een woonuitbreidingsgebied, een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, een agrarisch gebied, een parkgebied en een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut; Overwegende dat de verschillende bouwvolumes van de betreffende inrichting stedenbouwkundig vergund zijn; Overwegende dat de inrichting in overeenstemming is met de voorschriften van het bijzonder plan van aanleg, mits een bufferbekken wordt aangelegd, zoals opgelegd in de inrichtingsvoorschriften met betrekking tot afwatering van zone 7 van het bijzonder plan van aanleg en voor zover een groenscherm voorzien is, zoals aangeduid op het bijzonder plan van aanleg; Overwegende dat het bijgevolg opportuun is dit bufferbekken en groen- scherm, zoals aangegeven in het bijzonder plan van aanleg, op te leggen als bijzondere voorwaarde; Overwegende dat onderhavige aanvraag de verdere exploitatie en het veranderen door uitbreiding en wijziging van een exportslachthuis betreft; dat er maximaal 3.500 varkens per dag en 550.000 varkens per jaar worden geslacht; (...) Overwegende dat op het moment dat onderhavige aanvraag werd ingediend, het besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 1989 houdende organisatie van de milieueffectbeoordeling van bepaalde categorieën van hinderlijke inrichtingen, van kracht was; dat volgens artikel 3, 31, g van dit besluit, voor installaties voor het slachten van dieren met een verwerkingscapaciteit van 50.000 ton vlees per jaar, er een milieueffectrapport vereist is voor het bekomen van een milieuvergunning; dat kwestieus artikel aan het besluit werd toege- voegd bij artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 1998 (Belgisch Staatsblad van 30 april 1998); dat deze in werking is getreden op 30 april 1998; Overwegende dat artikel 21 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 1989 houdende organisatie van de milieueffectbeoordeling van bepaalde categorieën van hinderlijke inrichtingen, stelt dat 'voor de vergun- ningsaanvragen ingediend voor de inwerkingtreding van dit besluit kan de vergunning tot het exploiteren voor een project waarvoor een milieueffectrap- VII-36.717-4/13 port is vereist, worden verleend zonder dat een milieueffectrapport is opge- steld'; Overwegende dat de vergunningsaanvraag dateert van 3 april 1997; dat zodoende de inrichting op het ogenblik van de aanvraag nog niet mer-plichtig was".
  14. De rechtspleging Volgens artikel 17, § 4ter, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van 30 dagen die ingaat met de kennisge- ving van het arrest. In zijn arrest nr. 168.999 van 15 maart 2007 heeft de Raad van State de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit verworpen. De eerste verzoekende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend binnen de termijn van 30 dagen na kennisgeving van het arrest. Te haren aanzien geldt bijgevolg een vermoeden van afstand van het geding.
  15. Ten gronde Derde middel Standpunten van de partijen 3.
  16. De verzoekende partijen voeren in hun verzoekschrift als derde middel de schending aan van de artikelen 3.31, g), en 21, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 houdende organisatie van de milieu-effect- beoordeling van bepaalde categorieën van hinderlijke inrichtingen (hierna : besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989), artikel 249, derde lid, van het verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna : EG- verdrag), de richtlijn 85/337/EEG van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbe- oordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (hierna : richtlijn 85/337/EEG). VII-36.717-5/13 Zij viseren daarbij in het bijzonder het gedeelte van de motivering van de bestreden beslissing dat stelt dat de inrichting, bij het indienen van de vergunningsaanvraag op 3 april 1997, "niet mer-plichtig" was. In hun argumentatie verwijzen zij daarbij naar artikel 3.31, g), van het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 "dat (...) een milieueffectrapport vereist voor de gunning van installaties voor het slachten van dieren met een verwerkingscapaciteit van 50.000 ton vlees per jaar". Zij wijzen er tevens op dat artikel 21 van dat besluit het weliswaar mogelijk maakt de vergunning te verlenen zonder dat een milieueffecten- rapport (hierna : MER) is opgesteld, maar dat zulks nog steeds in elk afzonderlijk geval moet worden beoordeeld, en dat de bestreden beslissing geen motivering bevat waarom de vergunning kon worden verleend zonder MER. Zij stellen meer bepaald het volgende : "Aangezien, ten overvloede, zodanige interpretatie van art. 21 dat aan de exploitatie van een hinderlijke inrichting, in casu een zeer groot slachthuis met aanzienlijke capaciteit, géén milieueffectbeoordeling zou moet(en) voorafgaan, noch dat de overheid, die bevoegd is om te beslissen over de exploitatie- vergunningsaanvraag, verplicht zou zijn een milieueffectbeoordeling in haar appreciatie te betrekken, meteen zou impliceren dat de Vlaamse regelgeving geen behoorlijke implementatie inhoudt van de Europese richtlijn 85/337 d.d. 27 juni 1985; dat de Richtlijn 85/337/EEG van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoor- deling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij de Richtlijn 97/11/EG van 3 maart 1997, inzonderheid artikel 2.1., bepaalt: 'Art. 2.
  17. De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat een vergunning vereist is voor projecten die een aanzienlijk milieuef- fect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en een beoordeling van hun effecten moet plaatsvinden alvorens een vergunning wordt verleend. Deze projecten worden omschreven in artikel 4'; dat artikel 4.2 e.v. bepaalt: '4.2 Onder voorbehoud van artikel 2, lid 3, bepalen de lidstaten voor de in bijlage II genoemde projecten: a) door middel van een onderzoek per geval, of b) aan de hand van door de lidstaten vastgestelde drempelwaarden of criteria, of het project al dan niet moet worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met
  18. De lidstaten kunnen besluiten om beide onder a) en b) genoemde procedures toe te passen. 4.
  19. Bij het onderzoek per geval of bij de vaststelling van drempelwaarden of criteria bij de toepassing van lid 2 moet met de relevante selectiecriteria van bijlage III rekening worden gehouden. 4.

(4). De lidstaten zorgen ervoor dat de overeenkomstig lid 2 door de bevoegde instanties verrichte bepalingen ter beschikking van het publiek worden gesteld'. dat de bijlage 2, onder 7 f). vermeldt: '
  1. f)Installaties voor het slachten van dieren'. VII-36.717-6/13 Aangezien de milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft op de(r)gelijke installatie volgt hieruit dat, de Richtlijn 85/337, zoals gewijzigd door de Richtlijn 97/11 (deze wijziging werd van kracht op 3 april 1997, de dag van de milieuvergunningsaanvraag), op het betrokken project van toepassing was, en dat derhalve de betrokken richtlijn een onderzoek aan de hand van drempel- waarden en criteria vereist; dat in de mate waarin de Vlaamse regelgeving zo zou geïnterpreteerd (moeten) worden (quod non), dat over aanvragen voor exploitatie van een slachthuis, daterend van 3 april 1997, (later) beslist kan worden zonder individueel te onderzoeken aan de hand van drempelwaarden en criteria of een milieueffect- beoordeling vereist is, dit een niet richtlijn-conforme interpretatie zou inhouden; Aangezien de betrokken norm afgeleid uit de Richtlijn 85/337, zoals gewijzigd door de Richtlijn 97/11 rechtstreekse werking heeft in de interne Belgische rechtsorde, nu deze duidelijke en onvoorwaardelijke bepalingen bevat die geen verdere substantiële interne uitvoeringsmaatregel door communautaire of nationale overheden behoeven om het gewild effect op nuttige wijze te bereiken; dat van rechtstreekse werking sprake is zodra de rechter in staat is om, zonder verdere uitvoeringsmaatregelen, een voor het concrete geval dienstige uitlegging aan te reiken, waardoor particulieren hun aan de norm ontleende rechten kunnen afdwingen; dat dus in casu besloten dient te worden, dat in de mate waarin de bestreden beslissing zondermeer uit art 21 van voormeld besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 1989 afleidt dat géén milieueffectbeoordeling vereist is, de bestreden beslissing, de bedoelde Europeesrechtelijke norm schendt". 3.2. In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat, overeenkomstig de vigerende Vlaamse regelgeving, geen MER moest worden opgesteld, dat de richtlijn 85/377 EEG geen rechtstreekse werking heeft en dat deze richtlijn bovendien enkel van toepassing is op nieuwe inrichtingen, en niet op bestaande inrichtingen. 3.3. De tussenkomende partij beklemtoont eveneens dat de vergun- ningsaanvraag werd ingediend vóór de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse regering 23 maart 1989 en er aldus, met toepassing van artikel 21 van dat besluit, geen MER was vereist. Zij betwist dat deze interpretatie niet conform zou zijn met de bepalingen van de voormelde richtlijn, enerzijds omdat een richtlijnconforme interpretatie volgens haar niet mogelijk is en anderzijds omdat er volgens haar geen horizontale directe werking aan de richtlijn kan worden toegekend. 3.4. In de memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen dat er ten tijde van de milieuvergunningsaanvraag, op 3 april 1997, wel degelijk een MER-verplichting bestond. Zij verwijzen voorts naar artikel 3.9 van VII-36.717-7/13 het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 en, "uiterst ondergeschikt", naar de rechtstreekse toepasselijkheid van de richtlijn 85/337/EEG. Zij stellen dat deze richtlijn laattijdig werd omgezet, zodat er vanaf 3 juli 1988, zijnde de datum waarop de richtlijn moest zijn omgezet in het nationale recht, een richtlijnconforme interpretatie geldt. Voorts wijzen zij er op dat er ten tijde van de bestreden beslissing eveneens een MER-plicht bestond, waarvoor de grondslag wordt gevonden in bijlage II, 7, f, bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieu- effectrapportage (hierna : besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004), dat het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 heeft opgeheven, zodat volgens hen ook dit besluit is geschonden. 3.5. De verwerende partij betwist in haar laatste memorie de rechtstreekse verticale werking van de richtlijn 85/337/EEG. Zij beklemtoont dat een niet tijdig of behoorlijk omgezette richtlijn wel rechten kan doen ontstaan van een rechtsonderhorige tegenover de overheid, maar niet tussen rechtsonderhorigen onderling. 3.6. De tussenkomende partij beklemtoont in haar laatste memorie nog dat artikel 3. 31, g), van het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 pas werd ingevoegd bij besluit van de Vlaamse regering van 10 maart 1998 en slechts in werking trad op 30 april 1998. Voorts meent zij dat een niet-correcte omzetting van een bepaling uit een richtlijn tot gevolg heeft dat een nationaalrechte- lijke instantie zich hierop tegenover een particulier niet kan beroepen wat volgens haar concreet betekent dat de overheid de opmaak van een MER niet kon afdwingen van de tussenkomende partij. Zij stelt dat de verplichting voor de overheid om bepaalde projecten te onderwerpen aan een MER rechtstreeks samenhangt met de verplichting voor de particulier om voor bepaalde projecten een MER op te maken en besluit daaruit, met verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie, dat de verzoekende partijen zich niet kunnen beroepen op de schending van de verplichting een MER op te stellen, nu deze plicht rechtstreeks samenhangt met de verplichting van de tussenkomende partij om een MER op te stellen. In ondergeschikte orde suggereert zij aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen. VII-36.717-8/13 Beoordeling 3.7. De Vlaamse MER-regelgeving is het gevolg van de omzetting van de richtlijn 85/337/EEG. Artikel 4.2 van deze richtlijn luidde, ten tijde van het indienen van de aanvraag, als volgt : "Onder voorbehoud van artikel 2, lid 3, bepalen de lidstaten voor de in bijlage II genoemde projecten:
  2. a)door middel van een onderzoek per geval of
  3. b)aan de hand van door de lidstaten vastgestelde drempelwaarden of criteria, of het project al dan niet moet worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10. De lidstaten kunnen besluiten om beide onder
  4. a)en
  5. b)genoemde procedures toe te passen". In bijlage II bij de richtlijn worden onder meer vermeld : "7. Voedings- en genotmiddelenindustrie (...)
  6. f)Installaties voor het slachten van dieren". In het Vlaamse Gewest gebeurde de omzetting van de richtlijn eerst door de opname van de categorie "installaties voor het slachten van dieren met een verwerkingscapaciteit van 50.000 ton vlees per jaar of meer" in artikel 3.31, g), van het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 en later door de opname van een categorie "installaties voor het slachten van dieren met een verwerkingsca- paciteit van 30.000 ton levend gewicht per jaar of meer" in bijlage II, 7, f), bij het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004. Vóór 3 juli 1988 (artikel 12 van de richtlijn) moest door de lidstaten worden beoordeeld of de kenmerken van "installaties voor het slachten van dieren" (bijlage II, 7, f), bij de oorspronkelijke tekst van de richtlijn) het noodzake- lijk maakten om de betreffende vergunningsprocedures aan een MER-plicht te onderwerpen. De lidstaten moesten daartoe ofwel bepaalde projecttypes specifice- ren, ofwel criteria en/of drempelwaarden vaststellen (artikel 4.2 van de oorspronk- elijke tekst van de richtlijn). 3.8. De omzetting van de eerste versie van de richtlijn is in het Vlaamse Gewest pas gebeurd door het invoegen van artikel 3.31, g), in het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989, en dit bij besluit van de Vlaamse regering van 10 maart 1998, in werking getreden op 30 april 1998, dus bijna 10 jaar VII-36.717-9/13 na het verstrijken van de termijn opgelegd door de eerste versie van de richtlijn 85/337/EEG. Die wijziging gebeurde als gevolg van het arrest van het Hof van Justitie nr. C-133/94 van 2 mei 1996, waarbij werd geoordeeld dat de richtlijn niet volledig en correct in het Belgisch intern recht was omgezet, ondermeer precies doordat in het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 niet alle projecten van bijlage II bij de richtlijn waren opgenomen. Ondertussen is op 13 april 1997 een wijziging van de richtlijn in werking getreden (wijziging bij richtlijn 97/11/EG van 3 maart 1997), waardoor de lidstaten voor de projecten van bijlage II bij de richtlijn voortaan door middel van een onderzoek per geval, of aan de hand van door de lidstaten vastgestelde drempelwaarden of criteria, moeten bepalen of het project al dan niet moet worden onderworpen aan een MER-beoordeling. Deze wijzigende richtlijn moest worden omgezet vóór 14 maart 1999. De milieuvergunningsaanvraag die tot de bestreden beslissing heeft geleid, dateert van 3 april 1997. Die aanvraag werd dus ingediend bijna negen jaar nadat het Vlaamse Gewest had moeten bepalen welke installaties voor het slachten van dieren MER-plichtig zijn, en elf maanden nadat het Hof van Justitie België had veroordeeld omdat dit nog niet was gebeurd. De bestreden beslissing beroept zich erop dat deze laattijdige omzetting nog niet was gebeurd toen de aanvraag werd ingediend. De omzetting van de richtlijn in het intern recht mag echter geen overgangsbepalingen bevatten voor aanvragen die pas worden ingediend nadat de termijn voor omzetting reeds is verstreken. Het is om die reden dat artikel 21 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 strijdig is met de richtlijn. De correcte omzetting van de richtlijn zou minstens hebben gevraagd dat voor het verlenen van de bestreden vergunning zou zijn nagegaan of een MER was vereist. Bij het verlenen van de bestreden vergunning heeft de verwerende partij toepassing gemaakt van artikel 21 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989, dat bepaalde dat voor aanvragen, daterend van voor de inwerkingtreding van dat besluit, een vergunning kon worden verleend zonder dat een MER was opgesteld, hetgeen echter in strijd is met de richtlijn. 3.9. Een richtlijn is bestemd voor de overheid. Dit neemt echter niet weg dat de correcte omzetting ervan in het intern recht kan inhouden dat aan particulieren verplichtingen moeten worden opgelegd. Een particulier kan zich bij een niet-correcte omzetting niet rechtstreeks tegenover een andere particulier op de directe werking beroepen. Dit is niet het geval wanneer de overheid bij een correcte VII-36.717-10/13 omzetting zichzelf een verplichting had moeten opleggen die ook verplichtingen had meegebracht voor die andere particulier. Dit blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie nr. C-201/02 van 7 januari 2004, waarin wordt overwogen dat loutere negatieve gevolgen voor de rechten van derden, zelfs wanneer zij vaststaan, geen rechtvaardiging zijn om een particulier het recht te ontzeggen zich ten aanzien van de betrokken lidstaat te beroepen op de bepalingen van een richtlijn (HvJ C-201/02, Wells, nr. 57). De verplichting voor de betrokken lidstaat om ervoor te zorgen dat de bevoegde instanties de exploitatie van een inrichting aan een milieueffectenbe- oordeling onderwerpen, is niet rechtstreeks verbonden met de uitvoering van een verplichting die krachtens de richtlijn 85/337/EEG op de eigenaars van deze inrichting rust (HvJ C-201/02, Wells, nr. 58). De verzoekende partijen beroepen zich in het huidige geval, tegenover de overheid, op de verplichting die door de richtlijn aan die overheid wordt opgelegd, om bepaalde projecten vergunningsplichtig te stellen en aan een MER te onderwerpen. In zo'n geval wordt, in tegenstelling tot wat de tussenkomende partij beweert, geen directe horizontale werking ingeroepen. Aangezien er een volledige MER-procedure bestond en bestaat, en ook de categorieën van MER-plichtige projecten waren en zijn vastgelegd, is er wat dat betreft geen probleem voor de verzoekende partijen om zich te beroepen op de directe werking van de duidelijke en onvoorwaardelijke bepalingen van de richtlijn bij het aanvechten van de toepassing van de overgangsmaatregel van artikel 21 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989. De vraag of de vergunning voor een project al dan niet aan een MER moet worden onderworpen, is, in tegenstelling tot wat de verwerende partij beweert, geen bijkomstige formaliteit, gelet op de gevolgen voor de beoordeling door de overheid en voor de inspraakmo- gelijkheden door derden. Te dezen was die vraag zeker relevant, aangezien blijkt dat eenzelfde vergunningsaanvraag bij de laattijdige omzetting inderdaad als MER- plichtig werd aangewezen. Vermits de draagwijdte van de directe werking van de richtlijn werd verduidelijkt in het arrest van het Hof van Justitie nr. C-201/02 van 7 januari 2004, moet, in tegenstelling tot wat de tussenkomende partij in haar laatste memorie suggereert, daarover geen prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie worden gesteld. Het middel is gegrond, VII-36.717-11/13 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen ten aanzien van de eerste ver- zoekende partij. Artikel 2. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 7 juli 2006 waarbij de beroepen, aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 28 juli 1997 houdende het verlenen van de vergunning aan de NV EXPORTSLACHTHUIS G. DE COSTER om een slachthuis, gelegen aan de Bruggestraat 140a te Ruiselede, verder te exploiteren en te veranderen door wijziging en uitbreiding, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. Artikel 3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-36.717-12/13 Artikel 4. De kosten van de vordering tot schorsing, ingediend door de eerste verzoekende partij, bepaald op 175 euro, komen te haren laste. De kosten van de vordering tot schorsing, ingediend door tweede verzoeker en derde verzoekster, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig april tweeduizend en negen, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-36.717-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.592 Gerelateerde publicatie(
  7. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.168.999 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.